Nr. 16/05386 Zitting: 4 juli 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 26 april 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens, onder 1, “witwassen”, onder 2, “opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument”, onder 4, “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”, onder 5, “de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en, onder 6, “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Het genoemde arrest bevat tevens enkele bijkomende beslissingen van het hof met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de bewezenverklaring van het onder 5 vermelde feit. Het gaat hierbij om de verscheping van een partij cocaïne van 139,7 kg in een container vanuit Brazilië naar Antwerpen. Het schip dat de container vervoerde is tussen 29 en 30 november 2013, komende vanaf de Noordzee, de Nederlandse territoriale wateren binnengevaren en is vervolgens via de Westerschelde naar Antwerpen (België) gevaren en daar op 30 november 2013 aangekomen. Op 3 december 2013 is de container opgehaald door een containerbedrijf en vervolgens naar een terrein van dit bedrijf in Antwerpen gebracht. Op 5 december 2013 zijn daar bij het lossen van de container tussen zakken koffiebonen vijf sporttassen met daarin 139,7 kg – naar later bleek – cocaïne aangetroffen. Deze cocaïne is dus op enig moment tussen 29 of 30 november 2013 via de Nederlandse territoriale wateren ingevoerd en vervolgens 30 november via de Westerschelde uit Nederland weer uitgevoerd naar België. Verdachte is van medeplegen van zowel de invoer als de uitvoer door het hof veroordeeld. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van de onder 5 tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en het medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van een partij van 139,7 kilogram cocaïne. De steller van het middel betoogt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de tenlastegelegde invoer en uitvoer van cocaïne heeft medegepleegd, nu uitgaande van de bewijsmiddelen de verdachte pas gedragingen en handelingen heeft verricht, nadat de container waarin zich de cocaïne bevond in België was gearriveerd. Voor zover het hof in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat ook dergelijke gedragingen strafbaarheid ter zake van het (medeplegen van het) invoeren en vervolgens weer uitvoeren van verdovende middelen kunnen opleveren, getuigt dit oordeel volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting. 4.1. Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezen verklaard dat: “hij in de periode van 29 oktober 2013 tot en met 30 november 2013, via de Westerschelde en de Noordzee, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 139,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne; en hij op 30 november 2013, via een grensovergang plaatselijk gelegen op de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 139,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.” 4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Aangezien het middel niet zozeer betrekking heeft op hetgeen het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen zelf heeft afgeleid maar meer gericht is tegen de bewijsredenering waarmee het hof aan de hand van de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden tot zijn bewijsbeslissing is gekomen, volsta ik hier wat betreft de weergave van de bewijsvoering van het hof met de volgende nadere bewijsoverwegingen die betrekking hebben op het onder 5 bewezenverklaarde: “Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde in- en uitvoer van cocaïne. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die in de periode van 3 tot en met 16 december 2013 met de profielnaam “[C]” de in het dossier vermelde pinggesprekken heeft gevoerd. Voorts heeft de raadsman gesteld dat het niet meer dan een aanname is dat de genoemde pinggesprekken over cocaïne gingen en de deelnemer aan die gesprekken heeft geweten dat de container cocaïne bevatte. Voor zover uit de inhoud van de pinggesprekken kan volgen dat er wetenschap was van een illegale inhoud van de container hoeft dat niet zonder meer betrekking te hebben op cocaïne. Dat er daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen in de container is een wetenschap die eerst achteraf bekend is geworden. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat, voor zover kan worden aangenomen dat het de verdachte is geweest die de genoemde pinggesprekken heeft gevoerd, niet is gebleken dat hij handelingen heeft verricht die waren gericht op het in- en/of uitvoeren van cocaïne en als dit al het geval zou zijn, dat niet kan worden vastgesteld dat hij daardoor als medepleger van het ten laste gelegde kan worden aangemerkt. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. De verdachte is op 16 december 2013 aangehouden op de luchthaven Schiphol. Hij had een geldbedrag van € 40.655 en 7 mobiele telefoons in zijn bezit. In één van deze telefoons (een Blackberry 9320 met pin [001], hierna: telefoon [001]) zijn zogenoemde pinggesprekken aangetroffen die met die telefoon onder de profielnaam “[C]” zijn gevoerd met gesprekspartners die gebruik maakten van de profielnamen “[D]” en “[E]”. De pinggesprekken hebben plaatsgevonden tussen 3 december 2013 en 15 december 2013 (p. 246 e.v.). In een pinggesprek, gevoerd tussen [C] en [D] op 3 en 4 december 2013, is gesproken over een auto die er niet was en die al weg was van de binnenplaats. Vervolgens heeft [D] een cijfer/letterreeks doorgegeven aan [C], te weten: “BL booking [003]”. [D] heeft [C] daarbij duidelijk gemaakt dat deze op het internet moest kijken om te zien of het gisteren al naar het bedrijf was gegaan. [C] heeft hierop geantwoord dat het nummer dat [D] hem heeft gegeven het “bill of loading nummer” is en voorts dat om 03.00 uur twee van zijn vrienden opnieuw naar binnen zouden gaan “om er een voor de auto te geven”. Op 4 en 5 december 2013 heeft [C] pinggesprekken met [D] [E] gevoerd waarin is gesproken over verzegelingen, over de naam [A] sa, over BL Booking [003] en over het toegang krijgen tot ‘de binnenplaats’ en dat daar door [C] met anderen naar binnen is gegaan. Voorts is op de daarop volgende dagen gesproken over een container en dat er niets in bleek te zitten, over de mogelijkheid dat de douane de container zou hebben meegenomen naar een andere plek en over het verkrijgen van informatie om ‘het’ op te helderen. Tevens is gesproken over het feit dat het op het nieuws zou zijn als er door de douane iets gevonden zou zijn (p. 250-256). Uit informatie van het Douane Informatiecentrum (p. 293-294) is gebleken dat het nummer BL [003] is gebruikt bij de rederij “Grimaldi Lines”. Vanuit Vitoria, Brazilië, was een zending verscheept in een container met nummer [002] met bestemming Antwerpen. Het schip dat de container vervoerde is op 30 november 2013, komende vanaf de Noordzee, de Nederlandse territoriale wateren binnengevaren en vervolgens via de Westerschelde naar Antwerpen (België) gevaren (p. 295 en 778 e.v.), alwaar het op 1 december 2013 is aangekomen. De verzender van de container was [A] te Brazilië. Op 3 december 2013 is de container opgehaald door het bedrijf [B] en vervolgens geplaatst op het omheinde terrein bedrijf van het bedrijf op het adres [a-straat 1] te Antwerpen. Op 5 december 2013 zijn daar bij het lossen van de container tussen zakken koffiebonen vijf sporttassen met daarin 139,7 kg – naar later bleek – cocaïne aangetroffen. Drie van de telefoons die bij de verdachte bij zijn aanhouding zijn aangetroffen, waaronder telefoon [001], hebben in de periode 30 november 2013 tot en met 6 december 2013 zendmasten in België aangestraald, met name in Antwerpen (dossier doorgenummerde p. 310-319 en 795). Daarnaast bleek de toegangscode van telefoon [001] gelijk aan de toegangscode van twee andere bij de verdachte aangetroffen telefoons, waaronder een Blackberry 9320 met pinnummer [010] (hierna: roze telefoon) (p. 263-264). De roze telefoon bleek evenals telefoon [001] “[C]” als profielnaam te hebben. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de “[C]” van de roze telefoon is en dat hij in ieder geval tot 2 of 3 december 2013 de gebruiker van de telefoon [001] is geweest. In het bijzonder springt nog in het oog de omstandigheid dat de roze telefoon van de verdachte op 2 maart 2013 te 9.38 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast, uitgerekend op het adres [a-straat 1] te Antwerpen. Het hof is van oordeel dat uit bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat de verdachte degene is die onder de naam [C] de pinggesprekken met [D] en [E] heeft gevoerd. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat niet hij, maar een zekere ‘[G]’ van 2 of 3 december 2013 tot kort voor de aanhouding van de verdachte gebruik maakte van telefoon [001] en dus onder de profielnaam “[C]” pinggesprekken heeft gevoerd, stelt het hof terzijde, nu op geen enkele wijze het bestaan van deze [G], laat staan diens betrokkenheid bij het ten laste gelegde, aannemelijk is geworden. Verder staat buiten redelijke twijfel dat de pinggesprekken zagen op de container waarin de 139,7 kilogram cocaïne is aangetroffen. Het verweer dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het om cocaïne zou gaan kan niet slagen, aangezien uit de pinggesprekken zonder meer blijkt dat de verdachte en de andere deelnemers aan die pinggesprekken op zoek waren naar de container en bezorgd waren dat de douane de inhoud van die container zou hebben onderschept. Voor de verdachte geldt nog in het bijzonder dat uit die gesprekken ook volgt dat hij de nodige inspanningen heeft verricht om op het terrein van [B] te geraken. Uit een en ander leidt het hof af dat de verdachte en zijn mededaders wisten welke waardevolle waar zich in die container bevond. In het andere geval laten de gesprekken en de moeite die de verdachte zich met betrekking tot de container heeft getroost zich simpelweg niet verklaren. Nu de inhoud van de container inderdaad cocaïne bleek te betreffen, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte (en zijn mededaders) wist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.