16/05057 mr. G.R.B. van Peursem 20 oktober 2017 Conclusie inzake: [eiseres] (hierna: [eiseres] ), eiseres tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt tegen Primagaz Nederland B.V. (hierna: Primagaz NL), Compagnie des Gaz de Pétrole “Primagaz” (hierna: Primagaz Frankrijk en gezamenlijk Primagaz), verweersters in cassatie, advocaten: mrs. D.M. de Knijff en C.J.A. Seinen Levert het opnieuw vullen door een derde van een door de merkhouder verhuurde vaste gastank in de tuin van een particulier (buiten toestemming) merkgebruik door die derde op? En is dat ook merkinbreuk volgens art. 2.20 lid 1 sub a BVIE - hierna ook kortweg inbreuk “sub a” genoemd (gebruik van een identiek teken als het merk voor dezelfde waar in het economisch verkeer)? Rechtbank en hof komen in deze zaak tot zo’n merkinbreukverbod “sub a”. [eiseres] bestrijdt in cassatie dat sprake is van gebruik van het merk ‘Primagaz’, meent dat sprake is van uitputting van dit merk en dat [eiseres] ’s beroep op zijn interpretatie van de merkenrechtelijke functieleer had moeten worden gehonoreerd. Aan de orde komt of het Shell/Walhout-arrest van het Benelux Gerechtshof (BenGH) nog overeind staat, althans met inachtneming van de inmiddels in de Europese merkenrechtspraak uitgekristalliseerde functieleer, of dat hier vervolgens juist is toegepast en of hier inderdaad geen sprake is van uitputting volgens de leer uit de Viking/Kosan-zaak. Ik zie de cassatiepoging niet slagen. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Primagaz NL verhandelt vloeibare gassen in onder meer stalen gastanks (hierna: de gastanks), welke zijn voorzien van het Benelux woordmerk ‘Primagaz’. Primagaz Frankrijk is houdster van het woordmerk en Primagaz NL is exclusief licentiehouder van het merk voor de Benelux. 1.2 [eiseres] verhandelt eveneens vloeibare gassen middels het verkopen en hervullen van losse gasflessen, alsmede door het (her)vullen van grote gastanks bij haar klanten aan huis. 1.3 Primagaz NL heeft een gastank voorzien van het ‘Primagaz’-beeldmerk verhuurd aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Hiertoe heeft [betrokkene 1] een standaard “Primagaz overeenkomst van tankhuur en gasverkoop” (hierna: de Primagaz-overeenkomst) getekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: “(...) 1. Primagaz verhuurt hierbij aan huurder, gelijk huurder in huur aanvaardt, 1 stalen tank(
(2e)bestrijdt vervolgens de voorlaatste zin van rov. 3.7.1. Dat is een miskenning dat uitputting van het merk meebrengt dat Primagaz zich niet langer tegen gebruik van haar merk kan verzetten, tenzij de merkhouder gegronde vrees heeft zich tegen verdere verhandeling te verzetten (vgl. art. 7 lid 2 MRi). De stelplicht en bewijslast van dat laatste rust op Primagaz. Het oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is dus onjuist. Of hier is de juiste bewijslastverdeling miskend, of er is sprake van een onbegrijpelijk oordeel. Ook het oordeel dat de huurovereenkomst na ommekomst van de initiële periode van zes jaar per jaar kan worden opgezegd om met een concurrent in zee te gaan, miskent dat het gaat om de vraag of [eiseres] kan worden verboden aan [betrokkene 1] te leveren, of [eiseres] merkinbreuk heeft gepleegd en of zij daardoor onrechtmatig heeft gehandeld. 2.48 Deze klacht is voor een deel gericht tegen een overweging ten overvloede (“nog daargelaten dat ...”), zodat [eiseres] daarbij geen belang heeft. Verder neemt de klacht tot uitgangspunt dat sprake is van uitputting van het merk Primagaz, maar het hof oordeelt juist dat dit niet zo is, hetgeen in de voorafgaande delen van het middel zoals we hebben geconstateerd tevergeefs wordt bestreden in cassatie. Daar stuit deze klacht op af. 2.49 Subonderdeel 2.2.5 is louter voortbouwend en kan zodoende ook niet tot cassatie leiden. Afbreuk aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk 2.50 Onderdeel 2.3 komt op tegen rov. 3.8.1, waarin het beroep van [eiseres] en haar interpretatie van de functieleer wordt verworpen: “3.8.1 Het hof stelt voorop, onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot grief II is overwogen, dat het in de voorliggende zaak gaat om een aan Primagaz c.s. toebehorende vaste tank met het merk “Primagaz” die aan [betrokkene 1] op exclusieve basis is verhuurd en niet om verkoop van een losse gasfles, die de uitputting van de daarop rustende merkrechten met zich meebrengt. Aangezien - anders dan in de Viking/Kosan zaak - [eiseres] (naar zij zelf erkent) bij hervulling van de tank van [betrokkene 1] geen aanvullende etikettering heeft aangebracht, behoeft het hof niet te beoordelen wat de uitkomst van deze procedure zou zijn indien [eiseres] die aanvullende etikettering wel had aangebracht. Met het hervullen van de gastank heeft [eiseres] inbreuk gemaakt op de merkrechten van Primagaz c.s. Het beroep van [eiseres] op de barre weersomstandigheden, een nagenoeg lege tank bij [betrokkene 1] en de mededeling van Primagaz NL dat zij niet direct aan [betrokkene 1] zou kunnen leveren, staan aan dit oordeel niet in de weg. Naar Primagaz c.s. heeft aangevoerd - en [eiseres] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist - had [betrokkene 1] nog rekeningen openstaan bij Primagaz NL en heeft hij, gelet op de weersomstandigheden, te lang gewacht met het bestellen van nieuw gas. Door slechts af te gaan op de mededelingen van [betrokkene 1] heeft [eiseres] het risico genomen met het hervullen van de gastank merkinbreuk te plegen. Het verweer van [eiseres] dat de naam “Primagaz” niet op de bij [betrokkene 1] aanwezige gastank stond, althans door sneeuw niet zichtbaar was, acht het hof - mede gelet op het feit dat [eiseres] in het verleden in opdracht van Primagaz c.s. gas heeft afgeleverd - onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 terecht en op goede gronden geoordeeld dat door het ontbreken van aanvullende etikettering afbreuk aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk op die grond niet kan worden uitgesloten. Aangezien [eiseres] in dit verband in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren heeft gebracht, neemt het hof het oordeel van de rechtbank en de daarbij behorende motivering over en maakt deze tot de zijne. De grief kan niet slagen.” Rov. 4.6 van het rechtbankvonnis, waar naar wordt verwezen in rov. 3.8.1, luidt als volgt: “4.6 Het beroep van [eiseres] op de functieleer als vermeld in dat arrest althans in de daarbij behorende conclusie van advocaat-generaal Kokott slaagt evenmin. [eiseres] heeft immers - anders dan in de Viking/Kosan zaak - geen aanvullende etikettering aangebracht op de gastank zodat afbreuk aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk op die grond niet kan worden uitgesloten. Dat het [betrokkene 1] bekend is dat de gastank is nagevuld door [eiseres] laat voorts onverlet dat derden - zoals huisgenoten of bezoekers van [betrokkene 1] - die met de gastank worden geconfronteerd, de indruk zullen hebben dat de gastank gas bevat die afkomstig is van Primagaz c.s. Dat geen sprake is van doorverkoop van het gas door [betrokkene 1] aan derden maakt dit niet anders. Of het gas van [eiseres] kwalitatief gezien gelijk is aan het gas van Primagaz c.s., wat daar verder ook van zij, doet evenmin ter zake. Het gaat erom dat Primagaz c.s. de kwaliteit van het gas noch de inachtneming van de veiligheidsvoorschriften en de door haar voorgestane gebruikelijke standaardcontroles kan waarborgen. Het beroep van [eiseres] op HR 15 oktober 1999, NJ 2000/101 gaat niet op nu de daarin geformuleerde eis (aanmerkelijk kans op gevaarzetting) ziet op de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen en niet op de vraag of het hervullen door [eiseres] afbreuk kan doen aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk van Primagaz c.s. De vraag of tevens afbreuk gedaan wordt aan de andere functies van het merk behoeft derhalve geen beantwoording meer.” Hof en rechtbank achten hier op juiste en begrijpelijke wijze beslissend dat niet kan worden uitgesloten dat essentiële merkenfuncties (herkomst- en kwaliteitsgarantiefunctie) kunnen worden aangetast door het handelen van [eiseres] (vullen zonder duidelijk kenbaar te maken dat door een ander dan de merkhouder is hervuld). Dat is een correcte toets aan de maatstaven van de functieleer. De merkenrechtelijk onjuiste uitleg die [eiseres] aan de Europese merkenrechtelijke functieleer wil geven is terecht verworpen in feitelijke instanties. De daartegen gerichte klachten stranden. We lopen ze na. Het onderdeel bestaat uit vier subonderdelen, waarvan het derde weer verder is onderverdeeld. 2.51 Subonderdeel 2.3.1 klaagt dat het hof in de eerste alinea van rov. 3.8.1 een “‘volstrekt onbegrijpelijke uitleg” van [eiseres] ’s derde grief heeft gegeven. [eiseres] heeft de functieleer subsidiair in stelling gebracht voor het geval haar beroep op uitputting zou falen. Grief III legt niet de vraag voor wat er uit de procedure zou zijn gekomen als [eiseres] wel aanvullende etikettering zou hebben aangebracht, maar draagt aan dat (zeker) indien aanvullende etikettering zou worden aangebracht een verbod voor de toekomst dient te worden afgewezen. Nu het hof dit verweer geheel onbesproken laat, is zijn oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd. 2.52 Voorop staat dat uitleg van processtukken een feitelijke beslissing is die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De samenvatting die het hof in rov. 3.8 geeft van [eiseres] ’s derde grief (vgl. mvg 52-55) is bepaald niet onbegrijpelijk. Ik begrijp [eiseres] ’s standpunt hier zo, dat een inbreukverbod voor de toekomst zou moeten worden afgewezen, omdat zij aanvullende etikettering zou kunnen gaan aanbrengen, waarna zij merkenrechtelijk zou vrijlopen. Dat is veel te kort door de bocht en alleen al buiten de orde, nu hier feitelijk helemaal geen sprake is geweest van aanvullende etikettering door [eiseres] . Van de rechter wordt niet gevergd zich over niet voorgedaan hebbende eventualiteiten uit te laten. Het is een betoog in dezelfde lijn als: er is geen inbreukverbod voor de toekomst gerechtvaardigd, want er kan alsnog een met boete versterkte onthoudingsverklaring worden getekend. Vaststaat hier dat geen aanvullende etikettering is aangebracht. Daar ketst deze klacht al op af. Dit klemt nog te meer als bedacht wordt dat [eiseres] al een onthoudingsverklaring had getekend in het verleden (voor gasflessen), maar in de aanloop naar deze procedure niet bereid was zonder voorwaarden een onthoudingsverklaring voor tankvulling te tekenen. 2.53 Subonderdeel 2.3.2 klaagt dat onjuist en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is dat de rechtbank in rov. 4.6 oordeelt dat er door de leverantie door [eiseres] afbreuk kan worden gedaan aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk en het hof dit in weerwil van grief III overneemt en tot zijn oordeel maakt. Immers: de rechtbank miskent hiermee dat de herkomstfunctie zich richt tot degene die afnemer/contractuele wederpartij is en zich niet ook uitstrekt tot toevallige voorbijgangers, huisgenoten of bezoekers van [betrokkene 1] ; in dat kader is evenmin van belang dat Primagaz de kwaliteit van het gas noch de inachtneming van de veiligheidsvoorschriften en de door haar voorgestelde gebruikelijke standaardcontroles kan waarborgen. In cassatie moet als hypothetisch feitelijke grondslag gelden dat het gas van [eiseres] kwalitatief gezien gelijk is aan het gas van Primagaz en het hof heeft bovendien vastgesteld en van belang geacht dat [eiseres] vroeger voor Primagaz reed en toen kennelijk gekwalificeerd genoeg was om bij klanten een tank te vullen. Dat en waarom dit nu tot vrees voor overtreding van veiligheidsvoorschriften zou leiden is (zonder nadere toelichting van Primagaz) onbegrijpelijk; onbegrijpelijk is dat en waarom, wanneer, naar [betrokkene 1] weet, [eiseres] de gastank heeft gevuld en niet Primagaz, er voor Primagaz geen rol is weggelegd voor de kwaliteit en veiligheid; Primagaz had – als zij daar prijs op stelt – bij [eiseres] zelf de controle die zij stelt periodiek uit te voeren, kunnen verrichten. 2.54 Ook dit subonderdeel kan niet slagen. Het komt neer op niet veel meer dan de zaken omkeren en is deels een herhaling van de vergeefse klacht uit subonderdeel 2.1.2. Ik herhaal dat bij het (feitelijke) onderzoek naar de (potentiele) afbreuk aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk als merkenrechtelijke maatman geldt de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende consument, waarmee niet de effectieve eindgebruiker wordt bedoeld maar iedere consument die potentieel met de betreffende waren in aanraking komt. Ook mag rekening worden gehouden met post-sale confusion bij derden, zoals volgt uit Arsenal/Reed. Primagaz heeft persistent onderbouwd gesteld dat de hier aan de orde zijnde essentiële merkenfuncties door het vulgedrag van [eiseres] in het geding zijn (vgl. inl. dgv. 22 (dreigende afbreuk reputatie merk, geen controle op zorgvuldigheid mogelijk, ongevallenrisico dat bij verwezenlijking kan afstralen op Primagaz), comparitieaantekeningen 1e aanleg 21, 24 en 25 (kwaliteitsgarantiefunctie, standaardcontroles aan tanks worden om bedrijfseconomische redenen gedaan tijdens hervullen) en mva/mvg inc 21 en 22 (kwaliteitsgarantiefunctie, tegengaan free-rider gedrag door [eiseres] , aansprakelijkheidsrisico’s). In dat licht is het oordeel in feitelijke instanties dat de afwezigheid van doorverkoop door de afnemer en dat het gas zelf kwalitatief hetzelfde zou zijn (de juistheid daarvan wordt overigens in het midden gelaten) niet ter zake doet voor de vraag of essentiële merkenfuncties door de hervulpraktijk van [eiseres] kunnen worden aangetast natuurlijk verre van onjuist of onbegrijpelijk. De klacht faalt. 2.55 Subonderdeel 2.3.3 richt zich tegen de passage uit rov. 3.8.1 dat [eiseres] met het hervullen van de gastank inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten van Primagaz. Dit is volgens de klacht onjuist of onbegrijpelijk, nu: dit oordeel voortbouwt op rov. 3.6.1 en 3.7.1. zodat het slagen van de onderdelen 2.1 en 2.2 ook rov. 3.8.1 aantast; en het hof hier miskent dat uit Viking/Kosan volgt dat wanneer een partij een lege gasfles door een ander bedrijf laat vullen dan degene wiens merk op de gasfles staat vermeld, het aan die partij wel duidelijk zal zijn dat er geen band bestaat tussen het bedrijf dat de fles vult en de merkhouder. Voor zover uit de eerste zin van rov. 3.8.1 moet worden afgeleid dat het hof van mening is dat dit anders zou zijn nu het hier niet gaat om een losse gasfles, maar om een vaste tank, gaat het hof of uit van een onjuiste rechtsopvatting, of is zijn oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Immers is niet bepalend wat de aard of omvang is van het te vullen object, maar of de partij aan wie (uiteindelijk) wordt geleverd redelijkerwijs kon twijfelen over de herkomst van het geleverde gas. 2.56 Voor zover dit subonderdeel een op de onderdelen 2.1 en 2.2 voortbouwende klacht is, faalt dit om de bij de behandeling van die klachten aangegeven redenen. Ook overigens is deze klacht niet terecht, nu in wezen weer wordt aangevoerd dat voor aantasting van de herkomstfunctie alleen naar [betrokkene 1] als afnemer had moeten worden gekeken en niet naar derden. Dat is onjuist. Uit de aangevallen passages blijkt als gezegd dat het hof op juiste en begrijpelijke wijze toetst of aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk afbreuk kan worden gedaan. Daaruit blijkt ook helemaal niet dat het hof hierbij bepalend heeft geacht dat sprake is van een vaste gastank in plaats van losse gasflessen, zodat dit deel van de klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest. Opnieuw is in de klacht sprake van een onjuiste uitleg van Viking/Kosan. Daar strandt het subonderdeel op. 2.57 Subonderdeel 2.3.4 valt uiteen in vier sub-subonderdelen gericht tegen rov. 3.8.1 (hiervoor weergegeven in 2.50) en ook 3.10.1: “3.10.1 Zoals hiervoor onder 3.6.1 reeds is overwogen, heeft [eiseres] onvoldoende gemotiveerd betwist dat Primagaz NL eigenaar is van de bij [betrokkene 1] aanwezige gastank. Tevens blijkt uitde tussen Primagaz NL en [betrokkene 1] gesloten overeenkomst (zie 3.1.3) dat [betrokkene 1] (slechts) huurder van de gastank is en daarmee slechts houder voor Priamgaz NL. Het beroep van [eiseres] op de goede trouw, voor zover al relevant, moet eveneens stranden. Vaststaat dat de gastank op zeer duidelijke wijze was voorzien van het ‘Primagaz’-beeldmerk. Vastsaat voorts dat [eiseres] een professioneel handelaar is in gas en een periode bij Primagaz werkzaam is geweest en geacht moet worden bekend te zijn geweest met de ten deze bestaande onderlinge verhoudingen, waaronder dat particuliere afnemers zelden of nooit eigenaar zijn van de gastank op hun terrein. [eiseres] heeft om die reden op eigen risico vertrouwd op de mededeling van [betrokkene 1] dat zij de gastank mocht vulen, nog daargelaten dat deze mededeling niet behelst dat [betrokkene 1] eigenaar van de tank is. Dat niet alle gastanks met de merknaam “Primagaz” eigendom van Primagaz c.s. zijn, maakt dit oordeel niet anders. De grief faalt.” Terecht kwalificeert Primagaz’ s.t. onder 59 de klachten van de nu volgende subonderdelen als een herhaling van het betoog in feitelijke instanties, gericht op een feitelijke herbeoordeling, waarvoor in cassatie geen plaats is. Daar zou bij de bespreking van deze klachten mee kunnen worden volstaan. Ik loop ze niettemin inhoudelijk na. 2.58 Subonderdeel 2.3.4-I voert aan dat het hof miskent (met zijn oordeel: “Het verweer van [eiseres] dat de naam “Primagaz” niet op de bij [betrokkene 1] aanwezige gastank stond, althans door sneeuw niet zichtbaar was, acht het hof – mede gelet op het feit dat [eiseres] in het verleden in opdracht van Primagaz c.s. heeft afgeleverd – onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbijgegaan”) dat Primagaz nergens heeft betwist dat het merkrecht van Primagaz op de bewuste dag bedekt was met sneeuw, zodat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat door te oordelen dat [eiseres] die stelling onvoldoende zou hebben onderbouwd vanwege art. 149 Rv, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Dit raakt ook het oordeel van het hof in rov. 3.10.1 dat de gastank op zeer duidelijke wijze was voorzien van het ‘Primagaz’-beeldmerk. 2.59 Dit aangevallen feitelijke oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk – en van schending van art. 149 Rv is opnieuw geen sprake. De nauwelijks serieus te nemen stelling van [eiseres] inzake sneeuwbedekking van de tank is inhoudelijk weersproken door Primagaz, al meteen bij dagvaarding onder 10 en 30: in het zeldzame geval dat er een zodanige hoeveelheid sneeuw valt dat het volledige logo van Primagaz wordt afgedekt, kan die sneeuw eenvoudig worden weggeschoven. De positie van [eiseres] in deze is terecht blijven steken op stelplicht, zodat aan bewijslevering niet werd toegekomen. De klacht faalt. 2.60 Subonderdeel 2.3.4-II klaagt dat rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.10.1. oordeelt: “Vaststaat voorts dat [eiseres] (…) een periode bij Primagaz werkzaam is geweest en geacht moet worden bekend te zijn geweest met de ten deze bestaande onderlinge verhoudingen, waaronder dat particuliere afnemers zelden of nooit eigenaar zijn van de gastank op hun terrein.” [eiseres] verwijst in dit verband naar het door hem aangevoerde zoals vermeld in het p-v i.e.a. op p. 3 en in zijn plta h.b. 19-21. 2.61 Ook dit slaagt niet. De beslissing dat bepaalde feiten al dan niet vaststaan, is een feitelijke beslissing die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Gelet op wat daarover door Primagaz in feitelijke instanties is aangevoerd, is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. 2.62 Subonderdeel 2.3.4-III richt zich op de passage uit rov. 3.8.1 dat onvoldoende is bestreden dat [betrokkene 1] nog rekeningen had open staan en te laat had gewacht met gas bestellen en [eiseres] door alleen op mededelingen van [betrokkene 1] af te gaan het risico van merkinbreuk heeft genomen. De klacht is volgens [eiseres] gelet op het partijdebat op dit punt onjuist of onbegrijpelijk. [eiseres] voert aan dat het hof miskent dat niet relevant is of [betrokkene 1] bij Primagaz nog nota’s open had staan en of dit niet betwist zou zijn door [eiseres] , nu vast staat dat Primagaz niet kon leveren vanwege de vorstperiode. Voor zover [eiseres] zo klaagt dat het hof ten onrechte aan zijn merkinbreukoordeel ten grondslag heeft gelegd dat [betrokkene 1] nog nota’s had openstaan bij Primagaz, is sprake van een verkeerde lezing van het arrest, nu het hof dit aankaart ter onderbouwing van zijn oordeel dat [eiseres] ’s disculpatieberoep op de barre weersomstandigheden, een nagenoeg lege tank en de mededeling van Primagaz NL dat zij niet direct aan [betrokkene 1] kon leveren, niet opgaat. Voor zover de klacht gericht is tegen de passage uit rov. 3.10.1 dat [eiseres] “om die reden [dat [eiseres] een professioneel handelaar is in gas en een periode bij Primagaz werkzaam is geweest en geacht moet worden bekend te zijn geweest met de ten deze bestaande onderlinge verhouding, waaronder dat particuliere afnemers zelden of nooit eigenaar zijn van de gastank op hun terrein – A-G] op eigen risico heeft vertrouwd op de mededeling van [betrokkene 1] dat zij de gastank mocht vullen” onjuist en onbegrijpelijk is, moet dat worden verworpen op de grond dat dit een feitelijk oordeel is dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst en dat dit gelet op het door Primagaz ter zake aangevoerde (weergegeven bij de behandeling van subonderdeel 2.3.4-III) niet onbegrijpelijk is. Als de klacht moet worden opgevat dat wordt aangevoerd dat sprake is van een geldige reden voor de hervulling door [eiseres] , en daardoor geen sprake van merkinbreuk, is dat merkenrechtelijk onjuist, omdat een “sub a”-inbreuk geen geldige reden escape kent. 2.63 Subonderdeel 2.3.4-IV klaagt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.10.1 dat het beroep op goede trouw voor zover al relevant moet stranden, miskent dat een inbreuk op een merk een species is van een onrechtmatige daad, zodat er geen sprake is van onrechtmatig handelen wanneer [eiseres] niet wist en ook niet behoorde te weten dat hij merkinbreuk pleegde. Dit is ook merkenrechtelijk onjuist, nu dit geen aan een merkinbreukverbod “sub a” te stellen vereiste is (het speelt hooguit een rol bij eventuele schadevergoeding). 2.64 Subonderdeel 2.3.4-V is weer een louter voortbouwende klacht, die zodoende ook strandt. Geen “bloot-afvuller” 2.65 Met onderdeel 2.4 richt [eiseres] zijn pijlen op rov. 3.9.1: “3.9.1 De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep van [eiseres] op voornoemd arrest [Winters/Red Bull – A-G] niet opgaat. In die zaak was Winters uitsluitend een voor het publiek onzichtbare dienstverlener, terwijl [eiseres] het gas zelf verkoopt en aflevert. De grief faalt.” Dit is juist en ook hier wil [eiseres] een onjuiste uitleg van Winters/Red Bull ingang doen vinden. Volgens [eiseres] heeft het Hof van Justitie in Winters/Red Bull vier voorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan om niet van merkgebruik te kunnen spreken. Een dienstverlener moet in opdracht en volgens aanwijzingen van een derde verpakkingen afvullen die door hem door deze derde ter beschikking zijn gesteld en waarop daaraan voorafgaand door diens toedoen een teken is aangebracht. [eiseres] betoogt dat aan de eerste drie voorwaarden is voldaan. Het enige (volgens [eiseres] niet cruciale) verschil tussen Winters/Red Bull en onze zaak is dat het merk op de verpakking niet door toedoen van een derde op de verpakking is aangebracht, maar door toedoen van de merkhouder zelf. 2.66 Dit betoog faalt. Zoals hiervoor al in 2.12 is aangestipt, had Winters in opdracht en met instructies van een derde/concurrent van Red Bull (louter) afvuldiensten verricht met van haar opdrachtgever ontvangen nieuwe, lege blikjes waar al een beweerdelijk inbreukmakend teken op was aangebracht, zonder die afgevulde blikjes naar die opdrachtgever te vervoeren. Het enige wat Winters deed was de blikjes vullen en sluiten voor de opdrachtgever. Levering en/of verkoop van die blikjes door Winters aan derden was niet aan de orde; Winters bleef voor de buitenwacht “buiten beeld”. De prejudiciële vraag was of zo’n dienstverlener als Winters, die in opdracht en volgens aanwijzingen van een derde (alleen maar) verpakkingen afvult die hem door deze derde ter beschikking zijn gesteld en waarop door die derde daaraan voorafgaand een met een merk overeenstemmend teken is aangebracht, zelf gebruik maakt van dit teken. Nee, was het antwoord: de dienstverlener voert dan slechts een technisch gedeelte van het productieproces van het eindproduct uit – hij zorgt uitsluitend voor de technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik daarvan door de opdrachtgever. Dit “bloot-afvullen” kan naar zijn aard niet worden vergeleken met diensten ter bevordering van de verkoop van producten die van dergelijke tekens zijn voorzien en daardoor ontstaat geen verband tussen die tekens en de afvuldiensten. Het afvulbedrijf is immers niet zichtbaar voor de consument, zodat zijn diensten niet met die tekens kunnen worden geassocieerd. Het is helder dat dit niet [eiseres] positie is in onze zaak (vgl. eveneens hiervoor in 2.12), zoals rov. 3.9.1 terecht en begrijpelijk vaststelt. De klacht is tevergeefs. 2.66 Onderdeel 2.5 bevat een veegklacht die het lot van de voorgaande (sub)onderdelen deelt. Proceskostenveroordeling 2.67 Onderdeel 2.6 klaagt over de proceskostenveroordeling in het incidenteel appel. Het hof veroordeelt Primagaz c.s. in de kosten daarvan, maar begroot die aan de zijde van [eiseres] op nihil. Volgens [eiseres] is dit in strijd met met art. 237 Rv, althans on(voldoende) -begrijpelijk. Er is geantwoord in het incidentele appel en er zijn evident kosten gemaakt, zodat die nihilstelling niet deugt. 2.68 In eerste aanleg hebben partijen over en weer aanspraak gemaakt op een proceskostenvergoeding volgens art. 1019h Rv. De rechtbank compenseerde, omdat beide zijden over en weer deels gelijk en ongelijk hadden gekregen (merkinbreuk toegewezen, maar schadevergoeding afgewezen). Daar richtte [eiseres] in (principaal) appel grief VII tegen: kostencompensatie volgens [eiseres] onterecht. Nu uit de overige grieven zou blijken dat de vorderingen van Primagaz hadden moeten worden afgewezen en [eiseres] in het gelijk had moeten worden gesteld, had Primagaz ingevolge art. 1019h Rv veroordeeld moeten worden in de werkelijke kosten van het geding gevallen aan de zijde van [eiseres] (mvg 77 en petitum onder III). Primagaz heeft hierop gereageerd door te stellen dat Grief VII zelfstandige betekenis mist en dat als de inbreukvordering van Primagaz onverhoopt alsnog zou worden afgewezen, zij zich op dit punt refereert aan het oordeel van het hof (mva/mvg inc. 39). Primagaz heeft incidenteel geappelleerd (niet tegen haar afgewezen schadevordering van in hoofdsom € 363,83, maar) met als enige grief dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd: nu de gevorderde schadevergoeding in geen verhouding staat tot het belang van de principiële vraag of [eiseres] onder de gegeven omstandigheden inbreuk op het merkrecht van Primagaz maakt, maakt Primagaz aanspraak op vergoeding van tenminste een groot deel van haar IE-handhavingskosten (mva/mvg inc. 40). [eiseres] voert daar verweer tegen bij antwoord in incidenteel appel. Het hof verwerpt het incidenteel appel met kostenveroordeling gesteld op nihil (rov. 3.15 en petitum van het bestreden arrest). 2.69 Volgens de hoofdregel van art. 237 Rv wordt de partij die bij vonnis (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten veroordeeld. De kosten mogen geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd als partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat het debat in appel (dat zich niet meer uitstrekte over de schadevordering, in de afwijzing waarvan Primagaz c.s. heeft berust) zich materieel in wezen uitsluitend concentreerde op het gevorderde merkinbreukverbod. Dat het ondergeschikte puntje van de ook in appel terecht geoordeelde proceskostencompensatie niet op een te honoreren kostenpost is begroot, is ter discretie van de feitenrechter en niet onbegrijpelijk, waar bij komt dat dergelijke proceskostenveroordelingen nauwelijks motivering behoeven. Daarop strandt deze klacht. 2.72 In onderdeel 2.7 (dat geen klacht bevat) maakt [eiseres] aanspraak op proceskosten in cassatie volgens art. 1019h Rv. Nu de klachten volgens mij niet slagen, zal dat, indien gevolgd, niet leiden tot een kostenveroordeling ten gunste van [eiseres] . Mocht Uw Raad tot een ander oordeel komen, dan speelt nog dit. [eiseres] heeft op 13 maart 2017 een kostenspecificatie naar Primagaz gestuurd. Dit was nadat de zaak door partijen schriftelijk was toegelicht (op 3 maart 2017) maar vóór re- en dupliek (op 17 maart 2017). Nu voor de vraag of de kostenspecificatie tijdig is ingediend bepalend lijkt te zijn of de wederpartij zich hiertegen nog naar behoren kan verweren, moet de kostenspecificatie van [eiseres] volgens mij als tijdig worden aangemerkt nu Primagaz hier nog bij dupliek op heeft kunnen reageren. 3Conclusie Ik concludeer tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Benelux-Verdrag van 25 februari 2005 inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), Trb. 2005,96, zoals laatstelijk gewijzigd op 22 juli 2010, Trb. 2010, 236 (i.w.tr. 1 oktober 2013). BenGH 20 december 1993, A92/1, ECLI:NL:XX:1993, AD2007, NJ 1994/637, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1994/45, m.nt. J.H. Smits (Shell/Walhout). HvJEU 14 juli 2011, C-46/10, ECLI:EU:C:2011:485, NJ 2013/282, m.nt. M.R.F. Senftleben, IER 2011/69 (Viking/Kosan). Ontleend aan rov. 3.1.1-3.1.13 van het bestreden arrest: Hof Amsterdam 28 juni 20016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2496. Rb. Noord-Holland 14 mei 2014, zaaknummer / rolnummer: C/15/204116 / HA ZA 13-295. De in eerste aanleg ook gevorderde schadevergoeding is afgewezen door de rechtbank, vandaar de proceskostencompensatie. In appel heeft Primagaz berust in deze afwijzing (vgl. MvA/MvG inc. 3). Ik signaleer dat de procesdossiers op enkele punten van elkaar afwijken. De volgende items uit procesdossier gefourneerd door Primagaz zijn niet in het procesdossier afkomstig van [eiseres] terug te vinden: (
- i)item 5 (prod. 26 zijdens Primagaz), (
- ii)item 16 (prod. 19 zijdens [eiseres] ) en (iii) item 17 (staat van kosten in hoger beroep zijdens Primagaz). Een deel van item 4 uit het procesdossier van [eiseres] (de aantekeningen t.b.v. de comparitie van 19 december 2013 zijdens Primagaz, zoals die achter het p-v zijn te vinden) is niet in het procesdossier van Primagaz terug te vinden. HvJEU 15 december 2011, C-119/10, ECLI:EU:C:2011:837, NJ 2014/125 (Winters/Red Bull GmbH). Inl. dgv. 19: “Voor zover wordt geoordeeld dat van merkinbreuk ex artikel 2.20 lid 1 sub a BVIE geen sprake zou zijn, beroept Primagaz zich subsidiair op artikel 2.20 lid 1 sub c en d BVIE.” Vgl. HvJEU 18 juni 2009. C-487/07, ECLI:EU:C:2009:378, NJ 2009/576, m.nt. Spoor (L’Oréal/Bellure). Vgl. art. 2.20 lid 1 sub c en sub d BVIE. De eerste Merkenrichtlijn (MRi) had toen al bijna een jaar geïmplementeerd moeten zijn, maar dat was toen nog niet gebeurd in de Benelux: Richtlijn 89/104/EG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, Pb EG 1 februari 1989, L 40/1, zoals gewijzigd door Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (gecodificeerde versie), Pb EU 8 november 2008, L 299/25. Art. 5 lid 1 sub a uit Ri 89/104/EEG is inhoudelijk hetzelfde als art. 13A lid 1, aanhef en onder 1 BMW waar het BenGH arrest over wees en die “sub a”-bepaling verschilt ook niet van de huidige “sub a”-bepaling uit art. 2.20 lid 1 sub a BVIE die weer spoort met art. 5 lid 1 sub a van de gecodificeerde MRi 2008/95/EG en van art. 10 lid 2 sub a van de op 12 januari 2016 in werking getreden MRi: Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (herschikking), Pb EU 23 december 2015, L 336/1 (die bepaalt dat op 15 januari 2019 MRi 2008/95/EG zal worden ingetrokken, vgl. art. 55, zodat de nieuwe MRi (EU) 2015/2436 pas op dat moment van kracht wordt; de richtlijn is al wel in werking, zodat de implementatietermijn inmiddels “loopt”). Het gaat telkens om gebruik in het economische verkeer van een teken gelijk aan het merk gebruikt voor dezelfde waren. In Shell/Walhout was kennelijk nog niet het besef doorgedrongen dat de daarin uitgelegde “sub a”-bepaling richtlijnconform moest worden uitgelegd, welke uitleg uiteindelijk aan het (toen nog) HvJEG was. De conclusie van plv. A-G Mok wees er in 2.2.1 wel op dat de MRi in de Benelux niet tijdig was geïmplementeerd en dat de nationale rechter verplicht is richtlijnconform te interpreteren, maar constateerde in 2.2.3 dat de “sub a”-bepalingen uit BMW en MRi inhoudelijk niet verschillen, “(...) zodat de kans klein is dat (...) de uitleg van die bepaling van de BMW, waarop de eerste twee in deze zaak gestelde vragen betrekking hebben, door de richtlijn zal worden beïnvloed.” Dat zou nu niet meer zo worden gezien, nu duidelijk is dat sprake is van volledige harmonisatie t.a.v. aan merken verbonden rechten, zie bijv. HvJEU 3 juni 2010, C-127/09, ECLI:EU:C:2010:313 (Coty Prestige Lancaster Group), punt 27. Zie voetnoot 2. BenGH 6 november 1992, ECLI:NL:XX:1992:AB9577, NJ 1993/454, m.nt. D.W.F. Verkade (Valeo). Onder 11, vindplaats voetnoot 2. Deze kritiek is inmiddels deels ondervangen door L’Oréal/eBay, HvJEU 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474, NJ 2012/525, m.nt. J.H. Spoor, IER 2011/158, m.nt. C. Gielen, waarin werd geoordeeld dat de merkhouder zijn uitsluitende recht uit art. 5 van de MRi niet kan inroepen als het om een privé-activiteit gaat (punt 55). Dat ecarteert Verkade’s voorbeeld van de gestrande automobilist die met een Shell-jerrycan bij Esso benzine ophaalt bijv. Zie Hof ’s-Gravenhage 3 november 1994, ECLI:NL:GHSGR:1994:AM2180, BIE 1996/38 (ADG/Braber), hervulling gemerkte en overgedragen gasflessen, rov. 10, Hof Amsterdam 9 juli 1998, ECLI:NL:GHAMS:1998:AM2749, BIE 2002/21 (Van der Neut/Primagaz), hervulling verhuurde gemerkte agrarische vaste gastank, rov. 4.12-4.15, het arrest na verwijzing Hof Den Bosch 22 april 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF5787, NJ 2003/133 (Benegas/ [A]), ook hervulling gemerkte vaste verhuurde gastank, rov. 3.3.4-3.3.7; beroep op misbruik van merkrecht verworpen in rov. 3.3.8-3.3.13, Vzr. Rb. Amsterdam 18 augustus 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BR5357, IER 2011/70, m.nt. A.M.E Verschuur (Heineken/Olm), fusten en kelderbierinstallaties, rov. 5.8 (voor fusten; kelderbierinstallaties vullen verboden o.g.v. o.d., merkenrechtelijke grondslag daarvoor onbesproken gelaten), Rb. Midden-Nederland 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4722 (Bakkerij ’t Stoepje), hervulling niet overgedragen broodkratten v.z.v. merk, rov. 4.11-4.16. In beide laatstgenoemde uitspraken is getoetst aan de uitputtingsleer uit het te bespreken arrest Viking/Kosan en aan de eveneens nog te bespreken functieleer van het HvJEU. In HvJEU 3 maart 2016, C-179/15, ECLI:EU:C:2016:134, NJ 2017/120, m.nt. Ch. Gielen (Daimler), punten 39-41; zie ook punten 34 en 36, is gebruik als merk inmiddels aldus nader uitgelegd (zij het in een hele andere context, nl. gebruik in internetadvertenties niet (langer meer) door of namens vermeend inbreukmaker geplaatst, waarin commerciële band wordt gesuggereerd tussen die derde en merkhouder en die derde dat ondanks te vergen inspanningen niet heeft weten te stoppen) dat vereist is een actieve gedraging en een rechtstreekse of indirecte controle over de handeling waarin het gebruik bestaat. Dat kan richting geven hoe is aan te kijken tegen de kwalificatie gebruik als merk in onze zaak, maar is daartoe zeker niet (alleen) beslissend. Vgl. Hacker in Ströbele/Hacker, MarkenG, 11. Auflage 2014, § 14 Rdn. 157: “Ebenso stelt das Abfüllen (...) einer eigenen oder Drittware in ein vom Markeninhaber mit der Marke gekennzeichnetes Behältnis eine rechtsverletzende Benutzung dar” onder verwijzing naar BGH GRUR 1957, 84, 86 Einbrandflasche; BGH GRUR 2005, 162, 163 SodaStream (BGH 24.06.2004 I ZR 44/02); OLG Köln GRUR-RR 2003, 104 Handreinigungsmittelflasche; OLG Hamburg GRUR-RR 2003, 101, 102 Pflasterspender; OLG Düsseldorf Mitt 2001, 377, 378 Wiederverwendbare Gaszylinder II; OLG Frankfurt GRUR 2000, 1062 Wiederbefüllte Toner-Kartuschen; en voor Oostenrijks recht: ÖsterOGH Öbl 2005, 76 Soda-Club; ÖsterOGH Öbl 2007, 70, 71 Primagaz. Hacker constateert dat deze kwestie is “offen gelassen” in HvJEU Winters/Red Bull waar we later nog over komen te spreken. Zie ook Hacker, Markenrecht, 4. Auflage 2016, Rn. 550 (niet met andere verwijzingen dan hiervoor genoemd in zijn boek van twee jaar eerder). Conclusie voor Viking/Kosan punten 18-19 (vindplaats voetnoot 3) en voor Winters/Red Bull punt 20 (vindplaats voetnoot 7). Ook uit punt 34 van laatstgenoemd arrest is af te leiden dat dit als acte clair kan gelden (maar ik geef toe dat uit die laatste vindplaats op zich ook kan worden afgeleid dat het nog een open kwestie is). Hacker in Ströbele/Hacker, MarkenG, 11. Auflage 2014, § 14, Rdn. 157 onder verwijzing naar de SodaStream uitspraak van het BGH (vindplaatsen vorige voetnoot) en BGH GRUR 2006, 763, 764 (Nr 14
- ff)Seifenspender (BGH 16.03.2006 I ZR 51/03) en daarin bevestigend OLG Köln GRUR-RR 2003, 104, 105 Handreinigungsmittelflasche. Volgens Hacker is dit in wezen vergelijkbaar/verenigbaar met de Viking/Kosan-uitspraak die we verderop nog tegen komen: “der Sache nach auch EuGH GRUR Int 2011, 827 Viking Gas (dort mit Erschöpfung begründet, was jedoch nicht zutrifft, da der Fremdbefüller nicht die in Verkehr gebrachte Ware, sondern seine eigene unter der auf dem Behältnis angebrachten Originalmarke vertreibt)”. Als andersluidende beslissing is nog vermeld: OLG Hamburg GRUR-RR 2003, 101, 102 f Pflasterspender. In Seifenspender was overigens geen sprake van eigendomsoverdracht, maar van bruikleen van de metalen houder (en overigens is deze zaak erg specifiek, omdat in de metalen houder nog een kunststof zeephouder van een derde met een duidelijk leesbaar etiket werd geplaatst, zodat volgens het BGH de consument o.g.v. de metalen verpakking niet (dwingend) zal menen dat de kunststof zeepfles die daar in zit van de merkhouder van de metalen houder afkomstig zal zijn. Conclusie punten 36-37 (vindplaats voetnoot 3). De A-G verwijst in dit verband naar HvJEG 12 november 2002, C-206/01, ECLI:EU:C:2002:651, NJ 2003/265, m.nt. M.R. Mok, IER 2003/10, m.nt. Ch. Gielen (Arsenal/Reed), L’Oréal/Bellure, vindplaats voetnoot 9, HvJEU 23 maart 2010, C-236-238/08, ECLI:EU:C:2010:159, NJ 2012/523, m.nt. J.H. Spoor (Google France en Google) en HvJEU 8 juli 2010, C-558/08, ECLI:EU:C:2010:416, NJ 2012/524, m.nt. J.H. Spoor (Portakabin/Primakabin). Zie HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841, NJ 2015/183, m. red. aant., (GS/ [B]), rov. 5.2.5 en de daar genoemde Europese rechtspraak. Vindplaats voetnoot 7. Arrest na verwijzing: HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2057, IER 2014/10, m.nt F.W.E. Eijsvogels (Winters/Red Bull). Zie o.a. Arsenal/Reed, vindplaats voetnoot 18, HvJEG 12 januari 2007, C-48/05, ECLI:EU:C:2007:55, IER 2007/28, m.nt. Ch. Gielen (Opel/Autec), L’Oréal/Bellure, vindplaats voetnoot 9, Google France en Google, vindplaats voetnoot 18 en HvJEU 22 september 2011, C-323/09, ECLI:EU:C:2011:604, NJ 2012/526, m.nt. J.H. Spoor, IER 2011/71, m.nt. C. Gielen (Interflora/Marks & Spencer). In deze zin ook A-G Kokott in haar conclusie vóór Viking/Kosan, vindplaats voetnoot 3. Volgens IER-annotator Gielen onder Opel/Autec, vindplaats voetnoot 21, is deze regel in strijd met het systeem van de MRi dat voorziet in absolute bescherming van het exclusieve recht in geval van gebruik van het identieke merk voor identieke waren. Evenzo Steinhauser, Het na- of hervullen en inwisselen van gemerkte verpakkingen, BIE 2011, p. 248. NJ-annotator Senftleben is blijkens zijn noot onder Viking/Kosan, vindplaats voetnoot 3, juist een uitgesproken voorstander van deze benadering. De door het hof gekozen uitputtingsleer compliceert de zaken onnodig volgens hem. Vindplaats voetnoot 21. Vgl. J. Muyldermans, De maatman in het merkenrecht, BMM Bulletin 2015/3, p. 112. Vindplaats arrest voetnoot 18, punt 57. In gelijke zin ook Gielen in zijn IER-noot bij dit arrest en Cohen Jehoram/Van Nispen/Huydecoper, Industriële eigendom 2 2008/8.7.5.6, waar wordt opgemerkt dat post-sale confusion zich met name voor kan doen in het geval van (o.a.) hervulde verpakkingen. Cohen Jehoram/Van Nispen/Huydecoper, Industriële eigendom 2 2008/8.7.5.6. Steinhauser, Het na- of hervullen en inwisselen van gemerkte verpakkingen, BIE 2011, p. 248-251. Zie ook zijn BIE-noot onder de KG uitspraak in eerste aanleg die voorafging aan onze bodemzaak, Vzr. Rb. Noord-Holland 29 januari 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ5651, BIE 2013/4. NJ-noot onder Viking/Kosan, onder 5, vindplaats voetnoot 3. Vindplaats voetnoot 18. Vindplaats voetnoot 21. Steinhauser, a.w. voetnoot 27, p. 248. Zie in dit verband ook: Gielen/Geerts, T&C IE, commentaar op art. 2.20 BVIE, onder 7 en Gielen, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2017/VI.5.323, waar wordt opgemerkt dat te verdedigen valt dat een dergelijke toets in strijd is met de bedoeling van de MRi (de bescherming is absoluut) en met art. 16 lid 1 tweede zin TRIPs-overeenkomst. Dat is Europees merkenrechtelijk niet langer heersende leer. Je zou hier ook kunnen zeggen: zonder heretikettering is al snel sprake van gevaar voor post sale confusion. In de aanbiedingsbrief van 13 oktober 2016 merkt [eiseres] op dat mogelijk prejudiciële vragen dienen te worden gesteld, nl. of er sprake is van ‘gebruik’ (en daarmee merkinbreuk) door de vuller van een gastank bij een eindgebruiker, als die gastank op het enkele verzoek van de eindgebruiker wordt gevuld, waarbij het dan aan die eindgebruiker bekend is dat hij geen gas van de merkhouder krijgt en ook dat er geen band is met die merkhouder. Naar mijn mening is alleszins te verwachten dat deze vraag gelet op het nu vigerende stelsel dat uit de rechtspraak opdoemt positief moet worden beantwoord en dan is het stellen van prejudiciële vragen op dit punt niet vereist. Met het oog op de eventualiteit van het stellen van prejudiciële vragen kunnen partijen zich daar nog nader over uitlaten bij Borgersbrief. Zie HvJEU 3 maart 2016, C-179/15, ECLI:EU:C:2016:134, NJ 2017/120, m.nt. Ch. Gielen (Daimler). Stienhauser, a.w. voetnoot 27, p. 249. BenGH 9 juli 1984, ECLI:NL:XX:1984:AG4838, NJ 1985/01, m.nt. L. Wichers Hoeth, BIE 1985/20 (Tanderil). BenGH 7 november 1988, ECLI:NL:XX:1989:AC0036, NJ 1989/300, m.nt. L. Wichers Hoeth, BIE 1989/8 (Omnisport); vgl. over het al dan niet afwijken van Shell/Walhout t.o.v. deze arresten de BIE-annotatie van Spoor onder laatstgenoemd arrest, vindplaats voetnoot 2. HvJEG 30 november 2004, ECLI:EU:C:2004:759 (Peak Holding). Onder verwijzing naar naar MvG 4-6. Verwezen wordt naar MvG 7-14. Onder verwijzing naar MvG 9, 11, 12-14. [eiseres] verwijst hiervoor naar mvg 14. [eiseres] verwijst in dit verband naar mvg 7-15. Verwezen wordt daarvoor naar mvg 14. Zijdens Primagaz: inl. dgv. 34, aantekeningen comparitie i.e.a. 2 en 11, p-v i.e.a. p. 3, mva 13 en 15; zijdens [eiseres] : mvg 21, 27-28 en plta. h.b. 12. Primagaz voert bij s.t. onder 41 nog aan dat het oordeel van het hof dat Primagaz zich de eigendom van de tank heeft voorbehouden het daarop volgende oordeel dat de merken niet zijn uitgeput zelfstandig kan dragen. Ik zie nog wel ruimte voor toepassing van de Viking/Kosan-uitputtingsleer bij langdurige huurcontracten en hoge huurprijzen die (uiteindelijk) uitkomen op een veelvoud van de aanschafprijs (voor de duidelijkheid: een zich niet in onze zaak voordoende situatie). In de tweede regel van de klacht staat tussen gedachtenstreepjes “- door het hof onvoldoende betwiste –“. Dat is niet te plaatsen; mogelijk is bedoeld: “- door het hof onvoldoende betwist geachte -”. “Gelet op de tussen Primagaz NL en [betrokkene 1] gesloten overeenkomst van 12 augustus 2004 betreffende tankhuur en gasverkoop (zie 3.1.3), waarvan Primagaz NL verklaart dat deze overeenkomst ten tijde van het hervullen door [eiseres] nog onveranderd van kracht was, en de verklaring van Primagaz NL dat zij eigenaar is van de betreffende gastank, acht het hof de enkele betwisting van de eigendom van de tank door [eiseres] onvoldoende onderbouwd”. Onder verdere verwijzing naar mvg 30-34. In de cassatiedagvaarding is twee keer subonderdeel 2.2.4 opgenomen. “Voor zover [eiseres] zich erop beroept dat aldus de mededinging op onaanvaardbare wijze wordt beperkt, heeft zij daartoe onvoldoende gesteld, nog daargelaten dat [betrokkene 1] de mogelijkheid heeft de huurovereenkomst met Primagaz NL na ommekomst van de termijn van zes jaar van jaar tot jaar te beëindigen en met een concurrent van Primagaz c.s. in zee te gaan.” Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157. Onder verwijzing naar cva 32-41 en 42-47 en mvg onder 7 en 35-55. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157. Zie o.a. p-v i.e.a, p. 1: “Primagaz Nederland verhuurt al haar tanks in Nederland. (..) [eiseres] is hiervan op de hoogte, want hij heeft in het verleden voor Primagaz Nederland gewerkt. (…) Dat [eiseres] en [betrokkene 1] elkaar kennen wegens een lange zakelijke relatie, is overigens wel een aanwijzing voor het feit dat [eiseres] wel degelijk op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het bestaan en de inhoud van de exclusieve afnamecontacten van Primagaz Nederland.” Zie ook aantekeningen ter comparitie zijdens Primagaz c.s. van 19 december 2013 onder 1: “Deze tanks worden verhuurd aan onder meer particulieren (…)”, onder 3: “Particulieren kopen over het algemeen geen tanks, maar huren deze. Dit, vanwege de lage jaarlijkse huurprijs en vanwege het feit dat zij er dan geen omkijken meer naar hebben.”, onder 4: “Uit de door Primagaz nagezonden producties 17 t/m 23 volgt dat dit, in ieder geval voor particulieren, behoorlijk standaard is.”, onder 5: “In ieder geval verkoopt Primagaz in Nederland geen gastanks aan particulieren. Dit is bekend in de branche en ook bij [eiseres] . Omdat het hier gaat om de core-business van [eiseres] , mag toch worden aangenomen dat hij op de hoogte is van de wijze van bedrijfsvoering van één van zijn belangrijkste concurrenten. Bovendien kent [eiseres] Primagaz al jaren en heeft er zich al eens een soortgelijk geschil tussen partijen voorgedaan. [eiseres] weet dondersgoed dat Primagaz alleen gastanks verhuurd [sic] en dat zij exclusieve afnamecontracten sluiten met haar klanten.” En onder 33: “Bovendien is het, (…), een feit van algemene bekendheid dat er in deze branche veelvuldig gebruik gemaakt wordt van huurovereenkomsten in combinatie met exclusieve afnamecontracten.” [eiseres] verwijst naar de stellingen van Primagaz bij inl. dgv. onder 5 en de stellingen van [eiseres] in mvg 61-63. Dit speelt slechts bij een merkinbreuk op grond van art. 2.20 lid 1 sub c BVIE (zie Cohen Jehoram/Van Nispen/Huydecoper, Industriële eigendom 2 2008/8.8.10). In rov. 4.7 oordeelde de rechtbank dat [eiseres] beroep op Winters/Red Bull faalde nu sprake is van een wezenlijk andere situatie. [eiseres] is geen bloot-afvuller in de zin van: zorgen voor technische voorzieningen nodig om een derde in staat te stellen gas te leveren, maar [eiseres] levert het gas zelf. Onder verwijzing naar mvg 56. In Winters/Red Bull ging het niet om een “sub a”, maar om een “sub b”-geval: het vullen van blikjes voorzien van met de Red Bull merken overeenstemmende tekens. Langs dezelfde lijn is geoordeeld dat het enkele verrichten van opslagdiensten (“warehouse services”) van gemerkte goederen geen gebruik van dat merk door de “warehouser” oplevert, HvJEU 16 juli 2015, C-379/14, ECLI:EU:C:2015:497 (TOP Logistics/Bacardi), punt 45 (zo lang zo’n dienstverlener deze merken niet in zijn eigen commerciële uitingen hanteert, vgl. Annette Kur, Martin Senftleben, European Trademark Law, A Commentary, 2017, par. 5.19). Het hof veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in (principaal) hoger beroep. [eiseres] verwijst bij s.t. onder 2.27 naar prod. 18 bij de mva inc. waar een specificatie van de door de advocaat aan het incidenteel appel bestede uren is overgelegd. Ook wijst [eiseres] op mva p. 4 (petitum) en plta h.b. 39, waaruit zou blijken dat [eiseres] primair de werkelijke kosten ex art. 1019h Rv heeft gevorderd. De Bock, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 1. De Bock, a.w. voetnoot 63, art 237 Rv, aant. 2. Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/462 en 470 en Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht 2015/128. Zo blijkt uit de brief van [eiseres] aan de rolraadsheer van 14 maart 2017 en uit de repliek onder 9-10. Een aanspraak ex art. 1019h Rv kan, mits gespecificeerd, in cassatie ook nog in de schriftelijke toelichting geldend worden gemaakt, nu de wederpartij zich bij repliek resp. dupliek nog naar behoren daartegen kan verweren (HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, NJ 2013/501, m.nt. P.B. Hugenholz (Stokke/H3)). Ook is door Uw Raad geoordeeld dat als pas na de conclusie A-G art. 1019h Rv-kosten worden gespecificeerd, dat te laat is, omdat het partijdebat dan al is gesloten. Dan volgt kostenbegroting op de gebruikelijke wijze, zie Van Nispen, T&C Rechtsvordering, art. 1019h Rv, aant. 11, HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58, m.nt. J.M.B. Seignette (Endstra) en HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik’s Cube). In art. 6 van de nieuwe indicatietarieven voor IE-zaken van 1 april 2017 staat: “De proceskostenopgave wordt in dagvaardingszaken (vorderingsprocedures) gedaan bij de schriftelijke toelichting met daarin - indien daarop aanspraak wordt gemaakt - een p.m.-bedrag voor de kosten te besteden aan repliek respectievelijk dupliek. Bij repliek of dupliek wordt de definitieve opgave gedaan welke niet meer kan bedragen dan de eerder gedane opgave.” Deze nieuwe regeling en tarieven worden toegepast in lopende zaken waarin op 1 april 2017 nog geen schriftelijke toelichting is gegeven, zodat deze nog niet van toepassing zijn op onze zaak, waarin schriftelijk is toegelicht op 3 maart 2017. Ik kaart dit aan omdat Primagaz bij dupliek onder 7 aangeeft dat de kosten van [eiseres] niet tijdig zijn opgegeven en dus op forfaitaire wijze moeten worden begroot.