Nr. 15/05105 Zitting: 26 september 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 25 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam van 3 december 2013, waarbij verdachte wegens “Overtreding van artikel 21 aanhef en onder a van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990” is veroordeeld tot een geldboete van € 780,--. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat de verdachte niet op rechtsgeldige wijze afstand heeft gedaan van de wettelijke oproepingstermijn van tien dagen, die moet liggen tussen de dag van betekening van de oproeping en de dag van de terechtzitting. 3.2. De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in: (I) Een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van verbalisant [verbalisant], opgemaakt op 12 februari 2013, waarin is vermeld dat de bestuurder van een personenauto met kenteken [AA-00-BB] op 1 oktober 2012 de maximumsnelheid buiten de bebouwde kom met 52 km per uur heeft overschreden. Dit motorvoertuig bleek volgens de opgave van de Rijksdienst voor het Wegverkeer dan wel uit een ingesteld nader onderzoek toe te behoren aan de verdachte, waarbij als bezoekadres [a-straat 1], [vestigingsplaats] staat vermeld.(II) Een inleidende dagvaarding om op 3 december 2013 te verschijnen ter terechtzitting bij de kantonrechter te Rotterdam. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding op 13 september 2013 niet kon worden uitgereikt, omdat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen. Vervolgens is op 14 november 2013 een afschrift van de dagvaarding verzonden aan het adres [a-straat 1], [vestigingsplaats]. Tevens is de brief uitgereikt aan de griffier. (III) Een aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2013, waarin de verdachte bij verstek is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 780,00 euro. (IV) Een akte instellen hoger beroep, gedateerd op 27 november 2014. (V) Een dagvaarding van verdachte in hoger beroep te verschijnen op 19 maart 2015 bij het gerechtshof te Den Haag, geadresseerd aan [verdachte], t.a.v. [betrokkene 1], [a-straat 1], [vestigingsplaats]. Aan die dagvaarding is voorts een uittreksel van de Kamer van Koophandel gehecht, dat is gedateerd op 23 januari 2015, en waarin als bestuurders staan opgenomen: [betrokkene 1], geboren [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats], directeur per 19 december 2013 en [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats], directeur per 19 december 2013. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de dagvaarding op 29 januari 2015 aan de [a-straat 1] te Rotterdam is uitgereikt aan [betrokkene 3], die verklaarde in dienstbetrekking te zijn van geadresseerde en bereid te zijn de brief te bezorgen. (VI) Een proces-verbaal ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken bij het gerechtshof Den Haag van 19 maart 2015, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd wordt geschorst naar aanleiding van een reeds op voorhand toegewezen aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte.(VII) Een oproeping van verdachte in hoger beroep om te verschijnen op 25 juni 2015 bij het gerechtshof Den Haag, geadresseerd aan [verdachte], [a-straat 1], 3072 te Rotterdam. Aan de oproeping is een brief met datum 18 juni 2015 gehecht van het ressortsparket te Den Haag aan Politiebureau Feijenoord-Ridderster, inhoudende het verzoek of de politie voor de uitreiking van de oproeping van de bestuurder van [verdachte] zou kunnen zorgdragen, en dat het daarbij van belang is dat de verdachte de oproeping persoonlijk in ontvangst neemt en daarvoor tekent op de bijgaande akte [van uitreiking]. Voorts wordt er in die brief op gewezen dat de verdachte een tweede handtekening dient te zetten waarmee hij verklaart afstand te doen van de 10 dagen termijn, nu de zitting op 25 juni 2015 plaatsvindt. Tot slot staat in deze brief vermeld het verzoek dat indien de bestuurder van [verdachte] niet aanwezig is, ‘dan graag de akte retour met betreffende opmerking (wie u wel heeft aangetroffen/ huis afgebroken/ andere bewoners, etc.)’. De eveneens aan de oproeping gehechte akte van uitreiking, vermeldt dat de oproeping op maandag 22 juni 2015 aan de [a-straat 1] te Rotterdam door een hoofdagent van de politie te Rotterdam is uitgereikt aan office manager [betrokkene 3], die de akte ‘namens [de verdachte]’ voor ontvangst heeft getekend. Tevens heeft zij op voornoemde akte van uitreiking getekend voor afstand van de termijn van 10 dagen, welke moet liggen tussen de dag van betekening van de dagvaarding en de dag van de terechtzitting. (VIII) Een afschrift van de voormelde oproeping geadresseerd aan de raadsman van de verdachte, mr. drs. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam.(IX) Een proces-verbaal ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer voor strafzaken bij het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2015, inhoudende onder meer dat het hof, gelet op de betekeningsstukken in het dossier, verstek verleent tegen de niet-verschenen verdachte en de advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend en niet ter terechtzitting is verschenen.(X) Een aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2015, houdende de niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het hoger beroep. 3.3. Het middel komt ten aanzien van de oproeping van verdachte voor de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep op 25 juni 2015 met name op tegen het kennelijke oordeel van het hof dat aan de vereisten van artikel 265 lid 2 Sv is voldaan. Daartoe formuleert de steller van het middel een drietal deelklachten. Allereerst kan artikel 265 lid 2 Sv geen toepassing vinden aangezien er geen sprake is van een betekening als bedoeld in artikel 587 lid 2 Sv, nu het hof niet heeft vastgesteld dat er sprake is van spoedeisendheid dan wel van enige andere reden die het wenselijk maakte de uitreiking op te dragen aan een ambtenaar van politie. Voorts is er in de onderhavige zaak geen sprake van het “doen opnemen” van een verklaring, houdende de toestemming van de verdachte tot het verkorten van de dagvaardingstermijn zoals bedoeld in artikel 587 lid 2 Sv, nu de betreffende verklaring reeds voorgedrukt was en aan [betrokkene 3] ter ondertekening is voorgelegd. Maar bovenal, zo betoogt de steller van het middel, kan [betrokkene 3] geenszins als vertegenwoordiger van [verdachte] worden gezien, nu zij niet formeel vertegenwoordigingsbevoegd was. 3.4. De verdachte is een rechtspersoon. In het algemeen gelden de regels voor de vervolging en berechting van natuurlijke personen ook ten aanzien van de rechtspersoon. Dat betekent dat op grond van artikel 320 Sv, dat krachtens de schakelbepaling van artikel 415 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard op de procedure in hoger beroep, de verdachte rechtspersoon na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor een onbepaalde tijd, net als een natuurlijk persoon, opnieuw dient te worden opgeroepen. Op grond van artikel 422 lid 1 Sv stelt het gerechtshof naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vast of de uitreiking van die oproeping geldig is. Voor die oproeping geldt, net als bij de dagvaarding, een minimale termijn van tien dagen tussen de dag waarop die oproeping aan de verdachte wordt betekend en de dag van de terechtzitting. Artikel 320 lid 3 Sv verklaart artikel 265 Sv van overeenkomstige toepassing op gevallen waarin de verdachte na een schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd opnieuw dient te worden opgeroepen. Op grond van artikel 265 lid 2 Sv kan, indien de betekening van de dagvaarding, en dus ook de oproeping, plaatsvindt op de wijze als voorzien in artikel 587 lid 2 Sv, de verdachte in de akte van uitreiking een verklaring, inhoudende zijn toestemming tot verkorting van deze termijnen, doen opnemen. Die verklaring moet door de verdachte worden ondertekend. De betekening van de dagvaarding vindt op grond van artikel 587 lid 1 Sv in beginsel plaats door de post. Voornoemd artikel 587 lid 2 Sv vormt op dit uitgangspunt een uitzondering. In spoedeisende gevallen of indien dat om enige andere reden wenselijk is, kan de uitreiking door het openbaar ministerie worden opgedragen aan een ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, dan wel een andere ambtenaar of functionaris, voor zover die ambtenaar of functionaris door Onze Minister van Veiligheid en Justitie daartoe is aangewezen. 3.5. Ten aanzien van de eerste twee deelklachten kan ik betrekkelijk kort zijn. De uitreiking anders dan door de post kan wenselijk zijn als de verdachte op te korte termijn wordt gedagvaard of die termijn is (of dreigt
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.