Nr. 16/02073 Zitting: 26 september 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 10 maart 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens “in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met teruggave aan de uitgevende instantie van het in beslag genomen paspoort zoals in het arrest omschreven. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. 3Het eerste middel 3.1. Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat het gestelde verzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. 3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “Hij op 18 februari 2015 te Amsterdam in het bezit was van een reisdocument, te weten een nationaal paspoort van Tsjechië met nummer [0001] , waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was, bestaande die vervalsing hierin dat de in voornoemd paspoort aangebrachte papierlaag over de zijde van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart (bestemd voor de persoons- en afgiftegegevens), de daaronder liggende originele bladzijde maskeert.” 3.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015039543-5 van 18 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:Op 18 februari 2015 bevond ik mij in burger gekleed en met burgerdienst belast op de Willemsparkweg te Amsterdam. Ik zag een voertuig rijden waarin twee personen zaten. De bestuurder gaf mij het huurcontract van het voertuig alsmede zijn geldige rijbewijs. Hij bleek te zijn [betrokkene 1] . De bijrijder vertelde mij dat hij geen paspoort bij zich had en dat hij [betrokkene 2] heette. Ik heb [betrokkene 2] aangehouden ter zake Wet ID en hij is overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens is aan het politiebureau het paspoort gebracht van [betrokkene 2] . Ik zag dat het een Tsjechisch paspoort betrof voorzien van nummer [0001] . Uit een dactyloscopisch onderzoeksrapport is gebleken dat [betrokkene 2] in werkelijkheid moet zijn [verdachte] . Hierop heb ik het paspoort ter controle aangeboden bij de KMAR.2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2015039543-10 van 19 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] .Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:Op 18 februari 2015 hoorde ik de verdachte het volgende aan [betrokkene 1] vragen: ‘Je weet waar ik leef toch? Hier is mijn huissleutel en ga mijn paspoort halen. Hij zit in mijn jaszak, welke hangt over de stoel ’. Vervolgens is [betrokkene 1] daadwerkelijk aan het politiebureau geweest en overhandigde hij aan een collega het paspoort. 3. Een proces-verbaal van bevindingen met mutatienummer PL27QR/15-014656 van 18 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, documentdeskundige.Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant: Onderzocht document: nationaal paspoort Tsjechië, nummer [0001] ten name van [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975. Conclusie: de thans over de zijde, bestemd voor de persoons- en afgiftegegevens, van de in dit paspoort origineel bevestigde kaart, aangebrachte papierlaag maskeert de daaronder liggende originele bladzijde. Het paspoort is derhalve vervalst.” 3.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 februari 2016 hebben de verdachte en diens raadsvrouw het woord gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota bevat onder meer een opsomming van jurisprudentie die ter onderbouwing van het verweer van de verdediging van belang is geacht. In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw, voor zover van belang, nog het volgende aangevoerd: “Mijn formele verweer is dat het vorderen van het identiteitsbewijs van mijn cliënt op grond van de Wet op de identificatieplicht onrechtmatig was en het aangetroffen vervalste paspoort daarom moet worden uitgesloten van het bewijs. De verbalisant heeft op klaarlichte dag een huurauto staande gehouden waar niets vreemds mee aan de hand was. Aan mijn cliënt, de bijrijder van de staande gehouden auto, is vervolgens door de verbalisant direct, zonder bekend te zijn met zijn naam, gevraagd of hij zijn paspoort kon overhandigen. De enige aanleiding daarvoor was dat de politie interesse had in de omgeving van de bestuurder van die auto. Het uiteindelijke ontdekken van het vervalste paspoort is een rechtstreeks gevolg van het eerdere vorderen van een identiteitsbewijs van mijn cliënt. Ik verzoek u mijn cliënt vrij te spreken.” 3.5. Het hof heeft in het bestreden arrest onder de kop “Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting” (pag. 2) overwogen: “Standpunt van de verdediging. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het aangetroffen vervalste paspoort uitgesloten moet worden van het bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering aan de verdachte tot identificatie en de daaropvolgende aanhouding van de verdachte onrechtmatig zijn geschied. Aangezien het overhandigen van het vervalste paspoort op het politiebureau het rechtstreekse gevolg is van deze onrechtmatige vordering en aanhouding dient dit uitgesloten te worden van het bewijs, aldus de raadsvrouw. Standpunt van het openbaar ministerie. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van een identiteitsbewijs door de verbalisant gerechtvaardigd was, aangezien deze de verdachte eerst heeft gevraagd zich te legitimeren, waarop er een aandachtsvestiging bleek te bestaan op de door de verdachte opgegeven naam. De hierop gevolgde vordering en aanhouding waren rechtmatig, er is dan ook geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), aldus de advocaat-generaal.Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat geen rechtsreeks verband bestaat tussen de aanhouding van de verdachte en het later overhandigen van het vervalste paspoort en dat artikel 359a Sv aldus niet van toepassing is. Overwegingen en oordeel van het hof. Het hof overweegt dat de toepassing van art. 359a Sv beperkt is tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. ‘Het voorbereidend onderzoek’ uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de tot de verdachte gerichte vordering van de verbalisant om een geldig identiteitsbewijs te tonen en de daarop volgende aanhouding van de verdachte enerzijds, en het op later moment op het politiebureau door de verdachte aanbieden van het vervalste paspoort anderzijds. De beweerde onregelmatigheden - wat daar ook van zij - hebben zich aldus niet voorgedaan in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde voorhanden hebben van een vervalst paspoort. Het verweer wordt verworpen.” 3.6. Het middel klaagt in de kern dat de toepassing van de door artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht gegeven (controle)bevoegdheid in het licht van het gegeven dat het gebruik van voornoemde bevoegdheid kennelijk tot doel had ‘de omgeving van de bestuurder van de auto waarin de verdachte de passagier was’ in kaart te brengen mede een observerend en derhalve een strafvorderlijk karakter had, en dat nu het gevorderde tonen van het paspoort uiteindelijk heeft geleid tot de verdenking van overtreding van het ten aanzien van de verdachte bewezenverklaarde feit, het oordeel van het hof dat de beweerde onregelmatigheden zich niet hebben voorgedaan in het kader van het voorbereidend onderzoek van het in deze zaak ten laste gelegde voorhanden hebben van een vervalst paspoort getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd. 3.7. Een blik over de papieren muur leert het volgende. Op woensdag 18 februari 2015 zag verbalisant [verbalisant 1] op de Willemsparkweg een voertuig rijden dat afkomstig bleek te zijn van een autoverhuurbedrijf. De verbalisant heeft op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 het voornoemde voertuig doen stilhouden. Hij heeft vervolgens de bestuurder gevorderd zijn rijbewijs en kentekenpapieren ter inzage af te geven. Daarop is door bestuurder [betrokkene 1] aan de verbalisant het huurcontract van het voertuig en een geldig rijbewijs overgelegd. Omdat de bestuurder veelvuldig bleek voor te komen in de voor verbalisant beschikbare politiesystemen heeft hij ook de bijrijder, die later bleek te zijn de verdachte, gevraagd of hij een geldig paspoort of identiteitsbewijs kon overhandigen. Laatstgenoemde heeft daarop geantwoord dat hij geen paspoort bij zich had. Verdachte heeft daarop zijn personalia opgeschreven en vertelde te zijn: [betrokkene 2] geboren op [geboortedatum] 1975 te Tsjechië. Omdat de naam [betrokkene 2] in de geraadpleegde politiesystemen bleek voor te komen in een aandachtsvestiging heeft de verbalisant [betrokkene 2] gevorderd een geldig identiteitsbewijs over te leggen, waarop verdachte nogmaals aangaf dat hij geen paspoort bij zich had. Bij een fouillering, die met toestemming van de verdachte heeft plaatsgevonden, werd eveneens geen paspoort aangetroffen. Daarop is de verdachte op grond van de Wet op de identificatieplicht aangehouden en is aan hem de cautie gegeven. Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling verkort arrest blijkt dat de verdachte zijn paspoort door [betrokkene 1] heeft laten ophalen en naar het politiebureau heeft laten brengen. Bij controle door de Koninklijke Marechaussee bleek dat het paspoort was vervalst. 3.8. Het hof heeft in de voorliggende zaak in zijn overweging naar aanleiding van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in het midden gelaten of er sprake is geweest van onrechtmatig handelen door de opsporingsambtenaar bij de uitoefening van de controlebevoegdheid op grond van de Wet op de identificatieplicht, en geoordeeld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de tot de verdachte gerichte vordering van de verbalisant om een geldig identiteitsbewijs te tonen en de daarop volgende aanhouding van de verdachte enerzijds, en het op later moment op het politiebureau door de verdachte aanbieden van het vervalste paspoort anderzijds. Het verweer stuit in het oordeel van het hof dus reeds af op het feit dat de toepassing van art. 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. 3.9. Artikel 359a Sv vindt enkel toepassing op vormverzuimen begaan ‘bij het voorbereidend onderzoek’. Met ‘voorbereidend onderzoek’ wordt, in verbinding met artikel 132 Sv bedoeld “het onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen”. In mijn conclusie voorafgaand aan de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2454 inzake de dynamische verkeerscontrole heb ik mij op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het toepassingsbereik van art. 359a Sv uit de literatuur en jurisprudentie kan worden afgeleid dat handelen op grond van een controlebevoegdheid onder omstandigheden (ook) onder het voorbereidend onderzoek kan worden geschaard. Ik schreef daarover, voor zover van belang, (met weglating voetnoten): “(…) R. Kuiper merkt in zijn dissertatie “Vormfouten” op dat de Hoge Raad het toepassingsbereik van art. 359a Sv nader heeft vormgegeven en dat uit een tweetal arresten valt te concluderen dat “art. 359a Sv in beginsel alleen van toepassing is op vormfouten bij de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden in een onderzoek onder verantwoordelijkheid van politie en OM”. Als het gaat om aan de opsporing voorafgaande vormen van toezicht, controle of onderzoek (een grensvlak met het terrein dat door art. 359a Sv wordt bestreken), brengt deze scherpe afbakening van het toepassingsbereik van art. 359a Sv volgens Kuiper mee dat deze bepaling in veel van die situaties niet van toepassing is, nu - zo begrijp ik de auteur - “[het] bij de uitoefening van controlebevoegdheden immers niet [gaat] om uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden in een onderzoek onder verantwoordelijkheid van politie of OM” en “in de gevallen waarin het wel gaat om de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden, een beroep op art. 359a Sv [soms erop afstuit] dat het niet gaat om het voorbereidend onderzoek, zoals gedefinieerd in art. 132 Sv of dat het niet gaat om voorbereidend onderzoek in de aan de rechter ter beoordeling voorliggende zaak”. In die weergave van de stand van zaken valt op dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.