Nr. 16/04412 A Zitting: 3 oktober 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij strafvonnis van 17 december 2015 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof), wegens 1. subsidiair en 2. subsidiair “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen”, wegens 3. en 5. “poging tot het opzettelijk bewegen tot ontuchtige handelingen van iemand die de leeftijd van 18 nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd” en wegens 4. subsidiair “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, een en ander met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Voorts heeft het Gemeenschappelijk Hof een aantal inbeslaggenomen harddisks onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte gelast van een computer en een laptop. Tegen dit strafvonnis heeft de verdachte op 30 december 2015 tijdig cassatieberoep ingesteld. Op 31 augustus 2016 zijn de gedingstukken ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Namens de procureur-generaal bij de Hoge Raad is de aanzegging van de binnenkomst van de processtukken, als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv op 8 september 2016 in zowel het Nederlands als het Papiaments verstuurd aan het parket van de officier van justitie van Bonaire met daarbij het verzoek deze aan de verdachte te doen betekenen. Bij de Hoge Raad is tot op heden evenwel geen cassatieschriftuur ingediend. Dat heeft tot de vraag geleid of de aanzegging aan de verdachte te Bonaire op de juiste wijze is betekend. De voor de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldende regels in de Koninkrijklanden Aruba, Curaçao en Sint Maarten heb ik in mijn conclusie van 11 april 2017 uitvoerig besproken en onderling vergeleken. Voordat ik de vraag beantwoord of in de onderhavige zaak de aanzegging op rechtsgeldige wijze is betekend, komt het mij naar aanleiding van het zich hier voordoende geval nuttig voor om als vervolg op mijn eerdere conclusie enige nadere beschouwingen te wijden aan de positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba binnen het Koninkrijk en om vervolgens de in het Caribische deel van het Koninkrijk gebruikte uitreikingsakten nog eens tegen het licht te houden. 6. Op 10 oktober 2010 is de staatkundige structuur van het Koninkrijk der Nederlanden verregaand gewijzigd. Tot die dag bestond het Koninkrijk uit Nederland, Aruba en de Nederlandse Antillen. De Antillen werden gevormd door Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Sinds ‘10-10-10’ is het Koninkrijk krachtens art. 1 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden samengesteld uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De Antillen zijn op die dag opgeheven, zodat de nog dikwijls als ‘Antilliaans’ aangeduide cassatiezaken, waaronder toch al vaak ook Arubaanse zaken werden verstaan, sindsdien eigenlijk de benaming ‘Caribische zaken’ verdienen. 7. Met ingang van dezelfde historische datum is ook de status van de voormalig Antilliaanse eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba – de zogenoemde BES-eilanden – ingrijpend veranderd. Zij zijn op die dag als openbare lichamen in de zin van art. 134 van de Nederlandse Grondwet deel gaan uitmaken van het staatsbestel van het Europese deel van het Koninkrijk. Terwijl de Koninkrijklanden in beginsel zelfstandig hun nationale aangelegenheden regelen en op basis van gelijkwaardigheid gezamenlijk de belangen van het Koninkrijk behartigen, zijn de BES-eilanden aldus als gewest onderdeel geworden van de hiërarchische structuur van het Rijk in Europa. Voortaan bestrijken derhalve de in de Nederlandse Grondwet aan overheidsorganen van het land geattribueerde bevoegdheden ook het grondgebied van de BES-eilanden en is Nederlandse regelgeving aldaar in beginsel van toepassing. 8. Voor de nieuwe gewesten heeft dat grote gevolgen. Niet alleen geografisch, maar ook in tal van andere opzichten verschilt de samenleving op de BES-eilanden namelijk aanzienlijk van die in het Europese deel van Nederland. Het kan derhalve wenselijk zijn met de plaatselijke omstandigheden rekening te houden en voor de eilanden eigen, afwijkende regels te stellen. Ingevolge het nieuwe art. 1, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kunnen daarom specifieke regels en andere maatregelen worden gesteld met het oog op de economische en sociale omstandigheden, de grote afstand tot het Europese deel van Nederland, hun insulaire karakter, kleine oppervlakte en bevolkingsomvang, geografische omstandigheden, het klimaat en andere factoren waardoor de BES-eilanden zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland. Daarbij moeten de grenzen die het in het thans ook op de BES-eilanden geldende art. 1 van de Grondwet vervatte gelijkheidsbeginsel aan dergelijke differentiatie stelt, uiteraard in acht worden genomen. Volgens de regering heeft de genoemde bepaling dan ook twee doeleinden: zij “verheldert aan de hand van welke factoren binnen de kaders van artikel 1 van de Grondwet een op de specifieke situatie toegesneden differentiatie kan plaatsvinden” en “instrueert de wetgever, het bestuur en de rechter om [met de verschillen tussen Nederland en de BES-eilanden, EH] binnen de kaders van artikel 1 Grondwet rekening te houden”. 9. Van de mogelijkheid tot differentiatie is terstond gebruikgemaakt. De wetgeving die op 10 oktober 2010 op de eilanden van kracht werd, is onder te verdelen in drie categorieën. Ten eerste zijn er volledig nieuwe wettelijke voorschriften die voor de BES-eilanden tot stand zijn gebracht. De Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voorziet bijvoorbeeld in de bestuurlijke inrichting van de drie openbare lichamen. Op de tweede plaats is bestaande regelgeving van Nederlandse origine – al dan niet met aanpassing daarvan – op de BES-eilanden toepasselijk verklaard. Daarbij is van differentiatie geen sprake, maar geldt in de gewesten dus dezelfde wetgeving als op het Europese continent. Voorbeelden van zulke ook op Bonaire, Saba en Sint Eustatius geldende wetten zijn de Wet internationale misdrijven en de Uitleveringswet. Veruit de meeste wettelijke regels behoren echter tot de derde categorie: tal van regels die eerder golden op de voormalige Antillen zijn thans op de BES-eilanden van kracht. 10. Zo ook de Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering van de Nederlandse Antillen. In de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba vindt men welke Nederlandse en Antilliaanse wettelijke voorschriften vanaf de constitutionele reorganisatie van het Koninkrijk toepasselijk zijn op de BES-eilanden. Art. 2, eerste lid van genoemde Invoeringswet verwijst daartoe naar de in de bijlage bij die wet opgenomen Nederlandse en Antilliaanse regelingen, verklaart deze van toepassing en kent daaraan de status toe van wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling, zoals in diezelfde bijlage vermeld. Voor de in deze zaak centraal staande kwestie van de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, is vooral van belang dat de desbetreffende bijlage onder de regelingen die de status van wet verkrijgen ook het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen noemt, dat voortaan de citeertitel Wetboek van Strafvordering BES (hierna: WvSv BES) draagt. Thans zou dus gesteld kunnen worden dat het land Nederland twee algemene Wetboeken van Strafvordering heeft. Het één geldt in het Europese deel, het ander op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 11. Alvorens de voor de onderhavige zaak relevante punten te benoemen waarop het strafprocesrecht van de BES-eilanden verschilt van dat in de rest van Nederland, verdient opmerking dat die verschillen minder groot zijn dan veelal het geval is tussen uit twee verschillende landen afkomstige regelingen van het strafprocesrecht. De Koninkrijklanden hebben elk weliswaar hun eigen strafvorderlijke wetgeving en datzelfde gold destijds voor de Nederlandse Antillen, maar binnen het Koninkrijk wordt er onder meer naar gestreefd om op strafvorderlijk terrein een zekere eenheid te bewaren. Art. 39, eerste lid, van het Statuut onderstreept dit zogenaamde concordantiebeginsel door de landen voor te houden dat een aantal aangelegenheden, waaronder de strafvordering, “zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze” dient te worden geregeld. Dat principe is voor de Caribische landen nader uitgewerkt in de “Samenwerkingsregeling eenvormig procesrecht Aruba, Curaçao en Sint Maarten”, die in art. 3 voorschrijft de strafvordering te regelen bij eenvormige landsverordening. Het resultaat daarvan toont zich in de wetboeken van strafvordering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, welke nagenoeg woordelijk aan elkaar gelijk zijn. Van het voormalig wetboek van strafvordering van de Nederlandse Antillen – en daarmee van het daaruit voortgekomen WvSv BES – wijken die wetboeken enkel noemenswaardig af, voor zover daarin sinds 10 oktober 2010 wijzigingen zijn aangebracht. Voor het overige is het WvSv BES nog steeds welhaast identiek aan het Wetboek van Strafvordering van de landen in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk. Die strafvorderlijke uniformiteit lijkt ook in de toekomst te worden behouden en beoogd wordt zelfs deze te vergroten. Op dit moment is een nieuw Wetboek van Strafvordering voor het Caribisch gebied in voorbereiding. Blijkens de memorie van toelichting bij deze vooralsnog ambtelijke concepttekst, bestaat het voornemen dit Wetboek niet louter in de drie Caribische landen, maar eveneens in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in te voeren. 12. Het streven naar juridische eenheid binnen het Koninkrijk beperkt zich niet tot het terrein van wetgeving. Het concordantiebeginsel is ook voor de rechtspraak van betekenis. Tot concordantie op het terrein van de rechtspraak strekt vooral de bijzondere positie van de Hoge Raad der Nederlanden binnen het Koninkrijk. Art. 1, eerste lid, van de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaalt dat de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke en strafzaken uit de Cariben in beginsel in overeenkomstige gevallen op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen kennisneemt als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk. Uitgangspunt is daardoor dat in de Caribische gedeelten van het Koninkrijk de Nederlandse cassatievoorschriften van overeenkomstige toepassing zijn. Dat voorkomt nodeloze complexiteit van de cassatieprocedure. 13. Bijgevolg is de in de artikelen 435 en 437 Sv neergelegde procedurele regeling van de aanzegging dat de stukken van het geding door de Hoge Raad zijn ontvangen en de daarmee verbonden termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie op grond van art. 1 van de hierboven genoemde Rijkswet cassatierechtspraak in het gehele Koninkrijk gelijkelijk van toepassing. Die regeling speelt in zaken als de onderhavige een belangrijke rol. Indien binnen zestig dagen na betekening van de aanzegging namens de verdachte geen schriftuur is ingediend, zal de Hoge Raad de verdachte in zijn cassatieberoep zonder meer niet-ontvankelijk verklaren. Aangezien over deze betekening in cassatie niet kan worden geklaagd, rust op de rolraadsheer bij de Hoge Raad de verantwoordelijkheid om steeds ambtshalve zorgvuldig na te gaan of aan (de betekening van) de aanzegging al dan niet een gebrek kleeft. Is dat het geval, of bestaat over de juistheid van de betekening onzekerheid, dan voert de rolraadsheer de zaak van de rol, opdat een nieuwe betekening kan plaatsvinden. 14. Ingevolge art. 11, derde lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba geschieden aanzeggingen en kennisgevingen als voorgeschreven in titel III van het derde boek van het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van het Koninkrijk op de in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gebruikelijke wijze, en, voor zover zij moeten uitgaan van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, op diens uitnodiging door de zorg van een procureur-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 15. Voordat ik inga op de ‘gebruikelijke wijze’ van kennisgeving, permitteer ik mij nog een korte opmerking over de zorg van de procureur-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof. De organisatiestructuur van de vervolgingsinstanties in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk doet nog enigszins denken aan de vóór 2010 bestaande situatie. Elk van de landen heeft een eigen Openbaar Ministerie, en zo ook Bonaire, Sint Eustatius en Saba gezamenlijk. Er zijn dus in het Caribisch gedeelte van het Koninkrijk vier Openbaar Ministeries en twee procureurs-generaal. Art. VI.21, eerste lid, van de Staatsregeling van Aruba bepaalt enerzijds dat het Openbaar Ministerie bij het Gemeenschappelijk Hof “wordt uitgeoefend” door of namens de procureur-generaal van Aruba. De in 2010 tot stand gekomen Rijkswet Openbare Ministeries van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt anderzijds de verhoudingen binnen de vervolgingsinstanties van de voormalige Nederlandse Antillen. Aan het hoofd van de Openbare Ministeries van Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden staat ingevolge art. 2, tweede lid, van deze Rijkswet één gezamenlijke procureur-generaal. Het parket van de procureur-generaal is gevestigd te Curaçao, maar houdt in elk land kantoor (art. 3, eerste lid). En ook deze procureur-generaal oefent het Openbaar Ministerie uit bij het Gemeenschappelijk Hof, maar dan ten behoeve van de eilanden die deel uitmaakten van de Nederlandse Antillen (art. 5, eerste lid). Dat alleen op Curaçao en Aruba een procureur-generaal kantoor houdt, staat echter er niet aan in de weg dat een verzoek tot betekening van de aanzegging in de praktijk namens de procureur-generaal bij de Hoge Raad rechtstreeks wordt gericht aan het Openbaar Ministerie op het eiland waar de betekening zal plaatsvinden. De zorg van de procureurs-generaal voor de betekening van stukken die uitgaan van de Hoge Raad houdt derhalve vooral in dat de toezending van stukken ter betekening geschiedt aan een ambtenaar van het Openbaar Ministerie, welke telkens onder de verantwoordelijkheid van één van beide procureurs-generaal ressorteert. 16. De ‘gebruikelijke wijze’ van aanzeggen en kennisgeven als bedoeld in art. 11 van de hiervoor genoemde Rijkswet is in de Caribische landen en op de BES-eilanden geregeld in de artikelen 642 tot en met 647 van het eigen Wetboek van Strafvordering. In het licht van het voorgaande verbaast het niet dat deze regelingen onderling niet op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. In mijn conclusie vóór HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:709, NJ 2017/247 kwam de inhoud ervan reeds uitvoerig aan de orde. Deze laat zich hier verkort als volgt samenvatten. 17. Uitgangspunt is dat kennisgeving van gerechtelijke mededelingen per gewone of aangetekende brief geschiedt (art. 642). Betekening vindt alleen plaats als de wet dat voorschrijft (art. 643, eerste lid). Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het Openbaar Ministerie zijn opgedragen worden echter steeds betekend (art. 64, tweede lid), hetgeen dus ook geldt voor de hier centraal staande aanzegging van de binnenkomst van de processtukken bij de Hoge Raad. Betekening geschiedt in beginsel door middel van uitreiking van een gerechtelijk schrijven (art. 643, derde lid) door een deurwaarder of politieambtenaar in opdracht van het Openbaar Ministerie (art. 643, vierde lid). Aan hen aan wie op de BES-eilanden in verband met de strafzaak rechtens hun vrijheid is ontnomen, geschiedt de uitreiking altijd in persoon (art. 644, sub a). Aan niet-gedetineerden wordt een gerechtelijk schrijven eveneens in persoon uitgereikt, of, als uitreiking in persoon niet is vereist en het stuk wordt aangeboden aan de woon- of verblijfplaats van de betrokkene in de BES-eilanden en deze persoon daar niet wordt aangetroffen, aan degene die zich in het huis bevindt en zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. Onder de woon- of verblijfplaats wordt mede begrepen het adres waarop de persoon op de dag van aanbieding van het schrijven stond ingeschreven in het bevolkingsregister (art. 644 sub b). Kan uitreiking niet plaatsvinden omdat de daarmee belaste ambtenaar op de woon- of verblijfplaats van de betrokkene noch deze, noch een huisgenoot aantreft, dan stelt hij een afschrift van het gerechtelijk schrijven terstond ter hand aan de officier van justitie. De officier van justitie zal het oorspronkelijk schrijven voor gezien tekenen en het afschrift zo mogelijk aan de verdachte doen toekomen. Van ontvangst door de verdachte hoeft in rechte niet te blijken (art. 643, vijfde lid). De betekening is nochtans nietig indien niet blijkt van de terhandstelling van het afschrift aan de officier van justitie. Wanneer de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft, vindt de betekening plaats door middel van aanplakking van het afschrift van het gerechtelijk schrijven op het gebouw waarin de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt (art. 643, zesde lid). Bestaat echter een bekend adres in het buitenland, dan wordt door de procureur-generaal het gerechtelijk schrijven aan zijn ambtgenoot in het buitenland ter betekening verzonden (art. 643, zevende lid). 18. In mijn al enkele malen gerefereerde conclusie van 11 april 2017 wees ik er reeds op dat deze betekeningsvoorschriften enkele leemten bevatten. Ik constateerde toen dat er niet uit blijkt wat de juiste wijze van betekening is wanneer de verdachte weigert het aangeboden stuk in ontvangst te nemen en dat evenmin de rechtsgevolgen zijn voorgeschreven indien de op het adres aangetroffen persoon verklaart dat de geadresseerde daar woont noch verblijft. Daaraan kan worden toegevoegd dat strikt genomen ook niet is voorzien in de situatie dat de op het woon- of verblijfadres aangetroffen huisgenoot zich niet bereid verklaart het stuk aan de verdachte te overhandigen. Aan de huisgenoot kan het stuk immers enkel worden uitgereikt als hij die bereidheid uitspreekt, terwijl terhandstelling aan de officier van justitie en aanplakking op een gerechtsgebouw alleen zijn voorgeschreven wanneer niemand wordt aangetroffen, respectievelijk geen woon- of verblijfplaats van de verdachte bekend is. Brouwer, Thodé & De Jong wijzen er voorts nog op dat tussen art. 643, vijfde lid en art. 644 sub b een discrepantie bestaat. Laatstgenoemde bepaling staat toe het gerechtelijk stuk uit te reiken aan iemand die zich op de woon- of verblijfplaats van de verdachte bevindt, terwijl het eerstgenoemde wetsartikel gewag maakt van uitreiking aan een “huisgenoot”. Niet iedereen die zich op een adres bevindt kan echter tevens als huisgenoot worden aangemerkt. Ten slotte valt op dat de Caribische betekeningsvoorschriften geen rangorde dicteren tussen een in het bevolkingsregister geregistreerd adres enerzijds en een ander mogelijk woon- of verblijfadres van de verdachte anderzijds (waarover later meer). Deze onduidelijkheden worden ook in het thans voorliggende concept voor een nieuw Caribisch Wetboek van Strafvordering niet opgehelderd. Overweging verdient wellicht dat de betrokken wetgevers zich daarover alsnog buigen. 19. Dan nog iets over de van de betekening op te maken akte. Ingevolge art. 646 WvSv BES dient, net als krachtens art. 646 van de wetboeken van strafvordering van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, van iedere uitreiking als bedoeld in art. 643 een akte te worden opgemaakt, waarin in elk geval is vermeld: a. de autoriteit van welke het schrijven uitgaat; b. het nummer van het schrijven; c. de persoon voor wie het schrijven bestemd is; d. de persoon aan wie het is uitgereikt; e. de ambtenaar die het heeft uitgereikt; f. de plaats van uitreiking; en g. de dag en het uur van uitreiking. Art. 646, derde lid, laat het aan het Openbaar Ministerie over om een model van die akte vast te stellen. 19. Ondanks de gelijkluidende betekeningsregelingen op de verschillende eilanden in het Caribische gebied van het Koninkrijk en de identieke wettelijke vereisten waaraan de akte behoort te voldoen, bleek mij dat de betekeningsakte in de onderhavige zaak op meerdere punten verschilt van die in de zaak Lawrence op St. Maarten, waarop mijn eerdere conclusie betrekking had. Naar aanleiding daarvan heb ik in de onderhavige zaak enig nader onderzoek naar de betekeningsakten verricht. Uit de in Caribische cassatiezaken in de afgelopen vier jaren door de procureur-generaal bij de Hoge Raad ontvangen akten van uitreiking is mij gebleken dat de op Aruba, Bonaire, Curaçao en Sint Maarten gebruikte betekeningsakten niet geheel dezelfde inhoud hebben. Behoudens enkele minimale tekstuele uitzonderingen worden per eiland wel structureel dezelfde modellen gehanteerd. Van de tussen de eilanden geconstateerde verschillen, wil ik er hier vier noemen:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.