Nr. 16/02207 Zitting: 17 oktober 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 maart 2016 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 46, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995” en 2. “overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in effectenuitgevende instellingen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:48, zesde lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan”, veroordeeld tot een geldboete van € 27.000,00, subsidiair 170 dagen hechtenis. Er bestaat samenhang met de zaak 16/02206P. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte, destijds voorzitter van de Raad van Commissarissen van het beursgenoteerde bedrijf [A] Holding N.V. (hierna: [A]), zou op 29 november 2006 in zijn hoedanigheid van president-commissaris vertrouwelijk zijn geïnformeerd over de intentie van het Amerikaanse bedrijf [B] inc. (hierna: [B]) om [A] over te nemen. Op 5 december 2006 maakt een persbericht er melding van dat de betrokken bedrijven een intentieverklaring hebben getekend die inhoudt dat [B] honderd procent van de aandelen van [A] zal kopen tegen een bedrag van € 4,68 per aandeel. De verdachte had op 30 november 2006 in totaal 4.500 aandelen gekocht en verworven voor respectievelijk € 2,21, € 2,20 en € 2,18 per aandeel via zijn effectenrekening bij [C] Bank NV-SA (hierna: [C]) te Brussel. Op 6 december 2006 en 5 januari 2007 verkoopt de verdachte deze aandelen voor € 4,31 en € 4.33 per aandeel. Naar aanleiding van deze transacties doet de FIOD-ECD onderzoek naar mogelijke handel met voorwetenschap in de aandelen [A] en het nalaten om de aan- of verkoop van de aandelen [A] te melden aan de Autoriteit Financiële Markten (AFM). De verdachte is door het hof onder meer veroordeeld voor, verkort zakelijk weergegeven, het verrichten van transacties in aandelen met voorkennis (feit 1). De procedure in feitelijke aanleg spitst zich toe op de vraag wanneer de verdachte de opdracht heeft gegeven tot aanschaf van de aandelen [A]. Volgens de verdediging is deze opdracht aan [C] verstrekt vóór 29 november 2006 – de dag dat de verdachte werd geïnformeerd over de voorgenomen overname. Door aan [C] te wijten omstandigheden zou de opdracht pas op 30 november 2006 zijn uitgevoerd. Het Openbaar Ministerie is daarentegen van oordeel dat de aankoopopdracht werd gegeven nádat de verdachte wetenschap van de voorgenomen overname had verkregen. Het middel richt zich met diverse motiveringsklachten en een rechtsklacht tegen de verwerping van verweren die zien op feit 1 en klaagt verder met betrekking tot dit feit dat hof verzuimd heeft te reageren op een drietal standpunten van de verdediging die volgens de steller van het middel als uitdrukkelijk onderbouwd hebben te gelden. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1. bewezenverklaard dat: “hij op 30 november 2006 in Nederland, behorende tot de categorie personen genoemd in artikel 46 tweede lid, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, gebruik heeft gemaakt van voorwetenschap als bedoeld in artikel 46, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 door transacties te verrichten in aandelen in het fonds [A] Holding N.V., zijnde effecten die op dat moment waren toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen of werkzaam is in Nederland, te weten Euronext Amsterdam, immers heeft hij 4.500 aandelen in het fonds [A] Holding N.V. gekocht en verworven via zijn effectenrekening bij [C] Bank NV-SA te Brussel op Euronext Amsterdam, terwijl hij bekend was met niet openbaar gemaakte concrete informatie die rechtstreeks betrekking had op [A] Holding N.V., te weten: 1) dat [A] Holding N.V. voor het einde van het kalenderjaar een intentieverklaring verwachtte van een bedrijf met de codenaam [D], met daarin een bod in contanten op alle aandelen van [A] Holding N.V., en 2) dat de Supervisory Board van [A] Holding N.V. op 29 november 2006 instemde met het voorstel van de Management Board van [A] Holding N.V. om een bank ([E]) in te schakelen om met de Supervisory Board van [A] Holding N.V. te werken aan de voorgestelde overname door en transactie met een bedrijf met de codenaam [D] en/of het voeren van onderhandelingen door [A] Holding N.V. met een bedrijf met de codenaam [D] over een niet- bindende intentieverklaring over overname van [A] Holding N.V. door [D], terwijl die informatie nog niet openbaar was en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten in het fonds [A] Holding N.V. en hij over die voorwetenschap beschikte vanwege het feit dat hij als lid van en voorzitter van de Supervisory Board van [A] Holding N.V. toezicht hield op het beleid en de algemene gang van zaken van [A] Holding N.V.” 8. Het onder 1. bewezenverklaarde steunt op de volgende bewijsmiddelen: “Bewijsmiddelen feit 1 en 2 1. Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel van 23 maart 2007, (D-02 doorgenummerde dossierpagina 91-92). Rechtspersoon Rechtsvorm: Naamloze vennootschap Naam: [A] Holding N.V. commissaris(sen): [verdachte] Infunctietreding: 1 januari 1996 2. Een persbericht van 23 september 2005 “[A] Announces New Chairman of The Board of Supervisory Directors”, (D-47, doorgenummerde dossierpagina 572). [verdachte], who has served on the Company ’s board since June 1995, has been elected Chairman by the Board of Supervisory Directors following [betrokkene 2] resignation. 3. Bijlagen bij het proces-verbaal met nummer 009315/2012 van verhoor van getuige [betrokkene 1], compliance officer bij [C], op 8 maart 2012, opgemaakt door de federale gerechtelijke politie - Arrondissement Brussel te België, in het kader van een rechthulpverzoek. bijlage 6 account ID 341719 account type: cliënt trading account [verdachte] bijlage 5, pagina 3 Type Limit Day Limit price 2.21 order Buy 1000 [A] @2.21 EUR date time qty price value creation 30 Nov 2006 09:06:27 1000 2.21 2210 execution 30 Nov 2006 09:09:08 1000 2.21 2210 expiration 30-11-2006 18:00:00 account 341719 bijlage 5, pagina 4 Type Limit Day Limit price order Buy 2000 [A] @ 2.21 EUR date time qty price value creation 30 Nov 2006 09:14:01 2000 2.21 4420 execution 30 Nov 2006 09:14:01 2000 2.21 4420 expiration 30-11-2006 18:00:00 account 341719 bijlage 5, pagina 5 Type Limit Day Limit price 2.2 order Buy 1000 [A]@ 2.20 EUR date time qty price value creation 30 Nov 2006 09:17:07 1000 2.2 2200 execution 30 Nov 2006 09:17:08 1000 2.2 2200 expiration 30-11-2006 18:00:00 account 341719 bijlage 5, pagina 6 Type Limit Day Limit price 2.18 order Buy 500 [A] @ 2.18 EUR date time qty price value creation 30 Nov 2006 09:47:34 500 2.18 1090 execution 30 Nov 2006 09:48:02 500 2.18 1090 expiration 30-11-2006 18:00:00 account 341719 bijlage 5, pagina 7 Type Limit GTC Limit price 4.33 order Sell 2000 [A] @ 4.33 EUR date time qty price value creation 6 Dec 2006 10:44:58 2000 4.33 8600 execution 6 Dec 2006 10:53:50 2000 4.33 8600 expiration 6-12-2007 00:00:00 account 341719 bijlage 5, pagina 8 Type Limit GTC Limit price 4.31 order Sell 2510 [A]@ 4.31 EUR date time qty price value creation 5 Jan 2007 13:02:14 2510 4.31 10818.1 execution 5 Jan 2007 13:02:16 2510 4.31 10818.1 expiration 5-1-2007 18:00:00 account 341719 feit 1 4. Bijlage bij brief met tijdslijn d.d. 10 januari 2007 van [F], namens [B] en [A] (D- 04, doorgenummerde dossierpagina 98 en 99). Bijlage 1 [B]/ [A] timeline 27 nov 06 [B]/[A] meeting in Atlanta during which a possible price range is discussed 29 nov 06 [A] Supervisory Board meeting reviews discussions and authorizes negotiation of non-binding LOI 5. Bijlage bij e-mailbericht van [betrokkene 3] [A] van 8 juni 2007 inzake de supervisory board meeting minutes [A] van 29 november 2006 (D28, doorgenummerde dossierpagina 209, 303 en 304). Date: 29 november 2006 Venue: Videoconference Present: by teleconference: [verdachte], chairman (TL) DA and MM informed the Board that we expect to receive by the end of the calender year a letter of intent or similar document from a company code-named ‘[D] ’for an offer to purchase all of the shares of [A] Holding N.V. in a cash transaction. Following discussion and upon motion duly made, seconded and unanimously approved, the Supervisory Board approved the Management Board’s request to execute an engagement letter with investment banker [E] to represent the Company in this matter. 6. Persbericht d.d. 5 december 2006 inhoudende “[B] and [A] Enter inot Letter of Intent for [B] to Acquire [A]’’ (D-03, doorgenummerde dossierpagina 94). Enterprise software suppliers [B] en [A] announced today that the companies have signed a letter of intent for [B], Inc. to make a public offer to acquire 100% of the shares and outstanding stock options of [A] Holding N.V. (the parental holding company of all [A] entities) in an all-cash transaction valued at € 4,68 per share. 7. Aangifte van mogelijk overtreding van de Wet marktmisbruik, overtredingen van de Wmz 1996 en Wmz 2006 en overtreding van artikel 9p, Bte 1995 door de AFM op 14 augustus 2007, (D- 01, doorgenummerde dossierpagina 72). [A] Holding N.V. [A] is opgericht in 1990 en was vanaf februari 1999 genoteerd aan Euronext Amsterdam. Na de overname door [B] in 2007 werd de notering aan Euronext stopgezet; de laatste handelsdag was 7 juni 2007.” 9. Het hof heeft ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde nog het volgende overwogen: “Bespreking van de verweren Feit 1 De raadsman heeft in eerste aanleg en hoger beroep betoogd dat niet kan worden bewezenverklaard dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van voorwetenschap, zodat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte niet eerder dan op 29 november 2006 om 14.10 uur over voorwetenschap met betrekking tot [A] Holding N.V. beschikte, terwijl hij reeds op 27 november 2006 transacties in aandelen [A] Holding N.V. heeft verricht, bestaande uit een eenmalige aankoopopdracht danwel een doorlopende kooporder, welke transacties (pas) op 28 en 30 november 2006 zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van het hof is hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verweer heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden, zodat het verweer moet worden verworpen. Uit overzichten van het account van de verdachte bij [C] Bank N.V., en gelet ook op de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg op 20 november 2012 dat hij zelf na het inloggen via zijn account transacties verrichtte, blijkt reeds dat de verdachte op 30 november 2006 transacties in aandelen [A] Holding N.V. heeft verricht, inhoudende het via internet aan [C] Bank N.V. doorgeven van een viertal aankooporders om (de tijden afgerond) 09.06 uur (1.000 aandelen), 09.14 uur (2.000 aandelen), 09.17 uur (1.000 aandelen) en 09.47 uur (500 aandelen) welke transacties op die datum steeds kort daarna zijn uitgevoerd (bijlage bij proces-verbaal verhoor [betrokkene 1] 8 maart 2012. De op 30 november 2006 geannuleerde transactie (voor 4.500 aandelen) waar de verdediging naar verwijst, ondersteunt de verklaring van de verdachte niet. Uit de registratie van de bank volgt allereerst dat deze aankooporder door verdachte is doorgegeven op 29 november 2006 om 19.55 uur (afgerond) en daarmee op een moment dat verdachte (sinds 14.10 uur) over bedoelde voorwetenschap beschikte. De annulering wordt door verdachte doorgegeven op 30 november 2006 om (afgerond) 09.02 uur en daarmee kort vóór het doorgeven van het hiervóór genoemde viertal aankooporders (tot een totaal van - eveneens - 4.500 aandelen). Voorts betreft het, anders dan de verdediging stelt, geen eenmalige of doorlopende order (zoals een GTD (good till date) order) maar een GTC (good till canceled) order. Het voorgaande wordt bevestigd door de op 10 september 2015 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1], compliance officer bij [C] Bank N.V. De stelling van de verdediging dat de aankoop van 10 aandelen [A] Holding N.V. op 28 november 2006 (nog voordat verdachte over bedoelde voorwetenschap beschikte) de eerste uitvoeringshandeling was van de door verdachte geplaatste aankooporder tot een totaal van 4.500 aandelen, en de uitvoering op die dag beperkt bleef tot (slechts) 10 aandelen omdat het saldo op verdachtes (beleggings)rekening onvoldoende was voor de aankoop van méér dan 10 aandelen, vindt geen steun in het dossier. Uit de overzichten van het account van de verdachte bij [C] Bank N.V. is juist op te maken dat na aankoop van bedoelde 10 aandelen er nog saldo resteerde (zijnde € 15,32) voor de aankoop van nog een aantal aandelen. Uit de specificatie van de aankoop ('Order select') van deze 10 aandelen valt evenmin af te leiden dat het een onderdeel betreft van een grotere aankooporder, veeleer is uit de specificatie af te leiden dat het een aankooporder van slechts 10 aandelen betreft. Overigens heeft de verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de datum waarop hij de transacties zou hebben verricht (pv terechtzitting 8 juni 2012: één dag voor de vergadering van commissarissen, pv terechtzitting 20 november 2012: twee dagen voor de vergadering van commissarissen). Voorts blijkt uit een overzicht van het account van de verdachte bij [C] Bank N.V. dat de verdachte op 27 november 2006 over onvoldoende saldo beschikte voor de aankoop van 4.500 aandelen [A] Holding voor (ongeveer) € 2,20 per aandeel, terwijl naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte over kredietruimte kon beschikken (bijlage 3 en 5 bij proces-verbaal verhoor [betrokkene 1] 8 maart 2012: het saldo na de transactie op 28 november 2006 bedraagt € 15,32; de ‘credit line limit’ bedraagt € 0,00).” 10. Art. 46, eerste lid, (oud) Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt: “1. Het is een ieder die behoort tot een in het tweede lid genoemde categorie natuurlijke personen of rechtspersonen verboden om gebruik te maken van voorwetenschap door een transactie te verrichten of te bewerkstelligen: a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd; b. in of vanuit Nederland in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in een andere lid-staat of die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs die is gevestigd en van overheidswege toegelaten in een staat die geen lid-staat is, of in effecten waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd; of c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten, niet zijnde effecten als bedoeld onder a of b, waarvan de waarde mede wordt bepaald door de onder a of b bedoelde effecten.” 11. Het hof komt dus tot het oordeel dat de verdachte op 30 november 2006 transacties in aandelen [A] heeft verricht. De verdachte heeft op die dag tussen (afgerond) 09.06 en 09.47 uur via internet aan [C] een viertal aankooporders om respectievelijk 1.000 aandelen, 2.000 aandelen, 1.000 aandelen en 500 aandelen doorgegeven, welke transacties op die 30e november kort daarna zijn uitgevoerd. Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag de overzichten van het account van de verdachte bij [C] en de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 20 november 2012 dat hij zelf na het inloggen via zijn account transacties verrichtte. Daarnaast noemt het hof de op 10 september 2015 bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1], compliance officer bij [C], die steun geeft aan het voorgaande. Ook wijst het hof op de tegenstrijdige verklaringen van de verdachte over de datum waarop hij de transacties heeft verricht en op de omstandigheid dat de verdachte onvoldoende saldo had om op 27 november 2006 de transacties te verrichten. Verschillende verweren die het tegendeel zouden aantonen, zijn door het hof gemotiveerd verworpen. Een deel van de in het middel vervatte klachten richten zich als gezegd op de verwerping van deze verweren. 12. Zo keert de eerste klacht zich tegen de overweging van het hof dat de aankooporder “geen eenmalige of doorlopende order, zoals een GTD (good till date) order, maar een GTC (good till canceled) order” betreft. 13. Ik merk vooreerst op dat GTD en GTC handels- of beurstermen zijn die zien op de looptijd van een zogenoemde order. Deze looptijd wordt gekoppeld aan bepaalde condities. Als voldaan is aan door de belegger vastgelegde voorwaarden – bijvoorbeeld: tegen een koers van x euro een x aantal aandelen kopen of verkopen –, vindt de (ver)koop van de aandelen plaats. Bij GTD gaat het om een order die op een door de betrokkene aangegeven datum verloopt, terwijl bij GTC niet een willekeurige einddatum wordt bepaald maar de order voor een vastgestelde periode wordt aangegaan (bijvoorbeeld een half jaar of een jaar) en na expiratie automatisch vervalt. In beide gevallen gaat het evenwel om een order die niet is beperkt tot één dag – zoals wel het geval is bij een day order –, maar betreft het een order die een langere periode doorloopt. De verdediging heeft, als ik het goed zie, op de terechtzitting van het hof aangevoerd dat sprake was van een GTD order die de verdachte al op 27 november 2006 zou hebben verstrekt aan [C]. Het hof heeft de stelling van de verdediging niet gevolgd en geoordeeld dat een order is verstrekt ná het verkrijgen van de voorwetenschap. 14. Meer in het bijzonder wordt in dit verband geklaagd dat het hof de verwerping van het verweer mede heeft gegrond op de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 1], terwijl deze verklaring niet in de bewijsmiddelen is opgenomen. 15. De verklaring van [betrokkene 1] maakt inderdaad geen deel uit van de bewijsmiddelen en dat brengt mij tot de volgende beschouwing. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus – al dan niet in reactie op een bewijsverweer – beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, dienen ingevolge art. 301, vierde lid, Sv die stukken ter terechtzitting te zijn voorgelezen of daarvan aldaar de korte inhoud te zijn medegedeeld. Ik meen dat aan die voorwaarde zonder meer is voldaan, nu (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.