Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 5 december 2017 inzake: Nr. Hoge Raad: 17/01760 [X] Nr. Gerechtshof: 16/00834 Nr. Rechtbank: 15/3659 Derde Kamer A tegen Inkomstenbelasting/premie volksverz.
(2005)redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de muzikale activiteiten van belanghebbende in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren en dat derhalve die activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden dat in de jaren 2005 tot en met 2008 de kosten die verband hielden met de muzikale activiteiten van belanghebbende telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten overtroffen, dat in het jaar 2009 in het geheel geen optredens zijn verzorgd, alsmede op belanghebbendes verklaring in zijn hogerberoepschrift dat het niet erg waarschijnlijk was dat zijn muzikale activiteiten reeds op korte termijn tot positieve resultaten zouden leiden. 3.
- De klachten bestrijden ’s Hofs oordeel onder meer met het betoog dat de aanwezigheid van een inkomensbron – in dit geval een onderneming – niet mag worden beoordeeld op basis van gegevens van latere jaren (‘wijsheid achteraf’) alsmede dat het Hof is uitgegaan van een te korte termijn waarbinnen met de muzikale activiteiten redelijkerwijs een positief voordeel is te behalen. 3.
- De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. ‘s Hofs hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel – waarin het Hof feiten en omstandigheden van de jaren 2006 tot en met 2009 heeft meegewogen – geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel kan voorts, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klachten falen in zoverre. Jurisprudentie I Overig 4.34 De Hoge Raad heeft op 9 maart 1994 een arrest gewezen ter zake van de waardering van een studiepakket bij inbreng vanuit het privévermogen in het ondernemingsvermogen. Hier speelde de vraag of het studiepakket kon worden aangemerkt als een bedrijfsmiddel en in hoeverre het studiepakket in het ondernemingsvermogen kon worden geactiveerd: 3.
- Nu (…) in 's Hofs vaststellingen besloten ligt dat er gegadigden voor het door belanghebbende in zijn onderneming gebezigde pakket waren, hetgeen meebrengt dat het ook door anderen dan belanghebbende gebruikt kan worden, alsmede dat door belanghebbende een goed in het ondernemingsvermogen is ingebracht, dat een waarde in het economisch verkeer had, kan niet worden gezegd dat het pakket geen voldoende zelfstandige functie in die onderneming vervulde, zodat het als bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt. 3.
- Ter beantwoording van de vraag of en in hoeverre belanghebbende het pakket in zijn ondernemingsvermogen kan activeren heeft het volgende te gelden. Indien een belastingplichtige een goed vanuit zijn privé-vermogen in zijn ondernemingsvermogen inbrengt, zal hij dit goed voor de waarde die daaraan ten tijde van de inbreng in het economische verkeer kan worden toegekend, in het ondernemingsvermogen dienen te activeren. Dit lijdt echter uitzondering indien die waarde is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid in de zin van artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; in zodanig geval dient het te activeren bedrag te worden beperkt tot het in die waarde begrepen bedrag van de voordien ten behoeve van die werkzaamheden gemaakte kosten, voor zover deze niet reeds ten laste van het inkomen konden worden gebracht. Het is immers in strijd met het stelsel van die wet te achten dat een belastingplichtige die aanvankelijk zijn werkzaamheden binnen het kader van genoemd artikel 22 verricht en die vervolgens de opbrengst van die werkzaamheden in het kader van een onderneming in de vorm van winst geniet, door activering van een gedeelte van die opbrengst zou kunnen bewerkstelligen dat dit gedeelte buiten de heffing van de inkomstenbelasting zou blijven. 4.35 Bij dit arrest zijn de volgende annotaties verschenen: Zwemmer: 3 (…) Artikel 22
(1)b Wet IB 1964 heeft betrekking op voordelen die worden genoten uit het produktief maken of vervreemden van een auteursrecht of een octrooi door de auteur of de uitvinder zelf. Van het genieten van voordelen door de inbreng in de onderneming is echter geen sprake. Slechts het etiket van het recht verandert. Kortom, dit is een standaardvoorbeeld van de in het belastingrecht bekende problematiek van de sfeerovergang. 4 De sfeerovergang van privé-vermogen naar ondernemingsvermogen is op een aantal plaatsen wel als een fictieve vervreemding tegen de waarde in het economische verkeer aangemerkt. Voorbeelden zijn artikel 25, lid 3, slot, voor levensverzekeringen, artikel 25, lid 8, slot, voor een recht op een periodieke uitkering of verstrekking die de tegenwaarde voor een prestatie vormt, artikel 31, lid 4, voor aandelen in het zicht van liquidatie en artikel 39, lid 8 voor een aanmerkelijk belang. De wetgever blijkt het probleem derhalve wel te hebben onderkend, maar heeft de oplossing niet overal doorgevoerd. En het gaat wel ver met behulp van een wetsinterpretatie een fictieve vervreemding te introduceren op alle plaatsen waar zulks door de wetgever al dan niet bewust achterwege is gelaten. 5 In principe valt door de sfeerovergang derhalve een gat. Het in de onderneming gebrachte vermogensbestanddeel wordt op de ondernemingsbalans voor de werkelijke waarde opgevoerd, terwijl de realisatie van deze waarde — die tot belastingheffing in privé zou moeten leiden — feitelijk achterwege blijft. De Hoge Raad repareert dat nu echter doordat hij het in strijd met het stelsel van de wet acht 'dat een belastingplichtige die aanvankelijk zijn werkzaamheden binnen het kader van genoemd artikel 22 verricht en die vervolgens de opbrengst van die werkzaamheden in het kader van een onderneming in de vorm van winst geniet, door activering van een gedeelte van die opbrengst zou kunnen bewerkstelligen dat dit gedeelte buiten de heffing van de inkomstenbelasting zou blijven'. Slot: Opmerkelijk is dat de wetgever in de artikelen 25, 31 en 39 inbreng gelijkstelt met vervreemding om te voorkomen dat hem de belasting over het voordeel uit vervreemding zou ontgaan, maar dat de Hoge Raad het in strijd met het stelsel van de wet acht dat bij inbreng het voordeel niet zou worden belast. Bovendien wordt de oplossing gevonden door uitbreiding van het winstbegrip buiten de door de wet gestelde grenzen. Deze ingreep zal menigeen te ver gaan. Tekst en strekking van de wettelijke regeling van het winstbegrip zijn, mede gelet op de wetsgeschiedenis, op dit punt volstrekt duidelijk. De belastingheffing over winst verloopt bovendien anders dan die over inkomsten; men denke aan oudedagsreserve en zelfstandigenaftrek. Hierbij past niet de geruisloze overgang die de Hoge Raad in feite voorschrijft. Een suggestie in die richting is te vinden op blz. 23 van het hiervóór aangehaalde geschrift van de Vereniging voor Belastingwetenschap, al is niet geheel duidelijk of daarbij wetswijziging wordt verondersteld. Redactie V-N: Zien wij het goed dan benadert ook de Hoge Raad het geschil op de wijze als de advocaat-generaal aangeeft. De uiteenzetting van de Hoge Raad over de omvang van het bedrag dat voor activering in aanmerking kan komen, leidt tot een in fiscaal opzicht sluitend systeem. In de verwijzingsprocedure zal nog aandacht moeten worden besteed aan de berekening van het bedrag aan afschrijving dat ten laste van 1988 kan komen. 4.36 Met betrekking tot de doorschuiffaciliteit van artikel 3:99 van de Wet IB 2001 heeft de Hoge Raad op 13 mei 2016 geoordeeld: 2.3.
- (…) Het begrip ‘uitgroeien’ is in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.99 van de Wet IB 2001 in beperkte mate toegelicht (zie onderdeel 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). In dat verband is gebruik gemaakt van bewoordingen als ‘geleidelijk aan plaatsvinden’, maar ook van de woorden ‘uitbouwen tot een onderneming’. (…) Niet valt in te zien waarom onder ‘uitgroeien’ in de betekenis van ‘uitbouwen tot een onderneming’ volgens de wetgever alleen moet worden begrepen het geleidelijk aan wijzigen van de omstandigheden waaronder als ‘werkzaamheid’ aangemerkte arbeid wordt verricht, en niet ook een wijziging van de context van de werkzaamheid die bestaat in het rendabel maken van vermogen, in die zin dat de belastingplichtige gerechtigd wordt in het vermogen van de onderneming waaraan hij het desbetreffende vermogensbestanddeel ter beschikking stelde, en dat vermogensbestanddeel daardoor gaat behoren tot zijn ondernemingsvermogen. Daarbij komt dat de wetgever beoogde met artikel 3.99 van de Wet IB 2001 economische belemmeringen voor het bereiken van het ondernemerschap weg te nemen. (…) Literatuur 4.37 Reijnen heeft in haar commentaar op de onderhavige uitspraak van de Rechtbank geschreven: Werkzaamheden buiten onderneming en dienstbetrekking zijn (art. 3.90 Wet IB 2001) en waren (art. 22, lid 1, onderdeel b, Wet IB 1964) belast als ‘overige werkzaamheden’. Vanwege de in de aangifte inkomstenbelasting ingenomen positie (activeren van de tool bij inbreng in de eenmanszaak tegen de waarde in het economische verkeer) voorkomt belanghebbende in casu heffing over een gedeelte van het voordeel uit overige werkzaamheden ter zake van de ontwikkeling van de softwaretool, die reeds vóór 1 januari 2001 had plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur hier terecht een stokje voor steekt. Hierbij spitst de discussie zich toe op de vraag of de ontwikkeling van de tool reeds vóór 2001 kwalificeerde als overige werkzaamheid. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, aangezien belanghebbende redelijkerwijs voordeel kon verwachten. Alsdan geldt dat voor de waardering op de openingsbalans van de werkzaamheid vanaf 2001 dient te worden uitgegaan van de aanschaffings- of voortbrengingskosten op basis van de regels van art. I, M, ten tweede, IW IB 2001). Bij de latere inbreng van de softwaretool in de onderneming kan niet worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer. Dat volgt uit art. 3.99 Wet IB
- Anders dan de rechtbank opschrijft (‘mag’) gaat het hier niet om een facultatieve doorschuifbepaling (zie uitgebreid J.P. Boer en B. van der Slik, NDFR-commentaar bij art. 3.99 Wet IB 2001, onder 2.) maar om een wettelijk verplichte doorschuiving. Voorts mist de verwijzing naar HR 13 mei 2016, nr. 15/02667, NTFR 2016/1357 relevantie, aangezien het in die zaak de doorschuiving van een werkzaamheid in de zin van art. 3.91 (terbeschikkingstelling) betrof. Telefonische navraag leert dat hoger beroep is ingesteld. 4.38 Bitter annoteerde bij de uitspraak van het Hof in de onderhavige zaak: Rechtbank (Noord-Nederland 2 juni 2016, nr. 15/3659, NTFR 2016/2366, met commentaar van Reijnen) en hof komen beide tot de conclusie dat de inbrengwaarde van de softwaretool niet meer kan bedragen dan de in het verleden werkelijk gemaakte kosten. De gronden waarop verschillen echter. De rechtbank zag reeds bij de ontwikkeling van de softwaretool in de jaren negentig een bron ‘inkomsten uit andere arbeid’ ontstaan, waarbij de softwaretool dan tegen kostprijs wordt geactiveerd. Vervolgens leidt die bron dan een slapend bestaan om dan, na per 2001 te zijn omgezet in een art.-3.90-werkzaamheid, in 2011 van een werkzaamheid uit te groeien tot een onderneming, met (verplichte) doorschuiving van de vermogensbestanddelen op grond van art. 3.99 Wet IB
- Een gat van meer dan tien jaar zonder activiteiten roept toch echter wel wat vragen op of in de ontwikkelfase daadwerkelijke sprake is geweest van (nog niet gerealiseerde) inkomsten uit andere arbeid (art. 22 Wet IB 1964) en vooral of nadien geen sprake is geweest van een staking. Het hof ziet dat gat ook en komt tot de conclusie dat (ook) als in 2011 inbreng in een onderneming of werkzaamheid vanuit het privévermogen plaatsvindt, de inbrengwaarde niet meer bedraagt dan de ontwikkelkosten. Daartoe verwijst het hof naar HR 9 maart 1994, nr. 29.010, BNB 1994/178, waarin de Hoge Raad een uitzondering creëerde op de hoofdregel dat inbreng vanuit privé tegen de waarde in het economisch verkeer plaatsvindt. Deze uitzondering geldt als de waarde is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid in de zin van (destijds) art. 22 Wet IB
- Als deze uitzondering van toepassing is, dan wordt de inbrengwaarde gesteld op maximaal de werkelijk gemaakte kosten. Dit arrest kan volgens het hof ook onder de Wet IB 2001 worden toegepast, zodat belanghebbende de tool niet tegen de waarde in het economisch verkeer kan inbrengen in zijn onderneming. 4.39 In de Fiscale Encyclopedie de Vakstudie is geschreven over de waardering van zaken/rechten bij inbreng vanuit de sfeer andere opbrengst van arbeid respectievelijk resultaat uit een werkzaamheid: De bron ‘resultaat uit een werkzaamheid’ bestond onder de Wet IB 1964 niet. Hetgeen daarmee het meest overeenkomt is ‘andere opbrengst van arbeid’ in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB
- Onder de Wet IB 1964 heeft de Hoge Raad verwoord dat, in de situatie waarin inbreng plaatsvond vanuit de sfeer van opbrengst van arbeid, als inbrengwaarde moest worden genomen de historische kostprijs minus hetgeen fiscaal was afgeschreven. Deze jurisprudentie heeft naar onze mening echter zijn belang verloren voor de Wet IB
- De reden hiervan is dat er een wezenlijk verschil is tussen het regime voor ‘resultaat uit een werkzaamheid’ en het oude regime van ‘andere opbrengst van arbeid’. Op het ‘resultaat uit een werkzaamheid’ is het winstregime van toepassing, met inbegrip van eindafrekening van artikel 3.61 van de Wet IB
- Dit betekent dat als een zaak/recht wordt overgebracht van ‘resultaat uit een werkzaamheid’ naar een onderneming, bij het resultaat moet worden afgerekend; belast is de waarde in het economisch verkeer minus boekwaarde. Als inbrengwaarde geldt dan de waarde in het economisch verkeer ten tijde van de overbrenging. Geruisloze doorschuiving/overbrenging is op dit punt in de Wet IB 2001 niet geregeld en dus niet mogelijk. Geruisloze doorschuiving/overbrenging is wel mogelijk – zelfs verplicht – wanneer ‘een werkzaamheid’ uitgroeit tot een onderneming; zie art. 3.99 Wet IB
- Als dan wordt op de openingsbalans als waarde aangenomen de laatste boekwaarde van de werkzaamheid. 4.40 Over het bronnenstelsel heb ik in het Weekblad voor Fiscaal Recht geschreven: 3 Deelname aan het economisch verkeer (…) In het economische verkeer worden goederen en diensten geproduceerd en vervolgens geruild. Aan dat proces neemt niet deel degene die prestaties verricht zonder deze op de markt te willen brengen. Die prestaties worden dan geleverd niet omwille van economische baat doch om redenen van andere aard zoals plezier, familie- en vriendschapsbanden. Hieruit volgt dat in een aantal gevallen de intentie waarmee activiteiten zijn verricht, een rol speelt bij de fiscaalrechtelijke kwalificatie 6 Het oogmerk tot deelname aan het economisch verkeer (…) Men ziet hier gevallen waarin, beoordeeld naar de uiterlijk waarneembare omstandigheden, sprake is van activiteiten in de persoonlijke sfeer. In deze gevallen is van belang of een winstoogmerk aanwezig is waardoor die activiteiten alsnog worden losgemaakt van de zuiver persoonlijke levenssfeer. Kortom: Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van deelname aan het economische verkeer, is de intentie waarmede de belastingplichtige te werk gaat, een van de beslissende factoren. 4.41 Stevens heeft over het bronnenstelsel geschreven (opmaak origineel): * Hobbyactiviteiten Voor belastbaarheid is voorts vereist dat de deelname aan het economische verkeer uitdrukkelijk op het verwerven van inkomen is gericht. Het moet geen hobbyactiviteit zijn. Het klassieke arrest is dat van het liefhebberijboerderijtje van een dokter die, hoewel aldus deelnemende aan het economische verkeer, zelfs niet de bedoeling, noch de verwachting had daarmee ooit enig geldelijk voordeel te kunnen behalen. Aan hem werd derhalve aftrek van het desbetreffende verlies geweigerd (HR 4 december 1935, B 5985; in dezelfde zin o.a. HR 24 juni 1953, BNB 1953/255). * Belang van de bewijslastverdeling De uitslag van een geschil omtrent het bronkarakter blijkt overigens, zoals ook in bovenstaande beslissingen reeds tot uiting komt, in hoge mate mede te worden bepaald door de bewijslastverdeling. Hof ’s-Hertogenbosch 28 december 1988, V-N 1989, blz. 2407, oordeelde dat de inspecteur niet had waargemaakt dat de economische huurwaarde de kosten, zij het wellicht in de toekomst, niet zou overtreffen, waardoor er in dat geval geen sprake zou kunnen zijn van een bron van inkomen. 90Grensgevallen Grensgevallen betreffende de aanwezigheid van een bron liggen uiteraard op het overgangsgebied van hobby naar werkzaamheid, ofwel van amateurisme naar professionaliteit. Er is op dat vlak rijk geschakeerde jurisprudentie gevormd. Behalve de amateurkunst (HR 1 december 1954, BNB 1955/22) en de (aanvankelijke) liefhebberij (HR 10 oktober 1951, B 9089) kan worden gewezen op HR 9 juni 1948, B 8526 en HR 15 maart 1950, B 8796 (goed georganiseerde renstal met het oogmerk winst te behalen), tegenover RvB Zwolle 1 oktober 1940, B 7415 (verliesgevende renstal als liefhebberij) en Hof Leeuwarden 18 november 1977, BNB 1979/33 (geen redelijke verwachting van voordeel). 4.42 In het Fiscaal Commentaar op artikel 3.90 van de Wet IB 2001 valt over het ‘geldelijk voordeel-criterium’ te lezen: Uit de jurisprudentie blijkt dat het criterium ‘voordeel beogen en verwachten’ niet altijd van belang is voor de vraag of sprake is van een bron van inkomen. In HR 3 oktober 1990, BNB 1990/329 (medische-proevenarrest) was sprake van een vrijwilliger die zich beschikbaar had gesteld voor het ondergaan van bepaalde medische proeven, waarvoor hij een beloning had ontvangen. Volgens de Hoge Raad verrichtte hij daarmee diensten in het economisch verkeer. Het was niet van belang of daarvoor handelingen werden verricht. Dat niet enig voordeel werd beoogd of kon worden verwacht, was daarvoor evenmin van belang. In HR 14 april 1993, BNB 1999/203 (nasi en bami arrest) heeft de Hoge Raad dit standpunt genuanceerd. Het criterium ‘voordeel beogen en verwachten’ moet volgens de Hoge Raad nog wel worden aangelegd in de volgende drie situaties: - de activiteiten zijn voorzienbaar verliesgevend, of - er is sprake van louter speculatieve transacties, of - de voordelen komen voort uit in het economisch verkeer verrichte activiteiten, maar behoren toch tot de persoonlijke sfeer. 4.43 Tot slot wijs ik op het fiscale geschrift de Wet inkomstenbelasting 2001 waarin Dijkstra benadrukt dat niet altijd aan het geldelijk voordeel-criterium hoeft te worden getoetst (opmaak origineel): In de fiscale literatuur wordt gewoonlijk geleerd dat een bron van inkomen in de zin van het belastingrecht slechts aanwezig kan zijn wanneer de belastingplichtige met de betreffende zaak of activiteit beoogt voordeel te verwerven en ook (per saldo) voordeel redelijkerwijs kan verwachten. Tegen deze opvatting behoeft geen bezwaar te bestaan, mits in het oog wordt gehouden op welke wijze de rechter deze criteria hanteert. (…) Sommigen meenden dat in [het medische-proevenarrest] het criterium ‘voordeel beogen – voordeel verwachten’ bij in het economisch verkeer verrichte activiteiten geheel was losgelaten. Daarom zag de Hoge Raad zich genoodzaakt om in het receptenarrest (ook wel ‘nasi- en bami-arrest’ genoemd) zijn leer te verduidelijken (HR 14 april 1993, BNB 1993/203). Hij gaf te kennen dat dat criterium allereerst van belang is om voorzienbaar verliesgevende activiteiten te verwijzen naar de sfeer van de inkomensbesteding (…); verder speelt het een rol ter onderscheiding van belastbare vermogenstransacties van speculatie (…); ten slotte noemde hij het relevant om bepaalde in de persoonlijke sfeer gelegen voordelen te ecarteren (maar wat de Hoge Raad daarmee in dit verband bedoelde, is voor zover ons bekend nog steeds niet duidelijk). 5Beoordeling van de beroepen Inleiding 5.1 Effectief betreft het geschil tussen partijen de vraag hoeveel belanghebbende in 2012 kan afschrijven op de boekwaarde van de ‘tool’. 5.2 Om het antwoord op die vraag te kunnen geven is essentieel het antwoord op een voorafgaande vraag, namelijk wat de boekwaarde van de ‘tool’ per 1 januari 2012 was; het antwoord op deze vraag is op zijn beurt weer afhankelijk van de vraag voor welk bedrag de ‘tool’ in 2011 voor de toepassing van de Wet IB 2001 mocht worden ingebracht op de openingsbalans van de onderneming van belanghebbende. 5.3 Partijen gaan in cassatie impliciet ervan uit dat de balanswaarde per 1 januari 2012 dezelfde is als de inbrengwaarde in
- Of dat juist is, is rechtens niet helemaal zeker maar afhankelijk van feiten die uit de stukken van het geding niet vallen op te maken. Nu dit voor partijen en voor het Hof klaarblijkelijk geen punt van discussie is, zal ook de cassatierechter hiervan moeten uitgaan. Het geschil in cassatie 5.4 Belanghebbende betoogt dat de inbrengwaarde moet worden gesteld op de waarde van de ‘tool’ in het economisch verkeer op het moment van de inbreng. 5.5 Daartoe voert hij in de eerste klacht aan dat het Hof ten onrechte de regel uit HR BNB 1994/178 heeft toegepast, en bovendien op een onjuiste wijze (zie onderdeel 3.2). 5.6 In de tweede klacht betoogt hij dat vóór 2011 de ‘tool’ nimmer is betrokken in andere arbeid in de zin van artikel 22 van de Wet IB 1964 dan wel in een overige werkzaamheid in de zin van artikel 3.90 van de Wet IB
- De ‘tool’ is zijns inziens vanuit het privévermogen ingebracht. Derhalve dient de inbrengwaarde niet te worden bepaald op de voortbrengingskosten exclusief de waarde van de nog niet gerealiseerde arbeid (zie onderdeel 3.6). 5.7 De Staatssecretaris daarentegen betoogt in het voorwaardelijk incidenteel beroep dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de ‘tool’ vanuit het privévermogen werd ingebracht in de onderneming. Naar zijn mening is sprake van een werkzaamheid die overgaat in een onderneming. Tweede klacht: Was vóór 2011 sprake van een bron? 5.8 Gegeven deze klachten dient eerst te worden onderzocht of de belanghebbende vóór 2011 met de ‘tool’ andere arbeid dan wel een overige werkzaamheid verrichtte. 5.9 De Inspecteur is van mening dat sprake was van ‘andere arbeid’. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd: De Inspecteur verklaart ten aanzien van de broncriteria dat het voordeel was beoogd en verwacht. Het voordeel was kenbaar. De collega’s waren enthousiast en de werkgever maakte er gebruik van. De deelname aan het economisch verkeer bestond uit het gebruik van de tool door de werkgever. Er was een sterke relatie tussen de ontwikkeling van de tool en de dienstbetrekking van belanghebbende. Belanghebbende heeft voor de tool geen financiële vergoeding gekregen, maar er kan ook een beloning zijn verstrekt in een andere vorm. Te denken valt daarbij aan de mogelijkheid van thuiswerken door belanghebbende. De Inspecteur ziet ook de relatie met de zakelijke markt als de deelname aan het economisch verkeer. Het is een tool die gebruikt wordt in de zakelijke markt en vanaf het moment dat dat gebeurt, is er sprake van deelname aan het economisch verkeer. Op de vraag vanaf wanneer het voordeel is beoogd verklaart de Inspecteur dat de tool in 2011 in licentie is gegeven. In 1995 is er een onderneming opgericht; [B] . Hieruit blijkt aldus de Inspecteur de intentie van belanghebbende. Dit duidt op een bedoeling om voordeel te beogen. In 2011 waren er de eerste opbrengsten. (...) De Inspecteur verklaart onder verwijzing naar het proces-verbaal van de Rechtbank dat belanghebbende heeft overwogen om de tool te exploiteren. De handelingen van belanghebbende, het ter beschikking stellen aan de werkgever, het oprichten van de onderneming, en de verkoop van de licentie, duiden daar ook op. De tool is fors in waarde gestegen. Het criterium van beogen is daarom misschien wel ondergeschikt. Achteraf blijkt dat de tool ook inderdaad te gelde is gemaakt. Dat er een langere periode is gelegen tussen de hoofdmoot van de werkzaamheden en het renderen, doet niet af aan het verband tussen de werkzaamheden en de baten. Daarnaast zijn er nog een aantal andere factoren. Belanghebbende heeft de tool gelijk gebruikt en een onderneming opgericht. De Inspecteur verklaart dat hij de dienstbetrekking heeft genoemd om het zakelijk gebruik toe te lichten. De waarde van de tool is daarom aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van arbeid in de zin van art. 22 van de Wet IB
- In 2001 werd het van rechtswege bron resultaat. Vanaf dat moment had het op de balans gemoeten voor de historische kostprijs omdat wat er toen aan waarde in zat (zelf vervaardigd) geactiveerd had moeten worden. Dit betreft de gemaakte kosten van € 5.
- Dit was exclusief de kosten van arbeid. In 2011 is er aangifte gedaan als resultaat uit overige werkzaamheden. Dit had winst moeten zijn. 5.10 Belanghebbende heeft betwist dat sprake was van ‘andere arbeid’. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd: Proces-verbaal van de zitting voor het Hof: Belanghebbende verklaart dat hij vóór 2011 geen onderneming dreef, ondanks zijn eerdere inschrijving in het handelsregister. Pas in 2011 was hij zich bewust van de waarde van de tool. Dit was nadat [C] interesse voor de tool had getoond. Daarvoor had hij de tool niet in de aangifte opgenomen, omdat hij zich niet bewust was van de waarde. (…) Belanghebbende verklaart dat hij [B] heeft opgericht omdat hij als vrijwilliger al veel “tooltjes” had gebouwd voor onder meer de voetbalclub en de huisarts. Hij kreeg hiervoor betaald in de vorm van een pc en waardebonnen. Belanghebbende hoopte ooit hiervoor nog eens echt betaald te krijgen en ontslag te kunnen nemen om voor zichzelf te beginnen. Vanuit die gedachte heeft hij de eenmanszaak in het handelsregister ingeschreven. Hij wilde daar graag mee verder. Dit stond echter geheel los van de onderhavige tool. Hoger beroepschrift van belanghebbende: 5.2.7 Aan het criterium van een redelijkerwijs te verwachten voordeel is niet voldaan. In de uitspraak [A-G: van de Rechtbank] wordt terzake van het redelijkerwijs te verwachten voordeel verwezen naar opmerkingen van collegae van [belanghebbende]. Uit de uitspraak dat er vanaf de totstandkomingsfase sprake is van inkomsten uit arbeid buiten dienstbetrekking, volgt dat de rechtbank dit ongemotiveerd van ergens in een periode van meer dan 20 jaar nader meent te kunnen situeren tot precies begin jaren ’90 toen de tool nog in de knutselfase zat. De opmerkingen van de collegae van [belanghebbende] waar de rechtbank naar verwijst stammen echter eveneens uit begin jaren 2011 en niet uit begin jaren ’
- De toepassingsmogelijkheden van de tool waren door onvoorzienbare externe technische ontwikkelingen sterk toegenomen. Deze ontwikkelingen hebben plaatsgevonden nadat de tool ontwikkeld was. Wellicht ten overvloede, voordelen die je niet beoogt kun je ook niet redelijkerwijs verwachten. De rechtbank gaat uit van de juiste feiten en het is onbegrijpelijk hoe zij hiertoe is gekomen. Voorts past de rechtbank de redelijkerwijs te verwachten voordeeltoets verkeerd toe en schendt zij daarmee het recht. Alleen dit al levert ons inziens voldoende grond op om de uitspraak van de rechter te vernietigen. 5.2.8 Er is voor 2011 niet voldaan aan het criterium van deelname aan het economisch verkeer. De opmerking over de omvang van de arbeid en de professionaliteit van de tool zegt wel iets over de kwaliteiten van [belanghebbende]. Maar het zegt helemaal niets over zijn deelname aan het economisch verkeer met betrekking tot de tool. Dat kan ook niet want die is er ook niet geweest voor
- Thuis op je pc knutselen – zonder enige hulp van derden – is geen deelnemen aan het economisch verkeer (…). De rechtbank geeft hiermee blijk van een verkeerde toetsing van het criterium deelname aan het economisch verkeer en schendt daarmee het recht. Alleen dit al levert ons inziens voldoende grond om de uitspraak van de rechter te vernietigen. 5.11 Het Hof heeft in r.o. 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld als geciteerd in onderdeel 2.4 van deze conclusie. 5.12 Het Hof stelt louter vast dat dat belanghebbende de ‘tool’ door eigen arbeid heeft ontwikkeld. Met die vaststelling staat echter geenszins vast dat sprake was van ‘andere arbeid’ in de zin van de Wet IB
- De arbeid kan immers, zoals belanghebbende stelt, in de privésfeer zijn verricht. 5.13 Uit de stellingname van de Inspecteur volgt evenmin dat sprake was van ‘andere arbeid’. De Inspecteur zegt weliswaar dat voordeel was beoogd en verwacht en zelfs dat het kenbaar was, maar hij draagt geen feiten en omstandigheden aan waaruit dat aannemelijk is. Uit het feit dat belanghebbende de ‘tool’ aan zijn werkgever beschikbaar stelde, volgt niet dat hij in het economisch verkeer doende was om voordeel te verwerven. Van een beloning van de zijde van de werkgever is geen sprake; ook van een door de Inspecteur denkbaar geachte beloning in de vorm van ‘thuiswerken door belanghebbende’ - al aangenomen dat zulks als een voordeel in de onderhavige zin zou kunnen worden beschouwd – blijkt niets. Ook het enkele feit dat belanghebbende in 1995 de eenmanszaak ‘ [B] ’ heeft opgericht en ingeschreven in de Kamer van Koophandel, sluit niet in dat belanghebbende vóór 2011 in het economisch verkeer doende was om voordeel te verwerven. [B] heeft tot 2011 geen activiteiten ontplooid en geen omzet gerealiseerd. De ‘tool’ werd pas in 2011 ingebracht in deze onderneming. Voorts impliceert het door de Inspecteur gestelde feit dat belanghebbende zou hebben overwogen de ‘tool’ te exploiteren, niet dat belanghebbende reeds destijds de bedoeling had om in het economisch verkeer voordeel te verwerven. 5.14 Gelet op het feit dat het aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat belanghebbendes standpunt dat te dezen niet sprake is van ‘andere arbeid’ geen stand houdt, betekent de conclusie dat hij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zijn standpunt schragen, dat het gelijk in zoverre aan belanghebbende is. 5.15 De tweede klacht van belanghebbende slaagt derhalve. Eerste klacht: Wat is het rechtsgevolg voor de bepaling van de inbrengwaarde? 5.16 Hoe dient de inbrengwaarde van de ‘tool’ te worden bepaald in het licht van de omstandigheid dat de inbreng heeft plaatsgevonden vanuit het privévermogen? 5.17 In het arrest HR BNB 1994/178, r.o. 3.4, formuleerde de Hoge Raad dienaangaande twee regels. De eerste houdt de hoofdregel in, te weten dat een goed dat vanuit het privévermogen van een belastingplichtige in diens onderneming wordt ingebracht, op de balans van die onderneming wordt opgenomen voor zijn waarde in het economisch verkeer. De tweede houdt in dat wanneer die waarde van dat goed is aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van ‘andere arbeid’ in de zin van artikel 22 van de Wet IB 1964, de activering wordt beperkt tot het bedrag van de ontwikkelingskosten voor zover nog niet op het fiscale inkomen in mindering gebracht. 5.18 De ratio van de tweede zojuist vermelde regel is echter achterhaald doordat onder vigeur van de Wet IB 2001 bij onttrekking van een dergelijk goed aan het werkzaamheidsvermogen afrekening plaatsvindt, zodat het zonder claimverlies voor de fiscus op de ondernemingsbalans kan worden opgenomen. 5.19 Een situatie zoals bestreken door de tweede regel doet zich in het voorliggende geval overigens ook niet voor. De waarde in het economisch verkeer van de ‘tool’ is immers, zoals hierboven bleek, niet aan te merken als de nog niet gerealiseerde opbrengst van ‘andere arbeid’. Voor de goede orde merk ik nog op dat ook artikel I, onderdeel M, van de Invoeringswet Wet IB 2001 en de sfeerovergangbepaling van artikel 3.99 van de Wet IB 2001 niet van toepassing zijn. 5.20 Dus moet de eerste in HR BNB 1994/178 vermelde regel worden toegepast die overeenkomt met de regels van het totaalwinstbeginsel (artikel 3.8 van de Wet IB 2001), inhoudende inbreng tegen de waarde in het economisch verkeer. 5.21 Dus slaagt ook de eerste klacht van belanghebbende. Beoordeling van het incidentele beroep 5.22 Het door de Staatssecretaris voorgestelde cassatiemiddel faalt, omdat – gezien hetgeen is betoogd in onderdeel 5.12-5.14 – geen sprake is van een werkzaamheid die overgaat in een onderneming. Cassatie en verwijzing 5.23 Wegens de gegrondbevinding van het principale beroep dient de uitspraak van het Hof te worden vernietigd. 5.24 Nu partijen verschillend oordelen over de inbrengwaarde en de afschrijving daarop, is nader onderzoek nodig. 5.25 Het geding dient derhalve te worden verwezen naar een ander gerechtshof. 6Conclusie De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende, ongegrondverklaring van het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris en verwijzing ter verdere behandeling en beslissing van de zaak. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Het Hof heeft vastgesteld dat het software betreft waarmee op een pc aanpassingen en verbeteringen voor mainframeapplicaties kunnen worden ontwikkeld. De Inspecteur van de Belastingdienst/ [P] . Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen 2 juni 2016, nr. LEE 15/3659, ECLI:NL:RBNNE:2016:2715, NTFR 2016/2366 met noot Reijnen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden 14 maart 2017, nr. 16/00834, ECLI:NL:GHARL:2017:2190, NTFR 2017/898 met noot Bitter. De Rechtbank overweegt onder punt 4: “Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn collega’s hem voor gek verklaarden als hij de tool niet ging exploiteren omdat hij daarmee volgens hen miljonair had kunnen worden.” De Rechtbank overweegt onder punt 2: “Niet in geschil is dat de aanschaffings- of voortbrengingskosten (exclusief eigen arbeid) in totaal maximaal € 5.000 hebben bedragen.” HR 9 maart 1994, nr. 29 010, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1994:ZC5615, AA 1995/10 met noot Zwemmer, BNB 1994/178 met noot Slot en V-N 1994/1043, 9 met aantekening van de redactie. Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)), nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)), nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1998/99, 26 728 (Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001), nr. 3, p. 82-
- Kamerstukken II 1998/99, 26 728 (Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001), nr. 6, p.
- Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)), nr. 3, p.
- Afhankelijk van de wijze van tellen. Twee voorwaarden – er is geen sprake van winst uit onderneming noch van belastbaar loon – vloeien reeds voort uit de wet. Het criterium ‘voordeel beogen’ en ‘voordeel verwachten’ zou eventueel kunnen worden opgesplitst. Kamerstukken II 1998/99, 26 727 (Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001)), nr. 3, p.
- HR 23 december 1981, nr. 20 904, ECLI:NL:HR:1981:AW9316, BNB 1982/155 met noot Van Brunschot. Belanghebbende heeft (slechts) betwist dat de arbeid was gericht op deelname aan het economisch verkeer (volgens punt 5.1 en verder van zijn beroepschrift in cassatie). HR 4 december 1935, B.
- HR 10 oktober 1951, B.
- HR 19 april 1978, nr. 18 805, ECLI:NL:HR:1978:AX2901, BNB 1978/
- HR 26 april 1933, B.
- Opmaak origineel. Het betreft de tekst zoals opgenomen in de verzameling van rechterlijke en administratieve beslissingen (BNB). HR 22 november 2000, nr. 35 666, ECLI:NL:HR:2000:AA8421, BNB 2001/34 en V-N 2000/53.13 met aantekening van de redactie. HR 8 juni 2007, nr. 42 044, na conclusie A-G Overgaauw, ECLI:NL:HR:2007:AY3626, BNB 2007/246 met noot Freudenthal en V-N 2007/27.16 met aantekening van de redactie. HR 3 oktober 1990, nr. 26 142, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1990:BH7882, BNB 1990/329 met noot Van Dijck. Zie voetnoot
- HR 14 april 1993, nr. 28 847, ECLI:NL:HR:1993:BH8770, BNB 1999/203 met noot Van Dijck en V-N 1993/1410, 10 met aantekening van de redactie. HR 20 juni 2003, nr. 37 974, ECLI:NL:HR:2003:AH1017, BNB 2003/306 met noot Freudenthal, NTFR 2003/1079 met noot Van de Merwe en V-N 2003/32.15 met aantekening van de redactie. HR 24 juni 2011, nr. 10/01299, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011/246, NTFR 2011/1705 met noot Bruins Slot en V-N 2011/32.10 met aantekening van de redactie. HR 9 maart 1994, nr. 29 010, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1994:ZC5615, AA 1995/10 met noot Zwemmer, BNB 1994/178 met noot Slot en V-N 1994/1043, 9 met aantekening van de redactie. AA 1995/
- BNB 1994/
- V-N 1994/1043,
- HR 13 mei 2016, nr. 15/02667, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2016:831, BNB 2016/170 met noot Heithuis, FED 2016/86 met noot Robben en V-N 2016/27.11 met aantekening van de redactie. NTFR 2016/
- NTFR 2017/
- Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 3.8 Wet IB 2001, aantekening 3.1.
- ‘Waardering op een openingsbalans; inbreng zaken/rechten vanuit sfeer resultaat uit een werkzaamheid’, Het commentaar is bijgewerkt tot en met 29 augustus
- Online geraadpleegd op 14 november
- ‘Algemene en bijzondere bronkenmerken’, WFR 1997/
- L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001, Deventer: Kluwer 2014, p. 102, 106 en
- L.G.M. Stevens e.a., Fiscaal commentaar, Inkomstenbelasting, 2004, Deventer: Kluwer 2004, p.
- C.G. Dijkstra en G.T.K. Meussen, De Wet inkomstenbelasting 2001, Den Haag: SDU 2001, p. 364-
- P. 3-4 van het proces-verbaal van de zitting voor het Hof. P. 2 en 4 daarvan. P. 5-6 daarvan. Ik verwijs naar aantekening 3.1.10 van de Fiscale Encyclopedie de Vakstudie op artikel 3.8 van de Wet IB 2001 (zie onderdeel 4.40 van deze conclusie). Zie onder meer p. 3 van het verweerschrift van de Inspecteur in hoger beroep: “Mocht [het Hof] van mening zijn dat de waarde in het economisch verkeer niet de historische kostprijs van € 5.000 is, dan neem ik subsidiair het standpunt in dat niet aannemelijk gemaakt is dat de waarde in het economisch verkeer bij inbreng in de onderneming € 250.000 is geweest. Zie onder meer p. 4 van het proces-verbaal van de zitting voor het Hof: “Desgevraagd verklaart de Inspecteur dat hij thans het meer subsidiaire standpunt in neemt dat er niet kan worden afgeschreven.”