Nr. 16/04503 Zitting: 21 november 2017 Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 16 augustus 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen” en 3. “bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben”, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van een maand, met aftrek van voorarrest. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. E.M. Witjens, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel 3.1. Het middel klaagt met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde feit dat het oordeel van het hof dat de verdachte het oogmerk had de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven onjuist is, althans onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. 3.2. Het hof heeft onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij op 11 november 2014 te Fijnaart, gemeente Moerdijk, opzettelijk 25 bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die ontving, bekend was, met het oogmerk om die als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad.” 3.3. Deze bewezenverklaring berust voor zover hier van belang op de navolgende bewijsmiddelen: “6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2014 van de politie Landelijke Eenheid met proces- verbaalnummer PL2000-2014268895-21. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6 e.v.): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: Op 11 november 2014 gaven wij, verbalisanten, de bestuurder van een personenauto een stopteken op de A59 ter hoogte van Fijnaart. Rechts achterin de auto zat [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], een zoeking gedaan in het voertuig. Ik, [verbalisant 1], trof in de bestuurdersstoel, aan de achterzijde in het opbergvak een plastic boterhamzakje aan. Ik zag dat er in dit zakje een aantal biljetten van € 500,- zaten. Hierop heb ik de bankbiljetten uit het zakje gehaald. Nadat ik het geld geroken en gevoeld had, kreeg ik het vermoeden dat het vals geld betrof. Na onderzoek bleek dat het om 25 biljetten van € 500,- ging met een totale waarde van € 12.500,-. (…) 9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 maart 2015 van de politie Eenheid Rotterdam met proces- verbaalnummer PL1700-2015066663-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 e.v.) : als de op 11 maart 2015 afgelegde verklaring van de verdachte : Het valse geld is van mij. Het waren allemaal biljetten van € 500,-. Ik heb dat valse geld in mijn bezit gekregen van een man van wie ik de naam niet ga noemen. Hij had het geld besteld op internet. Ik wist dat het geld vals was en dat je het niet in je bezit mag hebben. Ik had het geld die dag meegenomen en in mijn vest gestopt. Toen wij een stopteken kregen van de politie heb ik het direct weggestopt in een opbergvak aan de achterkant van de bestuurdersstoel.” 3.4. Het bestreden arrest bevat nog de volgende nadere bewijsoverweging: “De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte niet het oogmerk had om de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat in het algemeen een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven zich moeilijk laat denken. Daarbij heeft de verdachte geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om tijdens enig verhoor bij de politie zelfs maar te stellen dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de betreffende valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of deze te doen uitgeven. De verdachte heeft bij de politie in het geheel geen verklaring gegeven waarom hij het geld waarvan hij volgens eigen verklaring wist dat het vals was, had gekregen van een man wiens naam hij niet wilde noemen en evenmin waarom hij dat valse geld in de auto bij zich had toen hij door de politie werd aangehouden. Op grond van vorenstaande omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om voormelde valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, omdat dat oogmerk uit de aard der zaak slechts bij uitzondering zal ontbreken.” 3.5. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 209 Sr. Dit artikel luidt als volgt: “Hij die opzettelijk als echte en onvervalste muntspeciën of munt- of bankbiljetten uitgeeft muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, ontvangt, zich verschaft, in voorraad heeft, vervoert, invoert, doorvoert of uitvoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.” 3.6. Het misdrijf van art. 209 Sr is opgenomen in Titel X Boek II Sr, welke titel strafbepalingen omvat met betrekking tot “Valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten”. De gemeenschappelijke rechtsgrond van de strafbepalingen in deze titel is gelegen in de schending van de openbare trouw (publica fides). 3.7. De wetgever heeft het in art. 209 Sr vereiste oogmerk tot de essentialia van het valsheidsdelict gerekend. “Geen muntmisdrijf zonder uitgifte of oogmerk van uitgifte”, aldus de MvT. Wie “tot eigen vermaak” geld namaakt of vervalst, randt de openbare trouw niet aan. De Raad van State voorzag grote bewijsproblemen, maar de regering hield aan haar opvatting vast. Zij stelde in het Rapport aan den Koning onder meer dat “bij gebreke van direct bewijs het zoo bezwaarlijk zou zijn, voor het oogmerk der uitgifte het bewijs door aanwijzingen te leveren, kan (…) niet worden toegegeven”. In haar reactie op het Verslag van de Commissie herhaalde zij dat zonder oogmerk geen falsum bestaanbaar was en voegde daaraan toe: “Het oogmerk zal in den regel uit de omstandigheden blijken. Voor zoover het in een zeldzaam geval niet blijkt, mag men geen falsum fingeren.”. De wetgever was dus van oordeel dat het bewijs van het vereiste oogmerk bijna steeds uit de omstandigheden kon worden afgeleid en dat dit alleen in zeldzame gevallen anders kon zijn. De gedachte lijkt daarbij te zijn geweest dat het louter “tot eigen vermaak” vervalsen van geld zelf een zeldzaam verschijnsel is. Hetzelfde zal gelden voor het in voorraad hebben van vals geld. Er zijn maar weinig mensen die valse munten verzamelen uit liefhebberij. 3.8. Onder ‘oogmerk’ lijkt voorwaardelijk opzet in het algemeen niet te kunnen worden gebracht. Er zijn geen aanwijzingen dat dit voor het oogmerk van art. 209 Sr anders is. Integendeel. In 2001, bij de parlementaire behandeling van het (toenmalige) wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot valsheid in muntspeciën en munt- en bankbiljetten (eurovalsemunterij), stelde de minister: “De constatering (…) dat door de opneming van de zinsnede “met het oogmerk om” geen ruimte wordt geboden voor voorwaardelijk opzet is juist.”. Hij voegde daaraan toe dat hij geen reden zag voor een wetswijziging op dit punt omdat het pas redelijk is om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te achten voor onder meer het in voorraad hebben van vals geld wanneer hij “de bedoeling” heeft dit geld in omloop, in het verkeer te brengen. 3.9. De Hoge Raad heeft enkele voor de onderhavige zaak relevante arresten gewezen waarin werd geklaagd over de bewezenverklaring van het oogmerk ex art. 209 Sr. Op 20 juli 1926 (NJ 1926, p. 1043) oordeelde de Hoge Raad dat het hof uit de bewijsmiddelen aanwijzingen heeft kunnen putten dat de verdachte muntbiljetten, waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, in voorraad heeft gehad met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven. De bewijsmiddelen hielden – kort gezegd – in dat de politie bij fouillering op de verdachte een zilverbon tussen zijn papieren heeft gevonden, dat de verdachte op de vraag of hij nog een valse zilverbon had, heeft geantwoord “misschien heb ik er nog een in mijn zak”, dat bij huiszoeking bij de verdachte 35 valse “zilverbons” van ƒ 2,50 zijn aangetroffen in een portemonnee die was opgeborgen in een linnenkast, staande in de voorkamer, achter papieren, boeken en dozen en dat de verdachte deze zilverbonnen had gevonden in de door A. bewoonde zolderkamer, dat hij een bundel zilverbonnen tot zich heeft genomen en dat hij onmiddellijk had gezien dat de zilverbonnen vals waren. In HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 deed de Hoge Raad de cassatiemiddelen af met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Uit de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga blijkt het volgende over de zaak. In de auto van de verdachte was een plastic tas aangetroffen met daarin in plastic gesealde bundeltjes valse bankbiljetten van DM 100,- en ƒ 1.000,-. Het hof stelde vast dat de verdachte met de inhoud van de tas bekend was. Het hof achtte vervolgens het oogmerk om deze bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven bewezen en nam daarbij de volgende drie punten in aanmerking:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.