Nr. 14/05324 Zitting: 19 december 2017 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 10 juli 2014 door het Gerechtshof Amsterdam voor onder meer 4: “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard”, veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. Er bestaat samenhang met zeven andere zaken tegen de verdachte. In al deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de verwerping door het hof van het verweer dat de (bij beschikking van 21 februari 1984 opgelegde) ongewenstverklaring van de verdachte door de latere uitvaardiging van een inreisverbod jegens de verdachte dan wel door tijdsverloop van rechtswege is komen te vervallen, zodat deze ten tijde van zijn verblijf in Nederland op 18 augustus 2013 (de dag in de bewezenverklaring) niet meer geldig was. Het bestreden arrest houdt onder het kopje “Gevoerde verweren” het volgende in: “De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4 en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar op 21 februari 1984 ongewenst is verklaard doch dat hem op 19 februari 2012 een inreisverbod is opgelegd. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 17 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0624) is de raadsman van mening dat samenloop van een ongewenst verklaring met een inreisverbod is uitgesloten. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat de verdachte om die reden niet kan worden veroordeeld. (…) Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt vast, dat de IND heeft onderkend dat aan de verdachte ten onrechte op 10 oktober 2012 een inreisverbod voor de duur van twee jaar was opgelegd en dat dit inreisverbod daarom is ingetrokken. Derhalve is de ongewenst verklaring van 21 februari 1984 nog altijd van kracht en behoeft het verweer geen verdere bespreking. Mitsdien moet het verweer worden verworpen.” 6. Voor zover het middel zich richt tegen de verwerping van het verweer dat de ongewenstverklaring van de verdachte moet worden geacht te zijn ingetrokken door de uitvaardiging van een later inreisverbod, merk ik op dat de Raad van State in de door het hof aangehaalde uitspraak tot de slotsom kwam dat de vreemdeling, die in 2006 tot ongewenst vreemdeling was verklaard, terecht klaagde dat de rechtbank niet had onderkend dat jegens hem geen inreisverbod kon worden uitgevaardigd. De Raad van State vernietigde vervolgens het in 2012 tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod. 7. Uit het feit dat jegens een vreemdeling die ongewenst is verklaard geen inreisverbod kan worden uitgevaardigd zolang de ongewenstverklaring voortduurt en dat een desondanks uitgevaardigd inreisverbod wordt vernietigd, kan bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat de beschikking tot ongewenstverklaring door de uitvaardiging van een later inreisverbod niet wordt ingetrokken. 8. Het middel gaat in zoverre uit van een onjuiste opvatting en is tevergeefs voorgesteld. 9. Voor zover het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de ongewenstverklaring van de verdachte door tijdsverloop niet meer geldig was, berust het middel kennelijk op de opvatting dat de duur van de ongewenstverklaring van de verdachte de in art. 11 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur van een inreisverbod heeft overschreden, aangezien: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.