Nr. 16/04989 Zitting: 12 december 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 8 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 2 “eenvoudige belediging”, 4 “valsheid in geschrift”, 5 “smaadschrift, meermalen gepleegd”, 6 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 7 primair “zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en godsdienst”, 8 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd” en 9 primair “zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras en godsdienst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest vermeld. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend, houdende één middel van cassatie. Het gaat volgens de verdenking in deze zaak om het volgende. De feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld hebben zich in een periode van enkele maanden afgespeeld en waren telkens bedoeld om steeds dezelfde persoon te treffen, namelijk [betrokkene 1] , die in hetzelfde appartementencomplex woonde als de moeder van de verdachte. In de woning van de moeder was ingebroken en de verdachte had het sterke vermoeden dat [betrokkene 1] daarbij direct betrokken was. Om te bewerkstelligen dat [betrokkene 1] uit het appartementencomplex zou vertrekken, hing de verdachte briefjes met beledigende teksten op in de portiek van het appartementencomplex (feit 2), bestelde de verdachte goederen op naam van [betrokkene 1] (feit 4), stuurde de verdachte brieven naar seksshops waarin vermeld stond dat hij, ‘ [betrokkene 1] ’, geïnteresseerd was in kinderporno (feit 5) en stuurde de verdachte brieven met beledigende en bedreigende teksten naar moskeeën, met de naam van [betrokkene 1] als afzender (feiten 6, 7 primair, 8 en 9). De namens de verdachte voorgestelde middelen 5. Het eerste middel, in samenhang bezien met de toelichting daarop, keert zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof inzake feit 2 dat geen consequenties hoeven te worden verbonden aan de overschrijding van de klachttermijn omdat [betrokkene 1] (verder de aangever) hierover niet goed is geïnformeerd door de politie. 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2016 houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang: "De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over. De advocaat-generaal heeft daarbij - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd: (…) Het vonnis van de rechtbank is zeer uitgebreid, ook op de punten waarvan je zou kunnen zeggen dat het wel duidelijk is. Ik wil er nog een punt uitlichten en dat is het ontbreken van een klacht ten aanzien van de feiten 1 en 2. De Hoge Raad is sinds jaren heel soepel. Het kan zijn dat er geen klacht ligt, maar daarmee valt de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie niet weg als duidelijk is dat degene vervolging wenst. Ik wijs op het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2014, met nummer 2014, 381. Dat is er een in een reeks van velen. In het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 1997, LJN-nummer ZD0821, heeft de Hoge Raad bepaald dat indien buiten twijfel staat dat de klachtgerechtigde een klacht heeft willen indienen, het verzuim om de klachtgerechtigde door te verwijzen naar een hulpofficier van justitie op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging hoeft te leiden. De politie heeft tegen aangever gezegd maar even te wachten met het doen van aangifte en het doen van klacht. Bij wie de fout ligt, is dan wel duidelijk en dat kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. (…) De raadsman voert het woord tot verdediging. De raadsman heeft daarbij - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd: (…) Ten aanzien van het punt van de klacht, waarbij de advocaat-generaal een uitspraak van 1997 heeft genoemd, zit ik met de termijn. Op pagina 3 van het vonnis staat expliciet opgenomen dat is besloten voorlopig geen aangifte te doen maar niet blijkt wie daarin sturend is geweest. In hetgeen op de volgende pagina door de rechtbank is overwogen, kan ik mij niet vinden. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen over dat tenlastegelegde feiten als een geheel worden beschouwd, had gekund als artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht ten laste was gelegd, maar dat is niet gebeurd. Dan kan niet worden overwogen dat het een feitencomplex is en dat de termijn gesauveerd wordt, maar dan is het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk." 7. In reactie op het voorgaande heeft het hof in het arrest het volgende overwogen: “Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft aangever weliswaar een klacht ingediend, maar niet binnen drie maanden nadat hij kennis heeft genomen van het strafbare feit. De betreffende briefjes werden half oktober 2014 opgehangen en door aangever waargenomen, terwijl aangever pas op 7 februari 2015 een klacht heeft ingediend. Naar het oordeel van het hof is deze termijnoverschrijding echter een gevolg van het feit dat aangever niet goed is geïnformeerd door de politie. Aangever wilde immers meteen toen hij had geconstateerd dat de briefjes in het portiek hingen, aangifte doen. Mede door toedoen van de wijkagent, heeft aangever hier in eerste instantie van afgezien. Niet is gebleken dat de wijkagent aangever heeft geïnformeerd dat hij slechts drie maanden de tijd had om een klacht in te dienen, als hij de mogelijkheid van vervolging wilde openhouden. Ook heeft de wijkagent (die op 8 februari 2015 de aangifte opnam) aangever niet uitgelegd dat (vanwege het aantal incidenten dat zich inmiddels hadden voorgedaan) hij aangifte van belaging had kunnen doen (waardoor de klachttermijn geen belemmering voor vervolging zou zijn). Naar het oordeel van het hof is de termijnoverschrijding een gevolg van het gebrek aan informatie van de politie aan de aangever en dient dit er toe te leiden dat aan de termijnoverschrijding geen gevolgen worden verbonden. Het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.” 8. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: Art. 266 Sr: “1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. (…).” Art. 269 Sr: “Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, behalve in de gevallen voorzien in artikel 267, aanhef en onder 1° en 2°.” Art. 164 Sv: “1. Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging. 2. (…)” Art. 66 Sr: “1. De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. 2. (…)” 9. Belediging als hier bedoeld wordt dus niet vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd (art. 269 Sr). Dit klachtvereiste strekt ertoe dat het persoonlijk belang van het slachtoffer niet te worden geconfronteerd met eventueel negatieve gevolgen van een strafvervolging, de voorrang heeft boven het algemene belang van strafvervolging. Zonder klacht ontbreekt in beginsel de basis voor vervolging. 10. De raadsman heeft in hoger beroep verweer gevoerd met betrekking tot de termijn van de klacht en gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van (onder meer) feit 2. Volgens het hof is weliswaar niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden een klacht ingediend, maar valt de termijnoverschrijding niet de aangever maar de wijkagent toe te rekenen, nu deze de aangever onjuist heeft geadviseerd en geïnformeerd en bovendien heeft verzuimd de aangever op de mogelijkheid van aangifte van belaging te wijzen. Om die reden heeft het hof volstaan met de constatering dat de termijn is overschreden. 11. Volgens de steller van het middel is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk, nu uit het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat de aangever mede door toedoen van de wijkagent heeft afgezien van de aangifte, terwijl daarnaast het wijzen op de mogelijkheid van belaging onbegrijpelijk is omdat een dergelijke aangifte ook nadien niet is gedaan. 12. De Hoge Raad stelt in zijn rechtspraak ter zake, het doel en de strekking van het klachtvereiste centraal. Het gaat om de vraag of de klachtgerechtigde vervolging wenst, het accent ligt minder op de wijze waarop de klacht tot uitdrukking is gebracht. Het strikt vasthouden aan alle vormvereisten zou immers afbreuk doen aan de realisering van de wens van de klager tot vervolging. Het bestaan van een klacht in de zin van art. 164, eerste lid, Sv kan onder omstandigheden alsnog, en dus nadat de vervolging is aangevangen, worden aangenomen indien op grond van het onderzoek op de terechtzitting wordt vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. In het arrest van 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9497, NJ 1994/197 m.nt. van Veen (rov. 6.2) heeft de Hoge Raad een algemene regel geformuleerd met het oog op de reparatie van verzuimen in de klachtprocedure: indien buiten twijfel staat dat de gerechtigde een klacht heeft willen indienen, kan in bijzondere omstandigheden, met name indien de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet door een verzuim van de ambtenaar die de klacht in ontvangst heeft genomen, worden aangenomen dat dit verzuim niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. Het gaat hier immers om een aan de tot klacht gerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van opsporingsambtenaren; de klachtgerechtigde mag kortom niet de dupe worden van hun tekortschieten. De relativering van de formele eisen is ook zichtbaar in de wet zelf. Zo verviel met de invoering van de Wet vormverzuimen uit 1995 het derde lid van art. 164 Sv, waarin een wettelijke nietigheidssanctie op het niet (volledig) in acht nemen van de voorschriften aangaande de wijze waarop een klacht moest worden ingediend was geformuleerd. 13. Bij de stukken van het geding bevindt zich het proces-verbaal van aangifte. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de aangever begin oktober 2014 briefjes met daarop beledigende teksten heeft waargenomen. Op 7 februari 2015, dus ongeveer vier maanden na de constatering dat er briefjes hingen, is hiervan aangifte gedaan en heeft de aangever de op voet van art. 269 Sr vereiste klacht ingediend. Het hof heeft terecht geconstateerd dat de wettelijke klachttermijn van drie maanden is overschreden. 14. Verder blijkt uit het proces-verbaal van aangifte dat de aangever in oktober 2014 “contact heeft gezocht met zijn woonbegeleider en in eerste instantie heeft aangegeven dat hij aangifte wilde doen van vernieling, smaad en laster”. Mede door de in zijn portiek opgehangen briefjes voelde hij zich “erg beledigd”. In overleg met zijn woonbegeleider en de wijkagent besloot hij toen geen aangifte te doen maar eerst af te wachten of de woningbouwvereniging, begeleider en wijkagent konden bemiddelen in de situatie. De aangever zegt verder dat hij zich “al de tijd dat er pesterijen waren” rustig heeft gehouden (ook) op advies van zijn woonbegeleider/ster en de wijkagent ook al voelde hij zich “er verschrikkelijk onder”. In het licht van deze verklaring heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat de aangever de wens had al meteen nadat hij de briefjes in de portiek had gezien – dat wil zeggen in oktober 2014 en dus ruim binnen de wettelijke klachttermijn – een klacht in te dienen maar mede door toedoen van de wijkagent daarvan in eerste instantie heeft afgezien, met de overschrijding van de klachttermijn tot gevolg. Gelet daarop en gezien de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad, is het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval aan de termijnoverschrijding geen gevolgen worden verbonden onjuist noch onbegrijpelijk. Het hof heeft dit oordeel tevens toereikend gemotiveerd. Daaraan doet, anders dan de steller van het middel wil, de omstandigheid dat de aangever uiteindelijk geen aangifte van belaging heeft gedaan niet af. Het hof heeft daarmee slechts (en niet onbegrijpelijk) de gebrekkige wijze van informatieverstrekking door de politie willen illustreren. 15. Voor zover de toelichting op het middel nog bedoelt te betogen dat het hof niet tot dat oordeel is gekomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juni 2016, gaat zij eraan voorbij dat blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting onder meer de inhoud van het stamproces-verbaal van 3 april 2015 met bijlagen, waarvan voormeld proces-verbaal van aangifte deel uitmaakt, kort is voorgehouden. 16. Het eerste middel faalt. 17. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, behelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, omdat niet kan worden gezegd dat door de uitingen op de briefjes de eer of goede naam van de aangever is aangerand, nu daarop niet de naam van de aangever was vermeld. 18. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 7 oktober 2014 tot en met 14 oktober 2014 te Utrecht [betrokkene 1] in het openbaar en middels geschriften heeft beledigd, immers heeft verdachte met dat opzet in het portiek van een appartementencomplex, gelegen aan de [a-straat] aldaar, (in welk complex zich onder andere de woning van die [betrokkene 1] bevindt) briefjes heeft opgehangen met daarin de tekst: “Let op! Er wordt ingebroken en er zijn spullen gestolen! Er wonen junks in de flat die in de gaten houden wanneer je aanwezig bent!”, en “Wij willen geen junks in onze flat!”” 19. De tenlastelegging is toegesneden op art. 266 Sr. De bewezenverklaring houdt in dat de aangever in het openbaar en door middel van geschriften is beledigd. 20. De uitlating wordt als beledigend beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander aan te randen in zijn of haar eer en goede naam. Daarvan is in het algemeen sprake indien de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben. Bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, zal het oordeel dat daarvan sprake is afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. 21. In de onderhavige zaak zijn in de portiek van het appartementencomplex waar de aangever woonde briefjes opgehangen. Op deze briefjes stond vermeld: “Let op! Er wordt ingebroken en er zijn spullen gestolen! Er wonen junks in de flat die in de gaten houden wanneer je aanwezig bent!”, en “Wij willen geen junks in onze flat!” Het hof heeft geoordeeld dat deze uitlatingen eenvoudige belediging in de zin van art. 266 Sr opleveren. Op de briefjes wordt in algemene zin gesproken over “junks”. Op zichzelf is deze uiting niet beledigend, aangezien met deze term enkel tot uitdrukking wordt gebracht dat sprake is van een drugsverslaafde. Een dergelijke uitlating kan echter wel een beledigend karakter krijgen op grond van de context waarin zij wordt gebezigd. Dat in de onderhavige zaak sprake is van zo een context, blijkt naar het mij voorkomt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Gedurende enkele maanden heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een reeks van strafbare feiten die direct of indirect tegen de aangever waren gericht. De door de verdachte verzonden dreigbrieven, de schriftelijke bestellingen (bij seksshops) en de brief aan een seksshop over kinderporno (feiten 5 t/m 9) waren alle door de verdachte op naam van de aangever gesteld en verzonden. De verdachte heeft dit erkend en tevens verklaard welk doel hij daarmee beoogde: hij wilde dat de aangever uit het appartementencomplex weg zou gaan. Dat blijkt uit bewijsmiddel 17 – het proces-verbaal van verhoor d.d. 7 februari 2015 inhoudende de verklaring van de verdachte –, waaruit ik verder het volgende citeer: O: Wij laten u eventjes een mailtje zien, bijlage I. (Opmerking hof: het betreft een mail op pagina 159 met de volgende inhoud: Van: [verdachte] Verzonden: Sunday, October 05, 2014 20:21 Aan: vraag@mitros.nl (...) Onderwerp: Drugsoverlast en betrokkenheid bij inbraak Geachte heer/mevrouw, Op 29-9-2014 heb ik u gemeld dat er is ingebroken op [a-straat 2] , te Utrecht. (...) Nu blijkt een medebewoner [betrokkene 1] , wonende aan de [a-straat 3] , hierin een rol te hebben vervuld, wat verder uitgezocht zal worden. (...) Met vriendelijke groet, [verdachte] ) V: Wat kunt u daarover zeggen? A: Dat herken ik als mijn eigen mail. (...) V: Wat was uw intentie met deze mail? A: Het onder de aandacht brengen en dat er stappen ondernomen zouden worden vanuit de Mitros. (...) V: En aan welke stap dacht u specifiek? A: Het liefste wilde ik dat hij weg zou gaan (...). V: Vanaf welke computer zijn de mails naar de Mitros verzonden? A: Vanaf thuis. (...) O: De mailwisseling met de Mitros had waarschijnlijk niet het gewenste effect. V: En toen? A: Ik heb briefjes in de hal van mijn moeder opgehangen. V: Wat stond daarop? A: Ik denk: Let op, er zijn junks in de flat. (...) O: Wij tonen u nu bijlage II en III. (opmerking hof: het betreft de briefjes met de tekst zoals onder respectievelijk ‘versie 1 ’ en ‘versie 2 ’ opgenomen onder bewijsmiddel 3) A: Ja, dat zijn die briefjes, die ik toen opgehangen had in de hal bij mijn moeder. (…) O: Het lijkt erop dat u na de mailtjes die u naar de Mitros zond niet gehoord werd. Nadat u de briefjes opgehangen had, werd u echter direct benaderd door zowel politie als Mitros. V: Wat voor een gevoel gaf dat u? A: Onrechtvaardigheid. Ik vroeg me af waarom alle aandacht naar [betrokkene 1] ging en waarom ze mijn moeder dan vergaten. Machteloosheid. V: Wat was uw volgende actie toen? A: Even denken hoor wat ik daarna heb gedaan. Misschien zijn banden leeg laten lopen. Hm.. een spijker in zijn deurslot geslagen. A: Oh, ja, brievenbus vol gepeurd. Dat was gelijktijdig met die banden leeg laten lopen. (…) A: Ik moest wat, de andere dingen werkten niet. De mails niet, de briefjes niet, niks. Ik had alleen nog die briefjes, die ik naar scholen wilde sturen, achter de hand. Die heb ik thuis in mijn woning liggen, die wilde ik nog gaan versturen. Ik had deze brieven al uitgeprint en klaar liggen voor verzending.” 22. De briefjes in de portiek van het appartementencomplex waren dus volgens de verklaring van de verdachte gericht op de aangever om diens vertrek te bewerkstelligen en daar door hem opgehangen nadat een mailwisseling met de woningbouwvereniging niet tot het in zijn ogen gewenste effect had geresulteerd. Voorts was het voor de aangever bekend dat de inhoud van de briefjes telkens op hem sloeg en dat hij zich door de teksten in zijn eer en goede naam voelde aangetast (bewijsmiddelen 1 en 2). 23. Uit de hiervoor geschetste context blijkt voldoende dat de uiting in de briefjes van de verdachte de strekking had om de eer en goede naam (morele integriteit) van de aangever aan te tasten, oftewel deze laatste te beledigen. Derhalve heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat de briefjes een beledigende inhoud voor de aangever hadden. Het (impliciete) oordeel van het hof dat met het ophangen van de briefjes in de portiek van het appartementencomplex, waarvan het appartement van de aangever deel uitmaakte, sprake is van eenvoudige belediging is gelet op de context waarin de uiting heeft plaatsgevonden, niet onbegrijpelijk, terwijl het hof tot een nadere motivering niet was gehouden. 24. Het tweede middel faalt. Het namens de benadeelde partij ingediende middel 25. Het middel, in samenhang bezien met de toelichting en de nadere toelichting (van 28 november 2016) daarop, richt zich met een rechtsklacht en motiveringsklachten tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] . Volgens de steller van het middel heeft het hof verzuimd aan te geven waarom de vordering onterecht of bovenmatig zou zijn en heeft het hof voorts nagelaten aan te geven waarom het de geleden schade heeft vastgesteld op een bedrag van € 2.500,-, terwijl daarnaast het oordeel van het hof dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten 6 tot en met 9 onjuist, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. 26. Uit de stukken van het geding kan, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende worden afgeleid: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.