Nr. 16/03418 Zitting: 28 november 2017 Mr. B.F. Keulen Conclusie inzake: [verdachte]
(2x)Nummerkeuze : [0006] Datum : : 01-03-2005 Tijdstip : 10.17 uur [verdachte] belt naar NN man (NN) (stemherkenning: betreft dezelfde NN man van het telefoongesprek met [verdachte] op 28-02-2005 om 20.00 uur) [verdachte] :Ik neem aan dat jullie elkaar ontmoet hebben! NN: Het is oké/in orde. [verdachte] : Abi wat ik alleen wilde zeggen is euhh...dat je aan die vriend gelijk twee stuks geeft. NN: Abi ik sta al op de weg. NN : Hij vroeg "is er voor mij wat" en ik zei "ze hebben me niets gegeven" en hij zei "oké dan". Nummerkeuze : [0002] Datum : 01-03-2005 Tijdstip : 10:30 uur [betrokkene 2] (K) belt uit naar NN-man (NN) (de NN-man spreekt Brits Engels) Voordat de verbinding tot stand komt vraagt [betrokkene 2] in het Nederlands aan een andere NN-man: "Wat was zijn naam?" De NN-man antwoordt: ' [...] ' K: Met mij . Vriend ... het spijt me erg, weet je ... K: Ja, maar je moet ons vertellen hoe je het wilt hebben. Je kunt (het) vandaag krijgen…hoe je (het) wilt… Sorry. K: Hoe, hoe wil je (het) hebben, echt waar ... beloof ... hoe wil je (het) hebben. ■
- Het proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, proces-verbaalnummer 22804280205.se3 (…), d.d. 28 februari 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , Chef Bureau Recherche Ondersteuning, alsmede andere daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : als relaas van deze opsporingsambtenaren In het kader van het opsporingsonderzoek onder de naam 'Osaka' is ons een informatie-set verstrekt, waarin alle beschikbare relevante gegevens, zoals foto's, contacten, contactadressen, voertuigen en dergelijke zijn opgenomen. In opdracht van de chef van het Bureau Recherche Ondersteuning en op verzoek van de Regionale Recherche Dienst van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond hebben wij, met betrekking tot dit opsporingsonderzoek, ter uitvoering van het bevel ex artikel 126g/126o van het Wetboek van Strafvordering, afgegeven door de officier van justitie mr. Kerkhof te Rotterdam, op 28 februari 2005 stelselmatig geobserveerd en de navolgende waarnemingen gedaan en/of het volgende ondernomen. 14.57 uur: [betrokkene 2] en [verdachte] parkeren de Volvo, voorzien van het kenteken [AA-00-AA] . Zij stappen uit en lopen in de richting van Café Rotterdam te Rotterdam. 15.15 uur : [betrokkene 2] , [verdachte] en NN1 verlaten Café Rotterdam. 15.16 uur: [betrokkene 2] , [verdachte] en NN1 lopen naar een personenauto. NN1 opent de kofferbak en haalt daaruit een grote zwarte lege tas. NN1 overhandigt deze zwarte tas aan [verdachte] . [betrokkene 2] en [verdachte] lopen naar de Volvo voornoemd, stappen in en rijden weg. 15.26 uur: [verdachte] draagt een grote lege zwarte tas in zijn handen. [betrokkene 2] ; en [verdachte] gaan het pand aan de [a-straat 1] te Rotterdam binnen. 15.58 uur: [betrokkene 2] en [verdachte] verlaten pand [a-straat 1] te Rotterdam. [betrokkene 2] draagt een zware, gevulde tas over zijn schouder. [betrokkene 2] en [verdachte] pakken ieder een hengsel van de zwarte, gevulde tas en dragen samen de tas. Zij zetten samen de tas in de Volvo. [betrokkene 2] , [verdachte] en een vrouw (NN2) rijden weg met de Volvo. 16.10 uur: De Volvo voornoemd stopt. [verdachte] en NN2 stappen uit. Zij stappen in de Jaguar. NN1 is de bestuurder van de Jaguar. De Jaguar en de Volvo rijden achter elkaar aan weg. De Jaguar en de Volvo rijden naar restaurant "De Punt" te Rotterdam. 16.24 uur: [verdachte] , NN1, en NN2 gaan horecagelegenheid "De Punt" binnen. 16:27 uur: [betrokkene 2] gaat dezelfde horecagelegenheid binnen. 17.04 uur: [betrokkene 2] opent de kofferbak van de Volvo. Hierna pakt NN3 een grote zwarte, gevulde tas uit de kofferbak van de Volvo. NN3 draagt een rode baseball cap. [betrokkene 2] loopt de horecagelegenheid binnen. 17.05 uur en 17.06 uur: NN3 zet de zwarte, gevulde tas op de bijrijdersstoel van de witte trekker met een rode oplegger met grijs dekzeil.
- Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2005-04-06-1 (…), d.d. 6 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm ;door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar B-1002, inspecteur van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van deze opsporingsambtenaar: Op 6 april 2005 hoorde ik, verbalisant, de politiële informant A
- Deze verklaarde mij, daar naar gevraagd, in de Engelse taal: Op 28 februari 2005 verliet ik samen met [betrokkene 2] restaurant "De Punt". Wij liepen naar de Volvo, gekentekend [AA-00-AA] . Nadat [betrokkene 2] de kofferbak van zijn auto had geopend, wees hij mij een zwarte sporttas aan. Ik begreep dat de heroïne in deze tas zat. Hierop pakte ik deze tas uit de kofferbak van de auto en zette deze tas in de cabine van mijn vrachtauto. De rits van de tas ging kapot. Tijdens de overtocht heb ik, in opdracht van mijn begeleidingsteam, de heroïne overgeladen in een trolleykoffer, kleur zwart met grijze vlakken. Waarna ik deze trolleykoffer met inhoud op 1 maart 2005 in de kofferbak van de Mercedes plaatste. De eerdergenoemde [betrokkene 4] en de andere mij onbekende Turkse man waren, met deze auto naar de afgesproken locatie in Engeland gekomen.
- Een geschrift, zijnde een vertaling uit het Engels naar het Nederlands van een proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van op 1 maart 2005 gedane observaties uitgevoerd door [B] (…), inhoudende - 'zakelijk weergegeven -: Op 1 maart 2005 werd 's ochtends waargenomen dat een witte Volvo Truck, kenteken [BB-00-BB] , met een oplegger de haven van Kingston-upon-Hull verliet. Het voertuig werd vervolgens gevolgd naar de verzorgingsplaats Doncaster, afslag 5 van de M
- Er werd waargenomen dat een blanke man uit dat voertuig stapte en naar de verzorgingsplaats liep. Er werd waargenomen dat [betrokkene 6] en [betrokkene 7] deze persoon ontmoetten in het restaurant. Na een korte ontmoeting verlieten ze alle drie de verzorgingsplaats waarbij [betrokkene 6] en [betrokkene 7] naar een blauwe Mercedes 220, kenteken [CC-00-CC] , liepen. Beiden stapten ze in het voertuig, [betrokkene 7] op de bestuurdersplaats. De vrachtwagenchauffeur liep terug naar zijn voertuig [BB-00-BB] en stapte zijn cabine in. Voertuig [CC-00-CC] reed vervolgens van het parkeerterrein en ging naast voertuig [BB-00-BB] staan. Vervolgens werd waargenomen dat de vrachtwagenchauffeur een grote tas op wieltjes uit de cabine van de [BB-00-BB] haalde en samen met [betrokkene 6] naar de kofferruimte van de [CC-00-CC] liep. Daarna liep de vrachtwagenchauffeur terug naar de cabine van de [BB-00-BB] zonder dat hij iets bij zich had. [betrokkene 6] en [betrokkene 7] reden in het voertuig [CC-00-CC] naar Londen. Er werd waargenomen dat [betrokkene 7] dezelfde tas die in het bezit was van de vrachtwagenchauffeur op de verzorgingsplaats uit de kofferruimte van de kofferruimte van de [CC-00-CC] haalde en aan [betrokkene 6] overhandigde. [betrokkene 6] en [betrokkene 7] werden aangehouden. Het bleek dat de tas een aantal bruine pakjes bevatte die (gezamenlijk) ongeveer 30 kilogram wogen. Ter plaatse werd een test uitgevoerd op een monster uit een van de bruine met tape omwikkelde pakjes en werd positief bevonden op diamorfine.
- Een geschrift, zijnde een vertaling uit het Engels naar het Nederlands van een proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van een op 23 maart 2005 afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 8] (…), inhoudende - zakelijk weergegeven -: Op 1 maart 2005 kreeg ik een zwart met grijze Pierre Cardin koffer in mijn bezit. Het was een koffer met wieltjes. Ik maakte de rits open waardoor een aantal in tape gewikkelde pakjes zichtbaar werd. Ik voorzag de koffer, gemerkt [...] : 0001, van drie zegels. Ik opende [...] 0001 en haalde er willekeurig één in tape gewikkeld pakketje uit. Ik maakte een gat in de bruine tape en het doorzichtige plastic waardoor een lichtbruine poederachtige substantie zichtbaar werd. Ik voerde een Marquis-test die een positieve uitslag ten aanzien van opiaten gaf. Ik sloot het pakketje weer af met tape en merkte het als [...] 0002 en verzegelde het onder nummer D
- Ik verzegelde [...] 0001 onder nummer
- 28 Een geschrift, zijnde een vertaling uit het Engels naar het Nederlands van een getuigenverklaring van [betrokkene 9] , forensisch deskundige, d.d. 24 juni 2005 (…), inhoudende - zakelijk weergegeven -: Op 4 maart 2005 werd een plastic zak, verzegeld met nummer 0195174, in ontvangst genomen door de Forensic Science Service in London. Het was afgeleverd door de [B] . Die zak bevatte: - een weekendtas met een bewijsstuklabel [...] 0001 en - een verzegelde zak voor bewijsstukken met het nummer D6258327 en label [...]
- Resultaten van het onderzoek [...] 0001 Dit item bestond uit een zwartgrijze 'Pierre Cardin' weekendtas op wieltjes. In de tas zaten negenenvijftig pakje (BFK: pakjes) die respectievelijk grijsbruin, oranjebruin, donkerbruin, bruin of lichtbruin poeder bevatten. De tabel hieronder geeft het aantal pakjes aan en het gewicht van elk van de verschillende soorten poeder. Kleur poeder aantal pakes Gewicht (kilogram) grijsbruin 4 1,97 oranjebruin 14 7,02 donkerbruin 7 3,44 bruin 19 9,35 lichtbruin 15 7,35 Totaal 59 29,17 Elk type poeder bleek diamorfine te bevatten. [...] 0002 Dit item bestond uit een enkel pakje met bruin poeder. Het poeder woog 489 gram en bleek diamorfine te bevatten. (Hof: blijkens de bij de Opiumwet behorende lijst I is diamorfine een andere benaming voor heroïne).”
- Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd (in het bijzonder) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudend dat de verklaringen van de onder codenummers B1002, B1040, A1274 en A1275 bekende opsporingsambtenaren dienen te worden uitgesloten van het bewijs wegens schending van art. 6 EVRM.
- De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota, die onder meer inhoudt: “Vrijspraak feit 1: bewijsuitsluiting verklaringen informanten/strijd met artikel 14 IVBPR en 6 EVRM Inleiding 87 . Vrijspraak van feit 1 dient te volgen omdat het bewijsmateriaal tegen cliënt in beslissende mate afkomstig is van anonieme getuigen. In deze zaak levert dat een schending op van het op recht een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 14 IVBPR en artikel 6 EVRM.
- Dit verweer behelst twee componenten: — het bewijsmateriaal inzake feit 1 bestaat solely or to a decisive extend uit verklaringen van anonieme getuigen in de zin van de rechtspraak van het Europees hof; — ten onrechte zijn te grote restricties gesteld bij de mogelijkheid voor de verdediging om vragen te stellen aan de anoniem gebleven kerngetuigen, waartegenover onvoldoende compenserende maatregelen zijn gesteld. 89 . Om die reden kunnen de verklaringen van de informanten en het begeleidingsteam niet tegen cliënt worden gebruikt. Juridisch kader 90 . Uit EHRM Doorson tegen Nederland blijkt dat de vraag of een veroordeling gebaseerd mag worden op anonieme getuigenverklaringen, wordt getoetst aan onder meer de volgende factoren: — zijn de handicaps van de verdediging voldoende gecompenseerd door de procedures die de justitiële autoriteiten hebben gevolgd? — is de veroordeling niet uitsluitend of overwegend gebaseerd op anonieme getuigenverklaringen? 91 . Indien reeds aan een van deze factoren niet wordt voldaan leidt dat tot een schending van artikel 6 EVRM: ‘Finally, it should be recalled that even when ‘counterbalancing’ procedures are found to compensate sufficiently the handicaps under which the defence labours, a conviction should not be based either solely or to a decisive extent on anonymous statements.’ Vgl. EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92 (Doorson tegen Nederland), NJ 1996, 74 92 . Het Europees hof heeft in de zaak Van Mechelen and Others tegen Nederland in verband met compenserende procedures onder meer overwogen: ‘Having regard to the place that the right to a fair administration of justice holds in a democratic society, any measures restricting the rights of the defence should be strictly necessary. It a less restrictive measure can suffice then that measure should be applied .’ Vgl. EHRM 23 april 1997, nrs. 21363/93, 21364/93, 21427/93 (Van Mechelen and Others tegen Nederland), NJ 1997, 635 93 . De Nederlandse wetgever heeft deze uitgangspunten overgenomen. In de memorie van toelichting bij de Wet Bob wordt in het kader van het treffen van maatregelen door de rechter-commissaris om bijvoorbeeld de identiteit van de getuige geheim te houden, opgemerkt: ‘Toepassing van deze voorziening is [..] beperkt tot de situatie waarin zulks <strikt noodzakelijk> is. De rechter zal zich terdege moeten verdiepen in de vraag of aan deze voorwaarde voldaan is. [..] De rechter- commissaris moet zich er derhalve van vergewissen dat niet met minder beperkende maatregelen kan worden volstaan.’ Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3, pagina 20 94 . Bij het toetsen van de betrouwbaarheid van getuigen en de geloofwaardigheid van hun verklaringen is onder meer ook non-verbale communicatie van belang, alsook de mogelijkheid om het gedrag van een getuige gedurende rechtstreekse ondervraging te observeren. Dat laatste wordt door het Europees hof een element van examining geoordeeld. Dit belang blijkt onder andere uit de EHRM-zaken Hümmer tegen Duitsland en Accardi tegen Italië. Vgl.: — EHRM 19 juli 2012, nr. 26171/07 (Hümmer tegen Duitsland) — EHRM 20 januari 2005, nr. 30598/02 (Accardi tegen Italië) — EHRM 19 juni 2003, nr. 28490/95 (Hulki Güne$ tegen Turkije) — EHRM 20 december 2001, nr. 33900/96 (P.S. tegen Duitsland) — EHRM 20 november 1989 nr. 11454/85 (Kostovski tegen Nederland) 95 . In EHRM Lüdi tegen Zwitserland stelde het Europees hof vast dat artikel 6 EVRM geschonden was, waarbij onder meer werd overwogen: ‘In this case the person in question was a sworn police officer whose function was known to the investigating judge. Moreover, the applicant knew the said agent, if not by his real identity, at least by his physical appearance, as a result of having met him on five occasions.’ Vgl. EHRM 15 juni 1992, nr. 12433/86 (Lüdi tegen Zwitserland) 96 . In alle gevallen dienen, aldus het Europees hof, anonieme getuigenverklaringen door de rechter moeten worden beoordeeld with extreme care. Vgl. o.m. EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92 (Doorson tegen Nederland), NJ 1996, 74 97 . De bewezenverklaring mag in geen geval, aldus de eisen de het Europees hof stelt, uitsluitend of in beslissende mate steunen op de verklaringen van de anonieme getuigen. Vgl.: — EHRM 14 februari 2002, nr. 26668/95 (Visser tegen Nederland) — EHRM 4 juli 2000, nr. 43149/98 (Robert Mink Kok tegen Nederland) — EHRM 23 april 1997, nis. 21363/93, 21364/93, 21427/93 (Van Mechelen and Others tegen Nederland), NJ 1997, 635 De zaak tegen cliënt 98 . Clients recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, in het bijzonder diens ondervragingsrecht zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub d EVRM en artikel 14 lid sub e IVBPR is geschonden doordat tijdens de ondervraging door de verdediging van de politionele informanten aan deze getuigen volledige anonimiteit is verleend. Dat leidde onder de omstandigheden van dit geval tot een te vergaande inbreuk op de verdedigingsrechten. De daaruit voortvloeiende handicaps voor de verdediging zijn in deze zaak onvoldoende gecompenseerd. 99 . De getuigen A1274, A1275, A1658 en A1679 zijn vermomd en met stemvervorming gehoord in een zogeheten getuigenbox bij de rechter-commissaris.
- Vooropgesteld moet worden dat uw hof, ondanks de gevoerde procedure ex artikel 226a e.v. Sv, bevoegd is dit verweer te beoordelen. De Hoge Raad heeft overwogen dat toetsing ter zitting van de statusverlening van bedreigde getuige mogelijk blijft indien aan het bevel daartoe fundamentele gebreken waardoor gebruik van de anoniem afgelegde verklaringen zou indruisen tegen het recht op een eerlijk proces. Vgl.: — HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999, 88 — HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471
- In de zaak tegen cliënt is een te vergaande inbreuk op de verdedigingsrechten toelaatbaar geacht.
- Cliënt kende de getuigen reeds van uiterlijk en stem. Hij heeft over een periode van enkele weken regelmatig contact met hen gehad door met hen te spreken, horecagelegenheden te bezoeken, enzovoorts. Deze contacten dateren van ongeveer een jaar voordat de verhoren van de getuigen zouden plaatsvinden. De overweging van de raadkamer van de rechtbank, dat de kans ‘aannemelijk, zelfs aanzienlijk’ is dat de getuigen tijdens de ontmoetingen met klager ook enigszins vermomd waren, vindt geen enkele steun in de processtukken, terwijl deze beslissing evenmin nader is gemotiveerd. 103 . Eveneens zonder nadere grondslag m de processtukken heeft de raadkamer verfijningen in haar overwegingen aangebracht. Zo blijft geheel onduidelijk waarop het oordeel dat de getuigen ten tijde van de actie vermomd waren ‘aannemelijk, zelfs aanzienlijk’ is. Evenzeer blijft in het ongewisse waarop het oordeel is gebaseerd, dat de getuigen vermomd of ‘enigszins vermomd’ waren. 104 . Het is dus evident dat de raadkamer van de rechtbank heeft gegist. Dat leidt tot de conclusie dat het oordeel om de getuigen geheel te vermommen en met stemvervorming te horen, gebaseerd is op schijnargumenten. Deze verhouden zich niet met het criterium uit EHRM Van Mechelen and Others, luidend dat ‘any measures restricting the rights of the defence should be strictly necessary. If a less restrictive measure can suffice then that measure should be applied. ’ 105 . Opvallend is dat de raadkamer van de rechtbank geen enkele overweging heeft gewijd aan het argument van de verdediging dat cliënt bekend is met de stem van de getuigen. 106 . Ik herinner er nog aan dat het Europees hof vindt dat anonieme getuigenverklaringen with extreme care moeten worden behandeld door de rechter. Vgl. o.m. EHRM 26 maart 1996, nr. 20524/92 (Doorson tegen Nederland), NJ 1996, 74 107 . Door al deze omstandigheden zijn artikel 14 IVBPR en artikel 6 EVRM geschonden. 108 . Ik verzoek uw hof de verklaringen van de informanten uit te sluiten van de bewijsvoering. 109 . De verklaringen van de politionele informanten vormen een essentieel onderdeel van het bewijsmateriaal in de zaak van cliënt. Genoegzaam ander bewijsmateriaal, waaruit cliënts rechtstreekse betrokkenheid bij de hier besproken feiten blijkt, ontbreekt. Dit leidt tot vrijspraak van feit 1.”
- Met het oog op het gebruik van de in het middel bedoelde verklaringen heeft het hof het volgende overwogen: “Verzoek om bewijsuitsluiting van de verklaringen van de informanten . De raadsman heeft verzocht de verklaringen van de informanten uit te sluiten van het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat de informanten ten onrechte als anonieme ofwel bedreigde getuigen zijn aangemerkt en er te grote restricties zijn gesteld aan hun verhoren, waar tegenover onvoldoende compenserende maatregelen werden gesteld. Het hof verwerpt dit verweer. (…) In dit verband stelt het hof vast dat de betrokken informanten en hun begeleiders in het bijzijn van de verdachte zelf en zijn raadsman ten overstaan van de rechter-commissaris uitvoerig zijn ondervraagd. Daarbij is nimmer betwist, ondanks de toentertijd gehanteerde vermomming en stemvervorming, dat het om de informanten ging die de verdachte daadwerkelijk had ontmoet. De door de raadsman gemaakte vergelijking met de zaak Van Mechelen (EHRM 23 april 1997, LJN:AD4540, NJ 1997, 635), gaat reeds daarom niet op. Het hof is van oordeel dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd in welk opzicht sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM, nu niet is aangegeven in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door de gang van zaken is geschaad. Dat de verdediging een en ander kennelijk liever anders had gezien, is voor het trekken van een dergelijke conclusie onvoldoende. De verdachte en zijn raadsman zijn beiden bij de rechter-commissaris in de gelegenheid gesteld om de getuige in diens aanwezigheid rechtstreeks te ondervragen, waardoor zij in aanzienlijk minder vergaande mate in hun ondervragingsrecht zijn beperkt dan het geval was in de zaak Van Mechelen voormeld. Nu niet is gebleken van een onnodige beperking van het ondervragingsrecht van de verdediging waardoor de verdachte in zijn verdediging is geschaad, acht het hof de verklaringen van de informanten dan ook bruikbaar voor het bewijs.”
- De steller van het middel wijst erop dat de verdediging onder verwijzing naar specifiek aangeduide rechtspraak van het EHRM heeft betoogd dat bij het toetsen van de betrouwbaarheid van getuigen en de geloofwaardigheid van hun verklaringen onder meer ook non-verbale communicatie van belang is, alsook de mogelijkheid om het gedrag van een getuige gedurende rechtstreekse ondervraging te observeren. Daarbij wordt gesteld dat verzoeker de getuigen reeds kende van uiterlijk en stem, omdat hij over een periode van enkele weken regelmatig contact met hen heeft gehad. Daarom zou sprake zijn van een situatie waarin bij het ondervragen van de onder codenummers bekende getuigen had moeten worden volstaan met ‘less restrictive measures’. Het hof zou hebben ‘miskend hetgeen aan het bewijsuitsluitingsverweer ten grondslag is gelegd’: dat maatregelen die de rechten van de verdediging beperken in de rechtspraak van het EHRM aan een subsidiariteits- en proportionaliteitstoets onderhevig zijn. En het hof zou uiteindelijk hebben verzuimd een beslissing te geven op de vraag of aan het bevel tot het verlenen van de status van anonieme (bedreigde) getuige zodanige gebreken kleven dat gebruikmaking van de resultaten in strijd is met art. 6 EVRM; als gevolg van dit verzuim van vormvoorschriften zou cassatie dienen te volgen.
- Het verweer waar het hof op heeft gerespondeerd deed een beroep op HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999/88 m.nt. Reijntjes. In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat het zich laat denken ‘dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces’. Het hof heeft dit arrest (zij het onder verwijzing naar een verkeerde vindplaats) vermeld in de overweging waar het middel zich tegen keert. Maar de toelichting op het middel stelt terecht vast dat het hof heeft nagelaten met zoveel woorden te beslissen dat aan de bevelen tot het ter gelegenheid van het verhoor van de bedreigde getuigen verborgen houden van hun identiteit niet zodanige fundamentele gebreken kleefden dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien afgenomen verhoor zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Het hof heeft vaststellingen gedaan in verband met de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden, niet ten aanzien van de wijze van totstandkoming of inhoud van de bevelen die door de rechter ingevolge art. 226a en/of art. 226b Sv zijn gegeven.
- Om te kunnen beoordelen of het hof tot een reactie op het verweer verplicht was, is het van belang hoe het verweer in de wetssystematiek dient te worden gerubriceerd. Als ik het goed zie is het verweer dat de raadsman heeft gevoerd in zoverre een verweer dat strekt tot toepassing van art. 359a Sv. In het geval aan een bevel op grond van art. 226a en/of art. 226b Sv een gebrek kleeft, is sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De raadsman betoogt dat van een dergelijk vormverzuim sprake is, en dat ‘de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn gekregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit’ (art. 359a, eerste lid, onder b Sv). De rechtsregels die de Hoge Raad in HR 30 juni 1998, NJ 1999/88 heeft geformuleerd, kunnen tegen deze achtergrond worden benaderd als een aanvulling op dan wel invulling van de rechtsregels inzake de toepassing van art. 359a Sv die de Hoge Raad (later) heeft geformuleerd in HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/
- Naar het mij voorkomt laten de rechtsregels uit NJ 1999/88 zich ook goed in die systematiek inpassen. De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever de vraag of de rechter-commissaris een getuige als een bedreigde getuige heeft aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter. En dat het hof terecht heeft geoordeeld dat een hernieuwde toetsing aan de voorwaarden tot het verlenen van de status van bedreigde getuige door de zittingsrechter in strijd is met de wettelijke regeling. Deze beperking van de mogelijkheden van de zittingsrechter om de rechtmatigheid van beslissingen in het voorbereidend onderzoek te toetsen, kan worden aangemerkt als een uitvloeisel van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat de Hoge Raad uit het concept van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen beperkingen van de reikwijdte van de toetsing als bedoeld in art. 359a Sv afleidt, blijkt met zoveel woorden uit HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, rov. 3.4.
- Dat de Hoge Raad vervolgens toch een uitzondering maakt voor het geval waarin aan de wijze van totstandkoming of inhoud van het bevel ‘fundamentele gebreken’ kleven, past goed bij het onderscheid tussen verschillende ‘redenen’ waarom de rechter gebruik kan maken van de bevoegdheid tot bewijsuitsluiting dat in HR 19 februari 2013, NJ 2013/308 wordt gemaakt. ‘Toepassing van bewijsuitsluiting kan noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces’, stelt Uw Raad daarin voorop (rov. 2.4.4). Dat rechtvaardigt zelfs dat de mogelijkheid van een inbreuk op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen open wordt gehouden.
- Bij deze systematische inbedding van het verweer hoort vervolgens dat eisen worden gesteld aan het verweer dat de verdachte voert. Van de verdediging die een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van art. 359a Sv zijn genoemd, wordt aangegeven ‘tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven’ (HR 30 maart 2004, NJ 2004/376, rov. 3.7). Bij schending van het consultatierecht geldt een uitzondering op deze regel (HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1233). Maar de Hoge Raad heeft verweren die strekken tot bewijsuitsluiting en die een beroep doen op schending van art. 6 EVRM niet generiek van deze stelplicht uitgezonderd.
- Als het verweer van de verdachte vervolgens langs deze meetlat wordt gelegd, valt op dat niet heel erg uit de verf komt waarom in casu ‘fundamentele gebreken’ zouden kleven aan de bevelen op grond van art. 226a en/of art. 226b Sv. Dat de verdachte de getuigen reeds kende van uiterlijk en stem, brengt niet mee dat aan een bevel om deze getuigen als bedreigde getuige aan te merken fundamentele gebreken kleven. Grond voor toekenning van de status van bedreigde getuige is dat ‘de getuige of een andere persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd’. Een situatie waarin fundamentele gebreken kleven aan de toekenning van de status van bedreigde getuige kan zich naar het mij voorkomt vooral voordoen als informatie boven water komt waaruit blijkt dat de getuige eigenlijk niets te vrezen had. Dat voert de raadsman niet aan. Reeds daarom was het hof naar het mij voorkomt niet tot een reactie verplicht.
- Daar komt bij dat de verdediging niet duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren heeft aangegeven waarom dit vormverzuim tot dit rechtsgevolg diende te leiden. Over de ernst van het verzuim en het nadeel dat de verdachte door het verzuim geleden heeft is niet gesproken. En dat behoefde wel enige toelichting: als verdachte de getuigen toch reeds van uiterlijk en stem kende, en het verhoor bij de rechter-commissaris plaatsvindt, is niet meteen duidelijk waarom een verhoor met vermomming toch (zeer) bezwaarlijk is. Dat is vermoedelijk ook de gedachtegang van het hof geweest. Het hof stelt vast ‘dat de betrokken informanten en hun begeleiders in het bijzijn van de verdachte zelf en zijn raadsman ten overstaan van de rechter-commissaris uitvoerig zijn ondervraagd’ en merkt op dat daarbij nimmer is betwist, ‘ondanks de toentertijd gehanteerde vermomming en stemvervorming, dat het om de informanten ging die de verdachte daadwerkelijk had ontmoet’. En het overweegt vervolgens ‘dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd in welk opzicht sprake is van strijd met artikel 6 van het EVRM, nu niet is aangegeven in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door de gang van zaken is geschaad.’ Al met al heeft de verdediging misschien geen reactie gekregen op het verweer dat — onvoldoende onderbouwd — is gevoerd, maar het hof heeft wel duidelijk gemaakt waarom gebruikmaking van de resultaten van de verhoren niet op gespannen voet komt te staan met het recht op een eerlijk proces.
- Meer in het algemeen kan aan het voorgaande worden toegevoegd dat het EHRM aan het niet doen plaatsvinden van een ondervraging of aan het doen plaatsvinden van een ondervraging onder te beperkende voorwaarden niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting verbindt. Het rechtsgevolg is eerst en vooral dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op de betreffende getuigenverklaringen mag berusten. Dat wordt geïllustreerd door de uitspraken van het EHRM waar de toelichting op het middel naar verwijst. In EHRM 19 juli 2012, Hümmer v. Duitsland, appl. nr. 26171/07 bijvoorbeeld deden de getuigen die in het vooronderzoek verklaringen hadden afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting een beroep op het verschoningsrecht dat zij als familieleden hadden. Het EHRM geeft aan dat art. 6 EVRM geschonden kan zijn als een veroordeling solely or to a decisive degree gebaseerd is op verklaringen van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen (rov. 42). Over bewijsuitsluiting wordt niet gerept.
- Het middel faalt.
- Het derde middel klaagt dat het hof de bewezenverklaring van feit 1 heeft doen steunen op de onder codenummer B1040, B1002, A1275 en A1274 afgelegde verklaringen van opsporingsambtenaren, zonder daarvan in het bijzonder de redenen op te geven.
- In de toelichting op het middel (1.2) wijst de steller op in de aanvulling op het verkort arrest opgenomen verklaringen van anoniem gebleven opsporingsambtenaren onder 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 17, 18, 20, 21, 22 en
- Uit de aanvulling met de bewijsmiddelen maak ik op dat enkel onder 3 sprake is van een door een infiltrant (A1275) tegenover de rechter-commissaris afgelegde ‘verklaring’. In de overige gevallen gaat het om processen-verbaal van bevindingen van de onder codenummer verbaliserende opsporingsambtenaren B1002, B1040, A1274 en A
- Uit de toelichting op het middel leid ik af dat de steller zich ook keert tegen het gebruik van deze processen-verbaal zonder dat het hof in het bijzonder redenen daartoe heeft vermeld.
- Voorts blijkt uit de toelichting (2.2) dat de steller van het middel zijn betoog in de sleutel zet van de motiveringsvereisten voor het gebruik van verklaringen alsmede processen-verbaal afkomstig van beperkt anonieme getuigen. Uit het arrest wordt niet meteen duidelijk welke getuigen als beperkt anonieme getuigen zijn gehoord en welke getuigen als bedreigde (en derhalve anonieme) getuigen zijn gehoord. Daarom heb ik het strafdossier geraadpleegd. Daarin bevinden zich de processen-verbaal van verhoor van getuigen bij de rechter-commissaris alsmede een daaraan voorafgaande beschikking waaruit blijkt dat de opsporingsambtenaren A1274 en A1275 door de rechter-commissaris zijn aangemerkt als bedreigde getuige als bedoeld in art. 226a Sv, terwijl B1002 en B1040 op basis van art. 190, tweede lid, Sv zijn gehoord als beperkt anonieme getuige. Dientengevolge gaat het bij de achttien bewijsmiddelen die in de toelichting onder 1.2 worden genoemd slechts in vier gevallen om processen-verbaal van bevindingen van beperkt anonieme getuigen. Ik zal mij in het navolgende eerst richten op deze vier bewijsmiddelen. Daarna zal ik bekijken of voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige zijn gehoord vergelijkbare motiveringseisen gelden.
- De opsporingsambtenaren die later beperkt anoniem zijn gehoord zijn in de door hen opgemaakte en tot het bewijs gebezigde processen-verbaal niet bij naam, maar bij codenummer (B) aangeduid. Uit de tekst van art. 360 Sv volgt niet dat de rechter ‘in het bijzonder reden’ behoeft op te geven van het gebruik van deze processen-verbaal als bewijsmiddel. Om ‘schriftelijke bescheiden als bedoeld in art. 344a, derde lid’, Sv gaat het niet. Van een ‘persoon wiens identiteit niet blijkt’ is namelijk geen sprake als vaststaat dat deze persoon zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. Uit het in de toelichting op het middel genoemde HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362 m.nt. Reijntjes kan evenwel worden afgeleid dat de omstandigheid dat een onder codenummer verbaliserende opsporingsambtenaar naderhand door de rechter-commissaris op de voet van art. 190, derde lid, Sv is verhoord, meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv ook van toepassing is op de processen-verbaal die deze persoon eerder heeft opgemaakt.
- Naar de Hoge Raad eveneens in dat arrest heeft overwogen dient uit de ingevolge art. 360, eerste lid, Sv vereiste motivering van het gebruik van een op de voet van art. 190, derde lid, Sv afgelegde verklaring allereerst de reden voor de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet uit die motivering blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Uit de wetsgeschiedenis van art. 190 Sv alsmede uit Straatsburgse jurisprudentie volgt dat de toekomstige inzetbaarheid van bepaalde politiefunctionarissen een reden kan vormen voor de toekenning van beperkte anonimiteit.
- Met de steller van het middel stel ik vast dat het hof het gebruik van de vier processen-verbaal ten behoeve van de bewijsvoering niet afzonderlijk nader heeft gemotiveerd. Dat betekent echter niet dat er in het arrest geen argumenten zijn aan te wijzen die het hof ‘in het bijzonder reden’ hebben gegeven om deze processen-verbaal voor het bewijs te gebruiken. Uit de tot het bewijs gebezigde zakelijke weergaven volgt dat het gaat om bevoegde opsporingsambtenaren die leiding geven bij het Politieel Infiltratieteam Zuid West Nederland (vgl. bewijsmiddel 2, opgemaakt door opsporingsambtenaar B1040 en bewijsmiddel 6, opgemaakt door opsporingsambtenaar B1002). Verder volgt uit de eerder geciteerde overweging van het hof in reactie op het verzoek om bewijsuitsluiting dat de onder ‘B-nummer’ verbaliserende opsporingsambtenaren door het hof nadrukkelijk zijn aangemerkt als “begeleiders” van de betrokken informanten. Hieruit volgt m.i. genoegzaam dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit van de getuigen voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die leiding geeft aan een politieel infiltratieteam.
- Naar het mij voorkomt heeft het hof daarmee toereikend gemotiveerd welke reden het toekennen van beperkte anonimiteit in casu rechtvaardigde. Vgl. HR 4 februari 2014, NJ 2014/362, waar de Hoge Raad uit de overweging van het hof afleidde dat het ‘kennelijk en niet onbegrijpelijk (heeft) geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit (van de getuige) voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die deel uitmaakt van een politieel infiltratieteam. Het hof had in die zaak expliciet overwogen dat en waarom het de processen-verbaal die waren opgemaakt door de later als beperkt anonieme getuige gehoorde opsporingsambtenaar als betrouwbaar had aangemerkt. Aan de reden voor het toekennen van beperkte anonimiteit was niet een expliciete overweging gewijd. Dat ook bij leidinggevenden bij een politieel infiltratieteam de functie een toereikende rechtvaardiging vormt voor het toekennen van beperkte anonimiteit komt mij zo vanzelfsprekend voor dat het niet uitgeschreven behoeft te worden.
- Uit de ingevolge art. 360, eerste lid, Sv, vereiste motivering moet tevens blijken dat de beperkte anonimiteit naar het oordeel van het hof geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Ook aan die motiveringseis heeft het hof naar het mij voorkomt voldaan. In de eerder geciteerde overweging waarin het hof het verzoek om bewijsuitsluiting van de verklaringen van de informanten verwerpt, stelt het hof vast ‘dat de betrokken informanten en hun begeleiders in het bijzijn van de verdachte zelf en zijn raadsman ten overstaan van de rechter-commissaris uitvoerig zijn ondervraagd’ en concludeert het dat ‘niet is gebleken van een onnodige beperking van het ondervragingsrecht van de verdediging waardoor de verdachte in zijn verdediging is geschaad’. Ook aan deze wettelijke motiveringsplicht heeft het hof derhalve voldaan.
- Ik wijs er overigens in verband met beide onderdelen van de wettelijke motiveringsplicht op dat het middel er enkel over klaagt dat geen redenen zijn opgegeven. Het middel klaagt er niet over dat de opgegeven redenen ontoereikend zouden zijn.
- De vraag is vervolgens of voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige zijn gehoord vergelijkbare motiveringseisen gelden als voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later beperkt anoniem gehoord zijn. Mij komt het voor dat dat niet het geval is. Bij de bedreigde getuige vloeit, zo heeft Uw Raad geoordeeld, uit art. 360 Sv voort ‘dat de rechter in zijn uitspraak in het bijzonder de reden opgeeft waarom de desbetreffende verklaring naar zijn oordeel betrouwbaar is, alsmede dat is voldaan aan de (..) in art. 344a, tweede lid, Sv gestelde voorwaarden voor het gebruik voor het bewijs van een dergelijke verklaring’ (HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471, NJ 2007/38 m.nt. Schalken). Indien en in zoverre uit de ambtshalve motiveringsplicht bij bedreigde getuigen consequenties voortvloeien voor processen-verbaal die deze getuigen eerder hebben opgemaakt, zou het in de rede liggen te eisen dat ambtshalve aandacht wordt besteed aan de betrouwbaarheid van deze processen-verbaal. Want de bewijskracht van deze processen-verbaal wordt door de wet niet beperkt op vergelijkbare wijze als de bewijskracht van ‘een proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris, houdende de verklaring van een persoon die als bedreigde getuige is aangemerkt’.
- Dat de rechter zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de nadien als bedreigde getuige gehoorde verbalisanten nader had moeten motiveren valt in het middel echter niet te lezen. Het gaat mij ook te ver het er in te lezen; de raadsman spreekt niet specifiek over de bedreigde getuige en citeert alleen de rechtsregels die van toepassing zijn op verklaringen van getuigen/opsporingsambtenaren die beperkt anoniem zijn gehoord. In het geval die rechtsregels ook van (overeenkomstige) toepassing zouden zijn op de processen-verbaal van opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige zijn gehoord, zou een klacht over het nalaten van ambtshalve motivering naar het mij voorkomt in het middel besloten kunnen worden geacht. Dat is nu niet het geval. Mocht Uw Raad daar anders over denken, dan meen ik overigens dat in de vaststelling van het hof dat het om opsporingsambtenaren gaat die deel uitmaken van een politieel infiltratieteam, impliciet besloten ligt waarom het hof de processen-verbaal betrouwbaar heeft geacht. Ook dat komt mij zo vanzelfsprekend voor dat het niet uitgeschreven behoeft te worden.
- Ten overvloede: zou het wenselijk zijn de ambtshalve motiveringsplicht betreffende verklaringen die opsporingsambtenaren als bedreigde getuigen bij de rechter-commissaris afleggen door te trekken naar processen-verbaal die zij eerder onder code hebben opgemaakt? Zelf heb ik daar aarzelingen bij. Die aarzelingen vloeien in belangrijke mate voort uit de positie van art. 360 Sv in de contradictoire gedingstructuur die ons strafprocesrecht meer en meer kenmerkt. Bij die contradictoire gedingstructuur past goed dat op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van partijen moet worden gerespondeerd als zij niet worden gevolgd (art. 359, tweede lid, Sv). Bij een contradictoire gedingstructuur past veel minder goed dat de rechter tot ambtshalve motivering van het gebruik van een bewijsmiddel verplicht is ook als uit de standpunten die partijen hebben ingenomen niet blijkt dat zij dat gebruik voor het bewijs betwisten. Tegen die achtergrond komt het mij gelukkig voor dat Uw Raad in HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1244, NJ 2015/61 (rov. 2.6) heeft aanvaard dat de nietigheid die het vierde lid van art. 360 Sv stelt op het verzuim de in het eerste lid bedoelde motivering te geven, onder omstandigheden buiten toepassing kan blijven ten aanzien van de getuige bedoeld in art. 216a, tweede lid, Sv. Nu de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring niet gemotiveerd was betwist, was voor nietigheid van de bestreden uitspraak naar het oordeel van Uw Raad onvoldoende aanleiding. Daarmee werd het verschil in benadering van een verklaring die door een getuige jonger dan zestien jaar wordt afgelegd tegenover de rechter-commissaris respectievelijk de politie verminderd door het contradictoire aspect in de toepassing van art. 360 Sv te verdisconteren. In het geval Uw Raad de ambtshalve motiveringsplicht van art. 360 Sv zou willen doortrekken naar processen-verbaal die onder code zijn opgemaakt door opsporingsambtenaren die later als bedreigde getuige gehoord zijn, zou het mijn voorkeur hebben dat bij de benadering van dit arrest wordt aangesloten, zodat slechts een ambtshalve motivering wordt geëist als het gebruik van de processen-verbaal voor het bewijs is betwist.
- Het derde middel faalt, naar het mij voorkomt, omdat het arrest van het hof en de aanvulling daarop de ambtshalve redengeving bevatten die het geldend recht eist.
- Het vierde middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, op de grond dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
- Ten laste van de verdachte is onder 9 bewezenverklaard dat: “hij op 01 maart 2005 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een stroomstootwapen van het merk Security, voorhanden heeft gehad;“
- Met de steller van het middel stel ik vast dat uit de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” het stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. Voor de op het feit gestelde straf maakt het evenwel geen verschil of van plegen of van medeplegen sprake is (vgl. art. 55 WWM). En de landelijke oriëntatiepunten merken het medeplegen van het onderhavige delict niet als een strafvermeerderende factor aan. Tegen die achtergrond heeft de verdachte onvoldoende belang bij het middel.
- Het vijfde middel klaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, op de grond dat de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden.
- Namens de verdachte is op 5 juli 2016 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 maart 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn, die in dit geval acht maanden bedraagt, met afgerond twee weken is overschreden. De klacht is terecht voorgesteld. De overschrijding van de termijn heeft voorts tot gevolg dat de behandeling van het cassatieberoep niet voortvarend, dat wil zeggen binnen zestien maanden kon worden afgerond. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.
- Het middel slaagt.
- Het eerste, tweede en derde middel falen. Het vierde middel behoeft niet tot cassatie te leiden. In ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, teneinde die te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep van het overige. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/
- Sinds 2012 zijn de voormalige regiokorpsen Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid samengevoegd in ‘de regionale eenheid Rotterdam’. Zie de beoordeling van het derde middel, waarin uiteengezet is waarom een blik achter de papieren muur noodzakelijk bleek. De inhoud van het huidige art. 190, derde lid, Sv, was ten tijde van het onderhavige onderzoek (het voorjaar van 2005) nog vervat in art. 190, tweede lid, Sv. De steller verwijst daarbij naar HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt. Schalken. Vgl. ook A-G Machielse in zijn conclusie voorafgaand aan HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2467 (art. 81 RO), ov. 3.
- In hoger beroep heeft de raadsman ter terechtzitting van 14 juni 2016 aan de hand van zijn bij het proces-verbaal van de terechtzitting gevoegde pleitnota onder het kopje ‘bewijsuitsluiting verklaringen informanten/strijd met artikel 14 IVPR en 6 EVRM’ een verweer gevoerd waarin hij twee componenten onderscheidt. Daartoe behoort ook de component dat het bewijsmateriaal inzake feit 1 ‘solely or to a decisive extend uit verklaringen van anonieme getuigen in de zin van de rechtspraak van het Europese hof’ bestaat. Als ik het goed zie keert deze component in cassatie niet terug. Het middel stelt wel dat voor het bewijs van feit 1 grotendeels gebruik is gemaakt van verklaringen van anonieme getuigen, maar bevat niet de klacht dat de bewezenverklaring solely or to a decisive extent op betwiste getuigenverklaringen gebaseerd zou zijn. Dat vindt zijn oorzaak wellicht in de omstandigheid dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt op de verklaring die de verdachte op 27 maart 2008 heeft afgelegd en op de terechtzitting van 9 december 2015 heeft herhaald. De rechtsregel van dit arrest is later herhaald in HR 28 maart 2006, NJ 2007/38 m.nt. Schalken. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, Deventer 2014, p. 250-
- Dat in zijn algemeenheid een onrechtmatige beslissing van de rechter-commissaris een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek kan opleveren, blijkt uit verschillende arresten. In HR 11 oktober 2005, NJ 2006/625 gaf de Hoge Raad bijvoorbeeld aan dat de zittingsrechter de vraag dient te beantwoorden of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging tot een telefoontap heeft kunnen komen. Vgl. ook HR 21 november 2006, NJ 2007/233 m.nt. Mevis. Zie ook HR 19 mei 2009, NJ 2009/390 (machtiging doorzoeking) en HR 15 mei 2007, NJ 2007/301 (openen gerechtelijk vooronderzoek). Dat het in HR 30 maart 2004, NJ 2004/376 geformuleerde kader ook geldt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van beslissingen van de rechter-commissaris, wordt bevestigd door HR 19 mei 2009, NJ 2009/
- Datzelfde geldt voor de andere uitspraken die in de toelichting op het middel worden genoemd: EHRM 20 januari 2005, appl. nr. 30598/02, Accardi v. Italië (waarin het EHRM met zoveel woorden overweegt dat admissibility of evidence is governed primarily by the rules of domestic law); EHRM 19 juni 2003, appl. nr. 28490/95, Hulki Günes v. Turkije; EHRM 23 april 1997, appl. nr. 2163/93, 21364/93, 21427/93, Van Mechelen e.a. v. Nederland. Het betreft de bewijsmiddelen 2, 6, 11 en 25, inhoudende processen-verbaal van bevinding van de verbalisanten B1040 alsmede van B
- Het verschil in benadering van de anoniem gehoorde getuigen door de rechter-commissaris valt te verklaren op basis van de verschillende rollen die de opsporingsambtenaren gedurende het opsporingsonderzoek hebben vervuld. De onder code “A” verbaliserende verbalisanten betreffen de informanten. De onder “B-nummer” verbaliserende opsporingsambtenaren betreffen hun begeleiders. Zie in verband hiermee de bewijsmiddelen 2 en
- Zie o.m. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2082, NJ 2010/390 m.nt. Mevis, rov. 2.5 alsook HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416, rov. 3.
- Vgl. HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:723, rov. 2.4.1 en 2.4.
- en HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362 m.nt. Reintjes, rov. 2.4.
- en 2.4.
- Zie Kamerstukken II, 1991/92, 22 483, nr. 3, p. 37 alsook EHRM 23 april 1997 (Van Mechelen tegen Nederland), NJ 1997/635, m.nt. Knigge, ov.
- Vgl. HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:510, rov. 2.4.