Zaaknr: 16/01757 mr. P. Vlas Zitting: 10 maart 2017 Conclusie inzake: Malaysian International Shipping Corporation Berhad (MISC), gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië) (hierna: MISC) tegen 1. Royal Insurance (Malaysia) SDN. BHD, gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië) (hierna: Royal) 2. Unilever Nederland Services B.V., gevestigd te Rotterdam (Nederland) (hierna: Unilever) 3. Schutter International B.V., gevestigd te Rotterdam (Nederland) (hierna: Schutter); (hierna gezamenlijk: Royal c.s.) Deze zaak gaat over de vraag of Schutter heeft te gelden als recht- en regelmatig cognossementhouder en derhalve als vorderingsgerechtigde ter zake van schade aan een lading palmolie die door MISC in 1993 onder toonder-cognossement met het ms. ‘Bunga Kesumba’ van Maleisië naar Rotterdam is vervoerd. 1. Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Unilever heeft in december 1992 een lading palmolie gekocht van Felda Mills Corporation (hierna: Felda) te Maleisië. De lading is vandaar naar Rotterdam vervoerd met het ms. Bunga Kesumba. Dit vervoer vond plaats onder drie cognossementen, uitgegeven op het formulier van MISC en vermeldende als consignee “to order”, als schipper Felda en als notify party Unilever. De aankomst in Rotterdam was op of omstreeks 17 januari 1993. 1.2 Schutter heeft de lading in Rotterdam op vertoon van de cognossementen voor Unilever in ontvangst genomen. Volgens Unilever bleek de lading palmolie niet te voldoen aan de overeengekomen waarden, waardoor een deel van de lading opnieuw moest worden geraffineerd. De kosten daarvan heeft Unilever vergoed gekregen van Royal. Royal c.s. hebben van MISC vergoeding gevorderd van de ontstane schade. 1.3 Naast meer inhoudelijke verweren betwist MISC het vorderingsrecht van Royal c.s. en beroept zij zich op verjaring. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 12 augustus 1999 Royal c.s. opgedragen hun vorderingsrecht te bewijzen en tevens aan te tonen dat de verjaringstermijn ten aanzien van de vorderingsgerechtigde zodanig is verlengd dat de dagvaarding tijdig is uitgebracht. 1.4 Royal c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij hebben grieven aangevoerd die ertoe strekken dat alsnog – zonder bewijsvoering – wordt uitgegaan van de vorderingsgerechtigdheid van Schutter en van een verlenging van de verjaringstermijn ten aanzien van haar. 1.5 MISC heeft in hoger beroep de originele cognossementen overgelegd. Die laten op de achterzijde telkens het firmastempel van Felda zien met daarbij een handtekening, zonder vermelding van een geëndosseerde. Er is derhalve sprake van endossementen in blanco. De cognossementen zijn daardoor toonderstukken geworden. 1.6 Op de achterzijde van de cognossementen is tevens het firmastempel van Igeb International B.V. (hierna: Igeb) geplaatst, met daarbij een handtekening. Dit is gedaan door [betrokkene], die de cognossementen vervolgens heeft toegestuurd aan de Rotterdamse agent van MISC met een begeleidend schrijven van 15 januari 1993 gesteld op briefpapier van Igeb en door [betrokkene] namens Igeb ondertekend. 1.7 Igeb behoorde tot de Schutter Groep. Deze groep, die voor Unilever de inontvangstname van de door haar aangekochte ladingen verzorgde, is eind 1992 gereorganiseerd. Daarbij is besloten tot ontbinding van Igeb per 1 januari 1993. In verband daarmee is het dienstverband met [betrokkene] per die datum overgegaan van Igeb naar Schutter. Daarvoor al, in december 1992, waren de activa en passiva van Igeb overgedragen aan Schutter. 1.8 Door een vergissing heeft [betrokkene] in januari 1993 de cognossementen afgestempeld met een Igeb-stempel in plaats van met een Schutter-stempel. Eveneens per abuis heeft hij de cognossementen vervolgens namens Igeb aangeboden, met een begeleidend schrijven op Igeb-briefpapier. Hij had dit namens Schutter moeten doen met briefpapier van Schutter. 1.9 Bij arrest van 4 juni 2002 heeft het hof de vraag of Schutter ondanks de gemaakte vergissing vorderingsgerechtigd is in het voordeel van Royal c.s. beantwoord. Het hof heeft geoordeeld dat Schutter heeft te gelden als de recht- en regelmatig houder van het cognossement waardoor haar vorderingsrecht kan worden erkend. Het hof heeft voorts het beroep van MISC op verjaring van de vordering afgewezen, het bestreden vonnis vernietigd en de zaak voor verdere afdoening verwezen naar de rechtbank. 1.10 Nadat een deskundigenonderzoek is bevolen en vervolgens heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 5 september 2007, kort gezegd, geoordeeld dat de lading palmolie bij belading al niet in een gezonde en vervoersgeschikte staat verkeerde, met als gevolg dat zij de vorderingen van Royal c.s. heeft afgewezen. 1.11 Royal c.s. zijn opnieuw in hoger beroep gekomen. Het hof heeft bij tussenarrest van 28 april 2009 het beroep gegrond verklaard, zich vervolgens gebogen over de omvang van de schade en de berekening daarvan, en de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating over de waardes van de lading palmolie. Bij tussenarrest van 28 juni 2011 heeft het hof een comparitie van partijen gelast om een vergelijk te beproeven. Nadat een vergelijk niet mogelijk is gebleken, is de zaak op de rol voortgezet. Bij tussenarrest van 26 november 2013 heeft het hof overwogen dat de weg van een deskundigenbericht moet worden gevolgd en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over de te benoemen deskundige, waarna bij tussenarrest van 7 oktober 2014 een deskundige is benoemd. De deskundige heeft op 30 maart 2015 zijn rapport ingediend. Het hof heeft bij eindarrest van 29 december 2015 het bestreden vonnis vernietigd en MISC veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan Royal c.s. 1.12 MISC heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenarresten van het hof Den Haag van 4 juni 2002, 28 april 2009, 28 juni 2011, 26 november 2013 en 7 oktober 2014 alsmede tegen het eindarrest van 29 december 2015. Royal c.s. heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. 2Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 Het middel valt uiteen in vier onderdelen, die bestaan uit meerdere subonderdelen. Deze onderdelen komen op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3-5.6 en 6 van het tussenarrest van 4 juni 2002, alsmede tegen het dictum van het eindarrest van 29 december 2015. 2.2 In het tussenarrest van 4 juni 2002 heeft het hof in rov. 5.3-5.6 het volgende overwogen: ‘5.3 Rechtmatig houder van de onderhavige toonder-cognossementen ten tijde van de aanbieding was Schutter. [betrokkene] beschikte over de cognossementen uit hoofde van zijn dienstverband met Schutter. Als regelmatig houder van een cognossement aan toonder wordt aangemerkt de houder van het document. In dit geval was dat eveneens Schutter, die zich evenwel bij de aanbieding, door een vergissing van haar werknemer [betrokkene], heeft voorgedaan als Igeb. 5.4 MISC grijpt deze (in hoger beroep gebleken) vergissing ten onrechte aan om het claimrecht van Schutter te bestrijden. Dat de vergissing bij haar tot verwarring omtrent de identiteit van haar wederpartij bij de vervoerovereenkomst heeft geleid is niet aannemelijk, nu zij in de eerste aanleg niet (gemotiveerd) heeft ontkend dat door Schutter op vertoon van de cognossementen uitlevering is verkregen, reden waarom de rechtbank dit laatste als vaststaand heeft aangenomen. De onduidelijkheid omtrent het claimrecht van Schutter is met name gerezen doordat MISC - naar thans is gebleken ten onrechte - heeft betoogd (c.v.a. 3.2) dat de cognossementen niet waren voorzien van endossementen, waardoor de rechtbank ervan uitging dat Felda cognossementhouder was gebleven. 5.5 Voorzover MISC in hoger beroep wil betogen dat ook de feitelijke uitlevering van de lading aan Igeb plaatsvond en niet aan Schutter, wordt hieraan voorbijgegaan. Tegenover het andersluidende standpunt van appellanten volgt zulks niet reeds uit de omstandigheid dat de cognossementen vóór aankomst van het schip abusievelijk onder de naam van Igeb zijn aangeboden. 5.6 Gelet op het voorgaande heeft Schutter te gelden als recht- en regelmatig houder van het cognossement. Haar claimrecht kan derhalve worden erkend. Of dit recht inmiddels door subrogatie is overgegaan op Royal is een vraag die thans kan blijven rusten’. 2.3 Alvorens de onderdelen van het middel te bespreken, stel ik het volgende voorop. In het geval dat een cognossement is afgegeven, heeft alleen de recht- en regelmatig houder ervan het exclusieve recht op aflevering van de goederen. Dit is bepaald in art. 8:441 lid 1 BW, waaruit volgt dat de recht- en regelmatig cognossementhouder bij uitsluiting gerechtigd is tot uitoefening jegens de vervoerder van de uit het cognossement voortvloeiende rechten. Dit betreft zowel het recht op aflevering als het recht op (vervangende) schadevergoeding. In de Memorie van Toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt: ‘Ook de in de plaats van de goederen tredende schadevergoeding kan slechts door de cognossementhouder worden gevorderd, waaruit tevens volgt, dat ook de kosten ter vaststelling en ter realisering van de waarde van de goederen slechts door de cognossementhouder kunnen worden gevorderd’. 2.4 Het is vaste rechtspraak dat anderen dan de cognossementhouder geen aanspraak jegens de vervoerder hebben op vergoeding van schade aan de onder het cognossement vervoerde goederen. Hieraan ligt, aldus de Hoge Raad in rov. 3.4 van het Brouwersgracht-arrest, ten grondslag ‘(…) het belang van de vervoerder zekerheid te hebben omtrent de identiteit van zijn wederpartij bij de vervoerovereenkomst, zodat hij zich niet behoeft te begeven in de voor hem veelal niet of moeilijk te beantwoorden vraag wie als de rechthebbende heeft te gelden’. Het recht op schadevergoeding wordt aldus gezien als het sequeel van het recht op aflevering. De regel beoogt rechtszekerheid te scheppen. De vervoerder behoeft zich niet te verdiepen in de verhouding waarin degene die het cognossement presenteert tot de goederen staat. 2.5 Met als uitgangspunt dat alleen de recht- en regelmatig houder jegens de vervoerder vorderingsgerechtigd is, staat in de onderhavige zaak de vraag centraal wie als recht- en regelmatig cognossementhouder is aan te merken: Igeb of Schutter. Art. 8:441 BW maakt een onderscheid tussen rechtmatig en regelmatig houderschap. Rechtmatig houder is degene die het cognossement op grond van een rechtmatige titel heeft verkregen. Regelmatig houder is degene die overeenkomstig de inhoud van het cognossement als houder is gelegitimeerd. Bij een cognossement aan toonder, waarvan in de onderhavige zaak sprake is (zie rov. 2 van het tussenarrest van 4 juni 2002), is de houder regelmatig houder. 2.6 Het eerste onderdeel, uiteenvallend in twee subonderdelen, is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3 en 5.6 van het tussenarrest van 4 juni 2002 dat Schutter heeft te gelden als recht- en regelmatig houder van het cognossement en dat haar vorderingsrecht derhalve kan worden erkend. 2.7 Onderdeel 1.1 klaagt dat het oordeel van het hof dat Schutter rechtmatig houder van de cognossementen was, rechtens onjuist is althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. MISC voert daartoe aan dat de (enige) omstandigheid die het hof als reden voor dat oordeel noemt, is dat [betrokkene] uit hoofde van zijn dienstverband met Schutter over de cognossementen beschikte. Volgens het onderdeel gaat het hof daarbij kennelijk ervan uit (zie rov. 4.1-4.2 van het arrest van 4 juni 2002) dat in december 1992 was besloten Igeb per 1 januari 1993 te ontbinden, dat [betrokkene] dienstverband per die datum van Igeb naar Schutter is overgegaan, en dat Igebs activa en passiva op 14 december 1992 aan Schutter waren verkocht. Dit kan niet afdoende verklaren dat, laat staan hoe, Schutter de cognossementen op rechtmatige wijze van Felda, Unilever dan wel Igeb had ontvangen, aldus het onderdeel. 2.8 Onderdeel 1.2 voegt daaraan toe dat het door Schutter op 24 maart (met terugwerkende kracht tot 1 januari) 1993 in dienst nemen van Igebs werknemer [betrokkene] niet leidt tot de rechtmatige verkrijging door Schutter van cognossementen die Unilever aan Igeb had toegezonden. Door Royal c.s. is in elk geval nooit gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de cognossementen door Unilever aan Schutter waren toegestuurd. Royal c.s. laat juist expliciet open dat de cognossementen door Igeb zijn ontvangen vóór de start van haar liquidatie op 1 januari 1993. Daarnaast blijkt niet dat de cognossementen onderdeel uitmaakten van de activa/passiva-overeenkomst tussen Igeb en Schutter en heeft de voorgenomen liquidatie per begin 1993 er niet toe geleid dat Igeb toen al ophield als zelfstandig rechtspersoon te bestaan. 2.9 Het hof heeft in rov. 5.3 geoordeeld dat Schutter de rechtmatig houder was van de onderhavige toonder-cognossementen ten tijde van aanbieding. Als reden hiervoor is genoemd dat [betrokkene] over de cognossementen beschikte uit hoofde van zijn dienstverband met Schutter. In rov. 4.1 is als vaststaand aangenomen dat Igeb tot de Schutter Groep behoorde en dat de Schutter Groep voor Unilever de inontvangstname van de door Unilever aangekochte ladingen verzorgde. Hierbij is van belang geacht dat de Schutter Groep eind 1992 is gereorganiseerd, dat Igeb op 1 januari 1993 is ontbonden, dat per die datum het dienstverband van [betrokkene] van Igeb naar Schutter is overgegaan en dat daarvoor al in december 1992 de activa en passiva van Igeb waren overgedragen aan Schutter. Het hof heeft aldus in rov. 5.3 geoordeeld dat [betrokkene] niet als werknemer van Igeb, maar als werknemer van Schutter de cognossementen heeft gepresenteerd. [betrokkene] kon ook niet namens Igeb presenteren omdat [betrokkene] ten tijde van de presentatie al in dienst was van Schutter. [betrokkene] heeft echter door een vergissing in januari 1993 de cognossementen afgestempeld met een Igeb-stempel en deze aangeboden met een begeleidend schrijven op Igeb-briefpapier in plaats van met een Schutter-stempel met een begeleidend schrijven op Schutter-briefpapier (zie rov. 4.2). Door deze vergissing heeft Schutter zich bij de aanbieding van het cognossement aan MISC abusievelijk voorgedaan als Igeb. Het hof heeft, anders dan het onderdeel betoogt, hiermee niet geoordeeld dat het in dienst nemen van Igebs werknemer [betrokkene] dan wel de activa/passiva-transactie heeft geleid tot de rechtmatige verkrijging door Schutter van de onderhavige cognossementen. Het oordeel van het hof is aldus dat Schutter houder was van het cognossement en dat Igeb nooit houder is geweest. Voor zover het middel het tegenovergestelde betoogt, gaat het uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. 2.10 Ik merk nog op dat uit art. 8:441 lid 1 BW volgt dat de cognossementhouder wordt vermoed rechthebbende te zijn. Dat het hof niet tot het oordeel is gekomen dat door MISC is aangetoond dat Schutter de cognossementen onrechtmatig heeft verkregen, is niet onbegrijpelijk. In feitelijke instanties is door MISC niet aangevoerd dat Schutter de cognossementen op onrechtmatige wijze zou hebben verkregen. Door Royal c.s. is daarentegen aangevoerd dat de Schutter Groep zich voor Unilever bezig hield met het presenteren van cognossementen ter verkrijging van de uitlevering van voor Unilever bestemde ladingen en dat de desbetreffende cognossementen de Schutter Groep in die hoedanigheid hebben bereikt. Tevens is aangevoerd dat deze activiteiten per 1 januari 1993 niet langer werden uitgeoefend door Igeb. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd, geeft het oordeel van het hof dat Schutter de door haar gepresenteerde cognossementen op rechtmatige wijze onder zich heeft gekregen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De klachten in de onderdelen 1.1 en 1.2 falen derhalve. 2.11 Onderdeel 1.3 betoogt dat het hof in rov. 5.3 van het tussenarrest van 4 juni 2002 heeft miskend dat het voor haar vorderingsgerechtigdheid beslissend is of Schutter bij de presentatie van de cognossementen voor de uitlevering jegens MISC optrad als (naast rechtmatig) tevens regelmatig houder ervan. De vraag of Schutter recht- en regelmatig houder was mocht het hof volgens MISC niet enkel op basis van rov. 5.3 (jo. rov. 4.1-4.2) van het arrest van 4 juni 2002 bevestigend beantwoorden. Alleen Igeb kon, mocht en moest als zodanig worden aangemerkt omdat hiervoor op grond van de vertrouwensleer beslissend zijn de omstandigheden op het moment van de aanbieding van de cognossementen aan de vervoerder teneinde uitlevering van de lading te verkrijgen. Het onderdeel noemt daartoe onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.