Zaaknr: 16/05474 mr. M.H. Wissink Zitting: 17 maart 2017 Conclusie in de zaak van: [de moeder] tegen 1. Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening Leger des Heils 2. [belanghebbende 2] 3. De heer en mevrouw [A] 4. De heer en mevrouw [B] 5. Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam Rijnmond Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek van de moeder tot herstel in het gezag en uitbreiding van de omgangsregeling een verzoek van de voogdij-instelling tot wijziging (schorsing) van de omgangsregeling betrokken. Het verzoek was door de voogdij-instelling gericht aan de rechtbank en toegezonden aan het hof met het oog op de mondelinge behandeling door het hof. Het middel bestrijdt de door het hof bepaalde schorsing van de omgangsregeling. 1Feiten en procesverloop 1.1 Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) is de moeder van de minderjarigen [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , en [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] . Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2012 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen, die sinds 20 februari 2009 uit huis waren geplaatst. De voogdij beruste aanvankelijk bij de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam en werd uitgevoerd door de Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening Leger des Heils, thans berust zij bij laatstgenoemde (hierna: de gecertificeerde instelling). 1.2 Bij verzoekschrift van 21 juli 2014 heeft de moeder verzocht primair in het gezag over de minderjarigen te worden hersteld en, voor zover herstel in het gezag als prematuur zou worden beoordeeld, intensivering van de huidige omgangsregeling. Op verzoek van de rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) onderzoek gedaan naar het verzoek om herstel in het gezag en bij rapport van 31 maart 2015 geadviseerd om dat verzoek af te wijzen, nu dit niet in het belang van de kinderen zou zijn. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juli 2015 het verzoek tot herstel in het gezag afgewezen, de omgangsregeling onder enigszins gewijzigde voorwaarden vastgesteld, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen. 1.3 In hoger beroep verzoekt de moeder vernietiging van de beschikking en herstel in het gezag, intensivering van de omgangsregeling, vastlegging van een telefonisch contactmoment en subsidiair een beslissing die het hof in goede justitie wenselijk acht. De gecertificeerde instelling heeft zich daartegen verweerd en verzocht de beschikking te bekrachtigen. 1.4 Op 4 mei 2016 was er een mondelinge behandeling. Op verzoek van de moeder is de behandeling aangehouden omdat niet de vaste pleegzorgmedewerker en de vaste voogdijmedewerker, maar invallers aanwezig waren. De mondelinge behandeling is voorgezet op 17 augustus 2016. 1.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 17 augustus 2016 is bij het hof van de zijde van de gecertificeerde instelling op 15 augustus 2016 een faxbericht gedateerd 12 juli 2016 ingekomen waarbij was gevoegd een door de gecertificeerde instelling aan de rechtbank Rotterdam gericht verzoekschrift van 15 augustus 2016 betreffende een ‘Verzoek tot wijziging van een eerder door de rechter vastgestelde omgangsregeling i.h.k.v. voogdij (analoog aan artikel 1:377e BW)’. Dit verzoekschrift strekt ertoe bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de omgangregeling ‘te wijzigen in het tijdelijk stop zetten voor de duur van zes maanden’. 1.6 Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 17 augustus 2016 vermeldt (blad 2): “De voorzitter merkt op dat de gecertificeerde instelling een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling heeft ingediend bij de rechtbank. Een kopie van dat verzoek is bij het hof ingediend. De voorzitter deelt namens het hof mede dat, nu de omgangsregeling ook bij het hof voorligt en volgens vaste jurisprudentie alle recente informatie moet worden meegewogen bij beslissingen inzake omgang, het hof ook het verzoek tot schorsing van de omgangsregeling voor de duur van zes maanden bij zijn beoordeling zal betrekken.” 1.7 Bij beschikking van 21 september 2016 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht is vastgesteld en, in zoverre opnieuw beschikkende, de moeder de omgang met de minderjarigen voor de duur van zes maanden ontzegd met ingang van de datum van zijn beschikking. Het hof heeft de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. 1.8 Voor zover in cassatie van belang overwoog het hof: “3. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen [het verzoek van de moeder; A-G] en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Ter terechtzitting heeft de gecertificeerde instelling haar verzoek aangevuld in die zin dat zij het hof verzoekt de omgangsregeling voor de duur van een half jaar te schorsen. (…) Omgang 11. De moeder stelt dat de omgangsregeling gezien de vooruitgang die zij heeft doorgemaakt, te beperkt is. (…) De moeder erkent dat er recent tijdens een omgangscontact een escalatie heeft plaatsgevonden. De moeder stelt dat de door de gecertificeerde instelling voorgestane schorsing van de omgangsregeling naar aanleiding van dit incident buiten proporties is. Dat de minderjarigen hun moeder niet meer zouden mogen zien is schadelijk en druist in tegen het (inter-)nationale recht van kinderen op omgang met hun ouder(s). De moeder stelt voorts dat de omgang voortaan niet door de gecertificeerde instelling maar door het wijkteam begeleid dient te worden en dat de pleegouders niet langer bij de omgang zouden mogen zijn. Ter terechtzitting heeft de moeder haar verzoek om uitbreiding van de omgangsregeling aangevuld met een verzoek tot nader onderzoek ex artikel 810a Rv naar de vraag of het in het belang van de minderjarigen is dat de omgangsregeling wordt stopgezet, wat de rol van de pleegouders moet zijn bij de omgang en welke begeleiding het meest passend zou zijn. 12. De gecertificeerde instelling verweert zich daartegen en voert het volgende aan. (…) Ter terechtzitting en in de op 15 augustus 2016 ingediende stukken heeft de gecertificeerde instelling nog naar voren gebracht dat de moeder zich tijdens het laatste bezoek niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken en dat het bezoekmoment is geëscaleerd. De moeder is agressief geweest richting de voogd, diens collega en de pleegvader en [kind 2] is daarvan getuige geweest. Het incident is besproken met de moeder - in aanwezigheid van haar advocaat en een wijkteammedewerkster - en daarbij heeft de moeder aangegeven dat zij zelf bepaalt wat ze wel en niet doet tijdens bezoeken en zich daarover door niemand iets laat zeggen. Gezien de agressieve houding van de moeder tijdens de omgangsmomenten, waarvan de minderjarigen getuige zijn, acht de gecertificeerde instelling de bezoeken voor de minderjarigen een zodanig zware belasting, dat deze niet meer in hun belang zijn. De gecertificeerde instelling acht een schorsing van de omgangsregeling voor de duur van zes maanden thans in het belang van de minderjarigen. De gecertificeerde instelling stelt dat het van belang is dat de moeder nu zelf een plan opstelt dat ziet op hoe zij zich in het vervolg wel aan de gestelde voorwaarden voor omgang kan houden. Als dat plan er ligt, zal de gecertificeerde instelling bezien of de bezoeken weer kunnen worden opgestart. (…) 15. De raad voert aan dat de bezoeken tussen de moeder en de minderjarigen in de eerste plaats zijn bedoeld voor de minderjarigen, niet voor de moeder. De minderjarigen moten zich tijdens de omgangsmomenten veilig kunnen voelen. De moeder en de pleegouders moeten zich aanpassen aan wat de minderjarigen nodig hebben, niet andersom. De raad heeft om die reden begrip voor het verzoek van de gecertificeerde instelling om de omgangsregeling tijdelijk stop te zetten. 16. Het hof overweegt als volgt. Bij de beslissing op een geschil ter zake de omgang dient het hof rekening te houden met de meest actuele stand van zaken. Tegen die achtergrond betrekt het hof het verzoek tot schorsing bij zijn beslissing in hoger beroep. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de overgelegde stukken is gebleken dat de moeder zich in het geheel niet heeft gehouden aan de door de rechtbank bij beschikking van 13 juli 2015 verbonden voorwaarden voor de omgangsregeling. Het hof acht voortzetting van die omgangsregeling op dit moment dan ook niet in het belang van de minderjarigen. Gelet op de ernstige escalatie van het laatste omgangscontact, de angst van de minderjarigen voor de moeder, de grote weerstand van de moeder tegen de pleegouders waaraan de minderjarigen hun veiligheid ontlenen, waardoor zij bij de contacten aanwezig moeten kunnen zijn om de minderjarigen steun te bieden, is het hof van oordeel dat omgang – daaronder begrepen telefonisch contact – op dit moment ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de moeder alle schuld voor de escalaties buiten zichzelf legt en zich niet begeleidbaar opstelt. Het hof zal derhalve met analoge toepassing van art. 1:377e BW in samenhang met art. 1:377a lid 3 BW de moeder het recht op omgang voor de duur van een half jaar ontzeggen. 17. Het hof zal het verzoek om een nader onderzoek naar de omgangsregeling afwijzen, nu zulk een onderzoek de hiervoor onder 16 omschreven omstandigheden niet anders zal maken en derhalve niet tot een andere beslissing zal kunnen leiden. Het hof overweegt voorts dat de gecertificeerde instelling ter terechtzitting heeft toegezegd om onderzoek te laten verrichten door de Hondsberg – de instelling waar [kind 1] thans verblijft – naar de mogelijkheden tot herstel van de omgang alsmede naar de wijze waarop die omgang vormgegeven zal moeten worden. De moeder heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij achter onderzoek door de Hondsberg kan staan.” 1.9 De moeder heeft bij verzoekschrift van 10 november 2016, op dezelfde datum ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad, (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 21 september 2016. Er zijn geen andere partijen verschenen in cassatie. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bestrijdt de schorsing van de omgangsregeling. Het middel stelt, kort gezegd, aan de orde of analoge toepassing van de artikelen 1:377a en 1:377e BW op het verzoek van de gecertificeerde instelling mogelijk is (onderdeel 1) en of in hoger beroep een dergelijke verzoek voorlag (onderdeel 2). 2.2 Onderdeel 1 ziet op rov. 16. Subonderdeel 1a klaagt dat inmenging in het recht van de moeder op haar familie- en gezinsleven, waaronder haar recht op omgang met de kinderen, alleen is toegestaan voor zover bij de wet daarin is voorzien (art. 8 lid 2 EVRM). Analoge toepassing van art. 1:377e jo. art. 1:377a, lid 3 BW is daarmee in strijd, aldus het subonderdeel. Subonderdeel 1b (nrs. 11 en 12 van het middel) klaagt dat ‘s hofs oordeel op dit punt onbegrijpelijk is, nu niet wordt toegelicht wat het hof verstaat onder analoge toepassing (nr. 11). Mocht het hof bedoelen dat het de artikelen 1:377a en 1:377e BW analoog kan toepassen op het bij onderdeel 2 bedoelde verzoek van de gecertificeerde instelling, berust dat op een onjuiste rechtsopvatting omdat het enkele feit dat de minderjarigen onder voogdij van de gecertificeerde instelling staan, nog niet met zich brengt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377e jo. art. 1:377a, lid 3 BW. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat daarvan wel sprake is, is dat onbegrijpelijk nu de gecertificeerde instelling daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld (nr. 12). 2.3 De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Artikel 1:377a BW bepaalt: “1. Het kind heeft het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. 2. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. 3.De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind (…).” Artikel 1:377e BW bepaalt: “De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.” 2.4 Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat de niet met het gezag belaste ouder betreft, gewaarborgd door de artikelen 8 EVRM en 1:377a lid 1 BW, en wat het kind aangaat niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door de artikelen 9 lid 3 IVRK en 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Naast de ouders heeft ook degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind – dus als sprake is van family life/vie familiale − in beginsel recht op omgang. 2.5 Aanvankelijk bepaalde de tekst van artikel 1:377a lid 1 BW, zoals ingevoerd bij de Wet tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen (Stb. 199/240), alleen dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben. Hoewel dit niet volgde uit de tekst ervan, omvatte deze bepaling destijds ook de mogelijkheid dat de met het gezag belaste ouder de vaststelling – en dus gezien artikel 1:377e BW ook de wijziging – van een omgangsregeling kon verzoeken. Ouderlijk gezag veronderstelt immers nauw contact – omgang − met het kind. HR 24 juni 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT1096, NJ 2005/415 m.nt. S.F.M. Wortmann, overwoog daartoe: 3.3.2 (…) Art. 1:377a lid 1 BW bepaalt dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de wet de met het gezag belaste ouder géén recht toekent op omgang met zijn kind. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting met betrekking tot art. 1:377a BW, als geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1, achtte de wetgever het niet nodig expliciet te bepalen dat de ouder en het kind waarover hij het gezag uitoefent recht hebben op omgang met elkaar, nu het zijn van ouder en het uitoefenen van het gezag vanzelfsprekend de bevoegdheid tot omgang inhouden. Blijkens art. 1:377a lid 2, art. 1:377f en art. 1:377h BW brengt het recht op omgang in beginsel tevens mee het recht om door de rechter een omgangsregeling te doen vaststellen. Dat geldt ook voor de ouder die met het gezag is belast. De omstandigheid dat die ouder in beginsel ook het verdergaande recht heeft op afgifte van het kind (art. 812 Rv), staat daaraan niet in de weg. (…)” De huidige tekst van artikel 1:377a BW is vastgesteld bij de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008/500). Zij brengt onder meer tot uitdrukking dat een kind een eigen recht heeft op omgang met zijn beide ouders. De plicht tot omgang van de niet met het gezag belaste ouder is ook in die bepaling opgenomen en de plicht tot omgang van de met het gezag belaste ouder ligt besloten in artikel 1:247 BW. 2.6.1 Ten aanzien van de gecertificeerde instelling die belast is met de voogdij, diene het volgende. Minderjarigen staan onder gezag, waaronder wordt verstaan ouderlijk gezag of voogdij. Voogdij wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend (artikel 1:245, leden 1 t/m 3 BW). De rechter kan de voogdij opdragen aan een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet (artikel 1:302 lid 1 BW). Dat is een rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert. Voor zover de wet niet anders bepaald, heeft de gecertificeerde instelling die met de voogdij is belast dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden (artikel 1:303 BW). Ik merk nog op dat de gecertificeerde instelling ook rekening dient te houden met de pleegouders. Die verhouding is thans niet aan de orde. 2.6.2 Het gezag van de voogd ziet onder meer op de omgang van de minderjarige met anderen. De gecertificeerde instelling bevindt zich ten aanzien van de regulering van de omgang in beginsel in een vergelijkbare positie als de ouder met het gezag. Daaraan doet niet af dat het element van de nauwe persoonlijke betrekking in de zin van artikel 1:377a en 1:377e BW ontbreekt. De rechtspersoon-voogd is ervoor verantwoordelijk dat de minderjarige wordt verzorgd en opgevoed (artikel 1:336 BW). In dat verband is zij verantwoordelijk voor de contacten die de minderjarige heeft. Daarbij geldt dat de gecertificeerde instelling/voogd het contact met de ouders dient te bevorderen (artikel 1:305 lid 3 en 1:262 lid 3 BW), maar dat omgang door de rechter kan worden ontzegd op de in artikel 1:377a BW aangegeven gronden. 2.7 In het verlengde van HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1096, NJ 2005/415, dient naar mijn mening te worden aangenomen dat, evenals de ouder met het gezag, ook de gecertificeerde instelling die als voogd het gezag over de minderjarige heeft, gebruik kan maken van de rechtsingang van de artikelen 1:377a en 1:377e BW. Het uitoefenen van het gezag houdt de verantwoordelijkheid ten aanzien van de omgang met de minderjarige in en dat brengt in beginsel tevens het recht mee om door de rechter een omgangsregeling te doen vaststellen dan wel wijzigen. Daarvoor is niet vereist dat de rechter een nauwe persoonlijke betrekking tussen de gecertificeerde instelling en de minderjarige vaststelt. 2.8 Deze conclusie wordt bevestigd door de regeling van artikel 1:265g (voorheen artikel 1:263b) BW. Het eerste lid daarvan bepaalt: “Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.” Een ondertoezichtstelling (ots) is een inbreuk op het gezag van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.