Zaaknr: 16/01162 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 27 januari 2017 Conclusie inzake: 1. [eiseres 1] 2. [eiseres 2] 3. [eiseres 3] tegen [verweerder] 1Inleiding 1.1 Eiseressen tot cassatie (hierna: [eiseressen] ) zijn de weduwe en de dochters van wijlen [betrokkene 1] die op 16 oktober 2002 door een misdrijf (doodslag) om het leven is gekomen. De dader (hierna ook: [betrokkene 2] ) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Verweerder in cassatie (hierna: [verweerder] ) is de broer van de dader. [eiseressen] zijn bij de rechtbank Amsterdam een civielrechtelijke procedure tegen de dader gestart waarin zij schadevergoeding wegens het door hem gepleegde feit hebben gevorderd. Dat heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2009 waarbij hij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 857.217,27 met wettelijke rente en kosten. Inmiddels hadden [eiseressen] op 5 oktober 2004 ter verzekering van hun vordering conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [verweerder] en onder een vof waarvan [verweerder] en [betrokkene 2] de vennoten waren. 1.2 In de onderhavige procedure hebben [eiseressen] gevorderd dat de rechtbank [verweerder] veroordeelt tot het afleggen van een verklaring van al hetgeen hij van de dader onder zich heeft/had/zal verkrijgen dan wel aan de dader verschuldigd is/zal worden. [verweerder] heeft in reconventie - onder meer - een verklaring voor recht gevorderd dat [eiseressen] jegens hem onrechtmatig handelen door de gelegde beslagen onverminderd te handhaven. De rechtbank heeft uiteindelijk zowel de vorderingen in conventie als die in reconventie afgewezen. 1.3 Beide partijen hebben vervolgens hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De zaken zijn op incidenteel verzoek van [verweerder] door het hof gevoegd (arrest van 18 september 2012). In zijn arrest van 11 maart 2014 (hierna ook: het eerste eindarrest) heeft het hof deze afwijzingen bekrachtigd. Vervolgens heeft het hof het arrest van 11 maart 2014 ingetrokken en op 10 juni 2014 nogmaals arrest gewezen (hierna ook: het tweede eindarrest) waarin de vonnissen in conventie zijn vernietigd en [verweerder] is veroordeeld tot betaling aan [eiseressen] van een bedrag van € 169.450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. 1.4 [verweerder] heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld. Daarop is beslist bij arrest van 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3476. In dit arrest heeft de Hoge Raad het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juni 2014 vernietigd en bepaald dat binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van de Hoge Raad, beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 maart 2014. 1.5 Ik verwijs voor de overige feiten en het procesverloop tot aan het eerste cassatieberoep naar het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 4 december 2015. 2Procesverloop 2.1 [eiseressen] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft in het principale cassatieberoep geconcludeerd tot referte en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eiseressen] hebben verweer gevoerd in het incidenteel cassatieberoep. [eiseressen] hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. [verweerder] heeft afgezien van schriftelijke toelichting en van dupliek. 3Bespreking van het principaal cassatieberoep 3.1 Het principale cassatiemiddel richt zich tegen de rov. 8 en 9.8 van het arrest van het hof van 11 maart 2014 en de uitwerking daarvan in het dictum. Daarin heeft het hof als volgt geoordeeld en beslist: “8. Het verdere verloop van de procedure [] [verweerder] heeft een akte met zeven producties genomen (producties 9 tot en met 15). [eiseressen] hebben geen antwoordakte genomen. 9.8. Door [eiseressen] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de op 29 oktober 2004 door [] [verweerder] (voor zichzelf en voor de vof) afgelegde verklaring onjuist is. Het hof: bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep zowel in conventie als in reconventie, maar met verbetering en wijziging van de gronden wat betreft de beslissing in conventie.” Het middel klaagt dat het hof een procedurefout heeft gemaakt dan wel voorbij is gegaan aan essentiële stellingen van [eiseressen] , omdat [eiseressen] wel degelijk een antwoordakte hebben genomen op de rolzitting van 4 februari 2014. Het hof heeft vervolgens ten onrechte de inhoud van die akte niet in zijn oordeel betrokken, terwijl daarin feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel van het hof nopen, aldus het middel. 3.2 Het middel slaagt. Zoals het hof in zijn arrest van 10 juni 2014 heeft onderkend, heeft het hof in zijn arrest van 11 maart 2014 geen rekening gehouden met de antwoordakte van [eiseressen] Daardoor is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en dient het bestreden arrest te worden vernietigd. 4Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 4.1 Nu het principaal cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing leidt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, vervuld. Het incidenteel cassatieberoep bevat twee middelen. Middel 1 is gericht tegen de rov. 9.3 t/m 9.7 van het arrest van 11 maart 2014 en bevat als hoofdklacht dat het hof heeft miskend dat het, zo nodig met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, toepassing had dienen te geven aan het ‘rechtstreeks-vereiste’ van art. 475 lid 1 Rv, dan wel de betekenis van het bedoelde vereiste miskend, dan wel zijn oordeel dat aan het vereiste is voldaan, onvoldoende gemotiveerd. De hoofdklacht is uitgewerkt in vier subonderdelen. 4.2 Subonderdeel 1.1 richt zich meer in het bijzonder op de rov. 9.3 en 9.4 waarin de artikelen 14 en 15 van de tussen [verweerder] en zijn broer gesloten overeenkomst tot het aangaan van een vennootschap onder firma aan de orde is. Het subonderdeel stelt dat in genoemde bepalingen ligt besloten dat voor betaling van een waardevergoeding een nader rechtsfeit, rechtshandeling of wilsuiting is vereist in die zin dat er sprake moet zijn van beëindiging van de vennootschap om enige andere reden dan het overlijden van een vennoot en dat het hof heeft vastgesteld dat de vennootschap is beëindigd door ontbinding. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het hof, door (impliciet) te oordelen dat de waardevergoeding die [verweerder] verschuldigd zou kunnen zijn aan [betrokkene 2] als gevolg van de beëindiging van de vof per 30 november 2008, onder het door [eiseressen] op 5 oktober 2004 gelegde beslag valt, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 4.3 Volgens subonderdeel 1.2 ligt in rov. 9.5 het oordeel besloten dat de aldaar bedoelde privé-onttrekkingen dienen te worden aangemerkt als voorschotten op winstuitkeringen in de zin van artikel 9 van de vennootschapsovereenkomst. Dit oordeel is, aldus het subonderdeel, onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen het hof zelf in rov. 9.5 overweegt, te weten dat van winstuitkeringen in de desbetreffende periode geen sprake is geweest, aangezien de vof steeds verlies heeft geleden, dit met uitzondering van het jaar 2007, waarin het winstaandeel van [betrokkene 2] ten bedrage van € 74.080,- is verrekend met zijn negatieve kapitaal de kapitaalrekening van [betrokkene 2] op 31 december 2007 een negatief saldo van € 443.655,- vertoonde. In dat licht behoeft, zo betoogt het subonderdeel, nadere verklaring waarom partijen zouden hebben beoogd toepassing te geven aan art. 9 lid 1, en/of waarom partijen toepassing hebben kunnen geven aan art. 9.1 lid 1 van de overeenkomst. Het subonderdeel wijst daarnaast op hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over het negatieve eigen vermogen van de vof op het moment van beslaglegging, dat jaarlijkse verrekening van de verliezen van de vof met het kapitaal van de vennoten, het opgelopen negatieve eigen vermogen van de vof bij de ontbinding van de vof per 30 november 2008 en dat de financiële afwikkeling van de vof resulteerde in een vordering van [verweerder] op [betrokkene 2] van € 319.860,-. In deze stellingen van [verweerder] ligt besloten dat bij de bedoelde privé-opnamen geen sprake was van voorschotten op vermoedelijk uit te keren winst. Het oordeel dat de onderhavige betalingen onder het beslag vallen behoeft, gelet op deze stellingen, nadere motivering. 4.4 Subonderdeel 1.3 betreft de rov. 9.5 en 9.7 waarin volgens het subonderdeel ligt besloten dat eventuele voorschotbetalingen als bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst aan [betrokkene 2] , onder het door [eiseressen] op 5 oktober 2004 gelegde conservatoir derdenbeslag vallen. In art. 9 lid 1 van de vennootschapsovereenkomst is bepaald dat ieder der vennoten periodiek voor privégebruik een in onderling overleg te bepalen bedrag uit de kas van de vennootschap mag opnemen als voorschot op de vermoedelijk te behalen winst. Er is derhalve, aldus het subonderdeel een nader rechtsfeit, rechtshandeling of wilsuiting vereist in die zin dat de betreffende vennoot aanspraak maakt op een voorschot op de vermoedelijk te behalen winst, dat de andere vennoot daarmee instemt, en dat de vennoten bovendien overeenstemming bereiken over de hoogte van het voorschot. Het subonderdeel klaagt dat onder deze omstandigheden niet is voldaan aan het ‘rechtstreeks-vereiste’. 4.5 Subonderdeel 1.4 richt zich tot slot tegen het oordeel in rov. 9.6 en 9.7 over de in de jaarrekening 2005 op de kapitaalrekening van [betrokkene 2] geboekte arbeidsvergoeding ten bedrage van € 17.017,-. Het subonderdeel klaagt dat gesteld noch gebleken is dat deze arbeidsvergoeding rechtstreeks, d.w.z. zonder nadere rechtsfeiten, wilsuitingen en/of rechtshandelingen, voortvloeit uit de overeenkomst en dat het hof niets heeft vastgesteld over de grondslag van deze arbeidsvergoeding. Daarmee heeft het hof volgens het subonderdeel met zijn (impliciete) oordeel dat deze arbeidsvergoeding onder het door [eiseressen] gelegde conservatoire derdenbeslag valt, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 4.6 [eiseressen] hebben in hun schriftelijke toelichting opgemerkt dat [verweerder] h.i. gelet op het oordeel van het hof in rov. 9.7 geen belang bij de in het middel geformuleerde klachten heeft en dat het, bij gegrondbevinding van het principale cassatieberoep, aan de verwijzingsrechter is om op basis van de dan complete processtukken te beoordelen of [verweerder] en/of de vof vanaf de beslagdatum van 5 oktober 2004 iets aan [betrokkene 2] schuldig waren of op basis van de toen bestaande rechtsverhouding schuldig zijn geworden, dan wel op die datum iets van [betrokkene 2] onder zich hadden dan wel kregen. 4.7 De door het middel bestreden rechtsoverwegingen zijn opgenomen onder het kopje “9 De verdere beoordeling van de (…) gevoegde zaken” en vormen een vervolg op rov. 6.15 van het tussenarrest van 19 november 2013. In laatstgenoemd tussenarrest heeft het hof in de rov. 6.3 tot en met 6.15 het hoger beroep van zowel [verweerder] als van [eiseressen] tegen de vonnissen van de rechtbank in conventie beoordeeld. Ik citeer de rov. 6.14 en 6.15 van dit tussenarrest: “6.14. De grieven IV en V van [] [verweerder] hebben betrekking op de kern van het onderhavige geding, namelijk de vraag of [] [verweerder] en/of de vof ten tijde van het derdenbeslag op 5 oktober 2004 al dan niet iets aan [betrokkene 2] verschuldigd was/waren of nadien uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding is/zijn geworden, dan wel of [] [verweerder] en/of de vof ten tijde van de beslaglegging al dan niet iets van [betrokkene 2] onder zich had/hadden. Zowel [] [verweerder] als de vof hebben op 29 oktober 2004 verklaard niets aan [betrokkene 2] verschuldigd te zijn of op grond van een bestaande rechtsverhouding verschuldigd te worden dan wel van [betrokkene 2] onder zich te hebben. Het hof merkt hierbij op dat alleen de schriftelijke verklaring van [] [verweerder] in het geding is gebracht (productie 4 bij de inleidende dagvaarding). 6.15. [eiseressen] heeft de juistheid van de afgelegde verklaringen betwist. [] [verweerder] heeft ter onderbouwing van de afgelegde verklaringen de jaarrekening 2005 van de vof overgelegd, alsmede de balansen over de jaren 2002 t/m 2006. Naar het oordeel van het hof zijn die stukken ontoereikend om het geschil tussen partijen te kunnen beoordelen. [] [verweerder] dient bij akte nog de volgende stukken in het geding te brengen: - de vennootschapsakte van de vof; - de volledige jaarstukken van de vof over de jaren 2004, 2006, 2007 en 2008; - de verdelingsakte in verband met de ontbinding van de vof per 30 november 2008. [eiseressen] zal in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte op deze stukken te reageren. De beslissing op de grieven IV en V van [] [verweerder] wordt aangehouden.” 4.8 [verweerder] heeft, aldus het hof in rov. 9.1 van het eindarrest van 11 maart 2014, de gevraagde stukken overgelegd en het hof bespreekt deze stukken vervolgens in de rov. 9.2 e.v. Samengevat bevat rov. 9.2 een weergave van het bepaalde in de artikelen 8 lid 4, 9 lid 1, 14 en 15 van de vennootschapsakte. In rov. 9.4 concludeert het hof dat [betrokkene 2] geen vordering jegens [verweerder] kon doen gelden op grond van de artikelen 14 en 15 van de tussen hen op 1 april 1988 gesloten vennootschapsovereenkomst. Het hof baseert deze slotsom op de in rov. 9.3 besproken koopovereenkomst van 15 december 2008 waarin de overdracht van het vennootschapsaandeel van [betrokkene 2] aan [verweerder] is geregeld, met daarbij gevoegd een berekening van het vennootschapsaandeel van [betrokkene 2] per 30 november 2008 alsmede op de verlies- en winstrapportage van de vof per 30 november 2008. Rov. 9.5 bevat op basis van de jaarrekeningen van de vof over de jaren 2004 tot en met 2008 een overzicht van de bedragen die [betrokkene 2] als voorschotten op winstuitkeringen in de zin van artikel 9 van de vennootschapsovereenkomst heeft opgenomen met daarop volgend de constatering dat van winstuitkeringen in de desbetreffende periode - met uitzondering van het jaar 2007 toen het winstaandeel van [betrokkene 2] is verrekend met zijn negatieve kapitaal - echter geen sprake is geweest, aangezien de vof steeds verlies heeft geleden. Rov. 9.6 handelt over de ten gunste van de kapitaalrekening van [betrokkene 2] geboekte arbeidsvergoeding waartegenover een veel grotere afboeking aan rentevergoeding en aandeel in het verlies van de vof staat. 4.9 Het voorgaande brengt het hof in rov. 9.7 tot het oordeel dat “op basis van de overgelegde stukken niet [kan] worden geconcludeerd dat [] [verweerder] en/of de vof op 5 oktober 2004 iets aan [betrokkene 2] schuldig waren of daarna op basis van de toen bestaande rechtsverhouding schuldig zijn geworden dan wel op die datum iets van [betrokkene 2] onder zich hadden.” Vervolgens heeft het hof in het dictum van zijn arrest van 11 maart 2014 de vonnissen waarvan beroep in conventie bekrachtigd waarmee de door van [eiseressen] ingestelde vorderingen ook in hoger beroep zijn afgewezen. 4.10 Uit de hiervoor samengevatte oordelen blijkt dat het hof tot het oordeel is gekomen [betrokkene 2] geen aanspraak op zijn broer of op de vof heeft of zal krijgen – kort gezegd – op grond van respectievelijk de vennootschapsakte en het negatieve vermogen van de vof. Met zijn kernklacht dat het hof de maatstaf van art. 475 Rv heeft miskend, keert het middel zich tegen een oordeel van het hof dat nergens uit blijkt en waaraan het hof ook niet behoefde toe te komen. Het hof is bovendien aldus niet voorbij gegaan aan enige stelling van [verweerder] aangezien in appel niet een grief van de strekking als de kernklacht is geformuleerd. In het geding na cassatie en verwijzing zal, aan de hand van de door [verweerder] in het geding gebrachte financiële stukken en met inachtneming van de antwoordakte van [eiseressen] opnieuw dienen te worden beoordeeld of [verweerder] en/of de vof op 5 oktober 2004 iets aan [betrokkene 2] schuldig waren of daarna op basis van de toen bestaande rechtsverhouding schuldig zijn geworden dan wel op die datum iets van [betrokkene 2] onder zich hadden. De vraag of daarbij is voldaan aan het criterium van art. 475 Rv komt dan als gevolg van de verplichting van de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (eventueel ook nog) aan de orde. Middel 1 faalt mitsdien. 4.11 Middel 2 is gericht tegen rov. 6.18 van het tussenarrest van 19 november 2013 over de door [verweerder] ingestelde vordering in reconventie en de bekrachtiging van de vonnissen in reconventie in het eindarrest van 11 maart 2014. 4.12 Alvorens op het middel in te gaan, behandel ik twee kwesties die door [eiseressen] respectievelijk [verweerder] zijn opgeworpen. De eerste betreft het door [eiseressen] in hun schriftelijke toelichting ingenomen standpunt dat [verweerder] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klachten van middel 2 omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.