Nr. 15/05221 Zitting: 6 juni 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [Jane H.] Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 14 oktober 2015, na gegrondverklaring van de vordering tot herziening en verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 18 december 2012, het vonnis van de rechtbank Breda van 26 juli 1994, waarbij de verdachte, met vrijspraak van het onder primair, subsidiair en tweede subsidiair ten laste gelegde, ter zake van derde subsidiair “medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, gehandhaafd met aanvulling en verbetering van gronden. Er bestaat samenhang met de zaken 15/05468, 16/00460, 16/03360, 16/03367 en 16/03372. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G.G.J. Knoops en mr. E. Vogelvang, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende zeven middelen van cassatie. 4. De casus en de procesgang 4.1. Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft zich in deze zaak het volgende afgespeeld. Op 4 juli 1993 te 11.00 uur is door de politie een dode vrouw aangetroffen op de vloer van de keuken van een Chinees restaurant genaamd [de P.] , gelegen aan de [b-straat 1] te Breda. De vrouw, die naar later bleek [mw. M.] te zijn (ook wel ‘ [mw. M.] ’ genoemd), had een blauw gekleurd voorhoofd, verwondingen aan het (achter)hoofd, bloedverlies uit neus en mond, blauwe plekken op diverse plaatsen, ribbreuken en bleek te zijn gewurgd. Het overlijden heeft waarschijnlijk plaatsgevonden in de periode tussen 04.15 uur en 08.15 uur. Op de vloer lag een kooktoestel. De gokkast in de hal was opengebroken en de geldlade lag op de grond. Het slachtoffer was de vrouw/moeder van de eigenaren van het restaurant en had een eigen sleutel. De toegangsdeur van het afhaalgedeelte was niet op slot. Het slachtoffer sliep in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in het huis van haar zoon om op haar kleinkinderen te passen. De zoon en schoondochter waren die nacht niet in hun huis aanwezig. 4.2. De drie mannelijke verdachten in deze zaak zijn genaamd [Appie T.] ( [Appie T.] , bijnaam ‘ [Appie T.] ’), [Ahmed L.] en [Anil B.] . Kort gezegd zijn zij veroordeeld voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. De drie vrouwelijke verdachten in deze zaak, [Jane H.] , [Carien N.] en [Jenny L.] , zijn veroordeeld ter zake van de medeplichtigheid aan dat misdrijf. 4.3. De procesgang in de onderliggende zaak, die bekend staat als ‘De zes van Breda’, is als volgt geweest:
- i)de rechtbank te Breda heeft de verdachte bij vonnis van 26 juli 1994 ter zake van, kort gezegd, het medeplegen van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag op [mw. M.] , veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, waarvan voorwaardelijk 3 maanden, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is niet aangevuld met bewijsmiddelen.
- ii)op verzoek van de toegangscommissie van de CEAS (Commissie evaluatie strafzaken) is in 2009 door het openbaar ministerie aanvullend forensisch-technisch onderzoek verricht en vervolgens heeft in 2010 en 2011 onder leiding van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad mr. Aben in het kader van de beoordeling van de mogelijkheid tot herziening van de onherroepelijke veroordelingen, een evaluatieonderzoek plaatsgevonden. iii) bij vordering van 5 juni 2012 heeft mr. Aben op grond van negen nova een vordering strekkende tot herziening van de veroordelingen van alle zes betrokkenen ingediend.
- iv)naar aanleiding van het op 26 juni 2012 uitgesproken tussenarrest van de Hoge Raad heeft de advocaat-generaal de Hoge Raad desgevraagd aanvullend geïnformeerd dat de vordering tot herziening niet tegen de wil van de veroordeelden ingaat.
- v)bij arrest van 18 december 2012 heeft de Hoge Raad de vordering tot herziening van alle zaken gegrond verklaard vanwege een gegeven als bedoeld in art. 457 lid 1 aanhef en onder c Sv en de zaken verwezen naar het gerechtshof te Den Haag, opdat ze op de voet van art. 472 lid 2 Sv opnieuw kunnen worden behandeld en afgedaan.
- vi)Op 14 oktober 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de beslissing van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 gehandhaafd, met aanvulling en verbetering van gronden. Het arrest is aangevuld met bewijsmiddelen. 4.4. Het dossier in de huidige cassatiezaak omvat alle stukken die uit de verschillende (opsporings)onderzoeken en uit de gehele hiervoor omschreven procesgang zijn voortgekomen. 5. De omvang van het onderzoek en de beslissingsruimte van de feitenrechter na verwijzing in de herzieningsprocedure 5.1. Het wettelijk kader Op 1 oktober 2012 is art. 457 Sv in werking getreden. Deze bepaling, die het novum omschrijft, luidt onder lid 1, aanhef en onder c als volgt: “1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien: c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. (…). Art. 472 lid 2 Sv: (…). 2.Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag betreffende het geval genoemd in art. 457, eerste lid, onder c, gegrond acht, beveelt hij de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de onherroepelijke uitspraak en verwijst hij de zaak op de voet van art. 471, teneinde hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan: a. het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, b. de verdachte vrij te spreken of c. als niet-strafbaar te ontslaan van alle rechtsvervolging, of d. de verdachte opnieuw te veroordelen met toepassing van de minder zware strafbepaling of met oplegging van een lagere straf. Art. 476 lid 4 en 5 Sv: (…). 4.Het onderzoek en de beraadslaging, bedoeld in de artikelen 348 en 350, geschieden zowel naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in herziening als van het onderzoek in vorige terechtzittingen, zoals dat volgens daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft plaats gehad. 5.Ten aanzien van de bij de verwijzing vernietigde uitspraken doet het gerechtshof opnieuw recht; ten aanzien van de bij de verwijzing niet vernietigde uitspraak handhaaft het gerechtshof deze met gehele of gedeeltelijke overneming, aanvulling of verbetering van de gronden of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, opnieuw recht met inachtneming van art. 472, eerste of tweede lid.” 5.2. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 2012 met betrekking tot (de omvang van) het onderzoek van de feitenrechter in deze zaak als volgt overwogen: “5.10. Opmerking verdient nog het volgende. Ingevolge het op 1 oktober 2012 in werking getreden art. 457 Sv is voor herziening vereist, voor zover hier van belang, dat sprake is van - kort gezegd - een zodanig nieuw gegeven (het zogenoemde novum) dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven destijds bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak tot vrijspraak zou hebben geleid. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot vorenbedoelde wetswijziging houdt onder meer in: "Voldoende is dat het "ernstige vermoeden" rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan." (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 27). Het is derhalve aan de rechter naar wie de zaak wordt verwezen de zaak opnieuw te onderzoeken en vervolgens hetzij de veroordeling te handhaven, hetzij alsnog vrij te spreken.” 5.3. Uit de literatuur en de rechtspraak van de Hoge Raad over de herzieningsprocedure blijkt het volgende. Indien de Hoge Raad, zoals in dit geval, de vordering tot herziening gegrond acht en vervolgens verwijst naar het hof, kan het hof ofwel de uitspraak handhaven ofwel vernietigen. Dat het hof de veroordeling ook kan handhaven, laat zien dat het gegrond bevinden van de vordering door de Hoge Raad geen garantie biedt dat het hof in herziening tot een voor de betrokkene gunstiger uitspraak komt. De feitenrechter in de herzieningsprocedure dient de zaak met in achtneming van de grenzen van het hierboven aangehaalde art. 472 lid 2 Sv opnieuw geheel te onderzoeken. Na verwijzing door de Hoge Raad is de rechter bij zijn onderzoek in herziening niet gebonden aan de gronden die tot herziening hebben geleid (het ‘novum’). De rechter in herziening hoeft niet te beoordelen of de Hoge Raad terecht een novum aannam; het novum bestaat niet als begrip in de procedure in herziening. Het onderzoek en de beraadslaging, zoals bedoeld in art. 348 en 350 Sv, vinden voorts plaats naar aanleiding van de terechtzitting in herziening, maar ook naar aanleiding van de terechtzittingen die in de oorspronkelijke zaak hebben plaatsgevonden. De rechter is vrij om voor het bewijs gebruik te maken van stukken uit het oorspronkelijk dossier, maar mag ook nieuw bewijsmateriaal in zijn onderzoek betrekken en aan zijn beslissing ten grondslag leggen. Het na een geslaagde herzieningsaanvraag oordelende hof functioneert als een soort appelrechter; er is dus sprake van een oordeel in volle omvang, met de materiële waarheidsvinding als uitgangspunt. De Hoge Raad heeft in het dictum van zijn arrest van 18 december 2012 de vordering tot herziening zonder enige beperking gegrond verklaard. Dit heeft tot gevolg dat het verwijzingshof in dit geval terecht een onderzoek heeft ingesteld naar alle omstandigheden die van belang zijn voor het oordeel over de feiten die in de inleidende dagvaarding zijn opgenomen. 6. De toetsing in cassatie van de bewijsbeslissing 6.1. De onderhavige zaak wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat de bewezenverklaring hoofdzakelijk berust op bekentenissen die later zijn ingetrokken en draait in wezen hierom: de betrouwbaarheid van de (ingetrokken) bekennende verklaringen van de drie vrouwelijke verdachten, waarin zij zowel zichzelf als de drie mannelijke verdachten belasten, bezien in het licht van (de afwezigheid van) het bewijsmateriaal voor het overige, waaronder met name de door de Hoge Raad als novum aangemerkte verklaring van de zogenaamde ‘bushokje-getuigen’. 6.2. De gang van zaken in het opsporingsonderzoek was heel kort geschetst als volgt. De drie vrouwelijke verdachten hebben in april en mei 1994 als verdachte tegenover de politie verklaard dat in de nacht van 3 op 4 juli 1993 het slachtoffer door de drie mannen is gedood en dat de vrouwen medeplichtig zijn geweest aan dat misdrijf. [Jenny L.] heeft als getuige haar politieverklaringen een maand later ingetrokken ten overstaan van de rechter-commissaris; naar eigen zeggen is zij door de politie onder druk gezet. [Jane H.] en [Carien N.] hebben in eerste aanleg (als verdachte) en in hoger beroep (als getuige) ten overstaan van een rechter steeds hun belastende verklaring herhaald. Eerst bij gelegenheid van hun interview tegenover de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) in oktober en november 2010 zijn [Jane H.] en [Carien N.] teruggekomen op hun eerder afgelegde verklaring, naar eigen zeggen omdat deze onder druk tot stand is gekomen. De drie mannelijke verdachten hebben het delict steeds ontkend, dan wel daarover gezwegen. Zij hebben tot aan de CEAS procedure niet verklaard over enige vorm van druk tijdens de verhoren. 6.3. De vraag wat de bewijswaarde van een (bekennende) verklaring is, of deze al dan niet betrouwbaar is en of, in het verlengde daarvan, bewezenverklaard kan worden dat deze zes verdachten degenen zijn geweest die het slachtoffer hebben ontvoerd, bestolen, mishandeld en van het leven hebben beroofd, is een vraag van feitelijke aard waarop in cassatie in beginsel geen antwoord kan worden gegeven. Een nieuw onderzoek naar de feiten wordt door de cassatierechter immers niet verricht. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het …voorbehouden aan de feitenrechter om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing inzake die selectie en waardering die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Als gevolg hiervan kan het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde niet onbegrijpelijk genoemd worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs) beslissing toelaat. 6.4. Art. 359 lid 2 Sv heeft daarin geen wijziging gebracht, behalve dat de feitenrechter in een aantal gevallen - op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden ingegaan - zijn beslissing nader dient te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp, alsmede aan de inhoud en de indringendheid van de aangevoerde argumenten. 6.5. Een bijzonder geval waar de selectie en waardering van het bewijsmateriaal ( al dan niet op grond van art. 359 lid 2 Sv) motivering behoeft kan zich voordoen bij een bewezenverklaring die in belangrijke mate steunt op een eerder afgelegde, maar later ingetrokken bekentenis in het licht waarvan de tenlastelegging wordt bestreden met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen. Overigens is de rechter vrij om de bekennende verklaring die ten overstaan van de politie is afgelegd voor het bewijs te gebruiken en geen acht te slaan op de latere ontkennende verklaring. 6.6. Bij kwesties van feitelijke aard zal het aankomen op de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, hetgeen in cassatie een ‘marginale’ toets inhoudt. 6.7. De wet eist in art. 338 Sv dat de feitenrechter bij een bewezenverklaring op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Die overtuiging kan worden opgevat als een zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid, in het licht waarvan de bewijsbeslissing kan worden beschouwd als een afweging van hetgeen de rechter (zeer) waarschijnlijk acht en hetgeen hij als een uiterst onwaarschijnlijke mogelijkheid buiten beschouwing laat. Nu het bewijsbegrip in het strafrecht kan worden omschreven als het aantonen dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, hoeft de rechter zich geen absolute zekerheid te verschaffen dat de verdachte het feit heeft begaan.De wet vereist in dat opzicht alleen dat de rechter door de inhoud van de bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan maar stelt niet, wanneer de rechter zich overtuigd mag achten. 6.8. Inzake de functie en de inhoud van de rechterlijke overtuiging bestaat weinig eenduidigheid. Volgens Cleiren ligt de functie van de rechterlijke overtuiging in de - op zich niet rationele - sprong van het feitelijk naar het rechtsoordeel, die verplicht moet worden verantwoord in de bewijsbeslissing, waarbij die verplichting tot motiveren de rechter zal aansporen tot een maximaal rationeel proces van vorming van het bewijsoordeel en tot een gewetensvolle beslissing. 6.9. Zoals al eerder vooropgesteld, kan het criterium voor het bewijs worden opgevat als een zeer klemmende graad van waarschijnlijkheid, in het licht waarvan de bewijsbeslissing kan worden beschouwd als een afweging van hetgeen de rechter (zeer) waarschijnlijk acht en hetgeen hij als een uiterst onwaarschijnlijke mogelijkheid buiten beschouwing laat. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van het bewijsmateriaal behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering. Dergelijke bijzondere gevallen, waarin toch een nadere motivering van de keuze van de rechter wordt verlangd bestaan wel. Een geval als het onderliggende, waar die dragende bewijsmiddelen bestaan uit later ingetrokken bekentenissen die geen steun vinden in bewijs uit andere bron, zou daarvoor in aanmerking kunnen komen. Een qua uitkomst vergelijkbare situatie biedt de benadering via de eis dat een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gemotiveerd dient te worden weerlegd (art. 359 lid 2 Sv). 6.10. De hiervoor uit de literatuur geciteerde passages gaan net als de wettekst in art. 338 Sv uit van de ‘overtuiging’ van de rechter. De suggestie dat door de verwijzing naar de rechterlijke overtuiging bij de bewijsvraag een subjectief criterium aan de orde is moet naar ik meen echter worden vermeden. Anders dan in stelsels met een jury, waar een ‘conviction intime’ omtrent de bewijsvraag wel toereikend wordt geacht gaat het in ons bewijsstelsel steeds om een oordeel, dat moet worden verantwoord. De wet eist dat door middel van de bewijsmotiveringsvoorschriften. De vraag of het tenlastegelegde bewezen is kan ook worden ingevuld aan de hand van de bewijsstandaard ‘beyond reasonable doubt’. Mijn ambtgenoot Knigge heeft voor die benadering gepleit in zijn conclusie voorafgaand aan HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7266. Hij stelde (par 19) in zijn conclusie: “Ik meen dat ook naar Nederlands recht vereist is dat de schuld van de verdachte buiten redelijke twijfel bewezen moet zijn. Aan waarborgen op dit punt schort het echter. Dat de rechter overtuigd is geraakt, vormt bepaald geen garantie dat die overtuiging objectief gezien gerechtvaardigd is. Tot de vele valkuilen waarin de oordelende mens (en dus de rechter) kan trappen, behoort (zo leert de rechtspsychologie) de neiging om informatie die met het eenmaal gevormde (voor)oordeel strijdt, te negeren. De rechterlijke overtuiging vormt zogezien al gauw een hinderpaal op de weg van de waarheidsvinding. Hoewel die overtuiging gebaseerd zou moeten zijn op een kritische toetsing van het bewijsmateriaal, dreigt zij voortdurend aan een dergelijke toetsing in de weg te staan. Die stand van zaken vraagt om een compenserende waarborg in de vorm van een externe controle op de overtuigingsvorming aan de hand van een geobjectiveerd criterium. Als niet hard gemaakt kan worden dat aan de schuld van de verdachte in redelijkheid niet kan worden getwijfeld, als niet beargumenteerd kan worden dat het objectief gezien verantwoord is om het bewijsoordeel op het voorliggende bewijsmateriaal te baseren, zal moeten worden vrijgesproken. Zo wordt aan het beginsel in dubio pro reo handen en voeten gegeven.” 6.11. Geldend recht is dat door mijn ambtgenoot gestelde echter - vooralsnog - niet: de wet hanteert nog immer het criterium van de rechterlijke overtuiging, ook al volgde de Hoge Raad mijn ambtgenoot door te eisen dat in de specifieke berechte zaak het bewijsoordeel nader had moeten worden gemotiveerd, omdat zich een bijzondere omstandigheid voordeed: de verdachte was op zijn eerdere verklaring teruggekomen en had daarbij een alternatieve gang van zaken geschetst die niet zonder meer gepasseerd had mogen worden door de feitenrechter. In dat verband wordt thans wel gesuggereerd dat het de voorkeur zou verdienen om in de wet duidelijk te maken dat het bij de bewijsvraag om een objectief te verantwoorden oordeel gaat en te eisen dat het bewijs ‘beyond reasonable doubt’ wordt geleverd. Of de praktijk van de feitenrechter daardoor zou veranderen lijkt mij echter twijfelachtig: geen rechter zal toch in raadkamer, wanneer het niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat het tenlastegelegde door de verdachte is begaan willen beweren dat hij tóch overtuigd is van de schuld van de verdachte en daarom een bewezenverklaring moet volgen. Voor de feitenrechter zal de ene of de andere benadering dus niet veel verschillen. 6.12. Bij de discussie over het bewijsstelsel sluit ook het ‘scenariodenken’, dat zich in de laatste decennia (ook) in de rechtszaal heeft ontwikkeld, aan. Als ik het goed zie dan is de terminologie van het ‘andere scenario’ dat strijdt met een bewezenverklaring oorspronkelijk in Meer en Vaart-achtige situaties tot ontwikkeling gekomen, dus gereserveerd voor een andere gang van zaken die wel in strijd is met een bewezenverklaring, maar niet wordt uitgesloten door de bewijsmiddelen. Gaandeweg wordt echter in vonnissen en arresten van de feitenrechters ook wel het scenario beschreven dat de verdachte ‘het niet heeft gedaan’ of ‘onschuldig’ is. Een volledig ingevulde andere gang van zaken levert dat dan vaak niet op. Bedoeld wordt meestal - denk ik - een hypothese, of eenvoudiger gezegd een veronderstelling aan te duiden. De term hypothese wekt echter weer de negatief te waarderen gedachte op dat het bij de bewijsvraag om een statistische benadering zou gaan. De suggestie, dat het bij het strafrechtelijk bewijs gaat om de meest waarschijnlijke gang van zaken moet namelijk ook worden afgewezen: het mag niet zo zijn, dat een bewezenverklaring kan volgen als het scenario zoals tenlastegelegd alleen maar waarschijnlijker of aannemelijker is dan alternatieve scenario’s. Het bewijsmateriaal waarop de rechter zijn oordeel baseert, moet zonder redelijke twijfel andere scenario’s uitsluiten, dan wel deze als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kunnen stellen. 6.13. Voor de feitenrechter zal het overstappen naar de eis dat het bewijs geleverd wordt ‘beyond reasonable doubt’ oftewel het wegnemen van redelijke twijfel in wezen niets veranderen, zo stelt ook Reijntjes. Ik sluit me daarbij aan. Voor de cassatierechter zou dat echter anders kunnen liggen. In theorie zou bij een ander bewijscriterium in een cassatiemiddel geklaagd kunnen worden dat wél redelijke twijfel is overgebleven en het bewijs niet ‘beyond reasonable doubt’ is geleverd. De selectie- en waarderingsvrijheid die aan de rechter die over de feiten oordeelt is - en naar aangenomen mag worden: blijft - voorbehouden, maakt echter dat een zo geformuleerd middel mij ook bij een gewijzigd bewijscriterium in het algemeen niet veel kans van slagen lijkt te hebben. Net als nu zal meen ik de toetsing in cassatie ook dan vooral inhoud krijgen via de band van art. 359 lid 2 Sv, de verplichting voor de feitenrechter om in te gaan op een uitdrukkelijk ingenomen onderbouwd standpunt met betrekking tot het bewijs. 6.14. Echter, en nu komt de onderhavige zaak (iets meer) in beeld, de benadering via de ‘reasonable doubt’ oftewel redelijke twijfel sluit naar ik meen systematisch gezien goed aan bij de invulling van de herziening ten voordele als rechtsmiddel. De belangrijkste reden om tot herziening over te gaan - het novum - is immers een (nieuw) gegeven waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dat gegeven bij de eerdere berechting bekend zou zijn geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak (of een van de andere in art. 457 lid 1 onder c genoemde einduitspraken). Dat novumbegrip laat zich eerder begrijpen als een omstandigheid die maakt dat er ernstige twijfel is ontstaan aan de juistheid van het bewijsoordeel dan dat daarmee iets wordt veranderd aan de overtuiging van de rechter. Die overtuiging is immers niet kenbaar en laat zich als zodanig ook niet goed - met terugwerkende kracht - beïnvloeden door het nieuwe gegeven. Waar het bij de herziening dus op aankomt is een weging van het nieuwe gegeven in het licht van de bestaande, objectief te nemen bewijsconstructie. Behalve de nieuwheid van het gegeven speelt daarbij ook een rol hoe ‘sterk’ die bewijsconstructie is, dus in hoeverre deze bestand is tegen de kracht van het nieuwe gegeven. Is eenmaal wel een novum aangenomen, en wordt de zaak verwezen naar een hof om (opnieuw) af te doen, dan ligt het systematisch gezien voor de hand dat daarbij een belangrijke rol toekomt aan de beoordeling door de feitenrechter van de gegevens die het novum vormden, en die dus eerder, bij de Hoge Raad, aanleiding gaven tot aanname van een ‘reasonable doubt’ met betrekking tot de juistheid van de bewijsconstructie. 6.15. Deze lijn van denken maakt dat ik wel wil pleiten voor een intensieve toetsing in cassatie, als na een eerdere verwijzing na herziening de zaak wederom, in het kader van een dan ineens weer ‘regulier’ cassatieberoep terugkomt bij de Hoge Raad. In ieder geval voor niet-juristen is moeilijk te begrijpen waarom de Hoge Raad, die eerder een bepaald gegeven als novum aanmerkte, nadien nauwelijks nog in de afwikkeling van dat gegeven geïnteresseerd lijkt te zijn omdat hij als cassatierechter zich terugtrekt vanwege zijn bestaande rolopvatting. Hoe dan ook is het lastig, omdat van de zaak zelf inmiddels zoveel meer bekend is. Het rechtstreeks aanknopen bij de benadering van de ‘reasonable doubt’ is cassatietechnisch misschien niet voor de hand liggend. Maar, als het gaat om de ‘bijzondere omstandigheden van het geval,’ die in bijvoorbeeld HR 22 april 2014, NJ 2015, 60 werden aangemerkt als aanleiding gevende tot een verzwaarde motiveringsplicht ten aanzien van het bewijs, dan is het feit dat de zaak eerder in herziening is beoordeeld er naar ik meen zeker ook een. 6.16. Ik zou dit alles niet zo hebben opgeschreven als ik in deze zaak niet gestuit was op een niet te verwaarlozen mate van twijfel aan het bewijs. Beter gezegd: die twijfel was er al, als gevolg van de herzieningsprocedure en het daarop gevolgde arrest van de Hoge Raad, waarin werd beslist dat er een ‘ernstig vermoeden’ aanwezig was dat onbestaanbaar leek met de bewezenverklaring in het eerdere arrest van het hof ’s‑Hertogenbosch. Deze onmiskenbaar ‘gerede twijfel’ aan het bewijs is vervolgens naar mijn mening niet weggenomen door de huidige beslissing van het hof Den Haag in de onderhavige zaak. In cassatie kan die twijfel slechts vertaald worden in de vraag of de motivering van de bewezenverklaring begrijpelijk is en of het hof voldoende gemotiveerd is afgeweken de door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijke standpunten met betrekking tot de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen. Dat is normaal gesproken een marginale toetsing, maar juist vanwege de gefundeerde twijfel die al aanwezig was, heb ik met het hiervóór ontwikkelde algemene kader voor ogen gemeend de onderliggende vaststelling van de feiten door het hof in een iets kritischer licht te moeten plaatsen. Mijn behandeling van de in cassatie voorgedragen middelen getuigt daarvan. 7. De middelen in het algemeen 7.1. De ingediende cassatiemiddelen hebben voor het merendeel direct of indirect betrekking op de bewijsvoering en op het in dat verband door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de ingetrokken (bekennende) verklaringen niet betrouwbaar zijn, ook in het licht van het (ontbreken van het) overige bewijsmateriaal. In cassatie ligt vooral de vraag voor of het hof in voldoende mate de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot afwijking van dat standpunt en of het zodoende op begrijpelijke (en overtuigende) wijze heeft uitgelegd dat in redelijkheid niet aan de juistheid van de bewijsbeslissing kan worden getwijfeld. In zoverre zou er reden kunnen zijn om de middelen - voor het grootste deel - gezamenlijk te behandelen. Ik heb echter vanwege de omvang van de schriftuur gemeend de door de raadsman gehanteerde onderverdeling in middelen (met deels subklachten) te volgen. Voor een goed begrip van de zaak blijft het echter aangewezen het zojuist aangegeven onderlinge verband van de diverse aangevoerde klachten in het oog te houden. Voorts waarschuw ik er vast voor dat bij de meeste middelen allerhande (sub)klachten worden opgevoerd waarvan het verband met het middel niet direct in het oog springt of die (evident) misplaatst zijn. Deze klachten bespreek ik ook, eveneens als de middelen die naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden. 8. De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen Ten laste van de verdachte [Jane H.] is door de rechtbank Breda bewezen verklaard: “dat [Jane H.] : [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda, opzettelijk [mw. M.] ( [mw. M.] ) van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] opzettelijk - die [mw. M.] ( [mw. M.] ) gewurgd en - tegen het lichaam geschopt/gestompt/geslagen en - met voorwerpen geslagen tengevolge waarvan voornoemde [mw. M.] ( [mw. M.] ) is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten: A. wederrechtelijke vrijheidsberoving (art 282 Sr) daarin bestaande dat: [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda, opzettelijk [mw. M.] ( [mw. M.] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] , - die [mw. M.] ( [mw. M.] ) gedwongen in een auto plaats te nemen en - haar gedwongen in die auto te blijven en - haar in die auto vervoerd naar restaurant “ [de P.] ” en - haar aldaar gedwongen middels geweld en dreiging met geweld daar te verblijven, en B. diefstal in vereniging (art. 310,311,312), daarin bestaande dat: [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft/hebben weggenomen - een hoeveelheid geld (afkomstig uit de gokautomaat van restaurant “ [de P.] ”) toebehorende aan anderen dan aan [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] en waarbij [Appie T.] en/of [Ahmed L.] en/of [Anil B.] de weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht d.m.v. braak van de gokkast en welke diefstal van geld werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [mw. M.] ( [mw. M.] ), gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat die [mw. M.] ( [mw. M.] ), onder bedreiging van een schietwapen, werd gedwongen de sleutels van het restaurant “ [de P.] af te staan, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers straffeloosheid te verzekeren; bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door: - die [mw. M.] ( [mw. M.] ) middels een voorwendsel te bewegen het huis waarin zij zich bevond te verlaten en - haar te brengen in de richting van een auto met de daders.” 8.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door het gerechtshof Den Haag gebezigde bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van bevindingen in verband met het aantreffen van het slachtoffer [mw. M.] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 22-23 van dossier 1, sub 3, van ordner 1 politie- pvb “ [de P.] ”): Op zondag 4 juli 1993 te 10.58 uur kregen wij de opdracht te gaan naar de [b-straat 1] , restaurant [de P.] , alwaar sprake zou zijn van een gepleegde inbraak. Tevens zou er mogelijk een dode vrouw in het pand liggen. Op 4 juli 1993 te 11.00 uur kwamen wij ter plaatse op de [b-straat 1] te Breda. Wij zijn restaurant [de P.] binnengegaan. In de hal naar de keuken zagen wij dat een gokkast opengebroken was. We zagen dat er scherven op de grond lagen. Vervolgens zijn wij naar het kookgedeelte gelopen. Wij zagen dat op de vloer ruggelings een vrouw lag, die kennelijk was overleden. 2. Een proces-verbaal van bevindingen betreffende het verhoor van [C.L. M.] en [C.K. L.] ivm de confrontatie met het slachtoffer [mw. M.] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van een opsporingsambtenaar (pag. 36 van dossier 2, sub 5, van ordner 1 politie- pvb “ [de P.] ”): Op 4 juli 1993 zijn in het Chinese restaurant [de P.] aan de [b-straat 1] te Breda twee personen geconfronteerd met het in dat restaurant aangetroffen stoffelijk overschot. Deze personen betroffen: 1. [C.K. L.] , zijnde de kok van restaurant [de P.] voornoemd en aldaar werkzaam; 2. [C.L. M.] , zijnde de echtgenoot van het slachtoffer. Nadat beide personen met het stoffelijk overschot van de vrouw waren geconfronteerd, verklaarden zij ieder dat zij daarin de in leven genaamd zijnde vrouw [mw. M.] , geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] , herkenden. 3. Een geschrift, zijnde een kopie van een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door J.W.M.M. de Veth, lijkschouwer van de gemeente Breda, d.d. 4 juli 1993. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (pag. 32 van dossier 2, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”): Ondergetekende verklaart het lijk van [mw. M.] , geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] , overleden op 4 juli 1993, persoonlijk te hebben geschouwd en er niet van overtuigd te zijn, dat de dood door een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Bij de lijkschouw ter plaatse om 12.15 uur waren mijn bevindingen: - verwondingen aan het hoofd; - brilhematoom; - bloedverlies uit neus, mond en [het hof leest in, mede gelet op het proces-verbaal van technisch onderzoek naar aanleiding van het op 4 juli 1993 in perceel [b-straat 1] te Breda aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw, van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, d.d. 7 juli 1993, pag. 51 van dossier 3, sub 1, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”:] linkeroor; - met de hand voelbare daling van de lichaamstemperatuur; - beginnende lijkstijfheid aan de armen. Tijdstip van overlijden: korter dan 8 uur tevoren en langer dan 4 uur tevoren. Bij de uitwendige lijkschouw die om 16.45 uur plaatsvond in het mortuarium waren mijn bevindingen: - lijkvlekken; - gezwollen rood gelaat; - puntvormige bloedinkjes in de hals/nek, in het gelaat en aan de binnenzijde van de oogleden, ten gevolge van verstikking; - in de hals een horizontale streepvormige afdruk van een (mogelijk stomp) voorwerp, mogelijk passend bij een voorwerp gebruikt voor verwurging; - op het achterhoofd een kale plek ter grootte van een gulden, aan de rand een puntvormige verwonding welke gebloed heeft. Ter plaatse hiervan maar dan onder de behaarde hoofdhuid een impressie in de schedel ter grootte van een gulden; - op diverse plaatsen blauwe plekken. 4. Een proces-verbaal van bevindingen van de sectie op het slachtoffer [mw. M.] en het vrijgeven van het stoffelijk overschot, van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 35 van dossier 2, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”): Op 5 juli 1993 is het stoffelijk overschot van [mw. M.] ter sectie overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Op 5 juli 1993 werd door de patholoog anatoom dr. Voortman een aanvang genomen met de sectie op het stoffelijk overschot van [mw. M.] . Door dr. Voortman werd de navolgende voorlopige conclusie gegeven van zijn bevindingen: “De sectiebevindingen wijzen op verstikking als doodsoorzaak, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch, hevig samendrukkend geweld op de hals (passend bij wurging of wurggreep). Daarbij had uitwendig mechanisch botsend en samendrukkend geweld op hoofd, borstkas en bovenste deel buik ingewerkt, waardoor onder meer beiderzijds verscheidene ribbreuken waren veroorzaakt. Door overstrekking van de halswervelkolom (bijvoorbeeld doordat het hoofd heftig naar achteren slaat) was beschadiging van de halswervelkolom aan de voorzijde ontstaan”. 5. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [C.S. M.] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven als de op 4 juli 1993 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [C.S. M.] (pag. 121-123 van dossier 5, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”): Ik ben restauranthouder van het Chinees restaurant “ [de P.] ”, gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda. Mijn moeder is genaamd [mw. M.] . 6. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [C.K. L.] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 4 juli 1993 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [C.K. L.] (pag. 182-185 van dossier 6, sub 1, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”): Ik werk in restaurant “ [de P.] ” gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda. Vandaag, 4 juli 1993, ben ik naar het restaurant gereden. Ik ben toen naar de ingang van het restaurant gelopen. De deur was niet op slot. Ik ben naar binnen gegaan. Toen ik binnen was, liep ik direct richting de keuken. Op mijn weg naar de keuken zag ik dat er iets met de gokautomaat was. Ik zag dat voor de automaat een bakje op de grond lag. Dit was een bakje, afkomstig uit die automaat, waar het geld altijd in zit. Ik liep door naar de keuken en ging die binnen. Toen ik verder de keuken inkeek, zag ik dat er iemand op de grond lag. Ik zag direct dat het [mw. M.] , de moeder van de eigenaar van het restaurant, [het hof begrijpt: [mw. M.] , echtgenote van [C.L. M.] ] was. 7. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige P.C. van Boxtel, van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 7 juli 1993 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [betrokkene 3] (pag. 299-300 van dossier 8, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “ [de P.] ”): Ik ben werkzaam als exploitatiemanager bij de firma [A] te ‘s-Hertogenbosch. Ik kom bij restaurant [de P.] sinds oktober 1990. Ik bezoek de zaak om de veertien dagen. Toen ik daar voor het laatst op 26 juni 1993 was geweest, was de speelautomaat in orde. Er was geen braakschade. De door u bedoelde speelautomaat staat bij [de P.] drie maanden in de zaak. Ik ben de enige die bij hem de geldladen leeghaalde. De gemiddelde opbrengst per veertien dagen is ongeveer tussen de fl. 750,— en fl. 1.100,—. 8. Een proces-verbaal van bevindingen van technisch onderzoek naar aanleiding van het op 4 juli 1993 in perceel [b-straat 1] te Breda aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw, van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 040793 1200 9104. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 41-93 van dossier 3, sub 1, van ordner 1 politie- pvb “ [de P.] ”): Op 4 juli 1993 werd door ons een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw in het Chinees restaurant “ [de P.] ” gevestigd in perceel [b-straat 1] te Breda. Door ons, opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werd een onderzoek ingesteld in de ruimte bestemd voor klanten van afhaalmaaltijden. Daar bevond zich een speelautomaat. De onderste klep aan de voorzijde van de kast bleek opengewrikt te zijn. Deze klep lag voorover op de vloer. De drie geldbakken die onderin de kast hadden gestaan, werden links naast de kast op de vloer aangetroffen. Deze bakken bleken leeg te zijn. 9. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 4e verhoor verdachte [Jenny L.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 3 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven als de op 3 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jenny L.] [het hof leest als roepnaam: [Jenny L.] ] (pag. 669-674 van dossier 19, sub 10, van ordner 3 politie-pvb “ [de P.] ”): Een à twee weken voor de dag van de overval op het Chinees restaurant “ [de P.] ” in de [b-straat 1] te Breda, bevond ik mij op de kamer van [getuige 4] [het hof leest: [getuige 4] ] aan de [c-straat 1] te Breda. De volgende personen waren daar toen ook: [Appie T.] , [Ahmed L.] , [Anil B.] , [Jane H.] en [Carien N.] [het hof leest: [Carien N.] ]. We hebben toen gezamenlijk wat gekletst. Tijdens een van die gesprekken werd toen een voorstel gedaan over een overval op het Chinees restaurant “ [de P.] ”. Het werd door iedereen serieus opgepakt. We waren er allemaal van overtuigd dat er voldoende te halen was bij dit restaurant. Tijdens het gesprek is er uiteindelijk een plan ontstaan. Dit plan is in de daaropvolgende dagen uitgewerkt. De volgende personen zijn serieus met de voorbereiding verdergegaan: Ikzelf, [Jane H.] , [Carien N.] , [Appie T.] , [Anil B.] en [Ahmed L.] . Als ik spreek over ‘de jongens’ dan bedoel ik daarmee [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] voornoemd. De jongens zouden het uiteindelijke plan bedenken en het vervoer regelen. In de weken voorafgaand aan de overval hebben wij veelvuldig over het plan gesproken. Het uiteindelijke plan was als volgt. De buit moest bestaan uit waardevolle spullen en geld. De jongens moesten naar binnen in het pand. Iemand moest ervoor zorgen dat er een werknemer van het restaurant bij het pand zou komen om het alarm uit te schakelen. De jongens zouden dan naar binnen gaan. Het pand zou dan doorzocht worden op de aanwezigheid van kostbare goederen en geld. Daarna zouden we terugkeren naar de [c-straat 1] te Breda. De gestolen spullen zouden vervolgens verkocht worden. De opbrengst zou dan verdeeld worden onder ons allen. Begin juli 1993 is het tot een uiteindelijke uitvoering gekomen. ‘s-Nachts hebben [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] een Chinees vrouwtje mee naar binnen genomen in het restaurant “ [de P.] ”. Ik ben toen op de uitkijk blijven staan. Na ongeveer een half uur kwamen [Ahmed L.] , [Anil B.] en [Appie T.] naar buiten gerend. Ze waren zichtbaar opgewonden. Met een bloedgang zijn ze in de auto gestapt. Ik ben ook in deze auto gestapt. Toen zijn we met hoge snelheid weggereden. 10. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 5e verhoor verdachte [Jenny L.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 4 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jenny L.] (pag. 675-678 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “ [de P.] ”): Bij de voorbereidingen op de overval op het Chinees restaurant “ [de P.] ” te Breda waren ikzelf, [Jane H.] , [Carien N.] [het hof leest: [Carien N.] ], [Ahmed L.] , [Appie T.] en [Anil B.] betrokken. We hebben diverse keren met elkaar gesproken over het uiteindelijke plan voor de overval. Er zijn toen wat afspraken gemaakt. De jongens, ik bedoel hiermee [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] , hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Omdat we ervan uitgingen dat het restaurant voorzien was van een alarminstallatie, werd gezocht naar een mogelijkheid om het restaurant binnen te komen. Hiervoor werd de volgende oplossing gevonden. Ergens in de omgeving van het restaurant zou een Chinees vrouwtje wonen. Dit vrouwtje had de sleutels van het restaurant. Het was een oudere vrouw en we hadden dus weinig weerstand van haar te verwachten. De vrouw zou goedschiks dan wel kwaadschiks mee naar het restaurant worden genomen. [Anil B.] , [Appie T.] en [Ahmed L.] zouden met de auto in de buurt blijven. Indien de vrouw zou tegenstribbelen, kon ze met de auto worden afgevoerd. Uiteindelijk hebben de jongens besloten de overval te plegen in de nacht van zaterdag 3 juli op zondag 4 juli 1993. We hebben toen om twee uur ‘s-morgens bij restaurant “ [de P.] ” afgesproken. Omstreeks dit tijdstip ben ik met [Appie T.] , [Ahmed L.] en [Anil B.] in een auto gestapt. Vervolgens zijn we met zijn vieren naar de [b-straat 1] gereden. Aangekomen op de [b-straat 1] heeft [Ahmed L.] de auto geparkeerd op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant “ [de P.] ”. We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op [Jane H.] en [Carien N.] . Zij kwamen namelijk op eigen gelegenheid naar “ [de P.] ”. Tegen vier uur kwamen [Jane H.] en [Carien N.] aangereden. Ik ben vervolgens met [Jane H.] en [Carien N.] de Chinese vrouw gaan halen. We zijn te voet naar de vrouw gelopen. Vanaf het restaurant “ [de P.] ” zijn we naar de woning gelopen. Aangekomen bij het huis heeft [Carien N.] aangebeld. Ik stond op een afstand van ongeveer twee à drié meter van deze deur. [Jane H.] stond naast [Carien N.] . Na korte tijd ging het licht in de gang aan. Het Chinese vrouwtje opende vervolgens de voordeur. Het vrouwtje was gekleed in nachtkleding. Het vrouwtje werd met enige drang mee naar buiten genomen. Vervolgens zijn we in de richting van het restaurant “ [de P.] ” gelopen. [Carien N.] en [Jane H.] hielden de vrouw bij haar armen vast. De vrouw begon zich daartegen te verzetten. Een van de jongens heeft de vrouw toen met geweld achter in de auto geduwd. Vervolgens zijn [Ahmed L.] , [Appie T.] en [Anil B.] met de auto in de richting van de vrouw gereden. De vrouw werd toen met geweld achterin de auto geduwd. Inmiddels stond de auto met het vrouwtje voor de ingang van het restaurant. Vervolgens zag ik dat [Ahmed L.] het vrouwtje bedreigde met een vuurwapen. Ook de andere jongens hebben haar bedreigd. Ze werd toen gedwongen naar de deur van het restaurant te lopen. Het vrouwtje werkte echter niet mee. Ze werd toen door [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] diverse keren opzettelijk met kracht geslagen. Door het gebruikte geweld kwam de vrouw ten val. Toen de vrouw op de grond lag, werd zij hard getrapt door [Anil B.] . Vervolgens hebben de jongens de vrouw omhooggetrokken. Korte tijd later werd de deur geopend. Vervolgens hebben [Ahmed L.] , [Anil B.] en [Appie T.] de vrouw mee naar binnen genomen. Ik ben op de uitkijk gaan staan. 11. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 6e verhoor verdachte [Jenny L.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - : als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “ [de P.] ”): Door ons werden aan verdachte de volgende foto’s getoond: - nr. 94 BRDA 03 102, [Anil B.] , [geboortedatum] /1975; - nr. 92GP BRDA 10 227, [Ahmed L.] , [geboortedatum] /1975; - nr. 92GP BRDA 11 316, [Appie T.] , [geboortedatum] /1974 als de op 5 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jenny L.] (pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “ [de P.] ”): U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 03 102. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Anil B.] . U toont mij een foto voorzien van nummer 92GP BRDA 10 227. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Ahmed L.] . U toont mij een foto voorzien van nummer 92GP BRDA 11 316. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Appie T.] , bijgenaamd [Appie T.] . 12. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 13e verhoor verdachte [Jane H.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 28 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jane H.] (pag. 439-445 van dossier 13, sub 24, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”): Een tot twee weken voor 3 juli 1993 was ik bij [getuige 4] aan de [c-straat 1] te Breda op visite. Die avond vond een gesprek plaats tussen [Ahmed L.] , [Appie T.] en [Anil B.] . Uit dit gesprek bleek dat men van plan was om in te breken aan de [b-straat 1] te Breda. Er werden afspraken gemaakt over wat er allemaal gedaan moest worden. [Jenny L.] moest bij deze inbraak op de uitkijk staan. Met betrekking tot de nacht van 3 op 4 juli 1993 kan ik het volgende verklaren. Omstreeks 04.30 uur kwam ik met [Carien N.] de [b-straat 1] in gereden. Ik zag dat voor restaurant “ [de P.] ” een auto stond. Ik zag dat bij deze auto stonden de mij bekende [Ahmed L.] en [Anil B.] . Op het moment dat [Carien N.] en ik de auto passeerden, zag ik dat [Jenny L.] in deze auto zat. Ook zag ik dat [Appie T.] in de auto zat. Hierna zijn [Carien N.] , [Jenny L.] en ik naar de straat tegenover de [b-straat 1] gelopen. Wij zijn naar een woning gelopen. Er werd bij deze woning aangebeld. Ik zag dat een Chinese vrouw opendeed. Dit was dezelfde vrouw als die ik wel eens bij restaurant “ [de P.] ” had gezien. [Carien N.] en ik hebben tegen de vrouw gezegd dat ze mee moest komen naar het restaurant. [Jenny L.] heeft vervolgens de vrouw vastgepakt en trok deze vrouw mee in de richting van de Marialaan. Een stukje verder, in dezelfde straat, zag ik de auto staan. Ik zag dat [Anil B.] , [Appie T.] en [Ahmed L.] in de auto zaten. [Carien N.] , [Jenny L.] en ik zijn vervolgens te voet naar de [b-straat 1] gelopen. Ik zag de auto wegrijden naar de [b-straat 1] . Toen wij vlakbij het restaurant waren, zag ik dat de vrouw uit de auto was. Ik zag dat [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] ook uitgestapt waren. Ik zag dat zij geschopt en geslagen werd door [Appie T.] en [Anil B.] . 13. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 10e verhoor verdachte [Jane H.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 22 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 22 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jane H.] (pag. 429-432 van dossier 13, sub 21, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”): Ik zag dat [Appie T.] karatetrappen maakte in de richting van de Chinese vrouw. Ik zag dat [Appie T.] hierbij de vrouw over het gehele lichaam raakte. Ik zag dat [Anil B.] met tot vuisten gebalde handen de Chinese vrouw in haar maag stompte. Ook sloeg hij haar op haar bovenlichaam. Plotseling zag ik dat [Ahmed L.] onder zijn kleding vandaan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen tegen de slaap van de Chinese vrouw drukte. [Ahmed L.] zei tegen de Chinese vrouw dat zij mee moest werken. Ook vroeg [Ahmed L.] aan de Chinese vrouw om de sleutels af te geven. Ik zag op een gegeven moment dat [Appie T.] een sleutelbos in zijn handen hield, waarmee hij naar de toegangsdeur van het afhaalgedeelte van het Chinese restaurant liep. 14. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 15e verhoor verdachte [Jane H.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 6 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jane H.] (pag. 449-450 van dossier 13, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”): Ten tijde van het gebeurde in de nacht van 3 op 4 juli 1993 heb ik niets gezien of gehoord van een buit. Later hoorde ik dat ze geld hadden buit gemaakt. 15. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 16e verhoor verdachte [Jane H.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als relaas van opsporingsambtenaren (pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”) : Door ons werden aan verdachte de volgende foto’s getoond: - nr. 92GP BRDA 10227, [Ahmed L.] , [geboortedatum] /1975; - nr. 92GP BRDA 11316, [Appie T.] , [geboortedatum] /1974; - nr. 94 BRDA 03 102, [Anil B.] , [geboortedatum] /1975; - nr. 94 BRDA 04 151, [Carien N.] , [geboortedatum] /1973; - nr. PL1500 94 0274, [Jenny L.] , [geboortedatum] /1975 als de op 6 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Jane H.] (pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”): U toont mij een foto voorzien van nummer 92 GP BRDA 10 227. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Ahmed L.] . U toont mij een foto voorzien van nummer 92 GP BRDA 11 316. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Appie T.] , bijgenaamd [Appie T.] . U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 03 102. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Anil B.] . U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 04 151. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Carien N.] . U toont mij een foto voorzien van nummer PL1500 94 0274. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [Jenny L.] . 16. Een proces-verbaal van verhoor inhoudende het 14e verhoor verdachte [Carien N.] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -: als de op 28 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [Carien N.] [het hof leest als roepnaam: [Carien N.] ] (pag. 573-576 van dossier 15, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “ [de P.] ”): Toen [Appie T.] , [Anil B.] en [Ahmed L.] het restaurant “ [de P.] ” binnengingen, duwden zij die vrouw met geweld voor zich uit naar binnen. [Jane H.] en ik zijn ook naar binnengegaan. Ik liep door de keukendeur de keuken binnen. Op dat moment zag ik dat de Chinese vrouw op haar rug op de keukenvloer lag. Ik zag dat het gezicht van de vrouw onder het bloed zat. Ik zag dat [Appie T.] , [Anil B.] en [Ahmed L.] hysterisch op haar stonden in te trappen. Ik hoorde en zag dat de vrouw luide pijnkreten uitte en dat zij trachtte zich te verweren tegen het slaan en schoppen van de drie jongens. Ik zag dat, ondanks het feit dat de vrouw zich telkens probeerde op te richten, zij telkens weer tegen de vloer werd geschopt. De drie jongens sloegen de vrouw met kookgerei zoals pannen en potten. Ook sloegen ze haar met gebalde vuisten op het hoofd en bovenlichaam. Ik zag dat één van de drie jongens de Chinese vrouw, die nog steeds op haar rug lag te spartelen, met beide handen beetpakte, waarbij hij zijn handen onder het hoofd rond de hals sloot. Ik zag dat hij zijn handen iets dicht kneep en dat hij de vrouw vanaf de vloer omhoogtrok, tot het eind van de tafel. Terwijl de vrouw door die jongen werd meegesleurd, zag ik dat de twee andere jongens haar constant bleven schoppen. Ik zag dat zij met kracht met gestrekte benen de vrouw in haar zij trapten, waarbij zij het lichaam raakten met hun schoenzolen. Ik hoorde op een gegeven moment dat de vrouw een rochelend geluid maakte. Ik zag dat de eerste jongen hierop, terwijl hij inmiddels met de vrouw aan het einde van de tafel was gekomen, zijn handen rond haar hals weghaalde. Ik zag dat de vrouw geknield op de keukenvloer zat. Hierna zag ik dat die jongen de vrouw met zichtbaar veel kracht, met één van zijn geschoeide voeten, hard in de rug trapte, waarbij hij het lichaam aan de achterzijde met zijn schoenzool raakte. Ik zag dat de vrouw als gevolg van de trap in haar rug, met kracht tegen de keukenvloer smakte, waarbij zij met haar aangezicht op de vloer terechtkwam. Ik zag dat [Appie T.] , [Anil B.] en [Ahmed L.] de Chinese vrouw beetpakten en haar omdraaiden, zodat ze met de rug op de keukenvloer kwam te liggen. Ik zag dat het hoofd van de vrouw ernstig verwond was. Toch gingen de drie genoemde jongens verder met het mishandelen van de Chinese vrouw. Ik zag dat zij haar bleven schoppen en slaan. Ik hoorde dat een van de jongens zei: “Ze moet dood, want ze heeft ons gezien”. Ik zag vervolgens dat een jongen een wadjang-pan met beide handen hoog boven zijn hoofd hief en vervolgens met een krachtige zwaaibeweging de pan neerwaarts liet gaan. Ik zag en hoorde dat de pan de vrouw met kracht op het hoofd raakte. Ik zag dat de vrouw na de laatste klap totaal bewegingloos op de vloer bleef liggen. Al die tijd is [Jane H.] in de keuken blijven staan. 17. De ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 mei 1995 in de zaken van de verdachten [Appie T.] , [Ahmed L.] , [Anil B.] en [Jenny L.] afgelegde verklaring van de getuige [Carien N.] , voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: Ik heb van het plan om bij het Chinees restaurant “ [de P.] ” te Breda in te breken gehoord. Op 4 juli 1993 was ik uitgeweest met [Jane H.] . [Jane H.] en ik zijn omstreeks 04.15 of 04.30 uur, het begon buiten te dagen, naar de [b-straat 1] gegaan. Op de [b-straat 1] troffen wij toen [Ahmed L.] , [Anil B.] en [Appie T.] . Ik kende de jongens toen al. Een van de jongens vroeg toen het adres van de eigenaar van het restaurant “ [de P.] ”. Ik heb toen gezegd dat ik de eigenaar wist te wonen. Toen werd aan mij gevraagd naar dit adres te gaan. Wij werden achtervolgd door een auto, waarin [Ahmed L.] , [Anil B.] en [Appie T.] zaten. Zij zijn met de auto op de hoek van de straat blijven staan. Wij zijn naar het huis van de eigenaar gegaan. Toen wij daar aankwamen, begon het al een beetje licht te worden. [mw. M.] deed toen open. Zij had nachtkleding aan, volgens mij een pyjama. Zij is toen met ons meegegaan. Zij is tussen ons in meegelopen. Op een gegeven moment werd [mw. M.] in de auto getrokken door een van de jongens. In de auto zijn toen voorts [Appie T.] , [Ahmed L.] en [Anil B.] gestapt. Wij zijn teruggegaan naar het restaurant. Toen wij daar aankwamen, kwam de auto ook aanrijden. Het portier werd opengemaakt en [mw. M.] werd eruit getrokken. Zij werd toen geslagen. De drie jongens hebben [mw. M.] toen mee naar binnen genomen. Ik ben toen ook naar binnen gegaan, doch niet gelijk met hen. Ik hoorde toen van alles. In de keuken speelde zich toen niet veel goeds af. Ik hoorde het gegil van een vrouw en het lawaai van vallende pannen en zo. Ik ben toen in de keuken geweest. In de keuken waren de drie jongens, [Jane H.] en [mw. M.] . Ik heb [mw. M.] toen op de grond zien liggen. De drie jongens sloegen en schopten [mw. M.] , terwijl zij op de grond lag. Zij gilde toen. [Jane H.] stond toen aan de andere kant van de keuken. Tussendoor heeft een van de jongens [mw. M.] nog bij haar keel gepakt en haar op die manier omhooggetild. Hij had [mw. M.] toen in een wurggreep. [mw. M.] verzette zich en spartelde tegen. Toen de jongen [mw. M.] losliet, probeerde ze weg te kruipen. Terwijl ze op haar knieën zat, met haar rug naar de jongens toe, heeft een van hen haar een forse trap in haar rug gegeven, waardoor ze met haar gezicht op de grond viel. Terwijl ze daar lag heeft [Ahmed L.] met de pan, een soort wok, op haar achterhoofd geslagen. Daarna bewoog [mw. M.] niet meer. Er heeft tijdens het slaan en schoppen nog iemand gezegd: “Moet dat nou?”.” 9. Het onderzoek na verwijzing Het hof heeft in de procedure in herziening (op verzoek van de verdediging) nader onderzoek laten verrichten. Dat onderzoek bestaat grotendeels uit verhoren van een groot aantal getuigen die door de raadsheer-commissaris zijn afgenomen. Inzake de persoon van de getuige [getuige 1] is een Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. B.E.A. van der Hoorn. Voorts heeft de raadsheer-commissaris Inzake de door de vrouwelijke verdachten afgelegde verklaringen de deskundige dr. R. Horselenberg benoemd en verzocht een rapport op te maken. Dr. E. Geraerts heeft op verzoek diepte-interviews afgenomen bij de vrouwelijke verdachten en aanvullende vragen beantwoord. Prof. dr. E. Rassin heeft verschillende tests afgenomen bij [Jane H.] , [Carien N.] en [Jenny L.] . Geraerts en Rassin hebben met betrekking tot [Jane H.] naar aanleiding van de tests en het interview een deskundigenrapport opgesteld. Op verzoek van het openbaar ministerie heeft dr. F.J.M. Alkemade een rapport opgemaakt waarin een Bayesiaanse analyse van de onderliggende zaak is gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft het hof op verzoek van de verdediging de deskundigen prof.dr.mr. H. Prakken, ing. R. Ten Hove en drs. F. van de Goot benoemd. De door de deskundigen opgestelde rapporten zoals genoemd in het arrest maken deel uit van het dossier. De verdachten [Jane H.] , [Appie T.] en [Ahmed L.] zijn ter terechtzitting van het hof Den Haag vertegenwoordigd door mr. Knoops en mr. Vogelvang. Mr. Loevendie heeft de verdachten [Carien N.] , [Jenny L.] en [Anil B.] verdedigd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen van 17 en 18 september 2015, hebben beide raadslieden gepleit in alle zaken. Tenzij anders vermeld, zal hieronder met ‘pleitnota’ steeds de pleitnota van mr. Knoops met betrekking tot de onderhavige zaak bedoeld worden. 10Het eerste middel 10.1. Het middel klaagt in de kern dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een ter terechtzitting gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde onverenigbaar is met de inhoud van de verklaringen van de twee zogenaamde ‘bushokje-getuigen’ en de getuigenverklaringen van de omwonenden van de plaats delict, als gevolg waarvan vrijspraak zou moeten volgen. 10.2. In het CEAS-onderzoek dat heeft geleid tot herziening zijn vanuit het politiedossier twee getuigenverklaringen beschikbaar gekomen die zich voordien niet in het justitiedossier bevonden. Deze getuigen hebben op 3 augustus 1993, voor zover hier van belang, als volgt (telefonisch) tegenover de politie verklaard: [getuige 1] : "In de nacht van zaterdag 3 juli op zondag 4 juli 1993, bevond ik mij bij de vader van mijn vriend [getuige 2] (...). We hebben de gehele avond in de woning van [getuige 2] vader doorgebracht en over de vakantie gesproken. Omstreeks 02:30 uur die nacht ben ik samen met [getuige 2] en de hond van zijn vader naar buiten gegaan en hebben wij daar een lange tijd in een bushokje gezeten. Het bushokje is vlak bij het genoemde Chinees restaurant " [de P.] ". We hebben daar enkele uren gezeten maar tot hoe laat in de ochtend weet ik niet. Er zijn slechts enkele auto's voorbij gekomen. Ik kan me niet herinneren of er nog fietsers of voetgangers zijn voorbij gekomen. Er is me niets bijzonders opgevallen. (...)" [getuige 2] : “Naar aanleiding van het televisie-programma “Opsporing verzocht” welke ik op maandagavond 2 augustus 1993 heb gezien, wens ik het volgende te verklaren. In de nacht van zaterdag 3 juli op 4 juli 1993, bevond ik mij samen met een vriend van mij genaamd [getuige 1] op het adres van mijn vader aan de [f-straat 1] te Breda. We hebben de gehele avond binnen doorgebracht in gezelschap van mijn vader. Omstreeks 02:30 uur zijn we naar buiten gegaan met medenemen van onze hond om een luchtje te scheppen. We namen plaats in het bushokje gelegen aan de Marialaan welk ligt ter hoogte van de [b-straat 1] . We hadden ter plaatse zicht op de kruising van de Marialaan met de [b-straat 1] . We hebben daar gezeten tot ongeveer 04:30 uur. We zijn in die tijd niet uit het hokje geweest. Tijdens ons verblijf aldaar is er slechts een enkele maal een auto door de Marialaan gekomen waarvan ik me geen merk of kleur kan herinneren. Ik heb geen fietsers of wandelaars gezien. Er is me niets bijzonders opgevallen." 10.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 2012 deze verklaringen van de zogenaamde ‘bushokje-getuigen’ aangemerkt als een novum ‘dat niet bestaanbaar schijnt te zijn’ met de tot bewijs gebezigde verklaringen van de vrouwelijke verdachten, op grond waarvan is vastgesteld dat de ten laste gelegde gebeurtenissen zich hebben voorgedaan. De Hoge Raad overwoog onder 5.9: “De hiervoor onder 5.4 weergegeven verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] stellen de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] , [Jane H.] en [Carien N.] in een ander licht. Immers, zouden [getuige 1] en [getuige 2] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 tussen ongeveer 02.30 uur en 04.30 uur vanuit het bushokje waarin zij zich bevonden, inderdaad — zoals hiervoor onder 5.5 is vermeld — zicht hebben gehad op hetgeen in de onmiddellijke omgeving van de voorzijde van restaurant de [de P.] gebeurde en in dat tijdvak niets bijzonders hebben gezien en slechts enkele auto's hebben zien voorbijrijden, dan schijnen deze door [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen niet bestaanbaar te zijn met de tot bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] , [Jane H.] en [Carien N.] . op grond waarvan — naar moet worden aangenomen — in de zaken tegen alle betrokkenen is vastgesteld dat zich de hiervoor onder 5.7.1 samengevatte feiten hebben voorgedaan. Zulks klemt temeer omdat de ten laste van [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] gewezen arresten van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch bewijsoverwegingen bevatten waaruit blijkt dat de rechter zich er rekenschap van heeft gegeven dat, ofschoon de verklaringen van [Jenny L.] op hoofdpunten overeenkomen met de verklaringen van [Jane H.] en [Carien N.] , de verklaringen van laatstgenoemden verschillen vertonen en elementen bevatten die niet waarschijnlijk zijn en/of onmogelijk lijken te zijn. Gelet op dit een en ander vormen de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die bij het onderzoek ter terechtzitting niet aan de rechter bekend waren, een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv. De vordering is in zoverre gegrond.” 10.4. Met betrekking tot de bushokje-getuigen is in de pleitnota van mr. Knoops onder meer het volgende opgenomen (geciteerd in de schriftuur op p. 7): "73. De advocaat-generaal heeft in het requisitoir gesteld dat het mogelijk is dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de vier verdachten niet hebben zien wachten voor de [de P.] omdat zij onvoldoende zicht hadden op de parkeerplaats vanuit het bushokje. Echter, het is al duidelijk gebleken dat het zicht van het bushokje op de [de P.] — en op de parkeerplaats daar vlak naast — meer dan voldoende is (zie foto's). Bovendien, ook al hadden zij niet volledig zicht op de parkeerplaats, dan hadden ze het zeker gehoord als er vier personen een paar meter verder op in de auto 2 uur lang zaten te wachten. Ze hadden ten minste de auto moeten zien toen die daar op de parkeerplaats werd geparkeerd en hadden de vier verdachten moeten horen terwijl zij met elkaar spraken. Het is zeer onaannemelijk dat vier verdachten, die van plan waren gezamenlijk een overval te plegen, niet met elkaar zouden praten als twee van de andere verdachten 2 uur later dan afgesproken verschenen 74. Het OM hinkt hierbij op twee gedachten: — Het bewijs kan worden aangenomen op grond van de verklaringen van 1994; — Enkel het deel van de verklaring van [Jenny L.] omtrent het wachten voor [de P.] is ongeloof waardig. Dus dat moet Uw hof maar weglaten, aldus de advocaat- generaal. 75. Van essentieel belang in deze zaak is echter dat alle verklaringen die destijds door de vrouwelijke verdachten werden afgelegd, niet geloofwaardig dienen te worden geacht evenals het scenario dat daaruit voortkomt. De getuigen die 's nachts in het bushokje zaten, bevestigen dat.” 10.5. Het hof heeft onder het kopje “4.3 het novum: de beoordeling door het hof” ten aanzien van het omtrent de ‘bushokje-getuigen’ gevoerde verweer als volgt overwogen (met inbegrip van de door het hof gebruikte voetnoten): “Standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van de “bushokjesgetuigen” onverenigbaar zijn met een bewezenverklaring in de onderhavige zaken en tot vrijspraak dienen te leiden. Het is volgens de verdediging onmogelijk dat de “bushokjesgetuigen” - die vrij zicht hadden op het restaurant “ [de P.] ” - niets bijzonders was opgevallen, indien, in de exacte tijdsspanne waarin zij in het bushokje zaten, het ten laste gelegde daadwerkelijk door de verdachten is gepleegd. De advocaat-generaal is van oordeel dat aan de verklaringen van de “bushokjesgetuigen” niet een zodanige betekenis kan worden gegeven dat deze in de weg staan aan een bewezenverklaring. 4.3.2 De beoordeling door het hof Het hof gaat uit van het volgende. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben zich naar aanleiding van een uitzending van Opsporing Verzocht op 2 augustus 1993 bij de politie gemeld. Zij zijn vervolgens op 3 augustus 1993 telefonisch door de politie gehoord.168 [getuige 2] heeft daarbij onder meer verklaard dat hij en [getuige 1] in de bewuste nacht om omstreeks 02:30 uur naar buiten zijn gegaan en ongeveer tot 04:30 uur in een bushokje aan de Marialaan te hebben gezeten. [getuige 1] verklaart soortgelijk, maar weet niet tot hoe laat zij daar gezeten hebben.169 Vanuit dit bushokje is vrij zicht op het restaurant [de P.] . Zij hebben tevens verklaard dat hen in die tijd niets bijzonders opgevallen. In het kader van het CEAS-onderzoek en de procedure in herziening is [getuige 2] opnieuw gehoord.170 [getuige 1] kon vanwege medische problemen niet opnieuw gehoord worden.171 [getuige 2] heeft in 2010 bij de CEAS onder meer verklaard dat het zou kunnen dat hij niet dat weekend [het hof begrijpt: het weekend van 3 en 4 juli 1993], maar het weekend erop bij zijn vader in Breda was.172 [getuige 2] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris onder meer verklaard: 'Het kan om één of twee uur in de nacht zijn geweest dat wij buiten zaten’, alsook: ‘Ik heb gezegd [tegen de politie, toevoeging hof] dat het tussen 1 en 3 uur in de nacht was’. [getuige 2] verklaart bij die gelegenheid ook dat 02.30 tot 04.30 uur later was dan zij normaal opbleven, alsook dat hij niet de sterkste herinnering meer heeft over op welk moment hij hoorde van de moord.173 [betrokkene 5] , de vader van [getuige 2] , heeft ten overstaan van de raadsheer- commissaris verklaard dat hij schat dat zijn zoon [getuige 2] en [getuige 1] buiten zijn geweest tussen 23:00 uur en 03:30 uur en dat hij denkt dat zij thuis kwamen tussen 03:30 uur en 04:00 uur. Hij is daarbij niet zeker van de datum.174 Het hof constateert op grond van het vorenstaande dat noch [getuige 2] , noch zijn vader [betrokkene 5] , tegenover de CEAS dan wel tegenover de raadsheer-commissaris een directe en concrete herinnering heeft aan de exacte datum en het exacte tijdstip waarop [getuige 2] en [getuige 1] in de zomer van 1993 in het bushokje hebben gezeten. De inhoud van deze laatste verklaringen doet naar het oordeel van het hof bovendien gerede twijfel rijzen aan de juistheid van de in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] uit 1993 genoemde data en tijdstippen. Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet met zekerheid worden vastgesteld dat zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in het bushokje verbleven. Het hof acht het bovendien op basis van de nadere verklaringen van [betrokkene 5] en [getuige 2] bepaald niet onaannemelijk dat zij op de dag dat zij in het bushokje verbleven om 04.00 uur al niet meer in het bushokje verbleven. Het ten laste gelegde feit is echter naar het oordeel van het hof na dit tijdstip begaan. Aldus kan naar het oordeel van het hof aan de voormelde verklaringen van de “bushokjesgetuigen” niet die ontlastende betekenis worden toegekend, die de verdediging daaraan toe wenst te kennen. Het hof acht deze verklaringen evenmin onverenigbaar met een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. 168 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 3 augustus 1993 (map [de P.] C). 169 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] d.d. 3 augustus 1993 (map [de P.] C). 170 Rapportage Politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, CEAS-onderzoek, interview van [getuige 2] d.d. 16 december 2010 (bijlage 53 bij CEAS-rapport). 171 Proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof d.d. 12 maart 2015. 172 Rapportage Politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, CEAS-onderzoek, interview van [getuige 2] d.d. 16 december 2010 (bijlage 53 bij CEAS-rapport). 173 Proces-verbaal van bevindingen omtrent het verhoor door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof van de getuige [getuige 2] d.d. 29 januari 2015. 174 Proces-verbaal van verhoor ten overstaan van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof van de getuige [betrokkene 5] d.d. 22 januari 2015.” 10.6. Het middel stelt naar mijn mening terecht dat deze overweging van het hof, voor zover een beroep wordt gedaan op het feit dat blijkens latere verhoren [getuige 2] noch zijn vader [betrokkene 5] ‘een directe en concrete’ herinnering heeft aan de exacte datum en het exacte tijdstip waarop [getuige 2] en [getuige 1] in het bushokje hebben gezeten niet redengevend kan zijn voor de vaststelling dat zij daar niet hebben gezeten. Het (latere) gebrek aan enige vorm van herinnering bij de genoemde getuigen - direct of indirect, concreet of niet-concreet - kan immers zonder meer verklaard worden door het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen waar het om gaat in juli 1993 en de latere verhoren; wat de CEAS-verhoren betreft een tijdsverloop van ruim 17 jaar en wat de raadsheer-commissaris verhoren bij het hof betreft bijna 22 jaar. Terugwerkende kracht kan aan het gebrek aan herinnering niet worden verleend. 10.7. De op het eerste gezicht onlogisch aandoende redenering van het hof leidt er toe eens nauwkeuriger te bezien wat het hof nu op het punt van de bushokje-getuigen wilde aantonen. Het hof overweegt dat (onder meer op grond van het gebrek aan herinnering) “niet met zekerheid [kan] worden vastgesteld dat zij [ [getuige 2] en [getuige 1] ] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in het bushokje verbleven”. Het is naar ik meen zeer de vraag of het hof hiermee wel een juist uitgangspunt hanteert. Mocht het hof inderdaad menen dat voor de beoordeling van het verweer van de verdediging nog een nadere zekerheid, in de vorm van een directe en concrete herinnering van de getuigen vereist is, dan lijkt me dat een misvatting. Naar mijn mening moest ter beoordeling van het hof staan de vraag of aannemelijk is dat de getuigen, zoals zij destijds verklaard hebben, daar inderdaad op de toen genoemde tijdstippen aanwezig waren. Dat zulks door een geconstateerd gebrek aan latere herinneringen niet kan worden vastgesteld brengt de beantwoording van de eigenlijke vraag geen stap dichterbij – maar ook niet verderaf. 10.8. Het andere punt dat het hof aanvoert kan wellicht wel licht werpen op de vraag naar de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van de beide getuigen in het bushokje. Het hof stelt dat de inhoud van de verklaringen van [getuige 2] en [betrokkene 5] “bovendien gerede twijfel [doet] rijzen aan de juistheid van de in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] uit 1993 genoemde data en tijdstippen.” 10.9. Of de later bij de CEAS en de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen van vader en zoon [getuige 2 en betrokkene 5] met terugwerkende kracht ‘gerede twijfel’ aan het waarheidsgehalte van de eerdere verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] kunnen opleveren lijkt me, gelet op het eerder genoemde tijdsverloop van 17 resp. 22 jaar na dato een bijzonder hachelijke vaststelling. Toch heeft het hof zich daaraan gewaagd. Een eerste punt dat daarbij opvalt is dat de verklaring van [getuige 1] daarbij grotendeels buiten beschouwing blijft bij het hof. Deze heeft niet in een later stadium, bij de CEAS of bij de raadsheer-commissaris, een nadere verklaring kunnen afleggen, vanwege medische problemen. Wellicht heeft het hof op dit punt (wederom) geredeneerd dat nu een bevestiging van diens verklaring is uitgebleven, niet ‘met zekerheid’ kan worden vastgesteld dat hij in de betreffende nacht op de door hem genoemde tijdstippen in het bushokje heeft verbleven. Aan de aannemelijkheid van zijn eerdere verklaring doet het feit dat hij zoveel jaren later niet is kunnen worden gehoord echter niet toe- of af. Bij vergelijking van zijn verklaring met de verkorte weergave daarvan door het hof valt bovendien op te merken dat [getuige 1] in zijn verklaring, waarnaar het hof voetnootsgewijs verwijst en die hierboven onder 10.2 is geciteerd, omtrent de tijdstippen waarop hij met [getuige 2] in het bushokje verbleef iets specifieker is dan het hof weergeeft: hij weet zoals het hof terecht aanhaalt niet precies hoe laat zij weer thuis waren, maar hij heeft wel verklaard dat zij om 02.30 uur naar buiten gingen en ‘enkele uren’ in het bushokje hebben gezeten. Grosso modo zouden zij daar dan dus tot 04.30 uur moeten hebben gezeten, maak ik daar uit op. Voorts is in de verklaring van [getuige 1] geen aanwijzing te vinden dat (ook) hij zich in de datum zou hebben vergist. 10.10. Dan hetgeen het hof aanhaalt omtrent de ‘gerede twijfel’ aan de datum waarop [getuige 2] en [getuige 1] buiten in het bushokje hebben gezeten. Veel meer dan dat de betrokkenen na zoveel jaar twijfelen aan de precieze gang van zaken destijds valt daaruit naar ik meen niet af te leiden. Voor een deel hangt de twijfel met betrekking tot de datum van het verblijf in het bushokje samen met de vraag op welk tijdstip respectievelijk [getuige 2] (de zoon) en [betrokkene 5] (zijn vader) voor het eerst van de fatale gebeurtenissen in het restaurant hadden gehoord. Dat bijvoorbeeld [getuige 2] in 2015 verklaart dat hij ‘niet de sterkste herinnering meer heeft over op welk moment hij hoorde van de moord’ maakt echter niet dat hij op 3 augustus 1993 bij het afleggen van zijn verklaring tegenover de politie over de nacht van 3 op 4 juli 1993 daarvan niet zeker kon zijn. 10.11. In dat verband valt op - in negatieve zin - dat het hof geen aandacht besteedt aan de uit het dossier blijkende feiten, waarop door de verdediging een beroep is gedaan, die juist wel een ondersteuning bieden voor de juistheid op het punt van de datum van de destijds, in 1993 door [getuige 2] afgelegde verklaring. De pleitnota van mr. Loevendie bevat met betrekking tot de bushokje-getuigen het volgende (p. 16 en 18): p. 16 “Het ceas-onderzoek heeft aangetoond dat twee belangrijke informatiebronnen niet werden genoemd in het aan de Rb voorgelegde dossier: de bushokjesverklaringen. Gebleken is dat [getuige 2] na de uitzending van Opsporing Verzocht telefonisch contact heeft opgenomen met de politie; hij vertelde dat hij in de avond van 3 juli ’93 samen met zijn vriend [getuige 1] bij zijn vader ( [betrokkene 5] ) verbleef, vader [getuige 2] verklaarde in het eerste buurtonderzoek (gehouden op de dag dat zijn [zoon] [getuige 2] tezamen een de hond had uitgelaten; hierop is direct [getuige 2] benadert, op het desbetreffende formulier staat vermeld ‘ [betrokkene 5] , zoon [getuige 2] , gebeld, heeft hond uitgelaten niets gezien’. Wie heeft gebeld is onduidelijk, vader [getuige 2] of de verbalisant? Vastgesteld kan worden dat [getuige 2] niet werd uitgenodigd voor verhoor. Hij heeft zelf begin augustus telefonisch contact opgenomen met de politie na Opsporing Verzocht; Ook van dit telefonisch contact is een formulier met door [getuige 2] aangereikte gegevens opgesteld om 21.30 uur door verbalisant [verbalisant 5] : vader woont op [f-straat 1] , 02.30 - 04.30 in bushokje bijna t.o. straat (bus 6). Met vriend [getuige 1] [g-straat 1] Vanuit woning naar bushokje gegaan, daar ongeveer 2 uur gezeten rondgelopen niets gezien (Weet de datum omdat hij dag erna van zijn vader heeft gehoord dat [mw. M.] was vermoord) ouders gescheiden- vader [f-straat 1] Breda moeder [h-straat 1] (…) p.18 De genoemde gegevens van buurtonderzoek en de gegevens van Opsporing Verzocht van [getuige 2] en [getuige 1] sluiten naadloos aan: vader vertelt over het uitlaten van de hond, zoon vertelt over het telefonisch contact van de vlgd. dag, toen zijn vader hem informeerde over de moord op [mw. M.] ; hij vertelde tevens over de duur van zijn verblijf in het bushokje en de aanwezigheid van zij vriend [getuige 1] ” 10.12. De door de raadsman mr. Loevendie genoemde gegevens met betrekking tot het buurtonderzoek bevinden zich in het dossier. Kort gezegd komt het er, zoals in die pleitnota is aangehaald, op neer dat een of enkele dagen na het misdrijf het eerste buurtonderzoek heeft plaatsgevonden. In dat kader is de vader [betrokkene 5] bezocht, waarbij deze met de agent over zijn - doorgaans in Rotterdam wonende - zoon heeft gesproken in verband met de nacht van 3 op 4 juli 1993. Naar aanleiding daarvan heeft de politie - kennelijk - contact gezocht met de zoon [getuige 2] . Op het document ‘buurtonderzoek’ met betrekking tot de nacht van 3 op 4 juli 1993 staat vermeld: ‘Zoon. [getuige 2] . Gebeld. Heeft hond uitgelaten, niets gezien.’ Uit de eerste hierboven aangehaalde verklaring van [getuige 2] blijkt voorts, dat hij, naar aanleiding van het programma Opsporing Verzocht op 2 augustus 1993, de politie heeft gebeld en op 3 augustus 1993 telefonisch is gehoord. Daarbij heeft hij een specifieke datum en tijd genoemd. Blijkens het hierboven aangehaalde verhoor van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris en de pleitnota van mr. Loevendie, bevindt zich in het dossier tevens een formulier ‘Opsporing Verzocht’, waarin staat vermeld dat [getuige 2] ‘de datum wist omdat hij de dag erna over de moord van zijn vader hoorde’. Gelet daarop en op de datering van het buurtonderzoek, valt uit het dossier af te leiden, dat de melding van [getuige 2] in 1993 wel degelijk betrekking heeft gehad op de nacht van 3 op 4 juli 1993. In het licht van het voorgaande acht ik het hierboven aangehaalde oordeel van het hof, dat de inhoud van de verklaringen van [getuige 2] en zijn vader [betrokkene 5] tegenover de CEAS en de raadsheer-commissaris ‘gerede twijfel’ doet rijzen aan de juistheid van de datum van het verblijf van [getuige 2] en [getuige 1] in het bushokje, niet begrijpelijk. 10.13. Zoals hierboven al is aangehaald heeft het hof aan het slot van zijn overweging met betrekking tot de ‘bushokje-getuigen’ nog als volgt overwogen: “Het hof acht het bovendien op basis van de nadere verklaringen van [betrokkene 5] en [getuige 2] bepaald niet onaannemelijk dat zij op de dag dat zij in het bushokje verbleven om 04.00 uur al niet meer in het bushokje verbleven. Het ten laste gelegde feit is echter naar het oordeel van het hof na dit tijdstip begaan. Aldus kan naar het oordeel van het hof aan de voormelde verklaringen van de “bushokjesgetuigen” niet die ontlastende betekenis worden toegekend, die de verdediging daaraan toe wenst te kennen. Het hof acht deze verklaringen evenmin onverenigbaar met een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.” 10.14. Over de onbegrijpelijkheid van dit deel van de redenering van het hof klaagt het middel eveneens. Die klacht lijkt mij evenzeer gegrond als de voorafgaande. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof immers de volgende feiten en omstandigheden en tijdlijn als vaststaand beschouwd: - in de nacht van 3 op 4 juli 1993 omstreeks 02.00 uur zijn [Jenny L.] , [Appie T.] , [Anil B.] en [Ahmed L.] volgens een tevoren gemaakte afspraak naar het restaurant [de P.] gereden in een auto die op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant werd geparkeerd; - de vier verdachten zijn uit de auto gestapt en hebben in de onmiddellijke omgeving van het restaurant vanaf ongeveer 02.00 uur gewacht op [Jane H.] en [Carien N.] , die tussen omstreeks 03.30 en 04.30 uur ter plaatse waren; - vervolgens zijn de zes verdachten, te voet dan wel met de auto, van het restaurant naar de woning waar het slachtoffer verbleef gegaan; - het slachtoffer is buiten haar woning met enig geweld achter in de auto geduwd; - de verdachten zijn vervolgens deels lopend, en deels met het slachtoffer in de auto bij het restaurant teruggekeerd; - het slachtoffer is voor de ingang van het restaurant met enig geweld uit de auto getrokken; en is - vervolgens met enig geweld en daarmee gepaard gaand kabaal gedwongen het restaurant binnen te gaan; - [Jenny L.] is op de uitkijk blijven staan, totdat ook de anderen een half uur later het restaurant weer verlieten. 10.15. In ‘s hofs gewraakte overweging ligt het oordeel besloten dat de beide getuigen, ook al hadden ze in die nacht in het bushokje ter plaatse twee uur doorgebracht, tot 04.00 uur niets van belang voor de beoordeling van de zaak bij het restaurant hebben kunnen waarnemen. Daarmee wordt echter miskend door het hof, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen voortvloeit dat ruim voor 04.00 uur wel degelijk diverse activiteiten van de verdachten waarneembaar zouden kunnen zijn geweest, zoals in ieder geval het vanaf 02.00 uur door vier verdachten met de auto wachten voor het restaurant. Voorts sluit de conclusie van het hof, dat het niet onaannemelijk is dat de beide getuigen zich na 04.00 uur niet meer in het bushokje bevonden niet uit, dat zij zich daar nog wel degelijk tot 04.30 uur ophielden, zoals zij oorspronkelijk hadden verklaard. Tenslotte berust ook de ‘vaststelling’ van het hof dat het onaannemelijk zou zijn dat zij al om 04.00 uur waren vertrokken op drijfzand, te weten de latere door tijdsverloop gebrekkige herinneringen van [getuige 2 en betrokkene 5] . 10.16. In wezen is hier in volle omvang de vraag aan de orde naar de verwerking door het hof van het door de Hoge Raad in de eerdere herzieningsprocedure aangenomen novum. Ik citeer nogmaals (een deel van) de overwegingen van de Hoge Raad in het herzieningsarrest op dit punt: “5.9. De hiervoor onder 5.4 weergegeven verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] stellen de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] , [Jane H.] en [Carien N.] in een ander licht. Immers, zouden [getuige 1] en [getuige 2] in de nacht van 3 op 4 juli 1993 tussen ongeveer 02.30 uur en 04.30 uur vanuit het bushokje waarin zij zich bevonden, inderdaad – zoals hiervoor onder 5.5 is vermeld – zicht hebben gehad op hetgeen in de onmiddellijke omgeving van de voorzijde van restaurant [de P.] gebeurde en in dat tijdvak niets bijzonders hebben gezien en slechts enkele auto's hebben zien voorbijrijden, dan schijnen deze door [getuige 1] en [getuige 2] afgelegde verklaringen niet bestaanbaar te zijn met de tot bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] , [Jane H.] en [Carien N.] op grond waarvan – naar moet worden aangenomen – in de zaken tegen alle betrokkenen is vastgesteld dat zich de hiervoor onder 5.7.1 samengevatte feiten hebben voorgedaan.(…)” 10.17. Het hof nu, heeft in de procedure na verwijzing terecht ruim aandacht besteed aan het novum. Maar als het gaat om de betekenis die moet worden gehecht aan de uitkomsten van het onderzoek heb ik de stellige indruk dat het hof gemeend heeft dat eerst bij het met volstrekte zekerheid kunnen vaststellen van de juistheid van de gang van zaken zoals door de bushokje-getuigen is beschreven, daaraan consequenties voor het bewijs verbonden hoefden te worden. Miskend wordt op die manier echter, dat het hier gaat om een gang van zaken die niet rechtstreeks onderdelen van de bewezenverklaring aantast, maar om een feitelijk gegeven dat, als dit op waarheid berust, de waarde die het hof zelf aan de bewijsmiddelen toekent in ernstige mate ondergraaft. 10.18. In het verwijzingsarrest van de Hoge Raad is de eigenlijke betekenis van het ‘novum’ dan ook als volgt toegelicht: “5.9 (…) Zulks klemt temeer omdat de ten laste van [Anil B.] , [Ahmed L.] en [Appie T.] gewezen arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bewijsoverwegingen bevatten waaruit blijkt dat de rechter zich er rekenschap van heeft gegeven dat, ofschoon de verklaringen van [Jenny L.] op hoofdpunten overeenkomen met de verklaringen van [Jane H.] en [Carien N.] , de verklaringen van laatstgenoemden verschillen vertonen en elementen bevatten die niet waarschijnlijk zijn en/of onmogelijk lijken te zijn. Gelet op dit een en ander vormen de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die bij het onderzoek ter terechtzitting niet aan de rechter bekend waren, een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De vordering is in zoverre gegrond.” 10.19. In het licht van het bovenstaande is het oordeel van het hof, dat aan de verklaringen van de ‘bushokje-getuigen’ niet die ontlastende betekenis kan worden toegekend die de verdediging daaraan geeft, evenmin begrijpelijk. Ik teken daarbij aan dat, anders dan het hof in zijn overweging weergeeft als ‘standpunt van de verdediging’ niet slechts is aangevoerd dat het tenlastegelegde bij juistheid van de waarnemingen van de bushokje-getuigen ‘niet door de verdachten zou kunnen zijn gepleegd’, maar dat blijkens de pleitnota van mr. Knoops de getuigenverklaringen juist in een wijdere context dienden te worden geplaatst, dus - zo vat ik hetgeen daar is gesteld kort samen - met een zelfde strekking als door de Hoge Raad in het herzieningsarrest zoals hierboven aangehaald is aangegeven. 10.20. Dan de klacht dat het hof is voorbij gegaan aan het feit dat de in het middel aangehaalde omwonenden ‘niets verdachts’ hebben waargenomen in de nacht van 3 op 4 juli 1993. Het hof heeft onder het kopje “IV. Inhoudelijke toetsing van de verklaring van de vrouwelijke verdachten” het verweer van de verdediging inzake de betrouwbaarheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten in het licht van de getuigenverklaringen, als volgt verworpen: “4.1.2 De beoordeling door het hof (…). Het hof constateert voorts dat zich in het dossier geen getuigenverklaringen bevinden, waaruit kan worden afgeleid dat getuigen iets hebben waargenomen omtrent de binnenkomst van het slachtoffer in het restaurant en/of over enig geweld of geluid in of direct voor het restaurant in de nacht van 3 op 4 juli 1993. Het staat echter wel vast dat het slachtoffer die nacht het restaurant heeft betreden en eveneens dat zij in het restaurant op gewelddadige wijze van het leven is beroofd. Uit het niet waarnemen door getuigen van het betreden van het restaurant door het slachtoffer of van geweld of geluid direct voor of in het restaurant, kan derhalve naar het oordeel van het hof geenszins worden afgeleid dat de door de vrouwelijke verdachten beschreven medebrengings- en geweldshandelingen ten aanzien van het slachtoffer zich niet zouden hebben voorgedaan. (…).” 10.21. Blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld, dat gedurende enkele nachtelijke uren van 3 op 4 juli 1993, zowel voorafgaand aan als gedurende het misdrijf, zowel binnen in het restaurant als in de onmiddellijke nabijheid daarvan, sprake is geweest van de zichtbare en hoorbare aanwezigheid van zes personen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer op een zeker moment haar woning heeft verlaten, dat zij zich heeft verzet en dat zij zowel binnen in het restaurant als daarbuiten met geweld is bejegend, alvorens zij om het leven is gebracht. Het hof heeft geoordeeld, dat de enkele omstandigheid dat omwonenden in die nacht ‘niets verdachts’ hebben bemerkt, niet meebrengt dat het delict niet kan zijn verlopen zoals de vrouwelijke verdachten hebben verklaard. Anders gezegd: het hof acht kennelijk waarschijnlijk dat een en ander waarneembaar is geweest voor derden, maar het feit dat die derden niets bijzonders hebben opgemerkt, maakt het nog niet onwaarschijnlijk dat het ten laste gelegde zich heeft voorgedaan zoals de vrouwelijke verdachten dat hebben beschreven. Dat is inderdaad mogelijk. Het hof heeft zich echter niet uitgelaten over de mate van waarschijnlijkheid van die mogelijkheid en heeft geen - inzichtelijke - afweging gemaakt tussen het zeer waarschijnlijke en het uiterst onwaarschijnlijke. Het feit dat geen van de gedurende die nacht in de nabijheid van de plaats delict aanwezige personen ‘iets verdachts’ heeft opgemerkt, maakt het onder de gegeven omstandigheden minder waarschijnlijk dat het scenario zoals bewezenverklaard zich heeft voorgedaan. Tegelijkertijd is het ‘alternatieve scenario’ waarop de verdediging zich heeft gebaseerd, te weten dat, in het licht van het gebrek aan getuigen van de gang van zaken zoals bewezenverklaard, een en ander zich anders of niet heeft voorgedaan dan zoals beschreven door de vrouwelijke verdachten, niet zo onwaarschijnlijk dat het hof dit zonder meer terzijde kon schuiven. Door een dergelijke afweging niet te maken heeft het hof miskend dat in een zaak als de onderhavige, waarin de bekennende verklaringen het enige bewijs vormen en de daarin beschreven gang van zaken gemotiveerd is betwist, ook het beroep op een alternatief scenario moet worden geadresseerd en dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van het scenario zoals tenlastegelegd. 10.22. Door ondanks de inhoud van de genoemde getuigenverklaringen tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen, is het hof afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, inhoudende dat een bewezenverklaring zoals tenlastegelegd onverenigbaar is met de inhoud van de verklaringen van de twee zogenaamde ‘bushokje-getuigen’ en de getuigenverklaringen van de omwonenden van de plaats delict, als gevolg waarvan vrijspraak zou moeten volgen. Het hof heeft onvoldoende de redenen opgegeven voor de afwijking van dat standpunt, als gevolg waarvan het in artikel 359 lid 2 Sv bepaalde is geschonden. 10.23. Het middel slaagt in alle onderdelen. 11Het tweede middel 11.1. Het middel richt zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof, dat aan de op de plaats van het delict aangetroffen bloeddruppel niet die ontlastende betekenis kan worden toegekend die door de verdediging wordt voorgestaan, nu naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden, dat deze bloeddruppel delict gerelateerd is. 11.2. Het hof heeft zijn oordeel ten aanzien van de aan- dan wel de afwezigheid van forensisch-technische sporen op de plaats delict als volgt opgebouwd. Uit het dossier komt naar voren dat noch het onderzoek van 1993-1994, noch het nadere forensisch-technisch onderzoek in de periode 2008-2011, sporenmateriaal heeft opgeleverd dat steun geeft aan de hypothese dat de verdachten ter plekke zijn geweest. Naar het oordeel van het hof kan daaruit evenwel niet worden geconcludeerd, dat betrokkenheid van de verdachten bij het delict is uitgesloten. Het hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd, dat de bewijskracht van de afwezigheid van belastend forensisch materiaal beperkt is, gelet op de (gebrekkige) omstandigheden waaronder het onderzoek in 1993 is verricht. Voorts is het hof van oordeel dat de afwezigheid van onbekend DNA of ander materiaal op het lichaam dan wel de kleding van het slachtoffer - met uitzondering van vier haren van vier onbekende donoren op de kleding van het slachtoffer die het hof niet delict-gerelateerd acht - als belastend noch als ontlastend kan worden geduid, gelet op het geweld dat de daders kennelijk op haar hebben uitgeoefend, zonder dat daarbij voor de politie vindbare sporen zijn achtergelaten. Deze overwegingen en conclusie van het hof zal ik onder het vierde middel nader bespreken. 11.3. Het tweede middel echter heeft specifiek betrekking op één onderdeel van het forensisch onderzoek, te weten dat naar de aangetroffen bloedsporen, waaronder een bloeddruppel. Het hof heeft het verweer van de verdediging met betrekking tot de resultaten van dit nadere forensisch-technisch onderzoek als volgt samengevat en heeft in dat kader een aantal van de onderzoeksbevindingen, waaronder die met betrekking tot de aangetroffen bloeddruppel nader beschouwd (met inbegrip van de door het hof gebruikte voetnoten): “4.4.2 Een aantal forensische bevindingen nader beschouwd Door de verdediging is echter wel betoogd dat een aantal van de hiervoor weergegeven (nadere) forensisch technische bevindingen - al dan niet in aanzienlijke mate - moeten worden geduid als meer passend bij eén onschuldscenario ten aanzien van de verdachten dan bij het door de advocaat-generaal geschetste schuldscenario en/of een aanwijzing zouden vormen voor de valsheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten. Zakelijk weergeven gaat het daarbij om de volgende bevindingen: a. er zijn op, dan wel zeer nabij, de plaats-delict een bloeddruppel en een bloedveeg aangetroffen, die beide geen DNA bevatten van een van de zes verdachten, maar van een onbekende man van Zuid-Aziatische of Oceanische origine; b. de aangetroffen schoenzoolsporen zijn niet tot de (mannelijke) verdachten te herleiden; c. de afwezigheid van speeksel op de kleding van het slachtoffer is een indicatie voor de onjuistheid van de verklaringen van [Jane H.] en [Carien N.] ; d. de afwezigheid van munitieresten is een indicatie voor de onjuistheid van de verklaringen van [Jane H.] en [Carien N.] . De advocaat-generaal heeft de stellingen van de verdediging inzake de uit de forensische bevindingen te trekken conclusies voor de bewijs waardering betwist. Het hof overweegt ter zake het navolgende. Ad a. Betekenis van de aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg In de nabijheid van een zich in het restaurant buiten de keuken bevindende gokkast is op de vloer één roodkleurige bloeddruppel aangetroffen.189 Deze bloeddruppel is in het onderzoek verder aangeduid als spoor 20.190 Deze bloeddruppel wordt in het onderzoeksproces-verbaal zowel omschreven als een gedroogde, als een deels opgedroogde druppel.191 Blijkens een memo heeft de in het kader van het CEAS- onderzoek geconsulteerde NFI-deskundige ing. M.J. van der Scheer aan de hand van een foto van de bloeddruppel verklaard, dat het bij deze bloeddruppel lijkt te gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd.192 De indertijd bij het technisch onderzoek betrokken verbalisant [verbalisant 6] heeft in het kader van het CEAS-onderzoek over deze bloeddruppel als volgt verklaard: ‘Ik weet nog wel waar die druppel lag. Ik dacht dat die druppel rond was. Ik weet geen afmeting. Het bloed werd met een draadje veiliggesteld. Als ik het beeld terughaal dan was die druppel vloeibaar.’ Ook gerechtelijk laboratorium-deskundige J.M. Kockx heeft indertijd ten overstaan van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch - na raadpleging van zijn aantekeningen - verklaard dat het monster met een draadje was veiliggesteld, alsook dat door middel van een dergelijk draadje een nog niet opgedroogde bloeddruppel kan worden opgenomen.193 Kockx kwalificeert zulks als een goede methode, omdat alle bloedfactoren in zo’n draadje trekken. De deskundige ing. J.R. Ten Hove heeft in zijn rapport d.d. 1 juli 2015 geconcludeerd dat het zijns inziens op basis van (alleen) de foto met geen enkele mate van waarschijnlijkheid geoordeeld kan worden omtrent de “droogheid” van de bloeddruppel.194 Op het blad van de werktafel tegen de muur in de keuken (waar ook het slachtoffer is aangetroffen) is een voorts een bloedveeg aangetroffen. Deze veeg werd in het onderzoek verder aangeduid als spoor 7.195 Uit beide bloedsporen werd een DNA- profiel verkregen, dat verder werd onderzocht en werd vergeleken met het DNA van de zes verdachten. Uit dat onderzoek is vervolgens gebleken dat het DNA uit spoor 7 en 20 met elkaar overeenkomt, zodat het zeer waarschijnlijk is dat dit DNA afkomstig is van dezelfde persoon.196 Het DNA uit deze twee sporen matcht echter niet met dat van de zes verdachten197 en evenmin met dat van het slachtoffer.198 Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de donor van het DNA uit de sporen 7 en 20 waarschijnlijk een (onbekende) man is die afkomstig is uit Zuidoost-Azië of Oceanië.199 Er zijn echter geen forensisch-wetenschappelijke aanwijzingen voor de stelling dat voormelde bloedsporen als dadersporen moeten worden geduid, waarbij in het bijzonder van belang moet worden geacht dat ook het recentere forensisch onderzoek geen enkele aanwijzing heeft opgeleverd dat ook op het slachtoffer bloedsporen van een andere persoon zouden zijn aangetroffen. De aangetroffen bloeddruppel en bloedvéeg zijn derhalve niet in relatie te brengen tot het slachtoffer dan wel het op haar uitgeoefende geweld. In dit verband wijst het hof mede op het volgende. Gezien de hiervoor gerelateerde vermelding op pagina 52 van het proces-verbaal, inhoudende dat de druppel deels opgedroogd was, de verklaring van verbalisant [verbalisant 6] (inzake de vloeibaarheid van de druppel en het met een draadje veiligstellen daarvan) en van de deskundige Kockx, gaat het hof ervan uit dat de bloeddruppel (spoor 20) ten tijde van het aantreffen daarvan in ieder geval nog deels vloeibaar was. Uit verdere zich in het dossier bevindende informatie leidt het hof af dat de tijd die benodigd is voor het volledig drogen van een bloeddruppel in belangrijke mate wordt bepaald door het oppervlaktemateriaal waarop de druppel is aangetroffen alsmede de relevante omgevingstemperatuur.200 Op de zich in het dossier bevindende foto van de betreffende bloeddruppel neemt het hof waar dat het een enkele bloeddruppel van beperkte omvang betreft, die is aangetroffen op een tegelvloer.201 Voorts is (uit openbare bronnen) gebleken dat de nacht van 3 op 4 juli 1993, evenals de ochtend van 4 juli 1993, redelijk warm was202, met een minimumtemperatuur die dag 15,9 °C en een maximumtemperatuur 26,5 °C. De gemiddelde temperatuur die dag bedroeg 21,1 °C. Diverse deuren van en in het restaurant, waaronder de deur tussen de hal en de keuken, stonden bovendien - in ieder geval bij aankomst van de politie - open.203 Uit de verklaringen van betrokken verbalisanten leidt het hof voorts af dat het slachtoffer op 4 juli 1993 om omstreeks 10.45 uur is aangetroffen door restaurantmedewerkers, en dat de politie voor het eerst om 11.00 uur het restaurant betrad.204 Uit verklaringen kan voorts worden afgeleid dat de technische recherche die dag niet eerder dan om 12.00 uur met haar werk is begonnen.205 Hieruit leidt het hof af dat de bloeddruppel op zijn vroegst op dat tijdstip, maar mogelijk zelfs nog later, werd bemonsterd. Gezien de hiervoor genoemde dagtemperaturen en “open deuren” acht het hof het waarschijnlijk dat, op het tijdstip van bemonstering, de omgevingstemperatuur van de bloeddruppel niet lager zal zijn geweest dan 20 °C. Omdat het voorts een druppel op een tegelvloer betrof, kan uit het hiervoor in voetnoot 200 genoemde onderzoek worden afgeleid dat de droogtijd van een bloeddruppel onder die omstandigheden dan ongeveer 60 minuten bedraagt.206 Gezien voormelde droogtijd komt het hof tot de conclusie dat, zelfs als men uitgaat van het vroegst mogelijke bemonsteringstijdstip van 12.00 uur, het onaannemelijk moet worden geacht dat voormelde bloeddruppel een relatie heeft met (het geweld leidende tot) het overlijden van het slachtoffer, welk overlijden volgens het verslag van de lijkschouwer immers naar alle waarschijnlijkheid heeft plaatsgevonden op 4 juli 1993 tussen 04.15 en 08.15 uur. Derhalve is het hof, nu ook anderszins niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een concrete aanwijzing zouden kunnen zijn om de delictgerelateerdheid van de bloeddruppel (en de bloedveeg van dezelfde donor) aan te nemen, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat genoemde bloeddruppel en bloedveeg een relatie hebben met het onderhavige misdrijf. Daaruit volgt dat het aantreffen van voormelde bloeddruppel en bloedveeg door het hof evenmin als een aanwijzing wordt beschouwd voor de juistheid van de stelling dat een ander of anderen het misdrijf heeft of hebben gepleegd, waarvan de verdachte en de medeverdachten worden verdacht. Het hof overweegt ten slotte, dat zelfs als ervan uit zou worden gegaan dat de bloeddruppel op het moment van aantreffen al geheel gedroogd was, de delictgerelateerdheid daarvan evenmin evident is. Allereerst omdat in dat geval op basis van hetgeen tijdens de procedure in herziening is gebleken, naar het oordeel van het hof in het geheel geen uitspraken gedaan kunnen worden omtrent de ouderdom van de betreffende bloeddruppel. Ten tweede omdat is gebleken dat men (in 2010) van twee op 3 juli 1993 in het restaurant werkzame207 keukenmedewerkers het DNA (-profiel) niet heeft kunnen vergelijken met dat in de bloeddruppel.208 Deze twee personen zijn afkomstig uit Zuidoost-Azië.209 Uit de processen-verbaal van hun verhoren uit 1993 blijkt niet dat zij zijn bevraagd omtrent een eventueel die avond opgelopen letsel of wondje.210 Zekerheid dat het bloedspoor niet van één van deze personen afkomstig is, kan derhalve niet worden verkregen. Wel kan de bevinding dat de donor van het DNA uit deze bloedsporen waarschijnlijk een (onbekende) persoon is, die afkomstig is uit Zuidoost-Azië (waaronder ook China valt) of Oceanië, passen in een scenario waarin de bloeddruppel en de bloedveeg afkomstig zijn van een van deze twee personeelsleden van het restaurant. Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden kan derhalve naar het oordeel van het hof aan het aantreffen van voormelde bloeddruppel en bloedveeg niet die ontlastende waarde worden toegekend, die de verdediging daaraan toekent. 189 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 (pag. 46 en 52/53, onder 1.4). 190 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, goederenlijst (pag. 90) onder goednr. 20: omschrijving: ‘monster druppel bloed 1.4; veiliggesteld 04/07/93; plaats aantreffen: vloer naast gokkast’. 191 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 (pag. 46 en 52) 192 Verklaring als opgenomen in het memo van mr. E.E. van der Bijl aan het CEAS-politieteam d.d. 24 januari 2011. 193 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 18 mei 1995, verhoor van de getuige J.M. Kockx . 194 Deskundigenrapport van ing. J.R. ten Hove d.d. 1 juli 2015 (onder 4). 195 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 (pag. 41 e.v. en 54). 196 Deskundigenrapport van dr. A.B. Raggers-Schroeijers d.d. 19 december 2008 (pag. 22/24, onder 2 CEAS forensisch dossier). 197 Deskundigenrapport van dr. A.B. Raggers-Schroeijers d.d. 19 december 2008 (pàg. 22/24, onder 2 CEAS forensisch dossier) met betrekking tot de drie mannelijke verdachten; Deskundigenrapport van drs. ing. T.J.P. de Blaeij d.d. 28 april 2011 (pag. 6, onder 7) met betrekking tot de drie vrouwelijke verdachten. 198 Deskundigenrapport van dr. A.J. Kal d.d. 20 april 2012 (pag. 5, onder 7). 199 Deskundigenrapport van prof. dr. P. de Knijff en drs. T. Kraaijenbrink d.d. 7 augustus 2009 (pag. 4). 200 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 (pag. 45); Ramsthaler Fl, Schmidt P, Bux R, Potente S, Kaiser C, Kettner M., Drying properties of bloodstains on common indoor surfaces, International Journal of legal medicine 2012 Sep;126
(5):739-
- doi: 10.l007/s00414-012-0734-
- Epub 2012 Jun
- 201 Proces-verbaat Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 (pag. 46). 202 De gemiddelde temperatuur op 4 juli 1993 was 21,1 °C; de minimumtemperatuur die dag 15,9 °C en de maximumtemperatuur 26,5 °C. Bron: weerverleden.nl (gegevens beschikbaar gesteld door KNMI). 203 Proces-verbaal Korps Rijkspolitie District Breda, afdeling technische recherche, proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 1993 (pag. 22). 204 Ibidem (pag 22). 205 Rapportage Politie Rotterdam-Rijnmond, Regionale Recherche Dienst, CEAS-onderzoek, interview van [verbalisant 1] d.d. 25 oktober 2010 (pag. 2, bijlage 29 CEAS-dossier). 206 F. Ramsthaler, P. Schmidt, R. Bux, S. Potente, C. Kaiser, M. Kettner M, a.w. (pag. 743, tabel 3). 207 Processen-verbaal Gemeentepolitie Breda, Bijstandsteam Noord Brabant West, proces- verbaalnummers 04/07/93-44 dossier 6, sub 16, 17, 2, 4 en 10 (processen-verbaal vari verhoor van [betrokkene 6] (pag. 220), van [betrokkene 7] (pag. 222), van [C.K. L.] (pag. 187), van [betrokkene 8] (pag. 194) en van [betrokkene 9] (pag. 208)). 208 Zie onder meer de sporenmatrix CE AS 2010 DNA / Dacty, waaruit blijkt dat van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] geen DNA-profiel is aangeboden en bij het nadere vergelijkende onderzoek is gebruikt. 209 Ibidem (pag. 222 en pag. 220). Uit de verklaring van [betrokkene 7] blijkt dat hij geboren is in Kuala Lumpur (Maleisië) (pag. 222 [de P. dossier] ); Uit de verklaring [betrokkene 6] blijkt dat hij geboren is in Wen Zhou, China (pag. 220 [de P. dossier] ). 210 Ibidem (pag. 222 en 220).” 11.
- De steller van het middel acht de motivering van het hof omtrent het aangetroffen bloedspoor onbegrijpelijk en wel om de volgende redenen. Het hof leidt zonder steun van wetenschappelijke data uit niet-vaststaande gegevens af, dat de bloeddruppel niet delict-gerelateerd is. Voorts is het hof voorbij gegaan aan het standpunt van de verdediging, dat geenszins als een vaststaand forensisch gegeven kan worden beschouwd dat het tijdstip van overlijden van het slachtoffer is gelegen tussen 04.15 uur en 08.15 uur. Nu het hof heeft aangenomen dat het tijdstip van overlijden na 04.00 uur is gelegen, is dat bovendien in strijd met de verklaringen van de vrouwelijke verdachten over de tijd van aankomst van de verdachten bij het restaurant, die naar hun verklaringen immers op zijn vroegst rond 02.00 uur is gelegen. 11.
- Allereerst de klacht met betrekking tot het tijdstip van overlijden. Aan het middel ligt kennelijk het standpunt ten grondslag dat het hof bij gebrek aan forensisch bewijs niet een tijdstip van overlijden van het slachtoffer heeft kunnen vaststellen. 11.
- Zoals blijkt uit bewijsmiddel 3, heeft de lijkschouwer te 12.15 uur op 4 juli 1993 aan de hand van de ‘met de hand voelbare daling van de lichaamstemperatuur’ en ‘beginnende lijkstijfheid aan de armen’ ingeschat dat het tijdstip van overlijden is gelegen op ‘korter dan 8 uur te voren en langer dan 4 uur te voren’. Het hof heeft deze bevindingen zonder meer voor het bewijs gebezigd en geoordeeld dat het slachtoffer naar alle waarschijnlijkheid om het leven is gebracht op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur. Anders dan het middel stelt, heeft het hof niet een specifiek tijdstip van overlijden vastgesteld, maar een periode van vier uren genoemd, binnen welke tijdspanne het slachtoffer ‘naar alle waarschijnlijkheid om het leven is gebracht’. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. 11.
- Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte is voorbij gegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het tijdstip van overlijden, geldt het volgende. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 17 en 18 september 2015 heeft mr. Knoops aldaar het woord gevoerd aan de hand van zijn pleitnota. Deze bevat op p. 28 het standpunt, dat geenszins als een vaststaand forensisch gegeven kan worden beschouwd dat het tijdstip van overlijden van het slachtoffer is gelegen tussen 04.15 uur en 08.15 uur. De raadsman heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van de forensisch patholoog dr. F. van de Goot, voor zover inhoudende dat ‘op grond van dergelijke zeer beperkte informatie geen enkele uitspraak te doen is over de post mortale periode. Iedere poging kan alleen maar leiden tot valse zekerheid, zelfs als deze zekerheid met terughoudendheid wordt betracht’. Het hof is afgeweken van dit standpunt door de betwiste bevindingen van de lijkschouwer zonder meer tot het bewijs te bezigen. De vraag is of de klacht kan slagen. Ik meen van niet. 11.
- De raadsman heeft genoemd standpunt ingenomen in het kader van zijn verweer met betrekking tot de bushokje-getuigen (vanaf p. 25 van de pleitnota), naar aanleiding van de stelling van de advocaat-generaal, dat deze twee getuigen mogelijk niets hebben gezien, omdat het slachtoffer pas na 04.15 uur om het leven zou zijn gebracht. De conclusie van de raadsman is, zo begrijp ik, dat de stelling van de advocaat-generaal het belang van de verklaring van de bushokje-getuigen niet kan ontkrachten, nu ook in de periode voorafgaand aan 04.00 uur sprake zou zijn geweest van vier bij het restaurant wachtende mensen, die door alle getuigen hadden kunnen worden opgemerkt. Nu de raadsman zijn standpunt heeft ingenomen in een ander verband, zonder daar een zelfstandige conclusie aan te verbinden, is geen sprake van een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. Tegen deze achtergrond was het hof niet gehouden het niet aanvaarden van dit standpunt te motiveren. In zoverre faalt het middel. 11.
- Hetgeen het middel voorts stelt ten aanzien van een tegenstrijdigheid tussen de verklaring van de vrouwelijke verdachten over het tijdstip van aankomst bij het restaurant en het tijdstip van overlijden van het slachtoffer, mist feitelijke grondslag. Zoals kan blijken uit de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van de vrouwelijke verdachten, hebben de verdachten zich die nacht bij het restaurant verzameld op een moment gelegen in de periode tussen 02.00 uur en 04.30 uur. In die periode of kort daarna is het slachtoffer opgehaald en zijn de verdachten met haar bij het restaurant teruggekeerd. Vervolgens zijn de verdachten ongeveer een half uur binnen in het restaurant geweest. De omstandigheid dat het slachtoffer waarschijnlijk binnen een tijdspanne van vier uren, gelegen tussen ongeveer 04.15 uur en 08.15 uur is mishandeld en is overleden, is daarmee niet in tegenspraak. Anders dan het middel wil, brengt het voorgaande niet het (impliciete) oordeel van het hof mee dat de verklaringen van de vrouwelijke verdachten op dit onderdeel niet geloofwaardig zouden zijn. 11.
- Dan nu de kern van de klacht, over de betekenis van de bloeddruppel (spoor 20) die is aangetroffen op de vloer voor de gokkast en de bloedveeg (spoor 7), aangetroffen op het blad van de werktafel die zich naast het slachtoffer bevond. 11.
- Uit de stukken in het dossier, waarnaar het hof in zijn arrest voetnootsgewijs verwijst blijkt dat in elk geval de keuken van het restaurant op de avond van 3 juli 1993 rond 22.30 uur is opgeruimd en schoongemaakt. De op de tegelvloer voor de gokkast aangetroffen bloeddruppel is in het proces-verbaal van technisch onderzoek omschreven als ‘een gedroogde roodkleurige druppel’ (p. 46), dan wel als ‘een monster van een deels opgedroogde druppel’ (p. 52). Verbalisant [verbalisant 6] was destijds betrokken bij het technisch onderzoek. Hij heeft daar in het kader van het CEAS onderzoek - voor zover van belang - het volgende over verklaard: “ik herinner me het veiligstellen van het bloed bij de gokkast. (…). Ik weet nog wel waar die druppel lag. Ik dacht dat die druppel rond was. Ik weet geen afmeting. Het bloed werd veilig gesteld met een draadje. Als ik het beeld terug haal dan was die druppel vloeibaar. Als ik er over praat is dat wat ik er van boven haal. Ik weet niet of ik erbij was toen de druppel werd veiliggesteld. Dat is door anderen gedaan. Voor mij werd het bloedspoor als daderspoor aangemerkt. Dat had te maken met de opengebroken gokkast. Daar lag de druppel. (…). Ik kan geen gradaties van zekerheid geven over de informatie over de bloeddruppel. Ik kan niet verklaren waarom er in het proces-verbaal wordt gesproken over deels gedroogde bloeddruppel en ingedroogde bloeddruppel. Kan er nog iets gezegd worden over de ouderdom van de bloeddruppel aan de hand van een eventuele verkleuring? -Nee, dat kan ik niet. De druppel was volgens mij vloeibaar.” 11.
- De getuige-deskundige Kockx heeft ter terechtzitting op 18 mei 1995 het volgende verklaard over de methode van bemonstering: “Het monster is via een bepaalde methode veilig gesteld, namelijk met een draadje. Door middel van dit draadje kan een nog niet opgedroogde bloeddruppel worden opgenomen. Het bloed trekt dan in dit draadje. Als het een reeds opgedroogde bloeddruppel betreft, dan kan het draadje worden bevochtigd en op de droge druppel worden gelegd. Daardoor wordt zo’n druppel weer vochtig en kan zodoende weer worden opgenomen. (…). Als in het proces-verbaal van politie dit spoor staat omschreven als een gedroogde roodkleurige druppel, dan is dit spoor nog niet heel oud. Ik denk dan in dagen of weken. Ik kan dan niet meer zeggen hoeveel uren het spoor oud was. (De voorzitter toont de getuige-deskundige foto 13 uit de foto map (…)). De bloedvlek ziet er klein en mooi rond uit. Als een druppel van een bepaalde hoogte op de vloer valt, dan wordt de druppel stervormig. Als de druppel nog gaaf zou zijn, dan is mijn conclusie dat de druppel van een lage hoogte daar terecht moet zijn gekomen, bijvoorbeeld doordat iemand daar gebukt stond of zo. Maar op deze foto is niet precies te zien hoe gaaf de druppel nog is. Ik durf derhalve van deze foto voormelde conclusie niet te trekken.” De verbalisant [verbalisant 2] heeft bij dezelfde terechtzitting als volgt verklaard: “met betrekking tot het aangetroffen spoor 20 kan ik het volgende verklaren. Bij een wandeling door het pand werd deze bloedvlek waargenomen in de nabijheid van de gokkast. De bloedvlek werd door collega’s van mij veiliggesteld. De bloedvlek werd aangetroffen bij de naad van twee tegels. (…). Deze bloedvlek oogde niet als zijnde zeer oud. De bloedvlek ziet er roodachtig uit, niet bruin- of zwartachtig.” 11.
- De overige deskundigen hebben - aan de hand van de foto van de bloeddruppel - als volgt verklaard. M.J. van der Scheer, bloedspoorpatroondeskundige van het NFI, geconsulteerd gedurende het CEAS-onderzoek: “Concreet luidde de vraagstelling of er op grond van de fotografisch vastgelegde bloeddruppel/spat (foto nummer 13) een uitspraak gedaan zou kunnen worden over het wel of niet ingedroogd zijn van deze bloeddruppel/spat en de gewelddadige dood van [mw. M.] (…). De beantwoording van die vraag door ing. Van der Scheer viel uiteen in 2 gedeelten: a. Het lijkt aan de hand van de foto te gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd en die afkomstig kan zijn van een bebloede (gewonde) persoon of bebloed object. b. Er valt op grond van de getoonde foto niet te zeggen of deze bloedspat delict gerelateerd is. Een in te stellen onderzoek op het gebied van bloedspoorpatronen lijkt op dit moment niet opportuun.” De deskundige ing. J.R. Ten Hove, gelieerd aan het NFO, heeft op verzoek van de verdediging de bevindingen van de getuige-deskundige Alkemade met betrekking tot de bloeddruppel onderzocht en beoordeeld. Hij heeft in zijn rapport geconcludeerd, dat zijns inziens op basis van (alleen) de foto met geen enkele mate van waarschijnlijkheid geoordeeld kan worden omtrent de “droogheid” van de bloeddruppel. 11.
- In de aangehaalde overwegingen heeft het hof eerst vastgesteld dat, met name nu op het slachtoffer geen bloed