Nr. 15/02322 Mr. Machielse Zitting 9 mei 2017 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 6 mei 2015 voor 1 (impliciet subsidiair): doodslag en voor 2: een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar. Voorts heeft het hof de terbeschikkingstelling met verpleging van verdachte gelast. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest omschreven. 2. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. 3.1. Het eerste middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 1 en concentreert zich op de verwerping van het verweer dat de verklaringen van getuige [betrokkene 1] onbetrouwbaar zouden zijn. 3.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat "1: hij op enig tijdstip in de periode van 19 februari 2012 tot en met 22 februari 2012 te Schiedam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] doen stikken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; 2: hij op enig tijdstip in de periode van 20 februari 2012 tot en met 23 februari 2012 te Schiedam en/of Rijswijk een lijk heeft verborgen en weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen." 3.3. In hoger beroep heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt omdat deze onbetrouwbaar zijn. De verdediging heeft uitvoerig betoogd op welke grondslagen dit standpunt berustte: "– Hij komt pas na [betrokkene 2] en cliënt met een verklaring; – Hij wist alle tactische onderzoeksresultaten (o.a. data, ARS, telecom) al; – Hij heeft aantoonbaar tegenstrijdig verklaard aan [betrokkene 2] op voor hem belastende punten, terwijl het voor [betrokkene 2] zelf niet had uitgemaakt als [betrokkene 1] wel bij de auto was gebleven, anders gezegd bij dit gedeelte van de verklaring had [betrokkene 2] totaal geen belang en [betrokkene 1] overduidelijk wél; – Hij had een enorm groot eigen belang om niet naar waarheid te verklaren." 3.4. In het verkort arrest heeft het hof een bewijsoverweging opgenomen waarin het de bewezenverklaring nader motiveert met het oog op de gevoerde bewijsverweren. Het hof heeft vastgesteld dat op 22 maart 2012 in het water van het Rijn-Schie-Kanaal bij het Jaagpad te Rijswijk het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is aangetroffen. Op zondag 19 februari 2012 is zij vanuit Rotterdam vertrokken naar de woning van verdachte, [a-straat 1] te Schiedam, waar zij rond 23:30 uur is aangekomen. In die nacht is zij daar overleden. Haar stoffelijk overschot is op 22 februari 2012 door verdachte in dat kanaal gedeponeerd. Verdachte heeft beweerd dat [slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [slachtoffer] door verwurging of verstikking als gevolg van uitwendig geweld om het leven is gekomen. Het hof ziet zich dan geplaatst voor de vraag of het overlijden door verdachte of door het slachtoffer zelf is bewerkstelligd. Het hof vervolgt dan: “Ofschoon in het dossier basis kan worden aangetroffen voor de aanname dat [slachtoffer] op dat moment niet een gelukkige en stabiele periode van haar leven doormaakte, biedt het geen enkel houvast voor de aanname dat [slachtoffer] daaraan een motief voor zelfdoding ontleende. Daarentegen bevat het dossier verscheidene aanwijzingen dat [slachtoffer] het vrije handelen van de verdachte in de weg stond, althans dat de verdachte dat aldus ervoer. Hoewel het hof daarin op zichzelf geen motief voor op de dood van [slachtoffer] gericht toedoen van de verdachte ziet, acht het dit wel een bron van mogelijke conflicten tussen beiden. Voor de aanname dat zich op 20 februari 2012 tussen [slachtoffer] en de verdachte daadwerkelijk een conflict heeft voorgedaan kan steun worden aangetroffen in de verklaring van [betrokkene 1] volgens welke de verdachte hem op 21 februari 2012 heeft gezegd dat hij ruzie had gehad met [slachtoffer] en dat hij haar had vastgepakt en geschud, waarna zij in elkaar zakte. Naar het oordeel van het hof vragen de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd om een verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij op 20 februari 2012 omstreeks 13.00 uur [slachtoffer] in de badkamer heeft aangetroffen terwijl of kort nadat zij zelfmoord had gepleegd door zich met een riem aan het kraanstel van de douche op te hangen. Tegen deze lezing pleiten naar het oordeel van het hof de volgende omstandigheden: 1 De verdachte heeft -ofschoon hij er niet zeker van was en kon zijn dat dat niet meer zou baten- geen hulpdienst gewaarschuwd; 2 De verdachte heeft dinsdag 21 februari 2012 omstreeks 18.00 uur [betrokkene 1] gewaarschuwd, volgens wiens verklaring hij toen niets over zelfmoord heeft gezegd; 3 Toen [betrokkene 1] die dag omstreeks 18.00 uur kwam kijken trof hij het lijk van [slachtoffer] aan en heeft de verdachte ook toen tegen [betrokkene 1] niets over zelfmoord gezegd; 4 De verdachte heeft zich volgens [betrokkene 1] wel over de oorzaak van de toestand waarin (het lichaam van) [slachtoffer] zich bevond uitgelaten. Dit hield echter uitsluitend in dat [slachtoffer] en de verdachte ruzie hadden en dat de verdachte [slachtoffer] had vastgepakt en geschud en dat hij bang was dat hij als de schuldige aan haar toestand zou worden aangemerkt. 5 Tegenover [betrokkene 3] heeft de verdachte wel over zelfmoord van [slachtoffer] verklaard, maar volgens de verklaring van deze getuige heeft de verdachte [slachtoffer] ‘s ochtends met een riem om haar nek aangetroffen in haar slaapkamer. Weliswaar heeft de verdediging gewezen op jurisprudentie waarin de indruk is ontzenuwd die de lagere rechter ten laste van een verdachte had gebaseerd op diens merkwaardige en niet in overeenstemming met diens alternatieve scenario te brengen gedragingen, maar het hof is van oordeel dat het bij de hiervoor weergegeven omstandigheden gaat om gedragingen waarvan het volstrekt onaannemelijk is dat iemand die zich in de situatie waarop de verdachte zich beroept als onschuldig beschouwt, op deze wijze handelt. Daarmee komt het in hoofdzaak aan op de geloofwaardigheid van de verklaring van [betrokkene 1] zoals hiervoor weergegeven. De verdediging heeft allereerst zijn betrouwbaarheid als getuige betwist op grond dat hij belang had bij het afleggen van zijn verklaring. Het hof verwerpt dit standpunt voor zover het de hiervoor weergegeven inhoud van die verklaring betreft, omdat naar zijn oordeel niet valt in te zien welk belang [betrokkene 1] daarbij dan zou hebben gehad. Volgens de verdediging zou het [betrokkene 1] zijn gegaan om het verkleinen van zijn aandeel in de feiten, maar het hof stelt vast dat er geen aanwijzing heeft bestaan voor betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de dood van [slachtoffer] , terwijl voor de beoordeling van hetgeen [betrokkene 1] wel werd verweten de onderhavige verklaring niet van betekenis kan worden geacht. Daarmee resteert de vraag of de verklaring van [betrokkene 1] , zoals hiervoor aangehaald, in die mate geloof verdient dat de weerlegging van het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario van zelfmoord, gegeven de inhoud van het dossier, daarop in overwegende mate kan worden gebaseerd. Te dien aanzien overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat het dossier geen gegevens bevat op grond waarvan de verklaring van [betrokkene 1] , in zoverre deze ter weerlegging van de lezing van de verdachte in aanmerking zou kunnen worden genomen, als onbetrouwbaar van de hand moet worden gewezen. De verdediging heeft zich op de eerste plaats beroepen op discrepanties van de verklaring van [betrokkene 1] met die van de verdachte. Voor zover ten aanzien van die discrepanties de verklaring van [betrokkene 1] niet aan objectieve gegevens kan worden getoetst is het enkele bestaan van dergelijke discrepanties onvoldoende om de betrouwbaarheid van [betrokkene 1] ’ verklaring in twijfel te trekken. Anders is dat met het betoog van de verdediging dat zendmastgegevens de verklaring van de verdachte ondersteunen en niet die van [betrokkene 1] . Volgens de verdediging bevestigen die zendmastgegevens dat de verdachte in de periode van 20 februari 2012 in de loop van de middag tot en met 21 februari 2012 voor 18.00 uur reeds op de [b-straat], het adres van [betrokkene 1] , verbleef en concludeert zij daaruit dat de verklaring van [betrokkene 1] dat hij eerst op 21 februari 2012 omstreeks 18.00 uur door de verdachte werd benaderd, geen geloof verdient. Het hof stelt voorop dat de door de verdediging ingeroepen zendmastgegevens inhouden dat de telefoon van de verdachte en/of de telefoon van [slachtoffer] (die toen in handen van de verdachte was) in de desbetreffende periode een aantal malen een zendmast op de [b-straat] aanstraalde en dat het adres van [betrokkene 1] op de [b-straat] binnen het bereik van die zendmast(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.