Nr. 15/05812 Zitting: 16 mei 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] Bij arrest van 2 december 2015 heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010. In het genoemde vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van veertig uren (subsidiair twintig dagen hechtenis). Namens de verdachte heeft mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat een klacht over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep en is met name gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte gelet op de inhoud van de stukken in het dossier moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de datum van de terechtzitting in eerste aanleg en dat de verdachte derhalve ingevolge het bepaalde in art. 408, eerste lid en onder c, Sv binnen veertien dagen na de einduitspraak van de rechtbank van 27 oktober 2010 hoger beroep had moeten instellen. 3.1. Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in: “De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2015 gevorderd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Daartoe heeft zij - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte blijkens het dossier op de dag van zijn aanhouding door de politie in kennelijke staat van dronkenschap verkeerde, met een dubbele tong sprak en rooddoorlopen ogen had en dat in het licht daarvan de akte uitreiking die zich in het dossier bevindt niet kan worden gezien als een geldige uitreiking van de dagvaarding aan de verdachte. Derhalve kan de verdachte niet geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de datum van de zitting in eerste aanleg en heeft hij, nadat hij van de uitspraak op de hoogte is geraakt, tijdig hoger beroep in gesteld. Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof stelt vast dat de verdachte op 16 augustus 2010 om 15:53 uur is aangehouden. Enkele uren later, om 18:20 uur, is de verdachte verhoord op het politiebureau. Uit het proces-verbaal van dat verhoor komt naar voren dat de verdachte weliswaar een wat obstinate houding vertoonde, maar geenszins blijkt daaruit dat hij in een zodanige staat verkeerde dat hij niet besefte wat hij deed. Het proces-verbaal laat naar het oordeel van het hof juist zien dat de verdachte voldoende inzicht had in de hem gestelde vragen, dat hij deze vragen begreep en ook adequaat antwoorden kon geven. Hij heeft het proces-verbaal van verhoor bovendien ondertekend. Op 16 augustus 2010 om 19:30, weer een uur later derhalve, heeft de rechercheur [verbalisant] geprobeerd een dagvaarding (c.q. de gerechtelijke brief en bijbehorend mededelingenformulier van de officier van justitie) aan de verdachte uit te reiken. Blijkens de handgeschreven opmerking van de verbalisant op de akte van uitreiking weigerde de verdachte deze akte te ondertekenen en in ontvangst te nemen, maar is de tekst wel aan de verdachte medegedeeld. De datum (27 oktober 2010) en het tijdstip (13.30 uur) van de zitting en de inhoud van de tenlastelegging maken deel uit van de dagvaarding. Dat de verdachte in een zodanige staat van dronkenschap verkeerde dat hij de strekking van de aan hem gedane mededeling met betrekking tot de datum en het tijdstip van de zitting in eerste aanleg en de inhoud van de tenlastelegging niet kon begrijpen, is gelet op het voorgaande niet aannemelijk geworden. Op grond van het voorgaande moet daarentegen ervan uit worden gegaan dat de verdachte op 16 augustus 2010 bekend is geworden met de dag en het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte had derhalve volgens de wet hoger beroep dienen in te stellen binnen veertien dagen na de op 27 oktober 2010 in eerste aanleg gegeven einduitspraak. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld op 31 juli 2015, dient de verdachte daarin niet-ontvankelijk te worden verklaard. BESLISSING Het hof: verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.” 3.2. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep staat met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte het volgende vermeld: “De voorzitter deelt mede dat eerst moet worden onderzocht of de verdachte tijdig in hoger beroep is gekomen, nu het vonnis van de rechtbank dateert van 27 oktober 2010 en de verdachte eerst op 31 juli 2015 hoger beroep heeft ingesteld. De voorzitter deelt voorts mede dat zich in het dossier een akte van uitreiking bevindt, waaruit blijkt dat op 16 augustus 2010 is gepoogd een dagvaarding aan de verdachte uit te reiken. Op de akte is met de hand geschreven dat de verdachte de dagvaarding niet wenste te ondertekenen en in ontvangst te nemen, maar dat de tekst aan de verdachte is medegedeeld. De datum en het tijdstip van de zitting maken deel uit van de dagvaarding. De raadsvrouw voert het woord: Ik heb de door u voorgehouden akte niet gezien. Ik heb u gisteren nog wel een fax gestuurd. Ik hoor u zeggen dat u die niet heeft ontvangen. Ik zal het stuk nu overleggen. Uit het stuk blijkt dat de verdachte behandeld is voor alcoholisme. De Hoge Raad heeft inmiddels bepaald dat alcoholisme als ziekte kan worden beschouwd. De verdachte is op 16 augustus 2010 om 15:53 uur aangehouden in kennelijke staat van dronkenschap. Hij sprak met dubbele tong en hij had bloeddoorlopen ogen. Om 19:34 uur is hij heengezonden, dat is niet zo veel later dat het al weer gezakt was. Op deze manier aanzeggen aan de verdachte kan niet als een geldige uitbrenging van de dagvaarding worden beschouwd. Hij herinnert zich er niets van, en dat is gezien zijn toestand destijds ook niet gek. De dagvaarding had in deze zaak in ieder geval ook nog op een andere manier moeten worden uitgereikt. De advocaat-generaal deelt desgevraagd zijn standpunt mede : Ik maak uit deze akte op dat op 16 augustus 2010 om 19.30 uur is geprobeerd de dagvaarding voor de zitting van 27 oktober 2010 uit te reiken. Er is nadrukkelijk bij geschreven dat de verdachte niet wenste te tekenen en de dagvaarding niet in ontvangst wilde nemen. De verdachte beheerst de Nederlandse taal en beheerste die toen ook. De houding die blijkt uit deze mededeling op de akte past bij het beeld dat uit de documentatie van de verdachte in 2010 naar voren komt. Hij heeft meermalen politieambtenaren beledigd en zich verzet. Dat hij recalcitrant was blijkt ook uit deze mededeling op de akte. Uit deze akte blijkt dat me neer op de hoogte was van de datum van de zitting en dus had hij binnen 14 dagen na het vonnis hoger beroep moeten instellen en dat is niet gebeurd. De termijn was verstreken en de verdachte dient dan ook niet-ontvankelijk in het hoger beroep te worden verklaard. De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter: Ik begrijp dat dit een technisch juridische discussie is. Ik begrijp waar het over gaat, maar ik kan het me allemaal niet meer zo goed herinneren. Ik was zwaar aan de drank. U houdt mij voor dat ik kennelijk eerst een tijdje in de cel heb gezeten en dat ik daarna pas ben verhoord. U houdt mij voor dat ik in mijn verhoor wel antwoorden heb gegeven en dat ik het proces-verbaal heb ondertekend. Ik kan het me niet herinneren. De raadsvrouw van de verdachte voert het woord: Het probleem is dat papier geduldig is. De politie zegt in het proces-verbaal van aanhouding dat de verdachte zich in een kennelijke staat van dronkenschap bevindt. Zoiets zakt tussen 15:53 en 18:20 uur niet zodanig dat er vanuit gegaan kan worden dat iemand het allemaal snapt. Dat hij het niet snapte blijkt ook uit zijn reactie op de betekening. De verdachte heeft ook niet om een advocaat gevraagd, dat is typisch voor iemand die zich in zo'n situatie bevindt. Er is bovendien maar twintig minuten over het verhoor gedaan. Zelfs een kort verhoor als dit is niet in twintig minuten gebeurd. Ik vind dat je niet op deze manier met dronken mensen om kan gaan. De verdachte is lang behandeld in Tanzania voor zijn alcoholisme. Ten tijde van de zitting in eerste aanleg was hij al in Tanzania. Toen hij terug kwam in Nederland moest hij allerlei straffen en boetes uitzitten. Ik heb vervolgens nagevraagd of er nog meer open stond en toen kwam deze zaak naar boven. Bij de rechtbank bestond er kennelijk ook behoorlijke twijfel over de vraag of het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan. Daarom heb ik namens de verdachte hoger beroep in gesteld. De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat. De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt gesloten en doet terstond uitspraak.” 3.3. Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan worden opgemaakt dat de verdachte op 16 augustus 2010 omstreeks 15.53 uur door twee verbalisanten in kennelijke staat van dronkenschap is gezien op het Spuiplein te Den Haag. De verdachte is vervolgens door de betreffende verbalisanten bekeurd voor het drinken van alcoholhoudend bier op de openbare weg en heeft de verbalisanten hierop uitgescholden. Voorts houden deze stukken in dat de verdachte diezelfde dag omstreeks 18.20 uur in verband met het beledigen van de verbalisanten is gehoord op het politiebureau en bij dit verhoor een (grotendeels bekennende) verklaring heeft afgelegd en ondertekend. Blijkens een in het dossier zittende akte van uitreiking is op 16 augustus 2016, na afloop van het verhoor van de verdachte op het politiebureau, geprobeerd om de inleidende dagvaarding aan de verdachte uit te reiken. 3.4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een dagvaarding, voorzien van een handgeschreven en omcirkeld nummer 11 in de rechter bovenhoek en een rood stempel met de tekst “Kopie conform origineel Bureau Jan Hendrikstraat”. Achter “handtekening” is met pen een handtekening geplaatst. Aan dit exemplaar van de dagvaarding zijn niet de mededelingen onder 1 t/m 10, waarnaar in de dagvaarding wordt verwezen, gehecht. Wel is daaraan een akte van uitreiking gehecht met de navolgende tekst: “Arrondissementsparket te ’s-Gravenhage postbus 20302 postcode 2500 EM UITREIKEN IN PERSOON A K T E V A N U I T R E I K I N G Akte van uitreiking van de gerechtelijke brief en bijbehorend mededelingenformulier van de officier van justitie bij het bovengenoemde parket, genummerd als hieronder vermeld en bestemd voor: Parketnummer: 09/670289-10 naam: [verdachte] voornamen: [voornaam verdachte] geboren op: [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] wonende te: [woonplaats] adres: [a-straat 1] --------------------------------------------------------------------------------------------------- De hierboven bedoelde gerechtelijke brief en het bijbehorende mededelingenformulier heb ik, ondergetekende, heden, Maandag 16 augustus 2010, te 19.30 uur te (plaatsnaam en adres) Den Haag Jan Hendrikstraat 85 uitgereikt aan de geadresseerde in persoon. --------------------------------------------------------------------------------------------------- Deze akte heb ik terstond en op ambtseed (ambtsbelofte) opgemaakt en ondertekend. naam en voorletters : [verbalisant] functie : rechercheur B standplaats : bureau Jan Hendrikstraat handtekening : [handtekening] ---------------------------------------------------------------------------------------------------- De in deze akte bedoelde gerechtelijke brief en het bijbehorende mededelingenformulier zijn aan mij uitgereikt. Handtekening : zittingsdatum: 27 oktober 2010 92/FJHI/PR-006 Opm. verb Tekst aan verdachte medegedeeld Wenst niet te tekenen & niet in ontvangst te nemen. [handtekening]” 3.5. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat de verdachte moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de datum van de terechtzitting in eerste aanleg om verschillende redenen onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. Met name wijst de steller van het middel erop: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.