ECLI:NL:PHR:2017:586
Nr. 15/04944 Zitting: 23 mei 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4161 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “opzettelijk een graf schenden” veroordeeld tot vijftig uren taakstraf, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof zijn bewijsbeslissing met betrekking tot het voorwaardelijk opzet onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: ”hij in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden, althans enig op een begraafplaats, aan de Molenpoort, opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield of beschadigd door daarvan voorwerpen weg te nemen.”
Pleegdatum/tijd: tussen 1 maart 2013 en 12 juli 2014.
Ik doe aangifte van vernielingen aan het graf van mijn man. Mijn man is op 1 maart 2013 begraven op het kerkhof aan de Molenpoort in Weert. De vernielingen zijn ongeveer een maand na de begrafenis begonnen. Er zijn onder meer kunstbloemen afgeknipt. Op een gegeven moment waren wij het zat en is er een camera geplaatst. Op de beelden is te zien dat een mannelijk persoon van rond de 60 jaar naar het graf van mijn man loopt en dit vernielt. Ik herken deze man niet, mijn dochter [betrokkene 2] mogelijk wel.
Ik heb de camerabeelden naar aanleiding van de vernielingen aan en op het graf van mijn vader bekeken. Ik herken de man mogelijk als zijnde [verdachte] . Ik herken hem aan zijn gezicht, bril, haardracht en uitdrukking. [verdachte] is werkzaam voor de belastingdienst in Roermond en Maastricht. Mijn vader heeft een conflict met hem gehad over een belastingschuld.
Ik ben hier naar aanleiding van een vernieling. Ik ben erop geattendeerd dat er een filmpje op internet circuleerde waarop ik te zien ben.
Ik ben werkzaam bij de Belastingdienst. Ik ben enkele jaren geleden betrokken geweest bij de belastingheffingen van de familie [van betrokkenen] .
Op 30 juni 2014 ben ik naar het kerkhof, gelegen aan de Molenpoort in Weert, gegaan.
Ik liep langs het graf waar [betrokkene 3] begraven ligt. Ik las de teksten op het graf en bekeek de versiering. De kunstbloemen op het graf stonden in vazen.
Ik trok aan een stengel van één van de bloemen. Ik heb vervolgens de bloem van de stengel afgetrokken. Ik heb dit nogmaals herhaald bij een andere bloem.”
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals in de pleitnota verwoord, bepleit dat de verdachte van het overige deel (te weten: het deel ten aanzien waarvan geen nietigheid is bepleit) van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van een graf c.q. aan vernieling of beschadiging van een op een begraafplaats opgericht gedenkteken, in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014. Behoudens de aangifte van [betrokkene 1] bevat het procesdossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernielingen en/of beschadigingen van het onderhavige graf/gedenkteken anders dan het feit dat hij op 30 juni 2014 twee kunstbloemen die zich op het graf bevonden van hun steel heeft afgeknipt of daarvan heeft afgetrokken. De verdachte zal daarom voor het overige deel van het ten laste gelegde, voor zover dit ziet op andere feiten, worden vrijgesproken. | Met betrekking tot het gebeuren op 30 juni 2014 heeft het volgende te gelden. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 18 juli 2014, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij op de ten laste gelegde dag twee kunstbloemen, die deel uitmaakten van een grote bos die zich op het onderhavige graf bevond, van hun steel heeft afgetrokken. Op een ter terechtzitting in hoger beroep getoond filmfragment, afkomstig van de website ‘Youtube’, is te zien (…), dat de verdachte om zich heen kijkt, zich vervolgens bukt, zijn armen tussen een bos bloemen steekt en vervolgens een op het oog knippende beweging maakt.
Uit de inhoud van het procesdossier kan worden opgemaakt dat het hier gaat om kunstbloemen die zich bevonden in aan het grafmonument vastgelijmde granieten vazen. Thans ligt de vraag voor of vorenomschreven handelen kan worden bestempeld als het opzettelijk schenden van een graf, althans als het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet het delict ‘grafschennis’ als bedoeld in artikel 149 Wetboek van Strafrecht in het bijzonder worden gezien als een delict ter bescherming van de piëteit.
Onder het woord ‘graf’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht zal dan ook moeten worden verstaan: ‘een plaats waar een lijk begraven ligt’, waaronder mede dienen te worden begrepen al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht. Het ligt daarom voor de hand om onder het woord ‘graf’ in voormelde betekenis mede te verstaan de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich, de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen. Met betrekking tot dat laatste begrip is van geen enkel belang de vraag of het gaat om natuurlijke bloemen of kunstbloemen. Op het graf aangebrachte rouwbloemen zijn per definitie een uiting van liefde en respect voor de overledene en zijn ook tekens van medeleven en deelneming.
Onder ‘schenden’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht moet blijkens de bestaande jurisprudentie worden verstaan: het schenden van de integriteit van het graf. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis lijkt bij de beoordeling of daarvan sprake is, in het bijzonder van belang te zijn de beantwoording van de vraag of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen.
De verdachte heeft zowel bij zijn verhoor in het kader van het opsporingsonderzoek als ter terechtzitting met betrekking tot de reden waarom hij voormelde kunstbloemen van het onderhavige graf heeft verwijderd, verklaard -zakelijk weergegeven- (onder meer) dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen.
In redelijkheid kan aan deze verklaring van de verdachte geen enkel geloof worden gehecht. Op geen enkele wijze valt immers in te zien hoe aan de hand van de prijs van een -gelet op de inhoud van de vordering van de benadeelde partij dienaangaande niet erg kostbaar- boeket kunstbloemen als de onderhavige een idee kan worden verkregen van de hoogte van het inkomen van één of meer bij de overledene betrokken personen, noch daargelaten de vraag of bij de verdachte enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was. Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken. Op grond van het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het onderhavige graf heeft geschonden.
Bijgevolg wordt het verweer verworpen.”
In de onderhavige zaak van [verdachte] kan van een opzettelijk schenden in die zin geen sprake zijn. [verdachte] heeft al eerder verklaard dat de enige reden waarom hij twee bloemknoppen heeft afgetrokken en meegenomen, is geweest dat hij thuis, onder andere ter vergelijking op internet, de kosten daarvan wilde achterhalen of daar inzicht in krijgen. Men kan dit te verregaand noemen. Men kan het beroepsdeformatie noemen. Maar men kan het in ieder geval niet noemen het opzettelijk schenden of krenken van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel van de nabestaanden.
Er is dus geen sprake van schenden in de zin van de wet.
Evenmin is er sprake van opzet op schenden in de zin van de wet.
Reden voor zijn handelen heeft [verdachte] reeds aangegeven.
Bij dit alles komt ook dat ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
In dat verband is significant dat eerst geruime tijd later, aan de hand van - kennelijke - camerabeelden ontdekt is dat er iets gebeurde met betrekking tot de bloemen die op het graf stonden.
Dat betekent ook dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren.
Ook uit dit gegeven kan en moet worden afgeleid en geconcludeerd dat het verwijderen van twee bloemknoppen, dat geruime tijd niet is opgevallen, niet de bedoeling heeft gehad om nagedachtenis of het piëteitsgevoel te krenken.
Het ligt immers voor de hand dat iemand die de nagedachtenis of het piëteitsgevoel zou willen krenken, dat heel zichtbaar zou doen.”
In deze bijzondere wet was (in bedoeld sub 5°) strafbaar gesteld: “Het schenden van graven en begraafplaatsen.” Had eertijds onder vigeur van het Franse recht nog een juridisch dispuut plaatsgevonden over de vraag of de strafbepaling van art. 160 Code Pénal ook betrekking had op de lijkkist alvorens deze in het graf is neergelaten en op honende, lasterende of beledigende woorden tegen de overledene geuit, in het proefschrift van H.C.M. van Westerloo uit 1871, getiteld “De strafbepalingen in de Nederlandsche Begrafeniswet, Amsterdam” valt te lezen dat toen inmiddels algemene erkenning had gevonden dat: “Alleen door daden kan men plegen eene schending van graven of begraafplaatsen” (p. 69). In de tekst van art. 163 van de “Ontwerpen van een wetboek van strafregt en daartoe behoorende wetten met toelichting” van de Staatscommissie- De Wal was de begraafplaats verdwenen: "Hij die graven schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van hoogstens negen maanden”.
In dit ontwerp hadden de strafbare feiten uit de Begrafeniswet van 1869 hun (nieuwe) plaats gevonden. Voorts blijkt uit de onderlinge gedachtewisseling dat de leden van de Staatscommissie-De Wal de schending van graven voornamelijk als een delict tegen de piëteit aanmerkten. In de toelichting op het ontwerp-art. 163 (art. 161 ORO) rept de Staatcommissie-De Wal voorts van de kwalificatie grafschennis en laat zij weten dat niet meer van “begraafplaatsen” gewaagd wordt omdat: “Zoo scherp begrensd en sluitend het begrip van grafschennis is, even onbepaald en onbeteekend is het schenden ener begraafplaats, eig. eene elliptische uitdrukking voor het schenden of beschadigen van voorwerpen die zich op eene begraafplaats bevinden.
De algemeene bepaling tegen vernieling of beschadiging van goederen (art. 385), met verzwaring voorzoover eenig gedenkteeken mogt geschonden zijn (art. 386 n°. 3), is daarvoor genoegzaam”. Deze opvatting werd door minister Modderman van Justitie in de memorie van toelichting bij art. 161 ORO – uiteindelijk art. 149 Sr – overgenomen. Niettemin ondervond de door de Staatscommissie-De Wal ontworpen redactie een aantal wijzigingen. Zo werd de zaakvernieling met betrekking tot “gedenkteekenen op (…) begraafplaatsen opgerigt” (art. 386 n° 3; art. 380 n°. 3 ORO) overgebracht naar art. 149 Sr en werd graven enkelvoudig graf. En voorts werd op aanraden van de Commissie van Rapporteurs het woord opzettelijk bijgevoegd.
Dat was blijkens de memorie van toelichting nodig, want: “Een graf kan ook bij ongeluk geschonden worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid”. Wat wel bleef staan – van begin tot eind – is, als gezegd, “schenden” of een vervoeging daarvan. Ik kom daarop aanstonds terug.
Schenden onderstelt dus hetzij baldadigheid, hetzij opzettelijk krenken van de nagedachtenis des overledenen of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen. Daarom had de minister niet behoeven te voldoen aan de wens der Commissie van Rapporteurs 'opzettelijk' toe te voegen, omdat een graf bij ongeluk geschonden kan worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid. Ook tot uitdrukking van de bedoeling om een graf te raken was die bijvoeging niet nodig, aangezien dit ook in het woord schenden reeds ligt opgesloten. De schending kan dan ook gedaan worden door de eigenaar van het graf, en het is juist van de wetgever gezien, hier niet het vereiste van wederrechtelijkheid te stellen. Grafschennis is steeds wederrechtelijk.”
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In de tenlastelegging staat eigenlijk: “en/of spullen heeft weggenomen”. Het hof heeft dit verbeterd gelezen in: “door daarvan voorwerpen weg te nemen”, nu, aldus het hof, de verdachte door deze verbeterde lezing niet in zijn verdediging is geschaad.
Luidende: “Quiconque se sera rendu coupable de violation de tombeaux ou de sépultures”.
Kamerstuk II 1826/27, nr. XXIII, ondernummer 2, blad 606. In de Franse versie: “Seront punis des mêmes peines ceux, qui se seront rendus coupables de violation de sépultures on de mausolées, ou d’enlèvement de cadavres.”
Vgl. NLR, a.w., aant. 3 bij art. 149 Sr: “Er bestaat geen graf, zolang er niet begraven is. De mening dat ook de lijkkist, alvorens zij in het graf nedergelaten en bedekt is, als graf beschouwd moet worden omdat niet juist het graf, maar het lijk beschermd wordt, kan dus evenmin juist geacht worden voor onze wet als voor art. 360 CP (oud). De premisse is trouwens onjuist. Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd. Lijkschennis is bij ons als misdrijf niet bekend.”
N. Keijzer wijst daarop in zijn annotatie onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29. Zie nader A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt (kort aangeduid als de Staatscommissie-De Wal, AG), Deel II, p. 273. In dezelfde zin NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr: “Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd”.
Zaakvernieling (art. 379 ORO), ons huidige art. 350 Sr. ’s-Gravenhage: gebr. Belinfante’s, 1875, Memorie van Toelichting, p. 139.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: Tjeenk Willink, tweede deel, 1881, p. 99.
NLR, a.w., aant. 3 bij art. 149 Sr.
Zie ook de rechtsvergelijkende beschouwingen van Keijzer in de bedoelde noot.
Zie over de wederrechtelijkheid de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter vóór HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29.
Aant. 2 bij art. 149 Sr.
Zie ook de memorie van toelichting bij de Begrafeniswet van 1869, Bijlagen TK 1867/68, p. 106.
Overigens is baldadigheid in de vorm van straatschenderij afzonderlijk strafbaar gesteld in art. 424 Sr.
NLR, a.w., aant. 3 bij art. 349 Sr.
NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr voegt daar nog aan toe: “en bedekt is”. Maar dat is thans niet meer juist, volgt althans niet uit HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2012/29 m.nt. Keizer.
Vgl. NLR, aant. 5 bij art. 349 Sr: “Een gedenkteken is een voorwerp, gemaakt tot herdenking van iemand of iets. Daaronder vallen in de eerste plaats monumenten opgericht ter herinnering aan iemand die ter plaatse is begraven. Het behoeft niet een zichtbare voorstelling van de begravene te zijn. Een grafsteen, zijn naam vermeldende, strekt evenzeer tot herdenking als een meer pompeus monument. Een kruis op een graf, ook al wordt er bij gebreke van opschrift bij het publiek niet de herinnering aan een bijzondere persoon door opgewekt, valt onder het begrip. Daar[en]tegen niet de op het graf geplante bloemstruik, die meer tot versiering strekt”.
Ik wijs er nog op dat de vraag waarop het opzet gericht moet zijn, in dat arrest niet aan de orde is gekomen en dat de Hoge Raad zich daarover niet heeft uitgelaten.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt overigens dat de verdachte in het verleden een conflict heeft gehad met de overledene.