Nr. 16/00072 Zitting: 18 april 2017 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 16 december 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. en 2. “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en 1 dag, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden als in het arrest bepaald, alsook een taakstraf van 98 uren, subsidiair 49 dagen hechtenis. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld. 3Bewezenverklaring en bewijsvoering 3.1. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “1. hij op 28 mei 2012 te Waddinxveen met [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1996, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van en knijpen in en wrijven over de dij en de binnenkant van het bovenbeen van [betrokkene 1] , in de richting van haar vagina; 2. hij op 25 juli 2012 te Waddinxveen met [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2005, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het wrijven over en knijpen in de bil van [betrokkene 2] .” 3.2. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “1. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 december 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: Voor beide feiten geldt dat het druk was in het zwembad. Het kan best zijn dat ik iemand heb aangeraakt. Ik zat in het bubbelbad. Ik was slecht ter been en had een kruk bij me. 2. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 januari 2014, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: Ik was op 25 juli 2012 aanwezig in het zwembad. Er kwam die dag een moeder met haar twee kinderen, waaronder het meisje van zes tot acht jaar oud, in het bubbelbad. Het meisje kwam strak tegen mij aan. Ik draag een duikbril in het zwembad. 3. Een proces-verbaal van aangifte van de politie Hollands Midden d.d. 4 juni 2012, met nummer PL1609 2012079708-1, opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: als de op 4 juni 2012 afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene 1] (p. 24 ev): Op 28 mei 2012 ging ik met mijn broertje [betrokkene 3] zwemmen in het zwembad te Waddinxveen. Op een gegeven moment gingen [betrokkene 3] en ik in het bubbelbad. Ik zat tussen [betrokkene 3] en die meneer in. Ik voelde iets aan mijn dij, de zijkant van mijn linkerbovenbeen. Ik voelde knijpen. Op een gegeven moment zat die meneer aan de rechterzijde naast mij. Ik voelde dat die meneer over mijn benen ging wrijven. Ik voelde zijn hand tussen mijn benen. Ik voelde dat hij aaide en knijpbewegingen. Ik voelde dat hij mij aaide en kneep aan mijn rechterbeen, het bovenstuk van mijn been. Ik voelde dat hij met zijn hand tussen mijn benen ging in de richting van mijn vagina. U vraagt hoe die meneer eruit ziet: - Blanke man - Leeftijd ongeveer 50 jaar - Normaal postuur - Bovenop kaal, rand met kort haar, donkerblond - Gekleed in een blauwe zwembroek tot op de knie - Kleine zwembril op zijn hoofd, op zijn haar - Hij had iets aan zijn linkerbeen, want hij had een kruk. 4. Een geschrift, te weten een afschrift van een akte van geboorte d.d. 7 oktober 1996, opgemaakt door [verbalisant 1] , ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Venlo, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven- (p.54): Geslachtsnaam: [achternaam betrokkene 1] Voornamen: [voornamen betrokkene 1] Dag van geboorte: [geboortedatum] -1996 [geboortedatum] negentienhonderd zesennegentig 5. Een proces-verbaal van verhoor van de politie Hollands Midden d.d. 23 juni 2012, met nummer PL1609 2012079708- 5, opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: als de op 23 juni 2012 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 3] (p. 32 ev): Op tweede Pinksterdag gingen [betrokkene 1] en ik zwemmen in het zwembad De Sniep te Waddinxveen. We gingen ook in het bubbelbad. Tijdens het eten vertelde [betrokkene 1] dat er een man in het bubbelbad was die aan haar had gezeten. [betrokkene 1] zei dat ze een hand voelde aan haar bovenbeen. [betrokkene 1] en ik zijn weer naar het bubbelbad gegaan. We gingen aan de linkerzijde van die man zitten. [betrokkene 1] zat naast die meneer. Ongeveer een kwartier later zijn we eruit gegaan. [betrokkene 1] vertelde mij dat die man weer aan haar had gezeten. Ik kan die man als volgt omschrijven: - 50 jaar oud - Blanke man - Normaal postuur - Sprak Nederlands met een accent - Weinig haar op zijn hoofd - De man had een kruk bij zich - Droeg donkere, lange zwembroek - Een blauwe zwembril, die had hij op zijn voorhoofd 6. Een proces-verbaal van verhoor van de politie Hollands Midden d.d. 22 juni 2012, met nummer PL1609 2012079708- 4, opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: als de op 22 juni 2012 afgelegde verklaring van getuige [betrokkene 4] (p. 29 ev): Ik ben hier gekomen om een verklaring af te leggen over de gebeurtenis in het zwembad De Sniep in Waddinxveen op 28 mei 2012. [betrokkene 1] vertelde dat er iemand aan haar had gezeten in het zwembad. [betrokkene 1] vertelde dat zij in het bubbelbad zat en die man zat naast haar. Ze zei dat ze een hand voelde op haar bovenbeen. [betrokkene 1] deed het voor en ik zag dat ze haar hand op haar bovenbeen hield en over de zij en binnenkant van haar bovenbeen bewoog. 7. Een proces-verbaal van aangifte van de politie Hollands Midden d.d. 2 augustus 2012, met nummer PL1609 2012111614-1, opgemaakt en ondertekend door een tweetal daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -: als de op 2 augustus 2012 afgelegde verklaring van aangeefster [betrokkene 5] (p. 41 ev): Op woensdag 25 juli 2012 bevond ik mij met mijn dochters [betrokkene 2] en [betrokkene 6] in het zwembad 'De Sniep' te Waddinxveen. We zijn in het bubbelbad gaan zitten. Naast [betrokkene 2] zat er een man. Die man had kort haar of was misschien al kalend. De man had een zwembrilletje op zijn hoofd staan. Later stond ik met mijn dochters bij de toiletten in het zwembad. Mijn dochter [betrokkene 2] zei opeens tegen mij, uit het niets: 'Mama, die meneer naast mij deed zo....'. Ik zag toen dat [betrokkene 2] met haar hand naar haar billen ging, over haar billen streelde en er in kneep. Ik zei welke meneer? Toen zei ik bedoel je die meneer uit het bubbelbad? [betrokkene 2] zei toen ja. 8. Een geschrift, te weten een afschrift van een akte van geboorte d.d. 31 oktober 2005, opgemaakt door [verbalisant 2] , ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Gouda, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven- (p. 55): Geslachtsnaam: [achternaam betrokkene 2] Voornamen: [voornamen betrokkene 2] Dag van geboorte: [geboortedatum] -2005 [geboortedatum] tweeduizend vijf” 3.3. Voorts bevat het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverweging: “Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 december 2015 is door de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat er voor ieder afzonderlijk ten laste gelegd feit geen bewijs aanwezig is behalve de verklaring uit één en dezelfde bron voor dat betreffende feit. Er is niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering nu steunbewijs ontbreekt. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters [betrokkene 1] en [betrokkene 5] (die aangifte heeft gedaan namens haar toen 6-jarige dochter [betrokkene 2] ) in de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gebruikt kunnen worden als schakelbewijs. Zo vertoonde de feitelijke gang van zaken ten aanzien van deze feiten, waaronder begrepen de plaats delict en de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven, op essentiële punten overeenkomsten. In beide gevallen is het slachtoffer een minderjarig meisje, vond het misbruik plaats in een bubbelbad in het zwembad 'De Sniep' te Waddinxveen en waren de ontuchtige handelingen van dezelfde aard. De verklaringen van [achternaam betrokkene 1] en [betrokkene 5] zijn dan ook redengevend voor het bewijs in elkaars zaken. Het voorgaande leidt - in onderling verband en samenhang bezien - dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten heeft begaan. Het hof verwerpt het verweer.” 4Het middel 4.1. Het middel klaagt dat art. 6 EVRM is geschonden, omdat het hof verklaringen die door [betrokkene 2] zijn afgelegd tot het bewijs heeft gebruikt, terwijl de verdediging deze getuige – ondanks haar daartoe strekkend verzoek – niet heeft kunnen ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten onvoldoende steun vindt in de andere gebezigde bewijsmiddelen. 4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 22 september 2014 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in: “De voorzitter maakt melding van een namens de verdachte ingediend appelschriftuur waarbij verzoeken zijn gedaan tot het horen van getuigen. (…) Op de vraag van de voorzitter of de raadsman van de verdachte de onderzoekswensen van de verdediging nader wenst te onderbouwen, brengt de raadsman naar voren: De verklaring van [betrokkene 1] betreft het belangrijkste bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde. Haar belastende verklaring draagt de gehele tenlastelegging, ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Derhalve dient de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 1] te horen. De verklaring van [betrokkene 3] zou volgens de rechtbank op belangrijke punten overeenkomen met de verklaring van [betrokkene 1] . De verdediging heeft zich echter op het standpunt gesteld dat er sprake is van inconsistenties tussen beide verklaringen. Nu de rechtbank daaraan voorbij is gegaan, acht de verdediging het van belang dat [betrokkene 3] geconfronteerd wordt met die inconsistenties en dient de verdediging derhalve in de gelegenheid te worden gesteld om hem dienaangaande nader te horen. Voorts dient de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 4] te horen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaring van [betrokkene 4] overeenkomt met de verklaring van [betrokkene 1] en de rechtbank heeft de verklaring van [betrokkene 4] , aangaande de emoties van aangeefster bij thuiskomst uit het zwembad, vervolgens gebruikt als steunbewijs naast de verklaring van [betrokkene 1] . De verdediging is echter van mening dat inconsistenties bestaan tussen genoemde verklaringen. Tevens blijkt uit de verklaring van [betrokkene 4] dat zij overleg heeft gehad met [betrokkene 1] , waardoor sprake kan zijn geweest van sturing van de zijde van [betrokkene 4] . Ten slotte is de verdediging van mening dat het onduidelijk is of de emoties van [betrokkene 1] zijn ontstaan als gevolg van de ten laste gelegde feiten, dan wel als gevolg van de confronterende vragen van haar stiefmoeder, [betrokkene 4] . Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is de verdediging van mening dat slechts één bewijsmiddel voorhanden is, namelijk de verklaring van [betrokkene 5] . Haar verklaring betreft echter een verklaring de auditu, nu zij zelf niets heeft gezien van de ten laste gelegde feiten en zij van [betrokkene 2] heeft gehoord wat er in het zwembad is voorgevallen. Daarnaast is mogelijk sprake geweest van onbewuste beïnvloeding van de zijde van de badmeester, nu hij met [betrokkene 5] heeft gesproken over een eerder incident waarbij hij vervolgens de verdachte heeft aangewezen. De verdediging wenst [betrokkene 5] derhalve nader te horen. Voorts is [betrokkene 2] de enige onbetwiste bron van hetgeen zou zijn voorgevallen. De verdediging is zich ervan bewust dat het een zeer jonge getuige betreft en dat het om reden van kwetsbaarheid uitzondering moet zijn om een jonge getuige te horen. Echter, de verdediging kan er niet aan voorbij gaan dat de verdenking jegens de verdachte en de door de rechtbank opgelegde straf stevig zijn. Om die reden wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om [betrokkene 2] te horen. In de reactie van het Openbaar Ministerie van 23 juni 2014 aangaande de getuigenverzoeken zoals door de verdediging verwoord bij appelschriftuur, wordt gesteld dat sprake is van zodanig tijdsverloop dat [betrokkene 2] zich - gelet op haar jonge leeftijd - niets meer zal kunnen herinneren van de gebeurtenis. De verdediging is echter van mening dat het om een ingrijpende gebeurtenis gaat die in het algemeen niet licht wordt vergeten. De verdediging is zich ervan bewust dat de belangen van de verdachte en het slachtoffer tegen elkaar dienen te worden afgewogen, maar de verdediging is van mening dat het belang van de verdachte in dit geval dient te prevaleren. Eventueel zouden voorzorgsmaatregelen kunnen worden getroffen, zoals een studioverhoor in het bijzijn van een psycholoog, waarbij de verdediging niet lijfelijk (maar via een audioverbinding) aanwezig hoeft te zijn. Ten slotte wenst de verdediging de badmeester te horen die aanwezig is geweest ten tijde van de betreffende gebeurtenissen. Indien het hof dit verzoek toewijst, verzoekt de verdediging het Openbaar Ministerie alles in het werk te stellen de personalia van de betreffende badmeester te achterhalen teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen om hem te horen aangaande de ten laste gelegde feiten. Op de vraag van de voorzitter of er van de zijde van de verdediging nog overige onderzoekswensen zijn brengt de raadsman van de verdachte naar voren: (….) Vervolgens verzoekt de verdediging alle audiovisuele verhoren van aangevers en getuigen door de politie, inclusief de informatieve gesprekken, te bekijken en te beluisteren, waarbij de voorkeur uitgaat naar het verstrekken van deze verhoren op cd-rom. Subsidiair verzoekt de verdediging dat de cd-roms zullen worden overhandigd aan de afdeling zeden van de Politie in Sliedrecht. Ten slotte verzoekt de verdediging gelegenheid te krijgen de camerabeelden van het zwembad te bekijken nu op dossierpagina 2 staat vermeld dat de politie deze beelden van het zwembad heeft bekeken, maar dat niets belastend te zien was. De raadsman wenst deze beelden te bekijken omdat ze mogelijk voor de verdachte ontlastend materiaal bevatten. (…) Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof - toetsend aan het verdedigingsbelang- het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige afwijst, nu het belang van het welzijn van het minderjarige slachtoffer ernstig zou kunnen worden geschaad door haar als getuige te horen, mede gelet op het tijdsverloop sinds de gebeurtenis en tevens op hetgeen haar moeder bij de politie tijdens de aangifte heeft gezegd omtrent het horen van [betrokkene 2] (dossierpagina 43). Voorts deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof de verzoeken tot het horen van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en de nader te identificeren badmeester(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.