Nr. 15/05258 Zitting: 23 mei 2017 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2015 door het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis. Er bestaat samenhang met de zaak 15/05257P. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt bezien in samenhang met de toelichting dat het hof naar aanleiding van een gevoerd verweer had dienen te onderzoeken of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en, zo ja, of dat diende te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel subsidiair tot bewijsuitsluiting. Het verweer waarop het middel doelt, wordt door het hof als volgt weergegeven en verworpen: “Gevoerd verweer en verwerping daarvan Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat primair het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd, omdat de verbaliseerplicht (art. 152 Sv) door de opsporingsambtenaren niet is nageleefd. Zo is onder meer onduidelijk waar verschillende documenten, zoals de factuur van [A] d.d. 20 oktober 2012 , zijn inbeslaggenomen, aldus de raadsvrouw. De verdediging stelt primair dat de met opsporing belaste ambtenaren doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte hebben gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. Het subsidiaire verweer komt er - zakelijk weergegeven - op neer dat, nu de verbalisanten niet hebben voldaan aan hun verbaliseerplicht, de verklaringen van verdachte die voortvloeien uit de aan verdachte getoonde stukken waarvan de herkomst niet uit het dossier blijkt, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat verdachte moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Nadat op 18 juli 2013 in de woning van verdachte, die met diens toestemming is betreden, een ontmantelde hennepkwekerij was aangetroffen, is verdachte aangehouden. In verschillende processen-verbaal heeft de politie aangegeven welke goederen in welke ruimte in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte is enkele uren na zijn aanhouding verhoord. Bij die gelegenheid heeft hij, nog voordat hij was geconfronteerd met enig stuk, verklaard dat hij de kwekerij zelf heeft ingericht, dat hij de materialen voor de kwekerij zelf heeft gekocht bij [A], dat hij daar verschillende keren materialen heeft besteld en dat hij de materialen zelf heeft betaald. Bij gelegenheid van zijn volgende verhoor, waartoe hij op 19 juli 2013 was ontboden, is verdachte onder meer geconfronteerd met een factuur van [A] van 20 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.