← Nederland

ECLI:NL:PHR:2017:631

Nr. 16/03943 E Zitting: 30 mei 2017 Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De economische kamer van het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 25 maart 2016 het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Noord- Holland, locatie Haarlem, van 3 februari 2015 vernietigd ten aanzien van de strafoplegging en voor het overige bevestigd. De verdachte is veroordeeld wegens 1 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon; en; overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 2 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 3 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 4 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon", 5 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon; en; overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon" en 6 "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd begaan door een rechtspersoon". Het gerechtshof heeft de verdachte ten aanzien van de feiten 2, 4 en 6 veroordeeld tot een geldboete van € 4.500,-, en ten aanzien van de feiten 1, 3 en 5 telkens de bijkomende straf bevolen van stillegging van de onderneming van de verdachte [waarin het economisch delict is gepleegd] voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Er bestaat samenhang met de zaak 16/

  1. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2016 aan nietigheid leidt, doordat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet in het openbaar is geschied.
  2. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting dient in het openbaar te geschieden. Dit uitgangspunt is zowel in art. 6, eerste lid, EVRM als in art. 121 GW verwoord. Art. 4, eerste lid, RO en art. 269, eerste lid, Sv, krachtens art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk, herhalen dit. Deze bepalingen verwijzen alle naar de mogelijkheid van uitzonderingen op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting. Volgens de art. 121 GW en 4, eerste lid, RO dienen die uitzonderingen bij de wet te zijn bepaald. Art. 4, tweede lid, RO voegt daar nog aan toe dat om gewichtige - in het proces-verbaal van de zitting te vermelden - redenen het onderzoek ter terechtzitting geheel of gedeeltelijk kan plaatsvinden met gesloten deuren. Art. 6 EVRM bepaalt met het oog op welke belangen op het beginsel van de openbaarheid inbreuk mag worden gemaakt. Art. 269 Sv regelt de in art. 4 RO aangeduide mogelijkheid van sluiting van de deuren nader en herhaalt met het oog op welke belangen die inbreuk mag worden gemaakt. Dit wettelijk stelsel houdt in dat naast de mogelijkheid van sluiting van de deuren overeenkomstig de regeling van art. 269 Sv niet langs een andere weg inbreuk mag worden gemaakt op het beginsel van de openbaarheid van het onderzoek op de terechtzitting.
  3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt niet in dat het aldaar plaatsgevonden onderzoek in het openbaar is geschied. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat het voorschrift niet in acht is genomen. Dit verzuim moet leiden tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
  4. Het middel is terecht voorgesteld. Gelet hierop behoeft het tweede middel, dat klaagt over de strafoplegging geen bespreking.
  5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
  6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het proces-verbaal is ongedateerd, maar uit de dagvaarding hoger beroep en het arrest blijkt dat de terechtzitting op 11 maart 2016 plaatsvond. HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633 m.nt. ‘t Hart[, HR 9 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1332, NJ 2002/498] en HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:689, NJ 2016/230.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.