← Nederland

ECLI:NL:PHR:2017:723

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P.J. Wattel Advocaat-Generaal Prejudiciële procedure ex art. 27ga AWR Conclusie van 3 augustus 2017 inzake: Nr. Hoge Raad: 17/01041 Nr. Rechtban

Article 2BR).

Where a non-active person presents a cross-border dimension and a Member State's social security (including healthcare) legislation applies, or has applied, to him, then he comes within the personal scope of Regulation 883/2004.  The term "non active persons" covers persons who are not economically active and do not have a link with entitlement to social security benefits deriving from a current or past employment relationship. This can be a temporary status, students during their schooling (or education) period, or an unemployed person whose entitlement to unemployment benefits has ended (for as long as this person stays unemployed). A non-active person can also be a permanent status, for example, a person who has never worked and never will for whatever reasons (severe disability, no financial need). Family members who are not working are to be treated as "non active" persons as well.  The distinction between active and non-economically active persons is of great importance for the determination of the applicable legislation. In fact, this question becomes a central issue for institutions, as a non active person can become an active one, and vice versa. Such a change of status has a direct impact on the determination of the applicable legislation.  Active persons are obviously people who pursue activities as employed or self employed persons or civil servants. People who receive a benefit because or as a consequence of their activity as an employed or self-employed person, such as sickness benefit in cash (not including sickness benefits in cash covering treatment for an unlimited period), or an unemployment benefit are also treated as active persons (

Article 11(2) of Regulation (EC) No 883/2004).

 By contrast, receipt of certain long-term benefits, such as invalidity, old-age or survivors' pension, or pensions in respect of accidents at work or occupational diseases, or sickness benefits in cash covering treatment for an unlimited period, is not equated with work. The persons receiving these benefits shall as non-active persons be subject to the legislation of the Member State of residence. (Article 11

(3)(e) of Regulation (EC) No 883/2004).” 7.6 Onder het hoofd ‘R – Residence and applicable legislation’ vermelden deze Notes: “Article 11 of Regulation (EC) No 883/2004 contains rules for determining the applicable legislation for economically active persons as well as for non active persons (

Article 11(2) and 3 (e)).

For non-active persons, the legislation of the state of residence applies in principle, without prejudice to the specific provisions of Title III guaranteeing him or her benefits under the legislation of one or more other Member States.” 7.7 De Commissie Verzekeringsaangelegenheden (CVA) is een coördinatiecommissie waarvan onder meer de Belastingdienst, de Sociale Verzekeringsbank en het UWV onderdeel uitmaken en die onder meer de uitvoering van het grensoverschrijdende sociale-zekerheidsrecht coördineert. De CVA heeft een eigen toelichting gegeven op art. 11

(3)(e) Vo. 883/
  1. De versie van april 2010 van die toelichting, p. 63-64, luidt: “Wat houdt dit artikel in? Artikel 11, lid 3e geeft als restbepaling een aanwijsregel voor alle personen op wie geen andere aanwijsregel van toepassing is. Hieronder vallen ook personen met een uitkering, die niet wordt gelijkgesteld met werken. Dit geldt ook als zij op basis van de nieuwe verordening volgens de nationale wetgeving van het vroegere werkland of van een andere lidstaat prestaties ontvangen. Is dit artikel anders dan in de vorige verordening? In Verordening (EEG) 1408/71 stond eerst geen aanwijsregel voor niet-actieven. Zij vielen aanvankelijk niet onder die verordening. Dit is als gevolg van jurisprudentie opgelost door de komst van een aparte aanwijsregel voor post-actieven, te weten artikel 13, lid 2f Verordening (EEG) 1408/
  2. Deze aanwijsregel loste niet alle problemen op. Voor personen die niet deelgenomen hadden aan het economisch verkeer, zoals studenten, scholieren en degenen met afgeleide rechten, bestonden er geen aanwijsregels. De nieuwe verordening brengt hierin verandering, omdat het nieuwe artikel 11, lid 3e een aanwijsregel geeft voor personen die geen werkzaamheden verrichten en personen die een uitkering ontvangen die niet gelijkgesteld wordt met werken. Deze aanwijsregel houdt in dat de wetgeving van het woonland wordt aangewezen. Dit in tegenstelling tot Verordening 1408/71 waar post-actieven ofwel onderworpen zijn aan de wetgeving van hun laatste werkland ofwel aan de wetgeving van hun woonland. Corresponderende artikelen Artikel 13, lid 2f Verordening (EEG) 1408/71” 7.8 Zowel de Europese Commissie als de Nederlandse Executieve zien art. 11
(3)(e) van de nieuwe Verordening dus kennelijk (vooral) als regeling van de positie van inactieven of post-actieven. Ook Sijstermans e.a. stellen dat art. 11
(3)(e) ziet op inactieven. Het artikels-gewijze commentaar in de Vakstudie IBR stelt dat art. 11
(3)(e) een aanwijsregel voor inactieven inhoudt, maar vat ‘inactieve’ op als persoon die niet valt onder art. 11
(3)(a)-(d). 7.9 Weerepas schreef naar aanleiding van het Kik-arrest over de behandeling van inactieven door het HvJ EU en onder de nieuwe Verordening (ik laat voetnoten weg): “De advocaat-generaal concludeerde dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is op basis van art. 13, lid 2, onderdeel f, omdat Kik in Nederland woont. Het Hof van Justitie neemt de conclusie niet over en oordeelt op basis van art. 13, lid 2, onderdeel f, Vo. 1408/71 dat de Nederlandse wetgeving gedurende de gehele periode van toepassing is, omdat Kik niet opgehouden was onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat, zoals de voorwaarde voor de toepassing van art. 13, lid 2, onderdeel f, Vo. 1408/71 luidt. In Vo. 883/2004 is de bepaling van inactieven duidelijker en naar mijn mening ook ruimer geformuleerd; indien de verzekeringsplicht niet kan worden vastgesteld ingevolge de andere toewijzingsregels, is de verzekeringsplicht toegewezen aan de woonstaat.” 7.10 Art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 is bij wijzigingsverordening nr. 2195/91 in de oude Verordening ingevoegd naar aanleiding van het arrest Ten Holder om te kunnen bepalen welke wettelijke regeling van toepassing was op personen op wie het stelsel van een lidstaat niet meer van toepassing was zonder dat het stelsel van een andere lidstaat op hen van toepassing werd op grond van art. 13
(2)of artt.14 t/m 17 van de oude Verordening. In de zaak Ten Holder had het HvJ EG geoordeeld dat een migrerende werknemer die zijn werkzaamheden in een lidstaat had gestaakt en niet ging werken in een andere lidstaat, onderworpen bleef aan de wetgeving van de lidstaat waar hij het laatst werkzaam was geweest, ongeacht de tijd die sinds de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband was verstreken. Dat leidde tot gratis verzekering in de voormalige werkstaat voor niet premieplichtige voordelen, zoals de kinderbijslag. Art. 13
(2)(f) corrigeerde deze weeffout in de oude Verordening door in een dergelijk geval de wetgeving van de woonstaat aan te wijzen. 7.11 In het door de belanghebbende aangevoerde arrest Kuusijärviis de reikwijdte van art. 13
(2)(f) aan de orde gekomen. Die zaak betrof de Finse mevrouw Kuusijärvi die ten tijde van de toekenning van een Zweedse ouderschapsuitkering al werkloos was en vervolgens verhuisde van Zweden naar Finland zonder in Finland beroepsactiviteiten uit te oefenen en daarmee haar Zweedse sociale-zekerheidsuitkeringen verloor. Volgens de belanghebbende volgt uit dit arrest dat het HvJ EU art. 13
(2)(f) van de oude Verordening niet ziet als een bepaling die alleen over inactieven gaat. Hij leidt dat af uit de volgende overwegingen: “39 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat niets in de bewoordingen van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 erop wijst, dat deze bepaling alleen van toepassing is op werknemers die definitief elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet, en niet op personen die enkel hun beroepswerkzaamheid in een bepaalde lidstaat hebben gestaakt. 40 Deze bepaling is juist in algemene bewoordingen geredigeerd, zodat zij alle gevallen omvat waarin de wettelijke regeling van een lidstaat om welke reden ook ophoudt van toepassing te zijn op een persoon, en niet alleen omdat hij in een bepaalde lidstaat zijn beroepswerkzaamheden al dan niet definitief heeft stopgezet. 41 Indien de toepassing van artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 werd beperkt tot het geval van definitieve stopzetting van elke beroepswerkzaamheid, zou deze bepaling gedeeltelijk van haar betekenis worden beroofd.” 7.12 De belanghebbende moet toegegeven worden dat het HvJ EU niet een mogelijk beperkte bedoeling (alleen pensionados) tot uitgangspunt neemt, maar de volle uit de tekst volgende reikwijdte van de bepaling tot alle al dan niet tijdelijk of deels inactieven. Daaruit volgt echter niet dat die oude bepaling ook op zijn geval van toepassing zou zijn geweest. De geciteerde overweging is slechts weerlegging van de stelling dat art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 alleen op gepensioneerden zag. Het Hof constateerde dat die bepaling zodanig was geredigeerd dat ook niet-gepensioneerden er onder vielen, nl. alle gevallen waarin de wetgeving van een bepaalde lidstaat om welke reden dan ook ophield van toepassing te zijn op een persoon. Voor toepasselijkheid van die oude bepaling was daarom niet nodig dat de betrokkene al zijn activiteiten en voorgoed had stopgezet. Kuusijärvi ging daarmee over een in art. 13
(2)(f) van de oude Verordening opgenomen criterium dat in het nieuwe art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004 helemaal niet voorkomt, zodat het mij niet relevant lijkt voor belanghebbendes geval, behoudens voor zover er wel uit blijkt dat het Hof aanwijsbepalingen in beginsel naar hun tekst toepast. 7.13 Gezien de boven weergegeven geschiedenis van de voorganger van art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004, de preambule van Vo. 883/2004 en de toelichting van de Europese Commissie op die bepaling, is duidelijk dat zij in elk geval ziet op inactieven en post-actieven binnen de werkingssfeer van de Verordening. Dat die bepaling ook tot die twee categorieën beperkt zou zijn, volgt op geen enkele manier uit haar tekst of uit enig primair document; integendeel: die tekst en het afpelsysteem van art. 11 leiden mijns inziens naar de conclusie dat belanghebbendes geval onder art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004 valt. Dat het HvJ EU in Kik art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 niet toepasselijk achtte, is niet relevant, nu die bepaling, anders dan art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004, eiste dat de betrokkene was opgehouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat zonder elders verzekerd te geraken (hetgeen bij Kik niet het geval was). Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de Europese wetgever per ongeluk die toepassingsbeperking zou hebben laten vervallen in de nieuwe Verordening nu juist het vervallen daarvan als (enige) effect heeft dat de reikwijdte uitgebreid wordt van inactieven tot algemene restbepaling. 7.14 Welke uitleg sommige uitvoeringsorganen van een lidstaat op eigen gezag aan art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004 willen geven, lijkt mij, anders dan de Staatssecretaris kennelijk stelt, EU-rechtelijk niet relevant. 7.15 De hierboven boven weergegeven bronnen die zouden suggereren dat de restbepaling ondanks zijn duidelijke en met het oude art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 contrasterende tekst slechts zou zien op inactieven en post-actieven, acht ik zwak c.q. van weinig of geen EU-rechtelijke autoriteit. Zij zijn mijns inziens te zwak om een duidelijk wettekst opzij te zetten. 7.16 Ik concludeer dat art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004 ziet op alle personen binnen de werkingssfeer van de Verordening die niet onder art. 11
(3)(
  1. a)t/m (
  2. d)of artt. 12 t/m 16 vallen en dat de aanwijzingen dat zij alleen op inactieven en post-actieven zou zien, te zwak zijn om een duidelijke tekst opzij te zetten. 8Beantwoording van de prejudiciële vragen De eerste vraag 8.1 Uit onderdeel 5 volgt dat de belanghebbende als ingezetene van een EU-lidstaat met een werkgever in een (andere) EU-lidstaat, binnen de reikwijdte van de nieuwe Verordening valt, hoewel hij buiten de EU werkt op een schip onder de vlag van een niet-lidstaat. 8.2 Noch de oude, noch de nieuwe Verordening bevat een reguliere aanwijsregel die in belanghebbendes geval leidt tot aanwijzing van de wetgeving van een lidstaat. Onder beide verordeningen gold/geldt voor zeevarenden het vlaglandbeginsel (art. 13
(2)(c) Vo. 1408/71; art. 11
(4)Vo. 883/2004), dat in belanghebbendes geval onder geen van beide verordeningen leidt tot aanwijzing van de wetgeving van een lidstaat (de vlagstaat is een derde land), waardoor deze bepalingen effectloos zijn. 8.3 Onder de oude Verordening zou het ontbreken van een EU- (of EER-, of Zwitsers) vlagland leiden tot toepassing van de Aldewereld/Kik-leer, die in belanghebbendes geval de werkgeverstaat (Nederland) zou aanwijzen. Het HvJ EU achtte in de zaak Kik immers art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 niet van toepassing omdat Kik niet ophield in Nederland onderworpen te zijn, zodat aan die toepassingsvoorwaarde niet was voldaan. Hij achtte de woonplaats van de werknemer in de oude Verordening een ondergeschikt aanknopingspunt als geen arbeid in de woonstaat werd verricht (r.o. 58) en sloot daarom in r.o. 59 aan bij art. 14
(2)(a) Vo. 1408/71, dat werknemers die hun werk reizend verrichtten en daardoor niet aan een bepaalde werkstaat gekoppeld konden worden, verbond aan het stelsel van de werkgeverstaat. Hij achtte zeevarenden zoals Kik vergelijkbaar met dergelijke ambulante werknemers. Die bepaling (art. 14
(2)(a) Vo. 1408/71 over werknemers in de internationale binnenvaart) is in de nieuwe Verordening echter niet teruggekeerd (het nieuwe art. 13 Vo. 883/2004 zit anders in elkaar), zodat daarbij niet aangesloten kan worden. De fiscus wil dan ook aansluiten bij de zeevarendenbepaling, waarvan echter juist vast staat dat zij niet van toepassing is (noch was, onder de oude Verordening) als de vlagstaat geen lidstaat is, zoals in casu. In Kik heeft het Hof het daardoor ontstane aanwijsvacuüm opgevangen door aan te sluiten bij een bepaling over internationaal binnanvarende werknemers, niet door de niet-toepasselijk bevonden zeevarendenbepaling toch toe te passen. Dat is wel wat de fiscus thans bepleit. Hij bepleit dus niet toepassing van een naastbijzijnde aanwijsbepaling, maar toepassing van de niet-toepasselijke aanwijsbepaling zelf, bovendien met voorbijgaan aan het naar zijn duidelijke tekst wél toepasselijke art. 11
(3)(e) Vo. 883/2004. 8.4 De fiscus moet wel toegegeven worden dat ook in de nieuwe Verordening de woonplaats van de werknemer als aanknopingscriterium ondergeschikt lijkt aan de vestigingsplaats van de werkgever, gezien de aanwijsregels in de artt. 11
(4)en 13
(1)en
(2)Vo. 883/2004, die de vestigingsplaats van de werkgever/loonbetaler doen prevaleren boven de woonplaats. Die bepalingen zijn echter niet van toepassing op personen die niet in de EU werken en evenmin op een schip met EU-vlag, zoals de belanghebbende, terwijl art. 11
(3)(
  1. e)wél op hem van toepassing is 8.5 De aanwijsregels zijn in de nieuwe Verordening aanzienlijk vereenvoudigd en behoudens de bijzondere gevallen van de artt. 12 t/m 16 Vo. 883/2004 volgen zij het afpel-systeem van art. 11: iedereen die niet onder (
  2. a)t/m (
  3. d)valt, valt onder (e). Die bepaling stelt categorisch dat in alle gevallen binnen de werkingssfeer van de Verordening die niet onder (
  4. a)t/m (
  5. d)van art. 11
(3)vallen, de wetgeving van de woonstaat van de werknemer wordt aangewezen. De toepassingvoorwaarde van het oude art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 - dat de betrokkene “ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij (…) aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen” – is verdwenen. Daarmee is de (enige zichtbare) reden voor het HvJ EU om in de zaak Kik art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71 niet toe te passen, verdwenen. Voordat het HvJ EU in de zaak Kik zijn Aldewereld-aanwijsregel toepaste, liep hij alle aanwijsbepalingen in Vo. 1408/71 langs, ook het voor Ten Holder-gevallen ingevoegde art. 13
(2)(f) Vo. 1408/71, dat hij niet van toepassing achtte (zie r.o. 53) omdat niet voldaan was aan de onder de nieuwe Verordening geschrapte toepassingsvoorwaarde ‘ophouden onderworpen te zijn aan de wetgeving van een lidstaat’. Ook onder de nieuwe Verordening zal het Hof alle aanwijsregels langs lopen en zal hij dus langs art. 11
(3)(e) komen. Ik zie niet in waarom hij die naar zijn tekst onmiskenbaar toepasselijke bepaling zou negeren ten gunste van rechtersrecht dat door hem slechts geïmproviseerd is voor gevallen waarin de oude Verordening ondanks haar personele en territoriale toepasselijkheid een aanwijzingvacuüm vertoonde. De Aldewereld- en Kik-rechtspraak ziet mijns inziens alleen op gevallen waarin een persoon binnen de werkingssfeer van de Verordening valt maar desondanks buiten dier aanwijsstelsel dreigt te vallen, hoewel de bedoeling van dat stelsel is zowel dubbele aansluiting als niet-aansluiting te vermijden, zoals het HvJ EU ook uitdrukkelijk overwoog in r.o. 63 van Kik. Zij heeft geen voorwerp als de (nieuwe) Verordening wél een keuze maakt tussen twee of meer in aanmerking komende aanknopingslidstaten. 8.6 Wat de fiscus in casu in wezen bepleit, is een andere restbepaling (“zoek de naastbijzijnde niet rechtstreeks toepasselijke aanwijsregel”; of “de vestigingsstaat van de werkgever”; of “doe alsof de vlagstaat een lidstaat is”) dan de door de Europese wetgever vastgestelde en duidelijke restbepaling, die de woonstaat aanwijst. Art. 11
(3)(
  1. e)Vo. 883/2004 voorziet eindelijk – overeenkomstig de vereenvoudigings-, moderniserings- en vervangingsdoelen van de nieuwe Verordening (zie de Preambule in onderdeel 7) en overeenkomstig het coördinatie doel van beide Verordeningen - in een voordien node gemiste duidelijke restbepaling. Het Hof hoeft dus niet meer - zonder duidelijke competentiebasis - als wetgever-plaatsvervanger ontbrekende aanwijsregels te stellen om het anders onbereikbare coördinatiedoel van de Verordening te bereiken. Niet relevant lijkt mij dat de saldobepaling in Vo. 883/2004 in belanghebbendes zeldzame geval een ander stelsel aanwijst dan het voorheen noodzakelijke rechtersrecht deed. Het stond de Uniewetgever uiteraard vrij om de door hem gewenste vervanging, modernisering en vereenvoudiging uit te drukken in minder en duidelijker regels, die dan uiteraard in sommige gevallen tot andere aanwijzingen kunnen leiden dan onder het onoverzichtelijke en onvolledige oude stelsel. 8.7 Ik merk op dat ook niet meteen valt in te zien waarom EU-recht dat slechts exclusieve coördinatie beoogt en niet een bepaalde verzekering(sgraad), zó geïnterpreteerd zou moeten worden dat het Letse stelsel, waarbij de belanghebbende naar intern recht is aangesloten als Letland een woonplaatstelsel heeft, overruled wordt en in plaats daarvan een nationaal stelsel toepasselijk verklaard wordt dat naar intern recht juist niet toepasselijk is (het Nederlande). Als de twee nationale stelsels reeds perfecte coördinatie bereiken (exclusieve toepassing van het Letse stelsel), waarom zou het EU-recht dan het tegenovergestelde en door de betrokken werknemer expliciet niet gewenste resultaat moeten opleggen? De tweede vraag 8.8 De belanghebbende en de NOB stellen in hun schriftelijke opmerkingen dat de tweede prejudiciële vraag van de Rechtbank niet hoeft te worden beantwoord als het antwoord op de eerste luidt dat de wetgeving van de woonstaat van toepassing is. Die stelling lijkt mij juist. In de zaak Kik stond vast (zie de r.o. 53, 62 en 63) dat Kik naar intern recht de gehele litigieuze periode verplicht was aangesloten bij het Nederlandse stelsel. In belanghebbendes geval daarentegen is naar intern recht geen sprake van aansluiting bij het Nederlandse stelsel: hij heeft nooit in Nederland gewerkt, is geen inwoner geweest en is evenmin onderworpen aan de Nederlandse loonbelasting. De enige interne bepaling waarop verzekeringsplicht gebaseerd kan worden, is art. 6a(
  2. a)AOW (en de daarmee vergelijkbare bepalingen in de andere volksverzekeringswetten), dat echter niet meer zegt dan dat het Nederlandse recht toepasselijk is als de Verordening dat zegt. Het biedt geen grondslag voor verzekering als de Verordening niet Nederland aanwijst. Als de Verordening de Letse sociale-zekerheidswetgeving aanwijst, leidt ook art. 6a AOW (c.a.) dus niet tot verzekering in Nederland (zie ook art. 6a(b)(AOW). 8.9 Dan is er geen aanleiding om te onderzoeken of het Letse stelsel in daadwerkelijke verzekering voorziet. Nederland heeft, anders dan in de zaak Kik, geen rol als Letland wordt aangewezen. De niet-aangewezen lidstaat die de betrokkene evenmin naar intern recht verzekert, kan mijns inziens niet in afwijking van zijn interne recht tot aansluiting gedwongen worden op de grond dat het stelsel van de wél door de Verordening aangewezen lidstaat gebrekkige, beperkte of geen sociale zekerheid biedt. Het doel van de Verordening is bereikt met enkelvoudige aanwijzing; zij verplicht niet tot daadwerkelijke verzekering. Het staat de lidstaten vrij om géén sociale-zekerheidsstelsel te onderhouden. Het alsnog verzekeren van de belanghebbende door de niet-aangewezen lidstaat kan mijns inziens van die lidstaat alleen gevergd worden als die lidstaat ook zonder de Verordening, dus naar intern recht, de belanghebbende reeds zou verzekeren. Anders dan de belanghebbende, was Kik verplicht verzekerd in Nederland en zou hij bij aanwijzing van het Zwitserse stelsel zijn Nederlandse rechten dus verliezen. Daarom moest bij aanwijzing van het Zwitserse stelsel nagegaan worden of het Zwitserse stelsel wel (verplichte) aansluiting bood. Het is niet de bedoeling van de Verordening, met name niet van de (oude) conflictregel van art. 15
(2)Vo. 1408/71 die in de zaak Kik (r.o. 62) toegepast moest worden (en in belanghebbendes zaak niet), dat de aanwijzing ex de Verordening c.q. de Aldewereld-aanwijzing ertoe leidt dat iemand zijn verzekering wordt afgepakt. Daarvan is in belanghebbendes geval geen sprake: anders dan Kik, verliest hij geen enkel Nederlands verzekeringsrecht als de Verordening het Letse stelsel aanwijst. Hij is naar intern recht immers niet in Nederland verzekerd. 8.10 Ik meen dat deze conclusie ook voortvloeit uit het arrest Zinnecker van het HvJ EU: volgens het HvJ EU wees de (oude) Verordening voor het geval van de Duitser Zinnecker – die in Duitsland en deels ook in Nederland een kraam exploiteerde die thans food truck genoemd zou worden – de Duitse wetgeving aan, hetgeen ertoe leidde dat hij nergens verzekerd was, nu hij in Nederland naar intern recht niet verzekerd was (hij was geen inwoner) en in Duitsland niet aan de aansluitvoorwaarden voldeed omdat hij gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van verzekering onder het Duitse stelsel. Dat aanwijzing van het Duitse stelsel aldus niet tot daadwerkelijke aansluiting aldaar leidde, was dus – anders dan bij Kik, die naar intern recht wél verzekerd was in Nederland – geen reden om alsnog Nederland tot verzekering verplicht te achten. Ik meen daarom dat ontkennende beantwoording van de tweede prejudiciële vraag een acte clair is. 9Conclusie Ik geef u in overweging de prejudiciële vragen van de Rechtbank als volgt te beantwoorden: In een geval zoals dat van de belanghebbende wijst Vo. 883/2004 de wetgeving van de woonstaat Letland aan voor de in deze vraag bedoelde periode; Niet onderzocht hoeft te worden of de Letse wetgeving voorziet in aansluiting van de belanghebbende bij enig stelsel van sociale zekerheid voor de bedoelde periode. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 april 2017, nr. BRE 16/1532, ECLI:NL:RBZWB:2017:2454, V-N 2017/24.
  1. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PbEU 2004, L 166/
  2. In deze conclusie aangeduid als ‘de nieuwe Verordening’, ‘Verordening 883/2004’ of ‘Vo. 883/2004’. De nieuwe Verordening is in 2004 aangenomen en is volgens haar art. 91 van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de toepassingsverordening. Art. 97 van de toepassingsverordening (Verordening (EG) nr. 987/2009) bepaalt dat zij in werking treedt op 1 mei
  3. Het voorgaande geldt overigens slechts voor EU-onderdanen. Met betrekking tot derdelanders, Zwitserland en de EER blijven Verordening (EEG) 1408/71 en dier toepassingsverordening (EEG) 574/72 van toepassing tot 1 januari 2011, respectievelijk 1 april 2012, respectievelijk 1 juni
  4. Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PbEG 1971, L 149/2, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, PbEU 2008, L 177/
  5. In deze conclusie aangeduid als ‘de oude Verordening’, ‘Verordening 1408/71’ of ‘Vo. 1408/71’. HvJ EG 29 juni 1994, zaak C-60/93, na conclusie A-G Lenz, ECLI:EU:C:1994:271, BNB 1995/44, met noot Sinninghe Damsté (BNB 1995/45) (Aldewereld v Staatssecretaris van Financiën). HvJ EU 19 maart 2015, zaak C-266/13, na conclusie A-G Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2015:188, BNB 2015/107, met noot Kavelaars (Kik). HvJ EG 13 oktober 1993, zaak C-121/92, na conclusie A-G Jacobs, ECLI:EU:C:1993:840, BNB 1994/203, met noot Sinninghe Damsté (Staatssecretaris van Financiën v Zinnecker). HvJ EG 27 september 1989, zaak C-9/88, na conclusie A-G Darmon, ECLI:EU:C:1989:346 (Mário Lopes da Veiga tegen Staatssecretaris van Justitie). https://www.hogeraad.nl/prejudiciele-vraag/17/
  6. Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PbEG 1971, L 149/2, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008, PbEU 2008, L 177/
  7. Voetnoot PJW; de Rechtbank citeert in r.o. 4.
  8. een andere bepaling waarvan ik niet heb kunnen achterhalen in welke versie van de oude Verordening deze is opgenomen. Ik ben in deze conclusie uitgegaan van de officieuze geconsolideerde versie van de oude Verordening die te vinden is via de site http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=LEGISSUM:c10516 en die ook door het HvJ EU wordt geciteerd in het arrest Kik. Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, PbEU 2004, L 166/
  9. Besluit Premieheffing. Volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en Zorgverzekeringswet; Internationale aspecten, 2 juli 2007, nr. CPP2007/584M, Stcrt. 2007, 130, NTFR 2007/
  10. Besluit van 23 augustus 1989, tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 3, derde en vierde lid, van de Ziektewet en artikel 3, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet, Stb. 1989/
  11. Besluit van 24 december 1998, tot vaststelling van een maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 13, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 6, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet en 5, derde en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999), Stb. 1998/
  12. Besluit verzekeringsplicht zeevarenden van 21 april 1999, Stcrt. 1999, 83 zoals gewijzigd bij Besluit van 22 december 2003, Stcrt. 20 februari 2004, 35, p.
  13. Besluit van 22 december 2003, Stcrt. 20 februari 2004, 35, p.
  14. Besluit verzekeringsplicht zeevarenden van 21 april 1999, Stcrt. 1999,
  15. Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 december 2009, nr. IVV/OOG/2009/26708, p. 3, NTFR 2010/
  16. M.J.G.A.M. Weerepas, ‘Extraterritoriale werking Vo. 1408/71 en zeevarenden’, NTFR-B 2011/
  17. HR 11 februari 2011, nr. 10/01323, ECLI:NL:HR:2011:BO5093, BNB 2011/141, met noot Kavelaars. HvJ EU 7 juni 2012, zaak C-106/11, ECLI:EU:C:2012:328, BNB 2012/214, met noot Kavelaars (Bakker). HvJ EU 17 januari 2012, zaak C-347/10, na conclusie A-G Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2012:17, NJ 2012/153, met noot Mok (Salemink). Zie bijvoorbeeld art. 6 Algemene Ouderdomswet (AOW). Art. 2 Wet op de loonbelasting 1964 (LB) bepaalt dat een werknemer in dienstbetrekking in beginsel is onderworpen aan loonbelasting (lid 1). Personen die werkzaamheden verrichten aan boord van een schip van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd worden niet als werknemer aangemerkt indien zij hun werkzaamheden geheel buiten Nederland verrichten, zij niet in Nederland wonen en voldaan is aan de voorwaarden van art. 2
(4)LB: (
  1. a)het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de BES eilanden of een andere mogendheid wordt geheven, en (
  2. b)het loon is niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen onderworpen. De Rechtbank heeft vastgesteld (r.o. 2.5) dat de belanghebbende is vrijgesteld van belastingheffing. Ik ga er daarom vanuit dat hij in Nederland niet was onderworpen aan de loonbelasting. Ik merk op dat volgens (het niet OESO-conforme) art. 15
(3)van het belastingverdrag met Letland de beloning verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, slechts in die Staat (Letland) belastbaar is. “Internationaal verkeer" is alle vervoer met een schip, geëxploiteerd door een onderneming van een verdragstaat, behalve wanneer het schip uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere verdragstaat zijn gelegen. De belanghebbende stelt (brief van 28 juni 2017, p. 6, laatste alinea) dat geen sprake is van werkzaamheden in het internationaal verkeer en dat als hij niet in Nederland werkzaam is geweest, het arbeidsinkomen op grond van art. 15
(1)) van het belastingverdrag aan Letland is toegewezen. Volgens de Staatssecretaris (brief van 21 juni 2017, p. 3) daarentegen is de heffingsbevoegdheid onder het belastingverdrag niet toegewezen aan Letland. Hoe dat laatste zich verhoudt tot de door de Inspecteur niettemin verleende vrijstelling ontgaat mij. Verdrag betreffende de Europese Unie (PbEU 2016 C 202/13 (geconsolideerde versie)). Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU 2016 C 202/47 (geconsolideerde versie)). HvJ EG 29 juni 1994, zaak C-60/93, na conclusie A-G Lenz, ECLI:EU:C:1994:271, BNB 1995/44, met noot Sinninghe Damsté onder BNB 1995/45 (Aldewereld v Staatssecretaris van Financiën). HvJ EU 19 maart 2015, zaak C-266/13, na conclusie A-G Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2015:188, BNB 2015/107, met noot Kavelaars (Kik). U heeft die zaak na terugkeer uit Luxemburg verwezen (HR 9 oktober 2015, nr. 10/02941, ECLI:NL:HR:2015:2986, BNB 2015/232, met noot Kavelaars) naar het gerechtshof Amsterdam om uit te zoeken of de Zwitserse wetgeving leidde tot verplichte, vrijwillige of niet-verzekering in Zwitserland. Het Hof Amsterdam heeft op 20 december 2016, nr. 16/00100, ECLI:NL:GHAMS:2016:5776, V-N 2017/18.1.3, beslist dat Kik van 1 juni t/m 24 augustus 2004 niet verplicht verzekerd was in Zwitserland, zodat hij in die periode verzekerd en premieplichtig was in Nederland. Tegen deze beslissing is pro forma beroep in cassatie ingesteld (zaaknr. 17/00579), maar dat is op 29 juni 2017 ingetrokken. Op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds over het vrije verkeer van personen van 21 juni 1999, PbEG 2002, L 114/6, was de oude Verordening in de verhouding met Zwitserland ook van toepassing. Hetzelfde geldt voor de nieuwe Verordening. R.H.M. Roumen: ‘Werkzaamheden buitengaats: rechtsmacht van de Europese Unie op het gebied van sociale zekerheid’, WFR 2016/
  1. Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, Montego Bay, 10 december 1982, Trb. 1983, 83, Trb. 1984, 55, Trb. 1996,
  2. CRvB 4 september 2015, nr. 13/608 AOW, ECLI:NL:CRVB:2015:3231, RSV 2016/
  3. HR 13 mei 2016, nr 15/04484, ECLI:NL:HR:2016:840, V-N 2016/39.
  4. J.J.G. Sijstermans e.a., Wegwijs in de (internationale) verzekerings- en premieplicht, Wegwijsserie, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p.
  5. Zie ook: P. Kavelaars, ‘Ontwikkelingen in de Europese sociale zekerheid’, WFR 2016/
  6. Te vinden via: http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=866&langId=nl. Te raadplegen via: https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/europese_basisverordering_al1041t1ed.pdf J.J.G. Sijstermans e.a., Wegwijs in de (internationale) verzekerings- en premieplicht, Wegwijsserie, Den Haag: Sdu Uitgevers 2015, p.
  7. Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Vakstudie 08 - Nederlands Internationaal Belastingrecht, Onderdeel
  8. Internationale premieheffing, Artikelsgewijs commentaar Europese gemeenschappen, Verordening (EG) 883/2004 (uittreksel), Artikel 11 Algemene regels, Aant. 4.5 ‘Overige’, online geraadpleegd op 31 juli
  9. M.J.G.A.M. Weerepas, ‘Nederlandse zeevarenden blijven binnenboord voor de verzekeringsplicht’, NTFR-B 2015/
  10. Verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991 tot wijziging van Verordening ( EEG ) nr . 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van Verordening ( EEG ) nr . 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr . 1408/71, PbEG 1991, L 206/2 (inwerkingtreding per 29 juli 1991). HvJ EG 12 juni 1986, nr. 302/84, ECLI:EU:C:1986:242, Jurispr. blz. 1821, RSV 1987/
  11. HvJ EG 11 juni 1998, zaak C-275/96, na conclusie A-G Jacobs, ECLI:EU:C:1998:279 (Kuusijärvi v Riksförsäkringsverket), RSV 1998/ 244, met noot Keunen. Zie onder meer: HvJ EG 3 mei 1990, zaak C-2/89, na conclusie A-G Tesauro, ECLI:EU:C:1990:183 (Kits van Heijningen). HvJ EG13 oktober 1993, zaak C-121/92, na conclusie A-G Jacobs, ECLI:EU:C:1993:840, BNB 1994/203, met noot Sinninghe Damsté (Staatssecretaris van Financiën v Zinnecker).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.