Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 9 augustus 2017 inzake: Nr. Hoge Raad: 17/00071 Stichting [X] Nr. Gerechtshof: 15/00815 Nr. Rechtbank: SHE 14/1839 Derde Kamer B tegen Rioolheffing 2013 B & W gemeente Someren 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 17/00071, naar aanleiding van het beroep in cassatie van Stichting [X], belanghebbende, tegen de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 30 november
- 1.2 Belanghebbende is een stichting (woningcorporatie) die tot doel heeft het beheren en exploiteren van woningen. Zij is onder meer eigenaar van 97 sociale huurwoningen in de gemeente Someren. 1.3 Het gaat in deze procedure om de stelling van belanghebbende dat de 'Verordening rioolheffing 2013', vastgesteld door de raad van de gemeente Someren bij besluit van 19 december 2012 (hierna: de Verordening), in strijd is met Richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: de Kaderrichtlijn), zodat de Verordening buiten toepassing moet blijven en de aan belanghebbende als eigenaar opgelegde, op de Verordening gebaseerde, aanslag rioolheffing 2013 zou moeten worden vernietigd. 1.4 Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat van haar, als eigenaar, geen rioolheffing mag worden geheven, omdat zij geen vervuiler is, maar haar huurders dat zijn. Belanghebbende stelt dat de Verordening, die aanknoopt bij de eigenaar van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering, in strijd is met de Kaderrichtlijn, in het bijzonder met artikel 9, lid 1 van die richtlijn. Belanghebbende is van mening dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' volgt dat de rioolheffing moet worden gedragen door haar huurders, omdat de huurders de vervuilers zijn. Hierbij voert belanghebbende aan dat zij de rioolheffing niet aan haar huurders kan doorberekenen, ingevolge de regels die in casu de hoogte van de huur bepalen. 1.5 Op 23 oktober 2000 is de Kaderrichtlijn vastgesteld. De Kaderrichtlijn heeft, blijkens artikel 1 daarvan, tot doel de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater. 1.6 Met name artikel 9 van de Kaderrichtlijn speelt in casu een rol. Hierin is bepaald dat lidstaten rekening houden met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, overeenkomstig met name het beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’, terwijl de lidstaten er tegen het jaar 2010 voor zorgen dat het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten en dat de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten. 1.7 Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kunnen gemeenten, onder de naam rioolheffing, een belasting heffen ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken (hierna: rioolheffing). 1.8 De raad van de gemeente Someren heeft, bij besluit van 19 december 2012, de thans onderwerp van geschil zijnde Verordening vastgesteld. 1.9 Artikel 3 van de Verordening specificeert dat de rioolheffing wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. 1.10 De belasting wordt blijkens de artikelen 5 en 6 van de Verordening geheven naar een vast bedrag per perceel, waarbij het tarief voor een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient € 127,00 bedraagt, en voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient € 190,
- 1.11 Aan belanghebbende zijn voor het aanslagjaar 2013 ten aanzien van de eerder genoemde 97 woningen aanslagen rioolheffing, van elk € 127, opgelegd (hierna gezamenlijk ook aangeduid als: de aanslag). Het totale bedrag van de aanslag is € 12.
- 1.12 Belanghebbende is in bezwaar gekomen tegen de aanslag, waarna de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft daarop beroep ingesteld bij Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank). 1.13 De Rechtbank heeft, bij uitspraak van 14 april 2015, geoordeeld dat belanghebbende niet wordt gevolgd in haar primaire stelling, dat alleen haar huurders mogen worden betrokken in de rioolheffing, nu artikel 9 van de Kaderrichtlijn belanghebbende niet een voldoende nauwkeurig recht toebedeelt. Voorts valt uit artikel 9 van de Kaderrichtlijn, aldus de Rechtbank, niet op te maken dat zodanige grenzen zijn gesteld aan de beoordelingsruimte van een lidstaat. Dergelijke grenzen zouden voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk moeten zijn aangegeven. Van voldoende specifieke grenzen is hier echter geen sprake. Dat het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ wellicht in het kader van andere richtlijnen wel als een ‘harde’ grens moet worden beschouwd, betekent volgens de Rechtbank niet dat die lijn doorgetrokken moet worden naar alle richtlijnen. Ook anderszins zijn naar het oordeel van de Rechtbank, in dit verband, geen duidelijke en onvoorwaardelijke grenzen aan de beoordelingsruimte van de lidstaten gesteld. De Rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard. 1.14 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft belanghebbendes beroep eveneens ongegrond verklaard. Het Hof heeft daartoe, bij uitspraak van 30 november 2016, eerst verondersteld dat artikel 9, eerste lid, van de Kaderrichtlijn voldoende nauwkeurig verplichtingen oplegt aan lidstaten en dus rechtstreekse werking heeft, zodat belanghebbende zich in deze procedure rechtstreeks kan beroepen op dat artikel. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat, nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet kan worden geschreven dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt' geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, in zoverre geen grondslag heeft. 1.15 Voorts heeft het Hof overwogen dat ‘gelet op de beoordelingsmarge’ die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn heeft, de verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel 'de vervuiler betaalt' deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel, een verfijning is waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn niet dwingt. De stelling van belanghebbende dat het terugwinnen van de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel bij de eigenaar van dat perceel, aan de gebruiker geen adequate prikkel geeft om zuiniger met water om te gaan, doet daaraan volgens het Hof niet af. 1.16 Tot slot heeft het Hof overwogen dat de stellingen van belanghebbende omtrent het verbruik van water niet kunnen leiden tot de constatering dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, als bedoeld in het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ 16 juli 2009, 0254/08, Futura Immobiliare, ECLI:EU:C:2009:479, is geschonden. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de vaststelling van de tarieven voor woningen (huishoudens) en niet-woningen (bedrijven en landbouw) het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. 1.17 Bij geschrift van 5 januari 2017 heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. In dat kader beroept zij zich op diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. 1.18 In cassatie stelt belanghebbende dat sprake is van schending van het recht, in het bijzonder van artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VwEU) en van artikel 9 van de Kaderrichtlijn, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Verordening van de gemeente niet in strijd is met het recht, zulks evenwel ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen. 1.19 Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel beroep in cassatie. 1.20 Deze conclusie is als volgt opgebouwd: 1Inleiding 2De feiten en het geding in feitelijke instanties A Feiten B Rechtbank Oost-Brabant C Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 3Het geding in cassatie A Beroep in cassatie B Incidenteel beroep in cassatie 4 Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur A EU-recht I VwEU B EU-recht I Kaderrichtlijn water C Wetgeving I Gemeentewet D Regelgeving I Verordening rioolheffing E Wetsgeschiedenis I Implementatie Kaderrichtlijn water F Wetsgeschiedenis I Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken G Stroomgebiedbeheerplannen H De gemeentelijke besluitvorming binnen de gemeente Someren I Jurisprudentie I Hof van Justitie van de Europese Unie J Jurisprudentie I Hoge Raad K Jurisprudentie I Feitenrechters L Literatuur 5Nationaal recht en unierecht I Analyse 6De Kaderrichtlijn A Jurisprudentie HvJ I Kaderrichtlijn B Overige jurisprudentie HvJ I de vervuiler betaalt 7De rioolheffing A Het Nederlandse waterbeheer I nationaal en regionaal (Maas) B Artikelen 219 en 228a van de Gemeentewet C Jurisprudentie Hoge Raad inzake rioolrecht/rioolheffing D Verordening gemeente Someren 8Beschouwing en beoordeling van de middelen over en weer A Voorafgaand B Beroep in cassatie I eerste middelonderdeel C Beroep in cassatie I tweede middelonderdeel D Beroep in cassatie I derde middelonderdeel E Beroep in cassatie I onbehandelde stelling door Hof F Incidenteel beroep in cassatie 9Conclusie 2 De feiten en het geding in feitelijke instanties A. Feiten 2.1 Het Hof heeft het procesverloop en de feiten als volgt vastgesteld: 1.
- Aan belanghebbende zijn onder aanslagnummer [001] voor het belastingjaar 2013 97 aanslagen rioolheffing opgelegd van ieder € 127, welke aanslagen in één aanslagbiljet zijn verenigd. Deze aanslagen met in totaal een bedrag van € 12.319 hebben betrekking op de onroerende zaken gelegen aan: - [a-straat]: 10, 12, 16, 18 en 20; - [b-straat] 2 tot en met 34 (even nummers); - [c-straat] 2, 4, 6, 13, 15, 16, 17, 18 en 20; - [d-straat] 4 tot en met 12 (even nummers); - [e-straat] 205 tot en met 323 (oneven nummers) te Someren. (…) 2.
- Belanghebbende is een woningcorporatie die tot doel heeft het beheren en exploiteren van woningen. 2.
- De 97 woningen waarop de 97 aanslagen betrekking hebben, zijn sociale huurwoningen met elk verschillende gebruikers. De woningen zijn rijtjeswoningen, met uitzondering van de woningen aan de [e-straat]. Deze laatste woningen zijn appartementen met elk verschillende gebruikers gelegen in twee vleugels van één complex op één kadastraal perceel. Belanghebbende is eigenaar van al deze woningen. 2.
- De 97 woningen zijn aangesloten op het (gemeentelijke) riool. 2.
- Artikel 228a van de gemeentewet (tekst 2013) luidt als volgt: (…) 2.
- In de openbare vergadering van 19 december 2012 heeft de raad van de gemeente Someren de 'Verordening rioolheffing 2013' (hierna: de Verordening) vastgesteld. 2.
- De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt: (…) 2.
- De Verordening is bekend gemaakt op woensdag 9 januari 2013 in het blad ' 't Contact'. (…) 2.
- In art. 191, lid 2 Verdrag Werking Europese Unie (hierna: VWEU) is, voor zover te dezen van belang, het volgende bepaald: (…) 2.
- De Richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: Kaderrichtlijn water) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt: (…) 2.
- In het stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld: (…) 2.
- In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2013-2017 van de gemeente Someren van 18 juni 2012 is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld: (…) 2.
- Het gemeentelijke rioolstelsel is een zogenoemd gemengd stelsel, inhoudende dat het rioolstelsel niet alleen dient voor de inzameling en het transport van afvalwater, maar ook voor de inzameling en de verwerking van hemelwater. De capaciteit van het rioolstelsel wordt vooral bepaald door de pieken die ontstaan door de afvoer van hemel- en grondwater. 2.2 Over het verloop van het proces vanaf de aanvang van de bezwaarfase tot en met de procedure voorafgaand aan de uitspraak van de Rechtbank, staat in de uitspraak van het Hof: Na tegen de 97 aanslagen gemaakte in één geschrift vervatte 97 bezwaren heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte 97 uitspraken de bezwaren ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van €
- De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. B. Rechtbank Oost-Brabant 2.3 De Rechtbank heeft, om te komen tot ongegrondverklaring, overwogen:
- Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, thans Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan moet verzekeren. De vaststelling van nationale maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, heeft niet tot gevolg dat de richtlijn niet langer gevolgen heeft: een lidstaat blijft ook na vaststelling van deze maatregelen gehouden daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Derhalve kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat beroepen op bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn, in alle gevallen waarin de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk verzekerd is, dit wil zeggen niet alleen in geval van niet-uitvoering of onjuiste uitvoering van deze richtlijn, maar ook ingeval de nationale maatregelen die de betrokken richtlijn naar behoren uitvoeren niet zodanig worden toegepast dat het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt (arrest van 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, punten 26-27).
- De rechtbank overweegt dat uit artikel 9, eerste lid, van de KRW slechts de verplichting voortvloeit dat de lidstaten ‘rekening houden’ met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt. Daarnaast dienen de lidstaten er op grond van artikel 9, tweede alinea, aanhef en tweede gedachtestreepje, van de KRW, voor te zorgen dat de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, ‘een redelijke bijdrage’ leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens bijlage III en ‘rekening houdt’ met het beginsel dat de vervuiler betaalt. De wijze waarop lidstaten invulling dienen te geven aan deze verplichtingen is echter niet nader omschreven in de KRW. In de bewoordingen waarmee deze bepaling een verplichting aan de lidstaten oplegt, kan geen voldoende nauwkeurig bepaald recht worden gelezen waarop eiseres rechtstreeks aanspraak kan maken. In samenhang bezien met artikel 11 van de KRW (waarin is bepaald dat de lidstaten zorg dragen voor het opstellen van een maatregelenprogramma met in ieder geval basismaatregelen, waaronder maatregelen die voor de doeleinden van artikel 9 nodig worden geacht) is aan de lidstaten een ruime mate van beoordelingsvrijheid gegeven maatregelen te ontwikkelen en nader in te vullen, teneinde de doelstellingen van de richtlijn te verwezenlijken. Bovendien is aan de lidstaten in het vierde lid van artikel 9 van de KRW een beoordelings- en beleidsvrijheid geboden om af te wijken van wat is gesteld in artikel 9, eerste lid, tweede alinea, waardoor ook daarom in dat artikelonderdeel geen sprake is van een voor de lidstaten onvoorwaardelijk geformuleerde bepaling of een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting. De rechtbank wijst er daarbij op dat de tweede alinea van het eerste lid, waarnaar in het vierde lid wordt verwezen, de gehele passage ‘De lidstaten zorgen ... de vervuiler betaalt.’ omvat, dus beide gedachtestreepjes. Eiseres heeft gesteld dat op grond van het vierde lid van artikel 9 van de KRW afwijking van het eerste lid slechts mogelijk is als dit in het stroomgebiedsbeheersplan is aangegeven. De rechtbank wijst in dit verband echter op het arrest van het Hof van 11 september 2014 (C-525/12, Commissie/ Duitsland). Volgens het Hof volgt uit artikel 9, vierde lid, van de KRW dat de door deze richtlijn nagestreefde doelstellingen niet noodzakelijkerwijze impliceren dat de bepalingen van artikel 2, punt 38, sub a, van de KRW aldus moeten worden uitgelegd dat het beginsel van kostenterugwinning voor alle daarin genoemde activiteiten geldt (punt 58). Deze uitleg door het Hof valt niet goed te rijmen met de stelling dat artikel 9 van de KRW onvoorwaardelijk en voldoende precies is om zich te lenen voor rechtstreekse werking. De rechtbank erkent dat het in deze zaak gaat om een waterdienst als genoemd in artikel 2, punt 38, sub b, van de KRW, maar niet valt in te zien waarom deze redenering van het Hof niet ook opgaat voor de waterdiensten die genoemd worden in laatstgenoemde bepaling. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de term ‘watergebruik’ die in het vierde lid wordt gebruikt, kennelijk, gelet op artikel 2, punt 39, van de KRW, een ruimere betekenis heeft dan het begrip ‘waterdiensten’. Het Hof heeft in genoemd arrest voorts overwogen dat de KRW een kaderrichtlijn is, die op de grondslag van artikel 175, eerste lid, van het EG-Verdrag (thans artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) is vastgesteld. Deze richtlijn voorziet in gemeenschappelijke beginselen en in een algemeen actiekader voor de bescherming van de wateren en zorgt voor het coördineren, integreren en op langere termijn verder ontwikkelen van de algemene beginselen en structuren met het oog op de bescherming en het duurzame gebruik van water in de Europese Unie. De erin vastgestelde gemeenschappelijke beginselen en het globale actiekader dienen later te worden ontwikkeld door de lidstaten, die een aantal bijzondere maatregelen moeten vaststellen binnen de in de richtlijn gestelde termijnen. De richtlijn beoogt evenwel geen volledige harmonisering van de regelingen van de lidstaten op het gebied van water, aldus het Hof (punt 50). De KRW behoort dus tot een type van handelingen die de lidstaten opdragen maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn opdat bepaalde, algemeen geformuleerde en niet-kwantificeerbare doeleinden worden bereikt, waarbij de lidstaten een bepaalde beoordelingsruimte wordt gelaten ten aanzien van de aard van de te nemen maatregelen (Conclusie van Advocaat- Generaal N. Jaäskinen van 22 mei 2014, C-525/12, punt 89). Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet wordt gevolgd in haar primaire stelling, omdat artikel 9 van de KRW haar niet een voldoende nauwkeurig recht toebedeelt.
- Eiseres heeft terecht gesteld dat, ook in het geval artikel 9 van de KRW niet duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is geformuleerd, een particulier in beginsel toch de rechtstreekse werking van dit artikel kan inroepen indien verweerder de beoordelingsruimte die dit artikel biedt, heeft overschreden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtspraak van het Hof in de arresten van 1 februari 19(…)[7]7 (51/76, VNO) en van 24 oktober 1996 (C-72/95, Kraaijeveld). Het Hof overweegt immers dat een bepaling van Unierecht kan worden ingeroepen voor de nationale rechter, ook als deze een beoordelingsruimte bevat voor de lidstaten. De omstandigheid dat een Unierechtelijke bepaling een dergelijke beoordelingsruimte toekent, sluit voor de rechter de mogelijkheid niet uit om te toetsen of de nationale instanties de grenzen van deze beoordelingsruimte hebben overschreden. De stelling van eiseres leidt echter niet tot het beoogde resultaat.
- Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 9 van de KRW niet valt op te maken dat zodanige grenzen zijn gesteld aan de beoordelingsruimte van een lidstaat. Dergelijke grenzen zouden voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk moeten zijn aangegeven. Van voldoende specifieke grenzen is hier echter geen sprake. Ook in dit verband wijst de rechtbank erop dat met het beginsel dat de vervuiler betaalt ‘rekening moet worden gehouden’. Dat het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ wellicht in het kader van andere richtlijnen wel als een ‘harde’ grens moet worden beschouwd, betekent niet dat die lijn doorgetrokken moet worden naar alle richtlijnen. Ook anderszins zijn naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke en onvoorwaardelijke grenzen aan de beoordelingsruimte van de lidstaten in dit verband gesteld.
- Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres ook niet wordt gevolgd in haar subsidiaire stelling dat aan artikel 9 van de KRW rechtstreekse werking toekomt, omdat verweerder de grenzen van de discretionaire beleidsruimte die deze bepaling zou bieden, zou hebben overschreden.
- De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan artikel 9 van de KRW geen rechtstreekse werking toekomt, zodat zij de Verordening niet aan deze bepaling kan toetsen.
- Eiseres voert aan dat de Verordening in strijd is met het Stroomgebiedsbeheersplan Maas. De rechtbank stelt vast dat in het Stroomgebiedsbeheersplan Maas het stroomgebied wordt omschreven, de doelen voor de oppervlakte- en grondwaterlichamen worden aangegeven en de te nemen maatregelen samengevat worden (pagina 7 van dit plan). Dit plan is geen algemeen verbindend voorschrift waaraan de Verordening kan worden getoetst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
- De rechtbank stelt ten slotte vast dat niet in geschil is tussen partijen dat eiseres bij het begin van het belastingjaar in de gemeente Someren 97 percelen in eigendom had en deze percelen (direct of indirect) een aansluiting hebben op het gemeentelijke riool. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, op grond van de Verordening terecht aan eiseres over het belastingjaar 2013 een aanslag rioolheffing met betrekking tot deze 97 percelen heeft opgelegd. 2.4 Groenewegen heeft bij deze uitspraak aangetekend: De Kaderrichtlijn Water (KRW) is bedoeld om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Europa op goed niveau te krijgen en te houden en is gebaseerd op art. 175 lid 1 EG-verdrag. De KRW ziet op de gehele waterketen, namelijk de levering van leidingwater en het vervoer en de zuivering van afvalwater. Ingevolge art. 9 KRW dient in de waterketen het kostenterugwinbeginsel te worden toegepast waarbij vanaf 2010 prikkels moesten zijn ingebouwd tot zuiniger gebruik van water. Hieruit volgt dat het kostenterugwinbeginsel niet volledig hoeft te worden toegepast want er hoeft immers slechts rekening te worden gehouden met de kostenterugwinning. Uit de KRW blijkt namelijk niet dat kostenterugwinning voor 100% moet plaatsvinden. Voor wat het vervoer van afvalwater (gemeentelijke taak) betreft voldoet de rioolbestemmingsheffing aan het kostenterugwinbeginsel met dien verstande dat gemeenten ingevolge art. 228a Gemeentewet de vrijheid hebben om bedoelde kosten te verhalen op de eigenaar, op de gebruiker dan wel op beide en ook de vrijheid hebben om een bepaalde heffingsmaatstaf te kiezen (art. 219 Gemeentewet). Er wordt slechts dan niet aan het kostenterugwinbeginsel voldaan als er überhaupt geen rioolbestemmingsheffing wordt geheven. Om aan bedoelde prikkel te voldoen kan het niet anders dan dat van de gebruiker wordt geheven en dat wordt geheven naar hoeveelheid ingenomen water. Een eigenaar heeft als zodanig immers geen invloed op de hoeveelheid verbruik van water en een vast bedrag aan rioolbestemmingsheffing heeft überhaupt geen prikkel in zich. Ik heb dit in mijn dissertatie destijds bepleit (Fiscale aspecten gemeentelijke milieutaken, 2009). Dat zou de gemeentelijke vrijheid in de keuze van belastingplichtige en de heffingsmaatstaf op dit punt beperken. Indien gemeenten bedoelde prikkel niet in de rioolbestemmingsheffing inbouwen zal een rechter richtlijnconform uitleggen als dat mogelijk is. Als dat niet mogelijk is dan zal de KRW rechtstreeks worden toegepast indien bepalingen uit de KRW onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn omschreven. Richtlijnconform uitleggen of rechtstreeks toepassen is echter niet mogelijk aangezien in de KRW geen heffingsmaatstaf wordt voorgeschreven. De enige mogelijkheid is dat de Commissie dan wel het Hof van Justitie de procedure van art. 226 juncto art. 228 EG-verdrag kan volgen. Omdat gemeenten bij de keuze van belastingplichtige en heffingsmaatstaf autonoom zijn zou Nederland op dit punt uiteindelijk kunnen worden veroordeeld tot een dwangsom. Voor het Rijk is er geen bevoegdheid tot preventief ingrijpen, anders dan de mogelijkheid van repressief toezicht door de Kroon indien een belastingverordening in strijd is met het recht; spontane vernietiging. Indien dat niet wordt gedaan dan loopt Nederland en niet de gemeenten het risico van aansprakelijkstelling ook al worden belastingverordeningen door gemeenten vastgesteld. Een lidstaat heeft zich aan de communautaire verdragen verbonden en alleen die kan aansprakelijk worden gesteld. Gemeenten moeten echter ook gemeenschapsrecht toepassen en dit kan theoretisch inhouden dat eventuele financiële gevolgen voor de Nederlandse Staat als gevolg van de niet-naleving door gemeenten door de Nederlandse Staat ten laste worden gebracht van die gemeenten. Althans, dat is (in algemene zin) de mening van de opstellers van de Implementatiewet KRW (Kamerstukken II 2003/04, 28808, 6, p. 41) via art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). 2.5 Lindhout heeft geannoteerd: In de praktijk wordt de toets met betrekking tot de vraag of sprake is van rechtstreekse werking van richtlijnbepalingen ten onrechte beperkt tot de vraag of de bepalingen van een richtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaalde verplichtingen voor de lidstaat in het leven roepen of rechten verlenen waarop een particulier zich kan beroepen (waarbij veelal een referentie naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Becker is opgenomen). Als dat niet aan de orde is, is geen sprake van rechtstreekse werking c.q. kan een particulier zich daar niet op beroepen. Dat is een praktische, maar mijns inziens onvolledige en deels onjuiste toepassing van het leerstuk van de directe werking van richtlijnbepalingen. Met deze uitspraak van de rechtbank staat mijns inziens nog steeds niet vast dat artikel 9 KRW geen directe werking zou kunnen hebben. Vooreerst zij gezegd dat het leerstuk van de directe werking van richtlijnbepalingen er een is die een genuanceerde benadering vraagt. Van belang is dat van rechtstreekse werking pas sprake kan zijn als een lidstaat de richtlijnbepalingen, niet, niet tijdig of onvoldoende heeft geïmplementeerd in nationale wetgeving of deze, indien wel juist geïmplementeerd, niet goed toepast. Dat zal dus eerst vastgesteld moeten worden. De vraag of aan een bepaling directe werking toekomt gaat vervolgens niet zozeer over ‘het toekennen’ van individuele rechten, maar om de vraag of de bepaling in kwestie een rechtsprekende instantie voldoende handvatten biedt om toe te passen in een zaak zonder dat de rechterlijke bevoegdheid verwordt tot een wetgevende. Prechal maakt ter illustratie het onderscheid tussen de mogelijkheid om de richtlijnbepalingen toe te passen op de feiten van een zaak. In dat geval kunnen inderdaad rechten gecreëerd worden. Daarnaast onderscheidt ze de situatie waarin rechtstreekse werking ziet op de beoordeling van de legaliteit van de nationale wetten of individuele beslissingen die daarop gebaseerd worden. Aan de hand van die laatste beoordeling kan een vorm van juridische toetsing plaatsvinden op de wijze van het gebruik door de lidstaten van de grenzen van de beoordelingsruimte die een bepaling laat. En die laatste toets is met name bij de nieuwe generatie milieu-richtlijnen, waarbij veelal in een programmatische aanpak wordt voorzien, een heel belangrijke, ook in het kader van een stuk rechtszekerheid. De vraag is vervolgens hoe een dergelijke toetsing dient plaats te vinden. Immers, de rechters dienen er voor te waken op de stoel van de wetgever te gaan zitten, in het bijzonder in die gevallen waarin wetgeving ruimte lijkt te laten aan i.c. lidstaten om zelf bepaalde afwegingen en invullingen te geven. Tegelijkertijd is het bestaan van discretionaire ruimte voor lidstaten niet per definitie een dooddoener voor mogelijke directe werking. Er zijn in dit verband twee elementen in deze uitspraak die aandacht vragen. Ten eerste het oordeel van de rechter dat uit de bewoordingen van artikel 9 lid 1 KRW geen voldoende nauwkeurig bepaald recht voortvloeit, waarbij de rechtbank een link legt naar artikel 11 KRW en steun zoekt in de bewoordingen van de derogatiebepaling in lid 4 van artikel 9 KRW zoals die wordt uitgelegd door het Europese Hof van Justitie in een zaak over het begrip ‘waterdiensten’ (C-525/12). Hoewel artikel 9 KRW brede, soms vage bewoordingen hanteert zoals ‘rekening houden met’ en ‘redelijke bijdrage’ wil dat mijns inziens op zichzelf niet daarom zeggen dat aan de bepaling geen rechtstreekse werking kan toekomen. Ook aan meer vage bewoordingen kan onder omstandigheden directe werking toekomen. De vraag is of er een minimale verplichting kan worden vastgesteld. De door de rechtbank genoemde Hofuitspraak (C-525/12) laat zich echter niet uit over de vraag of de bewoordingen ‘rekening houden met’ en ‘redelijke bijdrage’ voldoende handvatten voor interpretatie en toepassing door een rechtbank laten. Dus om daar nu zo resoluut de afwijzing van directe werking van de bepaling op te baseren is bepaald gedurfd. (…) In mijn dissertatie, waarbij ik het vraagstuk van interpretatie van bewoordingen vanuit rechtstheoretisch perspectief benader, duid ik onder andere dat aan de bewoordingen in artikel 9 KRW welzeker, vrij concrete grenzen worden gesteld aan wat lidstaten wel en in ieder geval niet kunnen doen. De lidstaten dienen namelijk — heel concreet — vóór een bepaalde datum
(2010)te zorgen dat tenminste drie watergebruikssectoren een redelijke bijdrage leveren in de terugwinning van kosten van waterdiensten. Hierbij moet het niet alleen gaan om financiële kosten, maar expliciet ook om terugwinning van milieukosten en bronkosten. Die specifieke kostensoorten, milieukosten en bronkosten, staan er niet voor niets. Daarmee is het internationale beginsel van internalisering van milieukosten in een Europese rechtsregel verankerd. De drie watergebruikssectoren die daarnaast zijn genoemd, vormen een minimale onderverdeling in gebruikscategorieën. Minimaal drie, dus niet minder. Hoe concreet wil je het hebben als minimumnorm? Het feit dat er een ‘redelijke bijdrage’ wordt genoemd geeft lidstaten weliswaar discretionaire ruimte, maar het is maar de vraag of dat directe werking zou beletten. Immers, dat een bijdrage wordt verplicht is helder als men kijkt naar de bewoordingen van artikel 9 lid 1 KRW. Daarnaast dient het waterprijsbeleid adequate prikkels te bevatten voor efficiënt watergebruik. Hoe concreet wil je het hebben? Of een waterprijsbeleid dat bijvoorbeeld gebaseerd is op de waarde van woningen, zoals bij de rioolheffing veelal het geval is, adequate prikkels voor efficiënt watergebruik zou kunnen leveren is daarbij een reële vraag, met name als het heffingssubject een eigenaar is die feitelijk niet gebruikt. Artikel 9 lid 1 KRW geeft dus wel een verplichting tot kostenterugwinning, maar is tegelijkertijd ook een flexibele bepaling, omdat lidstaten ‘daarbij’, i.e. bij de kostenterugwinning, rekening mogen houden met een aantal gebiedsspecifieke omstandigheden of bijvoorbeeld met sociale of economische factoren (laatste zin lid 1). Dit geeft lidstaten inderdaad de nodige afwegingsruimte hoe kostenterugwinning te effectueren. Maar dat doet niet af aan het uitgangspunt van kostenterugwinning. Ook impliceert ‘daarbij’ dat er niet zomaar op basis van de flexibiliteit die lid 1 biedt afgezien kan worden van kostenterugwinning. En dat laatste is ook logisch, nu artikel 9 ook een derogatieclausule bevat in het vierde lid (waarover hierna). De rechtbank geeft daarnaast met betrekking tot de verwoording van het vervuiler betaalt beginsel aan dat andere richtlijnen dit beginsel kennelijk stelliger verplicht stellen. De vraag is echter of dat nodig is om te komen tot rechtstreekse werking daar waar referentie aan dit fundamentele rechtsbeginsel concreet en meerdere malen in een (separate) bepaling is opgenomen. Immers, dit beginsel ligt ten grondslag aan alle Europese milieuwetgeving die van de pers rolt. Betekent dit oordeel van de rechtbank dan dat de lidstaten het beginsel als het gaat om kostenterugwinning voor waterdiensten dus mogen negeren als zij dat willen, ongeacht de zeer duidelijke jurisprudentie van het Hof van Justitie waarin duidelijke regels worden gegeven die voortvloeien uit het vervuiler betaalt beginsel? Te denken valt hierbij aan onder meer het uitgangspunt dat diegene die niet vervuilt of niet bijdraagt aan vervuiling niet belast zou moeten worden door toepassing van het vervuiler betaalt beginsel, in tegenstelling tot degene die wel vervuilt en daarvoor ook de daarmee verband houdende lasten behoren te dragen. (…) Ten slotte hanteert de rechtbank een voor mij nieuwe maatstaf om een oordeel te geven over de stelling van eiser dat verweerder zijn discretionaire beoordelingsruimte te buiten is gegaan. De rechtbank stelt dat ‘uit artikel 9 niet valt op te maken dat zodanige grenzen zijn gesteld aan de beoordelingsruimte van een lidstaat’ en dat deze ‘grenzen’ bovendien ‘voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk’ moeten zijn aangegeven. Ook hier komt het ‘rekening houden’ met het vervuiler betaalt beginsel weer terug. In feite zegt de rechtbank hier dat zij niet in staat is een legaliteitstoetsing te doen op basis van deze tekst. En dat is wel een belangrijk punt: want de absentie van een rechtstreeks werkende bepaling betekent een groter risico dat er een lacune ontstaat waarbij nationale wetgeving/regelgeving aan elke rechterlijke toets is onttrokken. De stroomgebiedbeheerplannen kunnen immers niet door de bestuursrechter beoordeeld worden. Wat resteert, met de woorden van Van Rijswick en ondergetekende is ‘wat gepruttel in de marge, zoals beroep instellen tegen een nog sporadisch verleende vergunning of tegen een projectplan van de waterbeheerder’. Ook met deze tweede rechtbankuitspraak over de vraag of artikel 9 KRW directe werking heeft is nog geen definitief oordeel gegeven. Het is dan ook een gemiste kans dat de rechter de optie van prejudiciële vragen stellen heeft laten passeren. Laten we hopen op een nieuwe zaak waarbij aangedrongen wordt op het stellen van verduidelijkingsvragen in een prejudiciële procedure over de mogelijke rechtstreekse werking of de grenzen van de discretionaire beoordelingsruimte die artikel 9 KRW laat. C. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 2.6 Over het procesverloop vanaf het door belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank ingestelde hoger beroep, staat in de uitspraak van het Hof: 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 september 2016 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord […] belanghebbende, […], alsmede, […] de Heffingsambtenaar[…]. 1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Heffingsambtenaar heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.7. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2.7 Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven: 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de navolgende vragen: I. Dienen de aanslagen te worden vernietigd, omdat de Verordening in strijd is met de Kaderrichtlijn water en/of art. 191, lid 2 VWEU? (…) Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is met betrekking tot deze vragen de tegenovergestelde opvatting toegedaan. (…) 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep en tot vernietiging van de uitspraken op de bezwaren en van de aanslagen. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 2.8 Het Hof heeft bij schriftelijke uitspraak van 30 november 2016 belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard en dusdoende de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof heeft daartoe overwogen: 4. Gronden Vraag I Heffen bij de gebruiker of de eigenaar van een perceel? 4.1. Belanghebbende stelt, kort samengevat, dat van haar geen rioolheffing mag worden geheven, omdat zij niet de vervuiler is, maar haar huurders. Belanghebbende stelt dat de Verordening, die aanknoopt bij de eigenaar van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering, in strijd is met de Kaderrichtlijn water, in het bijzonder artikel 9, lid 1 van die Richtlijn. Belanghebbende is, in essentie samengevat, van mening dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' volgt dat de rioolheffing moet worden gedragen door haar huurders, omdat de huurders de vervuilers zijn en niet zij. Hierbij voert belanghebbende aan dat zij de rioolheffing niet aan de huurders kan en mag doorberekenen ingevolge de regels die de hoogte van de huur bepalen. 4.2. Het Hof zal bij de beantwoording van vraag I vooronderstellenderwijs met belanghebbende ervan uitgaan dat artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water voldoende nauwkeurig verplichtingen oplegt aan lidstaten en dus rechtstreekse werking heeft, zodat belanghebbende zich in deze procedure rechtstreeks kan beroepen op voornoemd artikel. 4.3. Uit hetgeen onder 4.2 vooronderstellenderwijs met belanghebbende is aangenomen volgt dat volgens artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water: - de lidstaten rekening moeten houden met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten; - de lidstaten bij de terugwinning van de kosten van waterdiensten het beginsel 'de vervuiler betaalt' in acht moeten nemen; - het waterprijsbeleid van een lidstaat adequate prikkels moet bevatten voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten; - huishoudens, bedrijven en landbouw een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten rekening houdende met het beginsel 'de vervuiler betaalt'. 4.3. Het Hof stelt voorop, dat de rioolheffing niet alleen dient voor de terugwinning van kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel, maar ook ter zake van de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater en van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel. Ter zake van deze laatste twee kostenposten kan niet, zoals belanghebbende kennelijk doet, zonder meer worden aangenomen dat uit de toepassing van het beginsel 'de vervuiler betaalt' volgt dat deze aan de gebruiker, en niet aan de eigenaar, van een perceel zijn toe te rekenen. In het bijzonder ten aanzien van hemelwater valt eigenlijk geen vervuiler aan te wijzen, zodat uit de toepassing van het beginsel 'de vervuiler betaalt' niet dwingend de conclusie volgt dat de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend. 4.3. Nu de riolering een zogenoemd gemengd stelsel betreft, kan ook van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel niet worden geschreven dat uit het beginsel 'de vervuiler betaalt' dwingend de conclusie volgt dat deze kosten (in het geheel) niet aan de eigenaar van een perceel kunnen worden toegerekend. (Vgl. Hoge Raad 5 maart 1980, 19441, BNB 1980/103 en Hoge Raad 15 mei 2009, 07/13148, BNB 2009/208) Hierbij zij opgemerkt dat als de gemeente het hemelwater niet via het riool zou inzamelen en verwerken dit voor de gemeente, en/of de eigenaar van een perceel, kosten zou oproepen voor het beheer van het grondwater, die, gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2, evenzeer bij de eigenaar van een perceel zouden kunnen worden teruggewonnen. 4.4. In zoverre ontbeert de stelling van belanghebbende, dat de kosten, waarbij door middel van de rioolheffing terugwinning plaatsvindt, volgens het beginsel 'de vervuiler betaalt' geheel toegerekend moeten worden aan de gebruikers van een perceel en (in het geheel) niet aan de eigenaar van dat perceel, feitelijke grondslag. 4.5. Gelet op het vorenoverwogene rest dan de vraag of de omstandigheid dat de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel worden teruggewonnen bij de eigenaar van dat perceel voldoet aan artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water. Het Hof is van oordeel dat gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat, bij de implementatie en uitvoering van de Kaderrichtlijn water, heeft dit is toegestaan. De verfijning die belanghebbende kennelijk voorstaat, namelijk dat met het oog op het beginsel 'de vervuiler betaalt' deze kosten dienen te worden teruggewonnen bij de gebruiker, en niet bij de eigenaar, van een perceel is een verfijning waartoe, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, artikel 9, lid 1 van de Kaderrichtlijn water naar het oordeel van het Hof niet dwingt (vgl. HvJ 11 september 2014, C-525/12, Commissie-Duitsland, ECLI:EU:C:2014:2202). Daarmee faalt ook de stelling van belanghebbende dat in het stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 geen op de voet van artikel 9, lid 4 van de Kaderrichtlijn water (gemotiveerde) beslissing is opgenomen om artikel 9, lid 1, tweede alinea van de Kaderrichtlijn water niet toe te passen. De stelling van belanghebbende dat het terugwinnen van de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel bij de eigenaar van dat perceel die gebruiker geen adequate prikkel geeft om zuiniger met water om te gaan doet aan het vorenstaande niet af. Immers, zoals de Heffingsambtenaar terecht verdedigt, de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, eerste gedachtestreepje bedoelde passage ziet op de prijs voor (het gebruik van) water (drinkwater of onttrokken grondwater) en niet op de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater (nadat het water is gebruikt). 4.6. Gelet op het vorenoverwogene volgt uit artikel 191, lid 2 VWEU evenmin dwingend de onder 4.5 bedoelde verfijning. Rioolheffing evenredig verdeeld over watergehruikssectoren woning (huishouden) en niet-woning (bedrijven en landbouw)? 4.7. Voorts heeft belanghebbende aangevoerd dat het in artikel 6 van de Verordening opgenomen tarief voor woningen (€ 127 per perceel) niet in verhouding staat tot het tarief voor niet- woningen (€ 190,40 per perceel). Belanghebbende verbindt daaraan de conclusie dat: (
- a)er geen sprake is van een redelijke bijdrage per watergebruikssector (woning (huishouden) versus niet-woning (bedrijven en landbouw) als bedoeld in artikel 9, lid 1, tweede alinea, tweede gedachtestreepje van Kaderrichtlijn water, en (
- b)het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden (vgl. onder meer: HvJ 16 juli 2009, C-254/08, Futura Immobiliare, ECLI:EU:C:2009:479 en HvJ 18 december 2014, C-551/13,SETAR,ECLI:EU:C:2014:2467). Belanghebbende betoogt (p. 11, 3.6.12 hoger beroepsschrift) dat het tarief voor niet-woningen slechts ongeveer 50% hoger is dan voor woningen, terwijl een éénpersoonshuishouden op een perceel van 100 m2 veel minder hemel- en afvalwater loost op de gemeentelijke riolering dan een bedrijf met 100 werknemers op een perceel van 5.000 m2 of een landbouwer op een perceel (bespoten) landbouwgrond van 10 hectare. Belanghebbende stelt gemotiveerd dat in een kantoorpand met 100 werknemers meer dan 15 maal zoveel water wordt verbruikt als in een woning met een éénpersoonshuishouden en in een hotel met 100 gasten ruim 250 maal zoveel meer water. Belanghebbende heeft dit betoog verder met voorbeelden onderbouwd (p. 21, 3.8 hoger beroepsschrift) en aldaar gesteld dat de gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de tarieven zijn vastgesteld. 4.8. Uit hetgeen is vermeld onder 2.9 volgt dat het tarief, in navolging van de onder 2.10 vermelde bijlage 12, voor niet- woningen op ongeveer 1,5 van dat voor woningen is gesteld met de volgende motivering: 'De opbrengst rioolheffing wordt op basis van de huidige eigenarenheffing naar rato van het aantal woningen en niet-woningen voor 87% opgebracht door de woningen en voor 13% door de niet-woningen. Wij stellen voor het tarief voor de niet-woningen op 1,5 maal het tarief voor de woningen vast te stellen. Met deze differentiatie wordt rekening gehouden met het feit dat bedrijven en instellingen gemiddeld grotere lozers van afvalwater zijn dan woningen. Echter de lastenverschuiving van woningen (81%) naar niet-woningen (19%) blijft beperkt.' 4.9. Uit hetgeen is vermeld onder 4.8 volgt dat bij de vaststelling van de tarieven rekening is gehouden met het feit dat bedrijven en instellingen gemiddeld grotere lozers van afvalwater zijn dan woningen en met het voorkomen van een te grote lastenverschuiving tussen woningen en niet-woningen. Gelet op dit laatste heeft de gemeente kennelijk rekening gehouden met de economische effecten van de terugwinning van kosten, hetgeen, gelet op artikel 9, lid 1, derde alinea van Kaderrichtlijn water, behoort tot haar beoordelingsmarge. 4.10. De omstandigheid dat woningen (huishoudens) veel minder water verbruiken dan niet-woningen (bedrijven en landbouw), welke omstandigheid de gemeente in ogenschouw heeft genomen gelet op hetgeen is vermeld onder het kopje 'uitgangspunten' in de onder 2.10 vermelde bijlage 12, kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. Zoals uit vorenbedoelde bijlage 12 volgt worden bij de rioolheffing niet alleen de kosten van de inzameling en het transport van afvalwater teruggewonnen, maar ook de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater en de kosten van het beheer en het onderhoud van, en van de investering in, het rioolstelsel. Het verbruik van water is mitsdien niet een goede maatstaf om te beoordelen of de terugwinning van kosten evenredig wordt verdeeld, zoals in het bijzonder ook blijkt bij de landbouw waarover de gemeente vermeldt dat daar het meeste verbruikte water dient voor de drinkvoorziening voor vee (onder het kopje 'uitgangspunten' in de onder 2.10 vermelde bijlage 12). Hieruit volgt dat de stellingen van belanghebbende omtrent het verbruik van water niet kunnen leiden tot de constatering dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden als bedoeld in het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ 16 juli 2009, 0254/08, Futura Immobiliare, ECLI:EU:C:2009:479. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij de vaststelling van de tarieven voor woningen (huishoudens) en niet-woningen (bedrijven en landbouw) het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. 4.11. Vraag I moet ontkennend worden beantwoord. 2.9 Gramsbergen heeft bij deze uitspraak geannoteerd: Eiseres meent, met een beroep op de KRW, dat de rioolheffing moet worden gedragen door de gebruikers, omdat deze de vervuilers zijn en niet de eigenaar(s). Richtlijnen hebben in beginsel rechtstreekse werking, maar daarvoor is het wel noodzakelijk dat de richtlijn voldoende duidelijk en nauwkeurig is en dat de richtlijn rechten toebedeelt aan (rechts)personen. De bepalingen moeten precies zijn geformuleerd en geen afwijkingsmogelijkheden bevatten. Pas wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, zijn overheidsinstanties, inclusief gemeenten, provincies en waterschappen, gebonden de bepalingen toe te passen. Als het nationale recht hiermee in strijd is, moeten zowel overheidsinstanties als rechters de nationale regels buiten toepassing verklaren. Het Hof lost de kwestie over de rechtstreekse werking handig op door er vooronderstellenderwijs vanuit te gaan dat de KRW voldoende nauwkeurig verplichtingen oplegt aan lidstaten en daarmee rechtstreekse werking heeft, zodat belanghebbende zich in deze procedure rechtstreeks kan beroepen op de richtlijn, om vervolgens te oordelen dat de rioolheffing niet strijdig is met de KRW en/of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Daarvoor beslist het Hof dat: voor de kosten van de inzameling en de verwerking van het hemelwater het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ niet opgaat; van de kosten van het beheer en het onderhoud van, en investering in, het rioolstelsel niet kan worden gesteld dat deze (in het geheel) niet aan de eigenaar kunnen worden toegerekend; de kosten voor de inzameling en het transport van afvalwater, mede gelet op het totale watersysteem waar de rioolheffing deel van uitmaakt, bij de eigenaar kunnen worden teruggewonnen; het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. 2.10 Monsma heeft bij de uitspraak van het Hof geannoteerd: Met de analyse en de beslissing van het hof ben ik het geheel eens. Het is aan de gemeente om een keuze te maken ten aanzien van de essentialia van de rioolheffing. Noch de Gemeentewet, noch hoger recht verplichten de gemeente te kiezen voor de gebruiker als belastingplichtige. Het is, gezien de verschillende taken die met behulp van de rioolheffing worden bekostigd, in mijn visie geenszins logisch om alleen de gebruiker in de rioolheffing te betrekken. Ook de eigenaar profiteert van de rioleringsactiviteiten van de gemeente. Voorts behoeft ook op grond van het beginsel de vervuiler betaalt niet alleen voor de gebruiker als belastingplichtige te worden gekozen. Ook de eigenaar is verantwoordelijk voor de vervuiling die vanuit het perceel plaatsvindt. 2.11 Dinée heeft geannoteerd: De afgelopen jaren stond in veel gerechtelijke procedures de vraag centraal of een gemeentelijke verordening rioolheffing in strijd was met de Kaderrichtlijn water, meer in het bijzonder met het kostenterugwinbeginsel dat uit de richtlijn volgt. Op basis van dit beginsel dienen de lidstaten bij de terugwinning van de kosten van waterdiensten het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ in acht te nemen. Meestal werd geoordeeld dat de richtlijn onvoldoende nauwkeurige verplichtingen aan de lidstaten oplegt en aldus geen rechtstreekse werking heeft. Recent nog oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden in gelijke zin (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2017, nr. 16/00161, NTFR 2017/380). Interessant is daarom dat in de onderhavige uitspraak het hof ‘vooronderstellenderwijs’ meegaat in de redenering van belanghebbende dat de richtlijn wel voldoende nauwkeurige verplichtingen oplegt en belanghebbende er dus een direct beroep op kan doen. Het hof is echter van oordeel dat deze verplichtingen zien op de prijs van water en niet op de toerekening van de kosten van waterdiensten. Hoewel ik mij afvraag of deze lezing in overeenstemming is met de achterliggende bedoeling van de richtlijn merk ik op dat in deze casus de gemeente Someren één rioolheffing heft, waarmee naast de kosten voor de inzameling en het transport van afvalwater ook de kosten voor de inzameling en de verwerking van het ingezamelde hemelwater en het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand te voorkomen worden gedekt. Omdat ten aanzien van de laatste twee posten geen ‘vervuiler’ is aan te wijzen staat het de gemeente naar mijn mening vrij om deze kosten op uitsluitend de eigenaren te verhalen. Ik ben dan ook benieuwd wat in deze casus het gevolg voor de belastingheffing zou zijn geweest indien de gemeente de kosten voor inzameling en transport van afvalwater niet had mogen verhalen op eigenaren. Hoe dan ook, inmiddels is beroep in cassatie aangetekend tegen de onderhavige uitspraak. Eerder oordeelde de Hoge Raad overigens dat het heffen van rioolheffing (destijds nog rioolrechten) van uitsluitend de eigenaren mogelijk was (zie HR 15 mei 2009, nr. 07/13148, NTFR 2009/1190, met commentaar van Van der Burg), echter toen golden de verplichtingen vanuit de Kaderrichtlijn water nog niet. Hopelijk volgt er op dit punt, al dan niet na het stellen van prejudiciële vragen, binnen niet al te lange tijd meer duidelijkheid. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze, bij brief van 5 januari 2017, nader gemotiveerd bij schrijven van 17 februari 2017, beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft op 13 april 2017 een verweerschrift ingediend, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie. Belanghebbende heeft haar zienswijze omtrent het incidenteel beroepschrift in cassatie op 15 mei 2017 naar voren gebracht. Het College heeft op die zienswijze gerepliceerd bij conclusie van repliek van 16 juni 2017. Belanghebbende heeft tot slot op 29 juni 2017 gedupliceerd. A. Beroep in cassatie 3.2 Belanghebbendes beroepschrift bevat één cassatiemiddel en het verzoek om, indien nodig, belanghebbendes bij het Hof onbehandeld gebleven stellingen in cassatie alsnog te behandelen. Daarnaast bevat het beroepschrift een voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. 3.3 Blijkens de toelichting op het cassatiemiddel bestaat dit middel uit een drietal, in meer of mindere mate samenhangende, middelonderdelen, die ik hierna apart opneem. Het College heeft bij verweerschrift op elk middelonderdeel apart gereageerd. Ik neem, voor het goede overzicht, na het citeren van de desbetreffende middelonderdelen, de relevante onderdelen uit het verweerschrift op. 3.4 Het cassatiemiddel luidt: Schending van het recht, in het bijzonder artikel 191 VwEU en artikel 9 KRW, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt doordat het Hof heeft geoordeeld dat de Verordening van de gemeente niet in strijd is met het recht, zulks evenwel in verband met het hierna volgende ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen. 3.5 Het eerste middelonderdeel en de toelichting daarop luiden: 5.1 Vervuiler betaalt beginsel Het Europese ‘vervuiler betaalt beginsel' 5.1.1 In artikel 191, lid 2 VwEU is vastgelegd dat de Unie en daarmee de lidstaten streven naar een hoog niveau van bescherming van het milieu. Het beleid van de Unie berust volgens dit lid onder meer op het beginsel dat de vervuiler betaalt. Ditzelfde beginsel komt vervolgens terug in vele Europese (kader)richtlijnen waaronder de KRW. 5.1.2 Het Hof overweegt in r.o. 4.3 t/m 4.5 van de bestreden uitspraak dat, met betrekking tot het beginsel dat de vervuiler betaalt, de riolering ook dient voor het afvoeren van hemelwater. Vervolgens overweegt het Hof dat voor hemelwater eigenlijk geen vervuiler kan worden aangewezen en dat het binnen de beoordelingsruimte die artikel 9, lid 1 biedt, ligt dat de gemeente enkel de eigenaar van een perceel in de rioolheffing betrekt. Het oordeel van het Hof bevestigt het standpunt van [X] dat de gebruiker van een perceel dient te worden aangemerkt als de vervuiler voor het afvalwater. 5.1.3 Bovenstaand oordeel van het Hof is allereerst een miskenning van de jurisprudentie van het HvJ EU waarin het Europese beginsel dat de vervuiler betaalt invulling heeft gekregen. Zo is in het arrest Standley door het HvJ EU geoordeeld dat een ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen vervuiling en niet hoeft te betalen voor de vervuiling van een ander. Dit vloeit volgens het HvJ EU rechtstreeks voort uit het beginsel dat de vervuiler betaalt. Het Hof heeft deze jurisprudentie van het HvJ EU miskend door te oordelen dat de gemeente een partij die evident vervuilt, te weten de gebruiker met betrekking tot het afvalwater, buiten de rioolheffing mag laten. Hiermee legt het Hof de eventuele beoordelingsruimte, indien daarvan al sprake is, die artikel 9 KRW de gemeente biedt, gezien de jurisprudentie van het HvJ EU te ruim uit. KRW ziet niet (primair) op hemelwater 5.1.4 Artikel 2 van de KRW bepaalt, zoals hiervoor onder 3.2 vermeld dat waterdiensten alle diensten zijn die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in (onder andere): installaties voor de verzameling en behandeling van afvalwater, die daarna in oppervlaktewater lozen. Uit deze bepaling blijkt dat de gemeenschap bij het opstellen van de KRW primair de verzameling en behandeling van afvalwater onder de werking van de richtlijn heeft willen laten vallen. 5.1.5 Op grond van voornoemde definitie van het begrip waterdienst uit artikel 2 van de KRW heeft Nederland de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' in het leven geroepen. Ondanks het feit dat Nederland in de omschrijving van deze waterdienst het woord hemelwater heeft opgenomen, laat zij voor de economische analyse die op grond van artikel 5 juncto artikel 9 juncto artikel 11 juncto bijlage III KRW verplicht onderdeel uitmaakt van het stroomgebiedbeheerplan, het hemelwater buiten beschouwing. In tabel 2-3 van het Stroomgebiedbeheerplan Maas, dat onderdeel uitmaakt van de economische analyse, is bij de berekening van de kost- en verkoopprijs van de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' niet het volume van het hemelwater opgenomen. Dit is voor zover van belang ook nimmer betwist door de heffingsambtenaar. 5.1.6 Indien Nederland in de economische analyse van de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' ook het hemelwater had willen betrekken waren de volumes voor de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' en de waterdienst 'zuivering afvalwater' niet aan elkaar gelijk geweest. Niet al het water dat in de gemeentelijke riolering komt, waaronder ook sloten en ander gemeentelijk oppervlaktewater vallen, komt immers uit bij de waterzuiveringen. 5.1.7 Het Hof oordeelt dat eigenlijk geen vervuiler is aan te wijzen voor het hemelwater. Dit betekent echter ook dat de gemeenschap bij het opstellen van artikel 9 KRW, waarin tot tweemaal toe is opgenomen dat de kostenterugwinning van waterdiensten moet voldoen aan het principe dat de vervuiler betaalt, hierbij nimmer het oog kan hebben gehad op het hemelwater. Indien geen vervuiler is aan te wijzen is een dergelijke bepaling immers niet zinvol. Voorts zijn ook de overige vereisten aan de kostenterugwinning opgenomen in artikel 9 KRW, zoals adequate prikkels en een redelijke verdeling per watergebruikssector, niet dan wel zeer moeilijk toepasbaar op het hemelwater. 5.1.8 Uit het vorenstaande volgt dat de KRW en daarmee de inhoud van artikel 9 KRW, voor zover de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' betreft, niet (primair) ziet op het inzamelen en afvoeren van hemelwater. In het oordeel van het Hof wordt dit miskend doordat het Hof, juist door het feit dat ook hemelwater in de riolering stroomt, tot het oordeel komt dat de beoordelingsruimte, voor zover deze er al is, de gemeente vrij laat in het aanwijzen van de vervuiler voor de gehele waterdienst. Dit oordeel is daarmee onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. Versterkend (kosten)effect in de waterketen 5.1.9 Vier van de vijf door Nederland aangewezen waterdiensten zien op de waterketen. Van het begin tot het einde van de waterketen zijn dit achtereenvolgens de waterdiensten 'grondwaterbeheer', 'productie en levering van water', 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' en 'zuiveren van afvalwater'. In de economische analyse van het Stroomgebiedbeheerplan heeft Nederland opgenomen dat haar gehele waterbeheer is gebaseerd op het principe dat de vervuiler betaalt voor waterkwaliteit en de gebruiker voor waterkwantiteit. Daarbij heeft Nederland kennelijk het oog gehad op het versterkende regulerende effect dat kostenterugwinning bij de gebruiker voor de gehele waterketen heeft. Tevens moet in acht worden genomen dat Nederland in het Stroomgebiedbeheerplan Maas geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden in lid 4 van artikel 9 KRW om bepaalde vormen van watergebruik uit te zonderen van de kostenterugwinning volgens het principe dat de vervuiler betaalt. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. 5.1.11 Gezien het bovenstaande is het oordeel van het Hof dat er op neerkomt dat de kostenterugwinning van de waterdienst ‘Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' niet hoeft plaats te vinden bij de gebruiker, terwijl deze onmiskenbaar onderdeel uitmaakt van het Nederlandse waterbeheer, onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. 5.1.12 Voorts miskent het oordeel van het Hof dat het HvJ EU in zijn arrest van 1 juli 2015 heeft geoordeeld dat de tekst 'tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedbeheerplan omschreven maatregelenprogramma' in artikel 4, lid 1 KRW, inhoudt dat de lidstaten verplicht zijn aldus te handelen. Gezien de inhoud van dit maatregelenprogramma dient de kostenterugwinning van de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater'. plaats te vinden bij de gebruiker. Vergelijking zuiveringsheffing 5.1.13 De waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' houdt het meest verband met de waterdienst 'zuiveren van afvalwater'. Dit blijkt onder andere uit het feit dat in de economische analyse in tabel 2-3 van het Stroomgebiedbeheerplan Maas bij de berekening van de kostprijs van beide waterdiensten per m3 door Nederland wordt uitgegaan van exact dezelfde volumes, te weten 483 miljoen m3. 5.1.14 Gezien het Stroomgebiedbeheerplan Maas zien beide waterdiensten op exact dezelfde waterstroom. In de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel is de wetgever helder over wie voor deze waterstroom met betrekking tot de zuiveringsheffing de 'vervuiler' is, namelijk de gebruiker van een object. Deze is belastingplichtig voor de zuiveringsheffing. "De bekostiging van het zuiveringsbeheer is en blijft gebaseerd op het principe 'de vervuiler betaalt'. De kosten van het zuiveringsbeheer worden via de zuiveringsheffing omgeslagen over de huishoudens en bedrijven die afvalwater lozen op de riolering." 5.1.15 Met het oog op voornoemde wetsgeschiedenis en de economische analyse in het Stroomgebiedbeheerplan Maas valt niet in te zien waarom voor de waterdienst ‘Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' een ander dan de gebruiker als vervuiler zou kunnen worden aangemerkt. Een bepaalde waterstroom kent immers maar één en dezelfde vervuiler. 5.1.16 Gezien het vorenstaande is het oordeel van het Hof dat het de gemeente vrij staat om de gebruiker van een perceel buiten de rioolheffing te houden onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. 5.1.17 [X] verzoekt uw Raad zich tot het HvJ EU te wenden indien uw Raad niet zelfstandig tot het oordeel komt dat de bepaling in de Verordening inzake de belastingplicht strijdig is met het in artikel 191, lid 2 VwEU en artikel 9, lid 1 KRW genoemde beginsel dat de vervuiler betaalt. 3.6 De reactie in het verweer van het College, op het eerste middelonderdeel, luidt: 4. Vervuiler betaalt beginsel (…) 4.2 Standpunt college Someren Wij zijn van mening dat het Hof op juiste gronden en voldoende gemotiveerd heeft [geoordeeld] dat de gemeente Someren binnen de beoordelingsmarge van artikel 9 KRW is gebleven door alleen de eigenaar in de rioolheffing te betrokken. Allereerst zijn wij van mening dat het betoog van belanghebbende, dat een eigenarenheffing in strijd is met het beginsel dat de vervuiler betaalt, gebaseerd is op de gedachte dat de eigenaar van een perceel niet valt aan te merken als "vervuiler" in de zin van de KRW. Het begrip "vervuiler” is in de KRW echter niet nader gedefinieerd. Lidstaten hebben dus een zekere mate van beoordelingsvrijheid om dit begrip af te bakenen, zolang de kosten van waterdiensten maar worden teruggewonnen. De eigenaar kan in dit verband ook als ‘vervuiler' worden beschouwd. Eigenaren vallen onder de (diverse) watergebruiksectoren en maken gebruik van de, riolering als onderdeel van de waterdienst. Voor zover zij niet zelf als directe vervuiler zijn aan te merken, stellen zij door de verhuur van de woning met een rioolaansluiting anderen in staat om daar gebruik van te maken en te 'vervuilen’. Uw Raad heeft terzake van het rioolrecht beslist dat onder "gebruik" van de riolering mede het genot van de aansluiting voor de eigenaar kan worden begrepen (o.m. HR 5 maart 1980, nr. 19 441, BNB 1980/103). Eigenaren maken dus rechtstreeks of indirect gebruik van de riolering en zijn daarmee (ook) aan te merken als "vervuilers". Ook in latere arresten heeft Uw Raad in gelijke zin beslist (zie o.a. HR 24 oktober 1984, nr. 22 429, BNB 1985/58, Belastingblad 1985, blz. 6 (Havelte) en HR 12 januari 1994, nr. 29 597, BNB 1994/84, Belastingblad 1994, blz. 270 (Bussum)). De rioolheffing kan ook alleen worden geheven van eigenaren van eigendommen die zijn aangesloten op de riolering, hetgeen ook blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 228a Gemeentewet (Kamerstukken II, 2005-2006, 30578, nr. 3, blz. 21-22), Daarin is het volgende opgemerkt: (…) Gemeenten mogen aldus de kosten van de riolering verhalen op zowel de eigenaren als de gebruikers. Op de tweede plaats gaat belanghebbende er aan voorbij dat alle stappen van de watervoorziening in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening (en terugwinning) van de kosten. Het begrip "waterdiensten” omvat namelijk de waterketen in haar geheel en dus niet enkel de verzameling van afvalwater en hemelwater. Het voegwoord 'en’ in artikel 2, punt 38, KRW wijst er op dat het tevens gaat om de behandeling (zuivering) van afvalwater (zie ook punt 34 van het betoog van de Duitse regering in de zaak HvJ EU 11 september 2014, zaak C-525/12, Commissie/Duitsland) . Het begrip omvat daarnaast de opslag, behandeling en distributie van oppervlakte en grondwater: Het beginsel van terugwinning van de kosten geldt niet noodzakelijkerwijs voor al deze afzonderlijke activiteiten of onderdelen van de waterdienst, maar in dit verband moeten alle fasen van de watervoorziening in aanmerking worden genomen (zaak C-525/12, Commissie/Duitsland, punten 46 t/m 48 en 58). Het beginsel van terugwinning van kosten moet dus worden toegepast ongeacht het aantal betrokken dienstenleveranciers en de samenstelling van de keten (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal in voormelde zaak C-525/12, punten 52-55). De rioolheffing eigenaren moet derhalve niet geïsoleerd, maar in samenhang met (onder meer) de overige waterdiensten worden bezien. Dit betekent dat om na te gaan of het bestaande financieringsstelsel in overeenstemming is met het beginsel dat de vervuiler betaalt, er niet alleen gekeken moet worden naar 1) de kosten voor doelmatig werkende riolering (waaronder bovendien de kosten die verband houden met de verzameling van afvalwater en regenwater), maar ook naar 2) de zuiveringskosten (d.w.z. de kosten die verband houden met de behandeling van dat water), en 3) naar de kosten voor de distributie van (schoon) drinkwater (zijnde de allerlaatste schakel voordat de waterketen bij het gebruik van water begint). Ook de wetgever zet in de MvT bij de Implementatiewet KRW (TK 2002-2003, 28 808, nr. 3). het bestaande Nederlandse financieringsstelsel van het waterbeheer in zijn geheel af tegen het beginsel van kostenterugwinning. De wetgever maakt daarbij geen onderscheid tussen de activiteiten die verband houden met verzameling van afvalwater en activiteiten die verband houden met de behandeling en distributie van water. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat de totale lasten van 4 miljard euro waar in de MvT over wordt gesproken zien op de totale lasten van (alle) waterdiensten. Wat betreft
(1)de kosten voor een doelmatig werkende riolering geldt dat inzameling en transport van afvalwater en hemelwater nog steeds via een overwegend gemengd rioolstelsel plaats vindt. Gemeenten hebben dan ook de mogelijkheid om met één heffing te werken, waaruit niet alleen de gemeentelijke waterketen (o.a. het huishoudelijk afvalwater) maar ook de watersysteemkosten (o.a. het regenwater) worden bekostigd. De afvoer van regenwater is (op dit moment) fysiek immers nog in belangrijke mate vervlochten met de waterketen terwijl de capaciteit van de riolering primair is bepaald aan de hand van afvoer van regenwater (de riolering moet de afvoer van een forse regenbui aankunnen; in de afvoer van afvalwater doen zich dergelijke schommelingen in het aanbod niet voor en een fysieke ontvlechting brengt hoge kosten met zich mee, terwijl het hanteren van twee heffingen voor de afzonderlijke functies administratief belastend is, Indien met één heffing wordt gewerkt, kunnen gemeenten er vervolgens voor kiezen deze heffing op te leggen aan uitsluitend de eigenaren. De kosten voor
(2)behandeling van afvalwater (inclusief regenwater) worden in rekening gebracht door het Waterschap. Zij leggen een zuiveringsheffing op voor de kosten van zuivering van afvalwateren leggen deze (uitsluitend) op aan de gebruikers (vervuilers) van bedrijfs- en woonruimten (art. 122d Waterschapswet), Deze kosten houden immers (het meest) verband met de concrete bevuiling van het water door de (feitelijke) gebruikers van het perceel. Daarnaast
(3)betalen de feitelijke gebruikers voor de kosten van de levering van drinkwater. Deze kosten worden in rekening gebracht door drinkwaterbedrijven. Ook kunnen houders van inrichtingen of werken, bestemd tot onttrekking van grondwater, verplicht zijn tot het betalen van een provinciale grondwaterheffing wegens het onttrekken van grondwater (artikel 7.7 van de Waterwet). Als grondslag voor deze bestemmingsheffing geldt de hoeveelheid onttrokken grondwater in kubieke meters. Aldus is een dekkend systeem opgezet, waarbij de kosten van het gehele systeem evenredig zijn doorberekend aan de meest geëigende categorieën. De kosten drinkwater aan degenen die daadwerkelijk verbruiken (de feitelijke gebruikers van het perceel), zuivering van afvalwater aan degenen die aan de vervuiling bijdragen (de 'echte' vervuilers, zijnde de feitelijke gebruikers van het perceel) en aanleg en onderhoud van het riool, ter afvoering van afval- en regenwater – (mede) ter voorkoming van waterschade – aan diegenen die daar uiteindelijk het meeste profijt van hebben (zijnde de eigenaren van het perceel). Dit dekkende systeem kan, mede gelet op de ruime beoordelingsmarge, niet geacht worden in strijd te zijn met het beginsel van de vervuiler betaalt, zoals uitgelegd door het HvJ EU in zijn rechtspraak. Deze rechtspraak komt er kort gezegd op neer dat het beginsel dat de vervuiler betaalt een uitdrukking is van het evenredigheidsbeginsel (HvJ EU, zaak C-293/97, Standley e.a. en Metson e.a., Jurispr. 1999, I-2603, punt 52). Het is aan de nationale rechter om aan de hand van feitelijke en juridische gegevens na te gaan of een specifieke heffing niet tot gevolg heeft dat bepaalde categorieën heffingsplichtigen kosten dienen te dragen die voor die specifieke groep kennelijk onevenredig zijn (zie HvJ EU 16 juli 2009, zaak C-254/08, Futura Immobilaire, Jurispr. 2009, p. I-6995, punt 57). Van een onevenredige heffing is geen sprake. De ratio achter de eigenarenheffing is dat de doorberekening van de kapitaallasten van het riool (inclusief het beheer en het onderhoud) eerder in relatie staan tot de eigenaren dan tot de gebruiker van de onroerende zaak. Aansluiting op het riool verhoogt immers de waarde van het eigendom voor de eigenaar; de eigenaar heeft daar profijt van (HR 5 maart 1980, nr. 19 441, BNB 1980/103). Daarnaast wijzen wij op de jurisprudentie van Uw Raad in het kader van de heffing van het rioolrecht waarin is bepaald dat het gemeente vrij staat om alleen eigenaren – en dus niet de gebruikers als belastingplichtige in de heffing van rioolrecht te betrekken. De gemeente mag daarbij alle kosten van de gemeentelijke riolering verhalen op deze categorie van belastingplichtigen. Van schending van het nationale evenredigheidsbeginsel is volgens Uw Raad in dat geval geen sprake (HR 15 mei 2009, nr. 07/13148, BNB 2009/208). De eigenarenheffing heeft eveneens betrekking op de kosten van afvoer van (huishoudelijk) afvalwater. Echter, aangezien de afvoer van regenwater fysiek ook in belangrijke mate is vervlochten met de waterketen, is het niet onredelijk in de heffing geen onderscheid te maken tussen de kosten van de Inzameling van afvalwater enerzijds en de kosten die gepaard gaan met de verzameling van regenwater anderzijds. De KRW verplicht ook niet tot dit onderscheid. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende aanvoert, heeft het HvJ EU in de Standley-zaak (HvJ EU, zaak C-293/97) ook niet geoordeeld dat een ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen vervuiling en niet hoeft te betalen voor vervuiling van een ander. Het HvJ EU oordeelde in punt 51 namelijk als volgt: (…) Uit hetgeen hierboven vermeld is, blijkt ons inziens dat ook de eigenaar, mede gelet op het feit dat de riolering eveneens dient voor de afvoer van hemelwater, wel degelijk eveneens heeft bijgedragen aan de lasten die gepaard gaan met de afvoer van hemel- en afvalwater alsmede belang heeft bij de aanleg en het onderhoud van riolering. Het gaat derhalve de beoordelingsvrijheid van lidstaten (en de (ruime) beoordelingsvrijheid van de gemeentelijke wetgever) niet te buiten om de rioolheffing, waaruit zowel de gemeentelijke waterketen als watersysteemkosten worden bekostigd, vervolgens uitsluitend op te leggen aan eigenaren. Zowel de eigenaar als de feitelijke gebruiker roepen immers lasten op die in de rioolheffing worden betrokken, aangezien met de heffing zowel de lasten van de aanleg en het onderhoud worden gefinancierd als de door het feitelijke gebruik veroorzaakte lasten. Met de rioolheffing worden bovendien in meer dan bijkomende mate kosten verhaald die gepaard gaan met voorzieningen voor regenwater en grondwaterzorgplichten. En juist deze kosten worden niet veroorzaakt door individueel gebruik. Het zou, omgekeerd, dus juist onevenredig zijn om uitsluitend de (feitelijke) gebruikers op te laten draaien voor alle kosten, waaronder dus ook kosten die het collectief belang dienen, zoals de aanleg van riolering en het inzamelen en verwerken van afvloeiend regenwater. Deze en andere heffingskeuzes zijn weliswaar denkbaar, maar de KRW noch het beginsel dat de vervuiler betaalt verplicht tot het heffen van één bepaalde categorie gebruikers, overeenkomstig één specifieke systematiek. Bovendien heeft de wetgever zich bij de implementatie van de KRW expliciet de vraag gesteld of het Nederlandse financieringsstelsel van het waterbeheer in overeenstemming is met het kostenterugwinningsbeginsel van de KRW. De wetgever meent dat dit het geval is (TK 2002-2003, 28 808, nr. 3, blz. 17); (…) In een door de regering aan de Tweede Kamer gezonden notitie staat (TK 2003-2004, 28 808, nr. 12, blz. 20): "De KRW eist dat tegen het jaar 2010 rekening wordt gehouden met het beginsel van terugwinning van kosten van waterdiensten. Ook moet het waterprijsbeleid prikkels bevatten voor een efficiënt gebruik en voor terugwinning van kosten. In Nederland is kostenterugwinning nu al de grondslag voor de financiering van het watergebruik en het waterbeheer. Hierbij vormen de principes «de vervuiler betaalt» of de «gebruiker betaalt» het uitgangspunt. De recente nationale besluitvorming over financiering van het waterbeheer (IBO) is geheel in lijn met de eisen van de KRW.” De nationale wetgever heeft dus zowel bij de Implementatiewet als bij de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken getoetst op eventuele strijdigheid met de KRW. De nationale wetgever acht een rioolheffing van uitsluitend eigenaren blijkbaar in overeenstemming met de KRW. Ook in het vigerende Stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2016 is aangegeven dat het Nederlandse waterbeheer gebaseerd is op het “beginsel de vervuiler betaalt” en dat de kosten van de waterdiensten grotendeels bij de vervuilers en de gebruikers worden teruggewonnen en dus in overeenstemming zijn met artikel 9 KRW. In dit kader verwijzen wij o.a. naar pagina 39 van het Stroomgebiedbeheerplan, waar de volgende passage is opgenomen: (…) Ter zake van de stelling dat de KRW niet (primair) ziet op hemelwater, merken wij het volgende op. Belanghebbende voert daartoe o.a. aan dat de Gemeenschap bij het opstellen van de KRW primair de verzameling en behandeling van afvalwater onder de werking van de KRW heeft willen brengen en niet het inzamelen en afvoeren van hemelwater. Allereerst miskent belanghebbende dat in de KRW geen definitie van het begrip 'afvalwater' is opgenomen. Hemelwater dat op het aardoppervlak terecht komt en vervolgens via de riolering naar een zuiveringsinstallatie wordt afgevoerd kan in onze optiek ook als afvalwater in de zin van de KRW en artikel 228a Gemeentewet gekwalificeerd worden. Voorzover het hemelwater niet via de riolering wordt afgevoerd, zal dit water zodra aardoppervlak wordt bereikt, te kwalificeren zijn als oppervlaktewater dan wel grondwater in de zin van de KRW. Voorzover belanghebbende betoogt dat de KRW en dan met name artikel 9 van de KRW niet ziet op de inzameling en afvoer van hemelwater, omdat ten aanzien daarvan geen 'vervuiler' is aan te wijzen, is dat oordeel gelet op het voorgaande onjuist. Zulks zou immers impliceren dat het beginsel van kostenterugwinning slechts betrekking zou hebben op een deel van de “waterdienst” rioolheffing (de kosten die verband houden met de afvoer van afvalwater), terwijl expliciet gesteld is dat de KRW van toepassing is op alle waterdiensten (als geheel). Bovendien is in artikel 2.38 van de KRW ook vermeld dat de term "waterdienst" ook ziet op "diensten die voorzien in de onttrekking, opstuwing, opslag, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater”. Ter zake van de kosten die veroorzaakt worden door het hemelwater dat als afvalwater naar de zuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, het hemelwater dat in oppervlaktewater terecht komt, via oppervlaktewater wordt afgevoerd of als grondwater gekwalificeerd kan worden, alsmede de kosten die gepaard gaan met de aanleg, het beheer en het onderhoud van het rioleringsstelsel, heeft het Hof derhalve terecht geoordeeld dat deze niet zonder meer aan de gebruiker en niet aan de eigenaar kunnen worden toegerekend. In het beroepschrift in cassatie wordt verder nog gesteld dat in tabel 2-3 van het Stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 niet het volume van het hemelwater zou zijn opgenomen. Deze stelling wordt echter niet verder onderbouwd. In onze optiek wordt in deze tabel het totaal aantal kubieke meters water dat via de riolering wordt afgevoerd weergegeven en omvat dit aldus ook het gedeelte van het hemelwater dat via de riolering (als afvalwater) wordt afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie. Het overige volume van het hemelwater dat bijvoorbeeld via sloten etc. wordt afgevoerd of infiltreert in de grond, kan niet exact bepaald worden en is daardoor niet opgenomen in voornoemde tabel. Dat laat echter onverlet dat de gemeente ook ten aanzien daarvan kosten maakt en dat deze kosten via de rioolheffing moeten worden verhaald. Mede gelet daarop heeft het hof dan ook terecht geconcludeerd dat ten [eerste] uit heffingsbeginsel "de vervuiler betaalt" niet volgt dat de kosten van de inzameling en verwerking van hemelwater niet aan de eigenaar kunnen worden toegerekend. Het Hof [heeft] haar oordeel ook voldoende gemotiveerd. In dat verband verwijzen wij naar overweging 4.3, waarin overwogen is dat, gelet op het feit dat naast de kosten van het zuiveren van afvalwater ook sprake is van kosten die verband houden met de inzameling en verwerking van hemelwateren de kosten die gepaard met het beheer en onderhoud van het riool, niet kan [worden] aangenomen dat deze aan de gebruiker en niet aan de eigenaar zijn toe te rekenen. Voor zover belanghebbende beweert dat de KRW en artikel 9 van de KRW niet primair ziet op de waterdienst ‘inzamelen en afvoeren van hemelwater', concluderen wij dat belanghebbende daarmee in feite betoogt dat artikel 9 KRW niet van toepassing is op de waterdienst rioolheffing, Het staat immers vast dat de inzameling en afvoer van hemelwater een gemeentelijke taak betreft, waarvan de lasten middels de rioolheffing (en in het verleden via het rioolrecht) kunnen worden verhaald. De KRW is van toepassing op de waterdienst rioolheffing en daartoe behoort ook de zorgplicht voor de inzameling en afvoer van hemelwater, mede gelet op het feit dat dit water uiteindelijk zodra het aardoppervlak bereikt is, kan worden gekwalificeerd als oppervlakte-, grond- of afvalwater in de zin van de KRW. Het oordeel van het Hof in deze is dan ook, gelet op de gegeven argumentatie van het Hof, juist en ook begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. De door belanghebbende aangevoerde uitspraak van het HvJ EU van 1 juli 201(…)[5] (C‑461/13), is in onze optiek niet relevant voor de onderhavige procedure. De uitspraak heeft betrekking op artikel 4 van de KRW, en dan met name de vraag welke de doorslaggevende criteria zijn om te beoordelen of er sprake is van achteruitgang van de toestand van water. Het Europese Hof heeft in deze uitspraak bepaald dat decentrale overheden een vergunning voor een project niet mogen afgeven, wanneer het project de kwaliteit van het water naar beneden kan halen. Het Europese Hof heeft geoordeeld dat er sprake is van een achteruitgang, wanneer tenminste één kwaliteitselement van het oppervlakte- of grondwater een klasse achteruitgaat. Deze kwaliteitselementen zijn te vinden in bijlage V van de KRW en zijn aldus onvoorwaardelijk en nauwkeurig geformuleerd, waardoor deze ook expliciet te toetsen zijn, In dat kader dient het oordeel van het Hof dat de woorden 'ten uitvoer leggen' voor de lidstaten een verplichting inhouden om aldus te handelen ook gezien te worden. Artikel 4 KRW bevat, gelet op de bewoordingen daarvan, een dwingend voorschrift. Artikel 9 van de KRW kent een dergelijke nauwkeurige en onvoorwaardelijke formulering niet en geeft daarmee een ruime beoordelingsmarge aan de lidstaten. Ten aanzien van artikel 9 is veel minder sprake van een dwingend voorschrift en deze bepaling schrijft zeker niet voor dat kostenterugwinning van de rioolheffing dan wel kostenterugwinning van de waterdienst 'inzamelen en afvoer van hemelwater' dient plaats te vinden van de gebruiker. De oordelen van het Hof zijn naar onze mening niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen het Hof in r.o. 4.3-4.5 heeft opgenomen. 3.7 Het tweede middelonderdeel en de toelichting daarop luiden: 5.2 Adequate prikkels 5.2.1 Het Hof oordeelt in de bestreden uitspraak in r.o. 4.5 dat het vereiste inzake de adequate prikkels zoals opgenomen in lid 1, eerste gedachtestreepje van artikel 9 KRW, slechts ziet op ‘de prijs voor (het gebruik van) water (drinkwater of onttrokken grondwater) en niet op de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater (nadat het water is gebruikt)'. 5.2.2 Voornoemd oordeel van het Hof dat het vereiste inzake de adequate prikkel niet van toepassing is op de waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater' is onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. 5.2.3 De tekst van de bepaling geeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat dit vereiste slechts van toepassing is op een beperkt deel van de door de lidstaten aangewezen waterdiensten. 5.2.4 Ook indien het oordeel van het Hof zo moet worden opgevat dat deze van mening is dat het woord 'waterprijsbeleid' enkel ziet op de prijs van drink- en grondwater is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk. Uit zowel de titel als de inhoud van het door [X] aangeleverde 'Visiedocument waterprijsbeleid 21e eeuw' dat is opgesteld in opdracht van Rijkswaterstaat blijkt dat met de term 'waterprijsbeleid' de prijsstelling/kostendoorberekening van alle door Nederland aangewezen waterdiensten omvat. Voor een andere, enge, uitlegging van het begrip 'waterprijsbeleid' zoals het Hof kennelijk voorstaat bieden de KRW en de stukken van het geding geen enkele grond. 5.2.5 Ook de door Nederland opgestelde stroomgebiedbeheerplannen worden door het oordeel van het Hof miskend. In het van toepassing zijnde Stroomgebiedbeheerplan Maas staat zoals hiervoor onder 3.12 vermeld dat het Nederlandse waterbeheer al decennia lang is gebaseerd op de principes 'de vervuiler betaalt' voor chemische waterkwaliteit en 'de gebruiker betaalt' voor waterkwantiteit. 'De financiering van het waterbeheer en het gevoerde prijsbeleid in Nederland zijn daar dan ook op gebaseerd en kennen waar effectief prijsprikkels ter stimulering van een efficiënt gebruik van water', zo luidt het Stroomgebiedbeheerplan Maas. 5.2.6 Uit de resultaten van voornoemd onderzoek dat in opdracht van Rijkswaterstaat is uitgevoerd en heeft geleid tot het rapport 'Visiedocument waterprijsbeleid 21e eeuw' blijkt dat via adequate prikkels in het prijsbeleid van onder andere de rioolheffing een waterbesparing mogelijk is van 10 tot 20% wanneer de tariefstelling hiervan aan zou sluiten bij het waterverbruik. Met een dergelijke waterbesparing zou tegemoet worden gekomen aan één van de belangrijkste doelstellingen van de KRW, te weten duurzamer gebruik van water. 5.2.7 Voorts miskent het Hof dat onder meer de Europese Commissie in haar beoordeling van de Nederlandse stroomgebiedbeheerplannen aangeeft dat de adequate prikkels per waterdienst dienen te worden beschreven. Lindhout wijst in haar artikel 'Application of the Cost Recovery Principle on Water Services in The Netherlands' tevens op dit beoordelingsrapport van de Europese Commissie waarin staat: "Information should also be provided on the incentive function of water pricing for all water services, with the aim of ensuring the efficient use of water." 5.2.8 Het Hof miskent met haar oordeel tevens dat Rijkswaterstaat in haar rapport 'Kostenterugwinning van Waterdiensten in Nederland' waar het Stroomgebiedbeheerplan Maas expliciet naar verwijst ook aangeeft dat het waterprijsbeleid ziet op alle waterdiensten en dat al deze waterdiensten moeten voldoen aan het vereiste dat sprake is van adequate prikkels in het prijsbeleid hiervan: "Omdat de Kaderrichtlijn Water een duidelijke koppeling legt met het vervuiler/gebruiker betaalt principe, wordt tevens per waterdienst een beschrijving gegeven van de aanbieders en gebruikers. De beschrijving van de kostenterugwinning kan worden gezien als een eerste onderdeel van de analyse van het prijsbeleid. De KRW stelt dat prijsbeleid adequate prikkels moet geven om efficiënt watergebruik te stimuleren. Vandaar dat voor iedere waterdienst wordt beschreven via welk mechanisme de kosten worden teruggewonnen." 5.2.9 Het standpunt van [X] wordt eveneens ondersteund door Lindhout. Zij schrijft in haar noot bij de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant onder meer: (…) 5.2.10 Gezien het bovenstaande ziet het vereiste dat sprake moet zijn van adequate prikkels in het waterprijsbeleid op alle waterdiensten en niet zoals het Hof heeft geoordeeld op een beperkt aantal. 5.2.11 Wellicht ten overvloede merkt [X] op dat tevens in acht moet worden genomen dat Nederland in het Stroomgebiedbeheerplan Maas geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden in lid 4 van artikel 9 KRW om bepaalde vormen van watergebruik uit te zonderen van een waterprijsbeleid met adequate prikkels. 5.2.12 [X] verzoekt uw Raad zich tot het HvJ EU te wenden indien uw Raad niet zelfstandig tot het oordeel komt dat het vereiste dat sprake moet zijn van adequate prikkels in het waterprijsbeleid geldt voor alle waterdiensten waaronder de onderhavige door Nederland aangewezen waterdienst 'Inzamelen en afvoer van hemel- en afvalwater'. 3.8 De reactie in het verweer van het College, op het tweede middelonderdeel, luidt: 5. Adequate prikkels (…) 5.2 Standpunt college Someren Belanghebbende geeft allereerst een onjuiste uitleg aan het begrip 'adequate prikkels'. Dit begrip moet worden beoordeeld in de context van de terugwinning van de kosten van waterdiensten, waarbij zo min mogelijk bekostiging uit de algemene middelen moet plaatsvinden. Het gaat er vooral om dat de watergebruikssectoren bijdragen aan de kosten van de waterdiensten die zij gebruiken. Door die betaling ontstaat bewustwording en langs die weg wordt invulling gegeven aan het beginsel dat de vervuiler betaalt. Artikel 228a Gemw biedt de mogelijkheid tot het vaststellen van een gemeentelijke kostendekkende bestemmingsheffing tot terugwinning van de kosten van waterdiensten geheel in lijn met de gedachte van artikel 9 KRW en in overeenstemming met de daarin geformuleerde beginselen. Artikel 228a Gemw is dus niet in strijd met artikel 9 KRW. Waar belanghebbende spreekt over adequate prikkels doelt zij op de tweede alinea van artikel 9, lid 1 KRW, en wel het eerste streepje. In haar betoog miskent belanghebbende evenwel dat de verplichting voor de lidstaten om ervoor te zorgen dat het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers (van water), moet worden onderscheiden van de verplichting om (ook) ervoor te zorgen dat de diverse watergebruikssectoren een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten conform het beginsel dat de vervuiler betaalt (het tweede streepje van de tweede alinea). De eerste verplichting ziet dus op de gebruiker en de tweede verplichting ziet op de vervuiler. Dat zijn twee duidelijk te onderscheiden categorieën die in verband moeten worden gezien met verschillende delen van de waterketen. Dat een justitiabele tot beide categorieën kan behoren, doet aan dit onderscheid niet af. De verplichting om een adequate prikkel te introduceren ziet op het waterprijsbeleid, hetgeen betekent dat de prikkel zich dient te richten tot de gebruikers of afnemers van (drink)water (en zij die grondwater aan de bodem onttrekken). Door adequate prikkels te introduceren kan het waterverbruik worden verminderd en worden watervoorraden efficiënt benut. Volgens de Europese Commissie kunnen lidstaten daarbij bijvoorbeeld gebruik maken van een ”flat rate", mits zij kunnen verantwoorden dat een dergelijk vast tarief een adequate prikkel vormt. Deze verplichting richt zich dus primair tot bijvoorbeeld de drinkwaterleidingbedrijven. Met de rioolheffingen geven gemeenten uitvoering aan de verplichting tot kostenterugwinning, zoals weergegeven in het tweede streepje van de tweede alinea van artikel 9, lid 1 KRW. Dienaangaande geldt dat 1) de diverse watergebruikssectoren 2) een redelijke bijdrage leveren. De redelijke bijdrage moet gebaseerd zijn op een economische analyse, uitgevoerd volgens bijlage III van de KRW, en moet rekening houden [met] het beginsel van de vervuiler betaalt. Dat de redelijke bijdrage tevens een adequate prikkel zou moeten bevatten, blijkt niet. Het principe dat het waterprijsbeleid adequate prikkels dient te bevatten ziet dus op het gebruik van de watervoorraden aan het begin van de keten; dus voordat vervuiling plaatsvindt. Het gaat dus met name om prikkels die leiden tot een zuiniger gebruik van waterbronnen. Daaruit blijkt dat niet de rioolheffing (die juist ziet op de terugwinning van de kosten van waterdiensten aan het einde van de keten), maar uitsluitend de tarieven die (aan het begin van de keten) bij de gebruikers in rekening worden gebracht door (bijvoorbeeld) drinkwaterbedrijven voor het voorzien van (schoon) drinkwater aan dit principe zijn onderworpen. Belanghebbende verwijst in het beroepschrift in cassatie naar de beoordeling van de Europese Commissie van de Nederlandse stroomgebiedbeheerplannen, waarin zou zijn aangegeven dat de adequate prikkels per waterdienst dienen te worden beschreven. In de vertaalde versie van het door belanghebbende aangehaalde werkdocument is de volgende tekst opgenomen: "De stroomgebiedbeheerplannen beschrijven niet precies per type watergebruik de manier waarop het waterprijsbeleid adequate prikkels voor gebruikers biedt om waterbronnen efficiënter te gebruiken. Er wordt echter vermeld dat de financiering van waterbeheer in Nederland is gebaseerd op de beginselen 'de vervuiler betaalt' en 'de gebruiker betaalt', en er worden prijsprikkels gebruikt om efficiënt watergebruik te stimuleren. De volgende instrumenten waarmee kosten worden teruggewonnen, worden genoemd (in het algemeen): volumetrische belasting, verontreinigingsheffing, lozingsheffing, grondwaterheffing, grondwaterbelasting en overige. De bovengenoemde instrumenten tonen aan dat in Nederland een stimulerend prijsbeleid wordt gevoerd.” (…) Wij merken op dat de Commissie met de bovenstaande passage (nogmaals) heeft bevestigd dat er sprake dient te zijn van adequate prikkels om waterbronnen efficiënter te gebruiken. Daarmee wordt benadrukt dat de 'adequate prikkels' in het waterprijsbeleid zien op het gebruik van de watervoorraden aan het begin van de keten (voordat de vervuiling plaatsvindt). Waterbronnen dienen immers efficiënter te worden gebruikt. Daarnaast stelt ook de Commissie dat de instrumenten (waarbij de rioolheffing ook niet genoemd wordt) aantonen dat in Nederland een stimulerend prijsbeleid gevoerd wordt. In het werkdocument wordt gesteld noch geconcludeerd dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 9 KRW. Voorts blijkt uit het werkdocument voorts ook niet dat de term 'adequate prikkels’ ziet op alle waterdiensten in het algemeen en de rioolheffing in het bijzonder; er dienen adequate prikkels te zijn om waterbronnen efficiënter te gebruiken. Daarnaast merken wij nog op dat gemeenten een behoorlijke beoordelingsvrijheid hebben om te zorgen voor 'adequate prikkels' in de zin van de KRW, alsmede dat de KRW niet verplicht tot een rioolheffing gebaseerd op (individueel) verbruik. Deze ruime mate van beoordelingsvrijheld blijkt al uit de (letterlijke) tekst van artikel 9 KRW, waarin staat dat lidstaten onder meer de sociale en economische effecten van de terugwinning in acht mogen nemen. Bovendien vormt de rioolheffing onderdeel van het (in deze subsidiaire benadering ruime) waterprijsbeleid, bestaande uit meerdere prijzen (namelijk ook het drinkwatertarief, de belasting op leidingwater (ex artikelen 13 t/m 15 van de Wet belastingen op milieugrondslag) en de zuiveringsheffing). De riolering vormt slechts een deel van de totale waterketen. Het Nederlandse waterprijsbeleid bevat, gelet op de al genoemde beoordelingsvrijheid, voldoende adequate prikkels om de watervoorraden efficiënt te benutten. Nu de rioolheffing niet de enige maatregel is die krachtens de KRW kan aanzetten tot een zuiniger en voorzichtiger waterbeheer (zie ook het betoog van de Duitse regering in de conclusie van Advocaat-Generaal N. Jaäskinen van 22 mei 2014, zaak C-525/12, Commissie/Duitsland, punt 33, zoals later (in vergelijkbare bewoordingen) bevestigd door het HvJ EU in zijn arrest van 11 september 2014, punt 55), creëert het gehele systeem van heffingen voldoende bewustwording bij iedere categorie "gebruiker" om tot een efficiënt gebruik van; de watervoorraden/waterbronnen te komen. Verder is er reeds sprake van een adequate prikkel zodra watergebruiksectoren (waaronder de eigenaren) op enige wijze (financieel) bijdragen aan de kosten van de (diverse onderdelen van
- de)waterdiensten die zij gebruiken; of dit nu gebeurt door middel van een vast, of variabel bedrag. Uit onderzoek blijkt bovendien dat de prijselasticiteit van water zeer klein is, hetgeen betekent dat een stijging van de prijs niet hoeft te leiden tot een zuiniger waterverbruik. Afhankelijk van de gekozen variabiliteit kan het zelfs zo zijn dat zuiniger waterverbruik leidt tot een toename van de totale kosten voor de gebruiker. Tenslotte is ook in het "Stroomgebiedbeheerplan Maas 2016-2021" op pagina 66 aangegeven dat prijsprikkels die tot zuinig gebruik moeten leiden niet altijd werken: (…) Voor wat betreft de rioolheffing is aldus zelfs expliciet opgemerkt dat het grootste deel van de kosten te maken heeft met investeringen in infrastructuur en dus niet afhankelijk is van variabele kosten. Dat maakt dit instrument ook minder geschikt voor het hanteren van de door belanghebbende aangevoerde adequate prikkels in het prijsbeleid. De oordelen van het Hof zijn naar onze mening derhalve niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen het Hof in ro. 4.5, heeft opgenomen. 3.9 Het derde middelonderdeel en de toelichting daarop luiden: 5.3 Redelijke verdeling Watergebruikssectoren 5.3.1 Het oordeel van het Hof zoals verwoord in r.o. 4.7 t/m 4.10 van de bestreden uitspraak komt er op neer dat de gemeente bij het vaststellen van de tarieven voor de rioolheffing voldoende rekening heeft gehouden met het vereiste van artikel 9, lid 1 KRW dat de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens bijlage III en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt. 5.3.2 Allereerst miskent het Hof met haar oordeel het feit dat bij de redelijke verdeling rekening moet worden gehouden met het beginsel dat de vervuiler betaalt. Hiervoor onder 5.1 heeft [X] reeds gemotiveerd aangegeven waarom reeds de bepaling inzake de belastingplicht in de Verordening in het geheel geen rekening houdt met dit principe. [X] verwijst hier naar. 5.3.3 Voorts miskent het Hof met haar oordeel in r.o. 4.10 van de bestreden uitspraak, inhoudende dat het verbruik van water geen goede maatstaf is om te beoordelen of de terugwinning van kosten evenredig wordt verdeeld, dat deze verdeling dient te zijn gebaseerd op de economische analyse volgens bijlage III bij de KRW. Deze economische analyse dient plaats te vinden aan de hand van onder meer ramingen van volume, prijzen en kosten voor waterdiensten. Nederland heeft deze economische analyse uitgevoerd en de resultaten daarvan opgenomen in onder meer tabel 2-3 van het Stroomgebiedbeheerplan Maas. In deze analyse is door Nederland voor alle waterdiensten een kost- en verkoopprijs berekend per m3. Het oordeel van het Hof dat het verbruik geen goede maatstaf zou zijn is hiermee niet in lijn. Het enige voorbeeld van het Hof dat pleit tegen een dergelijke maatstaf, het drinkwater voor het vee, maakt dit niet anders. In verordeningen van gemeenten die rioolheffing heffen op grond van het waterverbruik is altijd een bepaling opgenomen dat niet wordt geheven over ingenomen water dat (aantoonbaar) niet is afgevoerd. Ook het argument dat eveneens hemelwater in de riolering terecht komt doet hier niet aan af. Voor een nadere onderbouwing verwijst [X] naar hetgeen hiervoor onder 5.1.4 t/m 5.1.8 is opgenomen inzake de betwisting van deze argumenten. 5.3.4 Het Hof oordeelt tevens dat op grond van het arrest Futura Immobiliare van het HvJ EU de vraag moet worden beantwoord of sprake is van schending van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Dit oordeel is in zoverre onbegrijpelijk, dat voor zover bij [X] bekend, met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel wordt bedoeld dat het optreden van de gemeenschap niet verder mag gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken. Deze vraag is in onderhavige casus niet relevant. 5.3.5 Uit het arrest Futura Immobiliare volgt evenwel dat de nationale rechter, in het kader van het beginsel dat de vervuiler betaalt, aan de hand van de hem verstrekte feitelijke en juridische gegevens, moet nagaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde afvalheffing niet tot gevolg heeft dat bepaalde 'houders', kosten dienen te dragen die kennelijk onevenredig zijn aan de hoeveelheid en de aard van de afvalstoffen die zij kunnen produceren. 5.3.6 Het arrest Futura Immobiliare is daarmee in lijn met het eerder door [X] aangehaalde arrest Standley uit 1999 waarin het HvJ EU eveneens oordeelt dat het vervuiler betaalt beginsel inhoudt dat een ieder verantwoordelijk is voor zijn eigen vervuiling en niet hoeft te betalen voor de vervuiling van een ander. 5.3.7 Zoals reeds meerdere malen door [X] gemotiveerd is betoogd zijn de kosten die zij draagt voor de inzameling en afvoer van het afvalwater van de onderhavige percelen onevenredig aan de hoeveelheid en de aard van het afvalwater dat zij op die percelen kan produceren. Gezien het feit dat zij de percelen heeft verhuurd is de hoeveelheid afvalwater die zij op die percelen produceert dan wel kan produceren nihil. Dit wordt door het oordeel van het Hof miskend. 5.3.8 Indien [X] toch als vervuiler zou moeten worden aangemerkt in de watergebruikssector huishouden, hetgeen [X] op grond van voornoemde jurisprudentie van het HvJ EU ten zeerste betwist, is eveneens sprake van een onevenredigheid tussen de aan haar doorberekende kosten en de hoeveelheid afvalstoffen die zij als 'huishouden' kan produceren. 5.3.9 In dit kader is het van belang op te merken dat op grond van de jurisprudentie van het HvJ EU, inzake de uitleg van het beginsel dat de vervuiler betaalt, een lidstaat (of een inliggende decentrale overheid) een zekere mate van vrijheid heeft. Een overschrijding van deze vrijheid brengt echter een schending van het gemeenschapsrecht met zich mee. A-G Kokott overweegt daaromtrent in haar conclusie voorafgaand aan het arrest Futura Immobiliare: "59. Inhoudelijke maatstaf voor de vaststelling van een schending is of de bevoegde instanties de eisen van het beginsel dat de vervuiler betaalt kennelijk miskennen. Een complexe beoordeling kan in de regel enkel in twijfel worden getrokken wanneer daarvoor geen redelijke grondslag valt aan te wijzen. Omdat het echter om de realisering van het beginsel dat de vervuiler betaalt gaat, is niet elke redelijke overweging voldoende; wat telt is of er een redelijk verband bestaat met de bijdrage van de producent van afvalstoffen aan het ontstaan daarvan." 5.3.10 Het Hof gaat in haar oordeel ten onrechte volledig voorbij aan voornoemde toetsing of er een redelijk verband bestaat tussen de hoogte van de rioolheffing en het ontstaan van afvalwater, ondanks het feit dat het Hof over voldoende informatie beschikt om een dergelijke toets te doen. 5.3.11 Uit deze door [X] overgelegde informatie blijkt dat de gemeente over voldoende gegevens beschikte om een tarief voor de rioolheffing vast te stellen dat een redelijk verband houdt met het ontstaan van afvalwater. Zo was het (gemiddelde) waterverbruik van de percelen bekend bij de gemeente, die deze had ontvangen van Brabant Water. Voorts was zoals eerder aangegeven de economische analyse in het Stroomgebiedbeheerplan Maas bekend. Volgens artikel 9, lid 1, tweede gedachtestreepje KRW dient de redelijke bijdrage van de watergebruikssectoren in ieder geval op dit laatste gegeven te zijn gebaseerd. 5.3.12 In plaats van het tarief voor de rioolheffing daarop te baseren heeft de gemeente een niet nader onderbouwd en daarmee willekeurig tarief vastgesteld voor de rioolheffing. De gemeente heeft daarmee het beginsel dat de vervuiler betaalt miskend. 5.3.13 Gezien het bovenstaande is het oordeel van het Hof in strijd met het EU-recht en daarmee onjuist althans onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. 5.3.14 Wellicht ten overvloede merkt [X] op dat tevens in acht moet worden genomen dat Nederland in het Stroomgebiedbeheerplan Maas geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden in lid 4 van artikel 9 KRW om bepaalde vormen van watergebruik uit te zonderen van een redelijke bijdrage aan de terugwinning van kosten van de diverse watergebruikssectoren. 5.3.15 [X] verzoekt uw Raad zich tot het HvJ EU te wenden indien uw Raad niet zelfstandig tot het oordeel komt dat met de tariefstelling van de rioolheffing van de gemeente de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, geen redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens bijlage III en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt. 3.10 De reactie in het verweer van het College, op het derde middelonderdeel, luidt: 6. Redelijke verdeling Watergebruikssectoren (…) 6.2 Standpunt college Someren Ten aanzien van deze stelling; verwijzen wij Uw Raad, wellicht ten overvloede, naar de eerder vermelde passage uit de MvT bij de implementatiewet KRW (TK 2002-2003, 28 808, nr. 3, blz. 17), waarin het volgende vermeld: (…) De Nederlandse wetgever was aldus bij de implementatie van de KRW van mening dat de lasten gedragen worden door de huishoudens, bedrijven en landbouw. Daarmee heeft de wetgever duidelijk aangegeven dat sprake was van een redelijke bijdrage van de diverse watergebruikssectoren. In paragraaf 2.3. van het Stroomgebiedbeheerplan Maas 2009-2015 is na de door belanghebbende aangehaalde analyse in tabel 2-3 het volgende opgemerkt: "Alles overziend is de Nederlandse regering van mening dat binnen het bestaande institutionele stelsel de gebruikers van waterdiensten een adequate bijdrage leveren aan de kosten van de productie van de productie van de waterdiensten. Doordat de kosten voor de additionele krw-maatregelen gekoppeld worden aan bestaande waterdiensten en de kostenterugwinningstructuur, is er ook sprake van een adequate bijdrage van de verschillende sectoren in de terugwinning van de kosten voor het voorgenomen maatregelenpakket." (…) De opstellers van het vigerende Stroomgebiedbeheerplan zijn aldus ook van mening dat met de kostenterugwinning van de bestaande wederdiensten (en dus ook de waterdienst rioolheffing) sprake is van een adequate bijdrage van de verschillende sectoren. Belanghebbende stelt dat het Hof met haar oordeel in 4.10 dat het verbruik van water geen goede maatstaf is om te oordelen of de terugwinning van kosten evenredig worden verdeeld, miskend heeft dat deze verdeling gebaseerd dient te zijn op de economische analyse volgens bijlage III bij de KRW, Belanghebbende verwijst in de onderdelen 5.3.4 tot en met 5.3.13 van het beroepschrift in cassatie steeds naar de kosten die zij draagt voor de inzameling en de afvoer van afvalwater en stelt dat sprake is van onevenredigheid ten opzichte van de hoeveelheid en aard van het afvalwater dat zij op die percelen produceren. Belanghebbende miskent daarmee echter dat de kosten die gepaard gaan met de rioolheffing niet alleen betrekking hebben op kosten die verband houden met de afvoer van afvalwater via de gemeentelijke riolering. Naast deze kosten zijn er ook zoals het Hof terecht geoordeeld heeft, kosten die verband houden met de inzameling en afvoer van hemelwater dat niet via de gemeentelijke riolering naar een zuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, alsmede de kosten die verband houden met het beheer en onderhoud van, en van de investeringen in, het rioolstelsel. Daarom oordeelde het Hof ook terecht en op juiste gronden dat het verbruik van water geen goede maatstaf is om te beoordelen of de terugwinning van kosten evenredig wordt verdeeld. De gemeente Someren heeft uiteindelijk ervoor gekozen om de kosten die gepaard gaan met de rioolheffing te verhalen op de eigenaar en daarbij gebruik te maken van vaste tarieven. Daarbij is wel differentiatie opgenomen tussen woningen en niet-woningen, waarbij niet woningen een hoger bedrag betalen dan woningen. Dit is in overeenstemming met de bedoelingen van de wetgever en is ook mogelijk op basis van vaste jurisprudentie (zie o.a. HR 9 maart 1994, nr. 28 934, BNB 1994/140, Belastingblad 1994, blz. 339). Niet valt in te zien op welke wijze de gekozen tariefstelling kan leiden tot de conclusie dat sprake is ven een willekeurig tarief, dan welk kan leiden tot miskenning van het beginsel dat de vervuiler betaalt. De oordelen van het Hof zijn naar onze mening dan ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van hetgeen het Hof in r.o. 4.7-4,19 heeft opgenomen. 3.11 Belanghebbendes (volledigheidshalve) voorwaardelijke verzoek tot het alsnog behandelen van de bij het Hof onbehandeld gebleven stelling, alsmede de toelichting daarop, luiden: 6 Rechtstreekse werking artikel 9 KRW 6.1 Het Hof heeft geen oordeel gegeven omtrent de vraag of artikel 9 KRW rechtstreekse werking heeft. Het Hof gaat bij zijn oordeel onder 4.2 slechts vooronderstellerderwijs uit van de rechtstreekse werking van artikel 9 KRW. 6.2 Gezien vorenstaande toelichting op het cassatiemiddel en de conclusie die hieruit volgt, dat sprake is van strijd met artikel 9 KRW, zal de vraag of sprake is van rechtstreekse werking in de onderhavige cassatieprocedure respectievelijk prejudiciële procedure alsnog dienen te worden beantwoord. 6.3 Uw Raad heeft in onder meer zijn arrest inzake het Nederlandse rookverbod in kleine café bepaald wanneer sprake is van rechtstreekse werking. In voornoemd arrest overweegt uw Raad dat de vraag in hoeverre aan een verdragsbepaling rechtstreekse werking toekomt dient te worden beantwoord door de uitleg daarvan. Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat er volgens Uw Raad om of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Indien het op grond van een verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft. Of van die werking sprake is, hangt gelezen voornoemd arrest, af van het antwoord op de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren. 6.4 Noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 KRW volgt dat geen rechtstreekse werking van deze richtlijnbepaling is beoogd. De inhoud van artikel 9 KRW is voorts onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om als objectief recht te worden toegepast. De bestreden uitspraak van het Hof is hiervan reeds het bewijs. Het Hof is immers in staat geweest de inhoud van de bepaling toe te passen op de onderhavige casus, daargelaten dat het Hof uiteindelijk tot een onjuiste conclusie komt. Daarmee is sprake van rechtstreekse werking. 6.5 Dit standpunt wordt onder meer ondersteund door Jans (…). Volgens hem zou voornoemd arrest van uw Raad moeten betekenen dat aan artikel 9 KRW rechtstreekse werking toekomt. Ook Lindhout (…) vindt getuige haar noot bij de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant dat artikel 9 KRW voldoende concrete grenzen stelt om rechtstreeks te werken. 6.6 [X] verzoekt uw Raad zich tot het HvJ EU te wenden indien uw Raad niet zelfstandig tot het oordeel komt dat sprake is van rechtstreekse werking van artikel 9 KRW. 3.12 De reactie in het verweer van het College, op bovenstaand verzoek, luidt: 7. Rechtstreekse werking? (…) 7.2 Standpunt college Someren (en zonodig incidenteel beroep in cassatie) Wij zijn van mening dat het Hof door aan te geven dat het ‘veronderstellenderwijs’ ervan uitgaat dat artikel 9 KRW rechtstreekse werking heeft, wel degelijk een (rechts)oordeel heeft gegeven, namelijk dat artikel 9 KRW rechtstreekse werking heeft. Wij zijn het niet eens met dat oordeel, doch omdat het Hof vervolgens concludeert dat de vrijheid die de gemeenteraad heeft, niet wordt overschreden, hebben wij geen cassatie ingesteld tegen dit oordeel. Nu belanghebbende met deze grief komt geven wij hieronder ons standpunt weer over de vraag of de KRW op dit punt rechtstreekse werking heeft of niet. Omdat uw Raad naar wij aannemen ook ambtshalve zal oordelen omtrent de vraag of artikel 9 KRW rechtstreekse werking heeft, achten wij een incidenteel beroep in cassatie niet noodzakelijk. Voor het geval u dat wel nodig acht, verzoeken wij u ons standpunt in dit kader als incidenteel beroep in cassatie te beschouwen. 3.13 Belanghebbendes voorwaardelijke verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ luidt: 4.1 In de onderhavige procedure heeft [X] zowel Rechtbank Oost-Brabant als het Hof verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU inzake de uitlegging van het EU-recht, in het bijzonder aangaande artikel 9 KRW. Beide gerechtelijke instanties zijn aan het verzoek van [X] voorbij gegaan. 4.2 Artikel 267 VwEU bepaalt dat indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is zich te wenden tot het HvJ EU. In Nederlandse fiscale procedures is dit uw Raad. 4.3 Uw Raad kan hier volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU slechts van afzien indien sprake is van een acte claire dan wel een acte éclairé. Van beide is in het onderhavige geval geen sprake. 4.4 [X] verzoekt uw Raad hierbij dan ook zich te wenden tot het HvJ EU indien uw Raad niet zelfstandig tot het oordeel komt dat sprake is van strijd met het recht van de Europese Unie (…) B. Incidenteel beroep in cassatie 3.14 Het in het incidenteel beroep in cassatie door het College voorgestelde middel luidt: Voor het geval u tot het oordeel komt dat de KRW geen rechtstreekse werking heeft dan wel zich niet richt tot gemeentelijke overheden, kunt u het beroep van belanghebbende op die grond al afwijzen. Wij verwijzen naar de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 16 februari 2016 (nr.12/00124, ECLI:NL:GHARL:2016:1154) waarin het Hof het volgende oordeelt: (…) Hieronder gaan wij in op de vraag van de rechtstreekse werking. Een bepaling van een richtlijn heeft rechtstreekse werking indien deze bepaling voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is. Dan kunnen particulieren zich op die bepalingen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is. Een bepaling is 'onvoorwaardelijk’ als voor de toepassing ervan geen nadere Europese of nationale uitvoeringsregels nodig zijn. Van ’voldoende nauwkeurigheid' is sprake als een bepaling zo precies is geformuleerd, dat zij de lidstaten geen beleidskeuzes laat bij de omzetting en toepassing ervan. Lidstaten hoeven niets meer te doen dan "rekening te houden" met het (algemeen geformuleerde) beginsel van 'terugwinning van de kosten van waterdiensten’, overeenkomstig het beginsel dat 'de vervuiler betaalt'. Lidstaten moeten daarnaast zorg dragen dat het waterprijsbeleid "adequate prikkels" bevat voor de gebruiker om de watervoorraden efficiënt te benutten en dat de diverse watergebruiksectoren, waaronder In ieder geval huishoudens, bedrijven en landbouw, daarvoor "redelijke bijdrage" leveren. In zoverre vereist de KRW in onze optiek geen concreet en duidelijk resultaat. De wijze waarop lidstaten invulling dienen te geven aan deze beginselen is daarnaast niet nader in de KRW omschreven. Zo wordt er bijvoorbeeld geen expliciete heffingsmaatstaf of (categorie) belastingplichtige(
- n)voorgeschreven; zie ter vergelijking HvJ EU 16 juli 2009, zaak C-254/08, Futura Immobilaire, Jurispr, 2009, p. I-6995, punt 55. Hierin oordeelde het HvJ EU dat lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikking met betrekking tot de vaststelling van de berekeningswijze van een stedelijk afvalheffing (zie ook dr. G. Groenewegen, Fiscale aspecten gemeentelijke milieutaken, SDU uitgevers, Amersfoort 2009, p 40). Het HvJ EU heeft dit bevestigd, hetgeen ook blijkt uit de navolgende passages in uitspraak van 11 september 2014 (zaak 0525/12, Commissie/Duitsland): (…) Het HvJ EU heeft met deze uitspraak en gelet op de hierboven weergegeven passages in onze optiek duidelijk aangegeven op welke wijze men het in artikel 9 van de KRW neergelegde beginsel van terugwinning van kosten interpreteert. Kostenterugwinning voor waterdiensten is een (vrijwillig) instrument dat door lidstaten kan worden ingezet. Of en de wijze waarop men kostenterugwinning als maatregel op alle waterdiensten zal toepassen, is een beslissing die bij de lidmaten zelf gelegen is. Een verplichting is er volgens het Hof niet, zodat ook niet kan worden gesteld dat het beginsel van kostenterugwinning binnen de rioolheffing dient te worden toegepast in de zin dat sprake is van een verplichting om de heffing op te leggen aan de gebruikers en te baseren op het waterverbruik. Dat is ook niet onbegrijpelijk, nu de begrippen "gebruiker” of "vervuiler" ook niet nader in de KRW zijn gedefinieerd. Evenmin wordt in de KRW nauwkeurig en voldoende duidelijk beschreven wanneer of op welke manier het waterprijsbeleid "adequate prikkels" bevat. Een en ander zal, aan de hand van maatregelenprogramma's in de zin van artikel 11 KRW, moeten worden uitgewerkt in aanvullende nationale maatregelen, waarbij de lidstaten een ruime mate van beoordelingsvrijheid hebben om deze maatregel nader In te vullen en te concretiseren. Zo kunnen lidstaten zelf de vorm en de middelen kiezen ter verwezenlijking van de (algemeen geformuleerde) doelstelling van terugwinning van de kosten van waterdiensten. Lidstaten mogen bij deze keuze (in ieder geval) sociale, economische en milieueffecten van de terugwinning, alsmede geografische en klimatologische omstandigheden in acht nemen (artikel 4 KRW). Het HvJ EU heeft reeds bevestigd dat de meeste bepalingen van de KRW bepalingen zijn waarbij van de lidstaten wordt geëist maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat bepaalde – soms algemeen geformuleerde – doelstellingen worden bereikt, en waarbij aan deze lidstaten een bepaalde beoordelingsruimte wordt gelaten ter zake van de aard van de te nemen maatregelen. 3.15 Belanghebbende heeft als volgt gereageerd op het incidentele middel in cassatie: 2.1 De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden waar de gemeente naar verwijst gaat enkel om de vraag of artikel 228a Gemeentewet in strijd is met artikel 9 KRW. Daargelaten dat