Zaaknr: 17/02120 mr. F.F. Langemeijer Zitting: 14 juli 2017 (bij vervroeging) Conclusie inzake: 1. [verzoekster 1] 2. [verzoeker 2] tegen William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering In deze zaak gaat het om de uithuisplaatsing van een minderjarige. Het verzoek van de ouders om een contra-expertise op de voet van art. 810a Rv is door het hof geweigerd. 1Feiten en procesverloop 1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in de tussenbeschikking van het hof van 19 mei 2015 onder 3.1 – 3.11, zoals aangevuld in de eindbeschikking van 31 januari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:667) onder 3.2 en 3.3. De feiten worden hieronder verkort weergegeven: 1.1.1. Verzoekers tot cassatie zijn de ouders van [de zoon], geboren in juni 2008 (hierna: de zoon). Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over de zoon. 1.1.2. Bij beschikking van 22 december 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Zutphen de zoon onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling, de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (gerekestreerde in cassatie, in de gedingstukken aangeduid als de G.I.). De termijn van ondertoezichtstelling is herhaaldelijk verlengd. 1.1.3. Bij voormelde beschikking van 22 december 2011 heeft de kinderrechter de G.I. gemachtigd om de zoon uit huis te plaatsen, in een AWBZ-verblijfsvoorziening. Ook deze termijn is herhaaldelijk verlengd. Het hof vermeldt als laatste verlenging de beschikking van de kinderrechter in (inmiddels) de rechtbank Gelderland van 10 december 2015, waarbij de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon in een gezinshuis zijn verlengd tot 22 december 2016. 1.1.4. Het Centrum Indicatiestelling Zorg heeft op 17 december 2012 een indicatiebesluit genomen voor AWBZ-zorg op grond van de verstandelijke handicap van de zoon. De geldigheidstermijn van dit indicatiebesluit verstrijkt op 16 december 2017. De zoon heeft vanaf 2012 verbleven in een woongroep aan de Landsheerlaan te Zwolle. In oktober 2014 is hij geplaatst in het gezinshuis van ’s Heeren Loo te Ermelo. Vanaf 8 juli 2016 verblijft hij in een ander gezinshuis te Ermelo. 1.2. De plaatsing van de zoon in het gezinshuis van ’s Heeren Loo vanaf oktober 2014 heeft geleid tot een reeks procedures. Daarvan zijn in cassatie de volgende procedures van belang: A. Bij beschikking van 18 december 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon verlengd tot 22 december 2015. De ouders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld (nrs. 200.167.070 en 200.167.072). In hoger beroep hebben zij hun verzoek vermeerderd: zij verzochten tevens benoeming van een bijzondere curator (art. 1:250 BW), althans de benoeming van een extern deskundige op de voet van art. 810a Rv om de mogelijkheden van thuisplaatsing van de zoon te onderzoeken. B. Bij beschikking van 27 januari 2015 heeft de rechtbank een verzoek van de ouders afgewezen, dat strekte tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing van de G.I. van 5 december 2014 betreffende de bezoekregeling. De ouders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld (nr. 200.167.084). C. Bij beschikking van 10 maart 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de ouders afgewezen om een beslissing van de G.I. van 21 januari 2015 te vernietigen, de duur van de uithuisplaatsing te bekorten tot april 2015 (zie art. 1:265d lid 2 BW) en aan de G.I. de opdracht te geven een terugkeerproject op te starten, dan wel een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming te gelasten. De ouders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld (nr. 200.167.106). D. Bij beschikking van 10 maart 2015 heeft de rechtbank verzoeken van de ouders afgewezen die ertoe strekten dat de rechtbank een vergelijk zal beproeven dan wel zelf een beslissing op grond van art. 1:262b BW zal nemen, met betrekking tot geschillen tussen de ouders en de G.I. over een eventueel nieuw onderzoek naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing. De ouders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld (nr. 200.167.110). Zij hebben het hof verzocht op grond van art. 1:262b BW te bepalen dat door de G.I. alsnog een contra-expertise of second opinion betreffende het Ambulatorium-onderzoek wordt aangeboden, hetzij een beslissing over deze geschillen te nemen die het hof juist acht. E. Bij de beschikking van 10 december 2015, reeds genoemd, heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot uiterlijk 22 december 2016. De ouders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld (nr. 200.188.098). Zij stellen zich op het standpunt dat de zoon moet worden weggehaald uit het gezinshuis van ’s Heeren Loo te Ermelo waarin hij door de G.I. (volgens de ouders: onrechtmatig) is geplaatst. De ouders wensen dat de zoon gefaseerd (via een SOS-traject of anderszins) bij hen thuis zal worden geplaatst, dan wel zal worden teruggeplaatst in de woongroep aan de Landsheerlaan te Zwolle waarin de zoon eerder had verbleven. 1.3. De G.I. heeft in alle genoemde zaken in hoger beroep verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de ouders – zoals ook blijkt uit onderzoek door het Ambulatorium in 2013 – niet beschikken over voldoende opvoedingsvaardigheden om de zoon thuis op te voeden, noch in de toekomst hierover zullen beschikken. De zoon heeft, gelet op zijn problematiek, veel extra zorg nodig. Op advies van het Ambulatorium heeft de G.I. de zoon op 11 oktober 2014 geplaatst in de kleinschalige setting van het gezinshuis van ’s Heeren Loo, waar veel structuur is, met vaste opvoeders met bovengemiddelde opvoedingsvaardigheden. Verplaatsing van de zoon naar een andere woonplek – in de woongroep aan de Landsheerlaan te Zwolle is geen plaats meer, terwijl deze bovendien minder geschikt is, gelet op het rapport van het Ambulatorium – zou schadelijk zijn voor zijn hechtings- en ontwikkelingsproces; hetzelfde geldt voor een eventueel nieuw onderzoek. Volgens de G.I. kunnen de bezoekmomenten worden uitgebreid indien de ouders zich goed aan de gemaakte afspraken houden en aan bepaalde voorwaarden voldoen. De G.I. heeft het hof verzocht in het belang van de zoon de huidige situatie te handhaven. 1.4. Het hof heeft de zaken A – E gevoegd behandeld. Bij tussenbeschikking van 19 mei 2015 heeft het hof de punten uiteengezet waarover de ouders en de G.I. van mening verschillen (rov. 5.3). Het hof heeft een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming noodzakelijk geacht en zes vraagpunten geformuleerd. Het hof wees in rov. 5.5 en het dictum het verzoek van de ouders tot benoeming van een andere deskundige dan de Raad voor de kinderbescherming af (zaak 200.167.072). Het hof heeft – in cassatie onbestreden – het verzoek van de ouders tot benoeming van een bijzondere curator afgewezen. 1.5. De Raad voor de kinderbescherming heeft op 14 juli 2016 rapport uitgebracht aan het hof. Bij dit rapport was als bijlage het verslag gevoegd van een forensisch-psychologisch onderzoek van de zoon op 14 april 2016. 1.6. In zijn eindbeschikking van 31 januari 2017 heeft het hof de onder A, B, C, D en E genoemde beschikkingen bekrachtigd. In aanvulling op de beschikking van 27 januari 2015 (zaak B) heeft het hof bepaald dat de regie over de invulling van de omgangsregeling tussen de ouders en de zoon wordt overgelaten aan de jeugdbeschermer. Het hof heeft het meer of anders verzochte afgewezen. 1.7. In deze eindbeschikking is het hof nader ingegaan op het resultaat van het psychologisch onderzoek (rov. 5.4) en van het onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming (rov. 5.5). Achtereenvolgens heeft het hof het standpunt van de ouders (rov. 5.6), van de Raad voor de kinderbescherming (rov. 5.7) en van de huidige jeugdbeschermer (rov. 5.8) besproken. Op de gronden als vermeld in rov. 5.9 is het hof van oordeel dat een thuisplaatsing van de zoon bij de ouders niet in het belang van de zoon is. Volgens het hof is niet gebleken dat het onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming of het forensisch psychologisch onderzoek van de zoon onzorgvuldig is verricht. De opvoedomgeving van de zoon moet aan zo specifieke eisen voldoen, dat de kans bestaat dat (zelfs) een professionele gezinsouder de zoon nog zal overvragen. Gezien de beperkingen van de ouders, beschreven in rov. 5.9, acht het hof niet aannemelijk dat zij hun zoon de opvoedomgeving kunnen bieden die hij nodig heeft. Een nader ouderschapsonderzoek acht het hof om die reden niet nodig (rov. 5.10). De stelling dat het rapport van de Raad voor de kinderbescherming of het forensisch psychologisch onderzoek van de zoon, niet zorgvuldig tot stand is gekomen, hebben de ouders volgens het hof ‘onvoldoende onderbouwd’. Het hof wijst ten slotte op de overplaatsing van de zoon naar een ander gezinshuis in Ermelo (in juli 2016), waar de zoon “weer helemaal opbloeit”. 1.8. Wat betreft het verzoek om een nader onderzoek door een of meer deskundigen (contra-expertise) overwoog het hof dat het zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen. De bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van de Raad voor de kinderbescherming en het verslag van het psychologisch onderzoek zijn niet onzorgvuldig tot stand gekomen. Daarom “moet worden geoordeeld dat het doen uitvoeren van een nieuw onderzoek niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden, terwijl voorts moet worden geoordeeld dat een nieuw onderzoek opnieuw een belasting voor [de zoon] zal betekenen, zodat ook het belang van [de zoon] zich daartegen verzet” (rov. 5.12). 1.9. De ouders hebben – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Volgens het cassatierekest (blz. 2) is alleen in de zaken 200.167.110 en 200.167.070 een verzoek als bedoeld in art. 810a Rv door de ouders gedaan. Nu de klachten in cassatie uitsluitend betrekking hebben op het feit dat het hof geen gevolg aan dat verzoek om nader onderzoek door deskundigen heeft gegeven, kunnen de ouders niet in hun cassatieberoep worden ontvangen in de overige door het hof besliste zaken. De zaak 200.167.110 had – ook volgens het overzicht in het cassatierekest (blz. 2) – betrekking op een verzoek als bedoeld in art. 1:262b BW. Ingevolge het bepaalde in art. 807 Rv is tegen een beslissing op dat verzoek geen beroep in cassatie toegelaten. Ook te dien aanzien kunnen de ouders niet in hun cassatieberoep worden ontvangen. 2.2. De klacht van de ouders onder 1 is gericht tegen de eerste zin van rov. 5.10 van de eindbeschikking. Hierin overwoog het hof dat niet is gebleken dat het onderzoek door de raad en/of het forensisch psychologisch onderzoek van de zoon onzorgvuldig is verricht, “zodat van de juistheid van de raadsrapportage kan worden uitgegaan”. Volgens de klacht heeft het hof hiermee miskend dat voor de afwijzing van een verzoek om contra-expertise niet bepalend is of het onderzoek(sresultaat) al dan niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, maar: of het door de ouders verzochte deskundigenonderzoek een nieuw licht op de feiten en omstandigheden kan werpen dat aan een goede beoordeling van de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen kan bijdragen. Door deze onjuiste afweging gaat het hof ook voorbij aan de op 5 september 2014 door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf voor de beoordeling van een verzoek krachtens art. 810a Rv. 2.3. De klacht onder 2 houdt in dat het hof in rov. 5.12 heeft miskend dat art. 810a Rv aan de ouders een eigen recht geeft om een deskundig oordeel te verlangen, naast het aan de Raad voor de kinderbescherming opgedragen onderzoek. Deze rechtsklachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. 2.4. Art. 810a lid 2 Rv bepaalt: “In zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.” Het cassatiemiddel noemt de maatstaf van HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632. In die zaak had de Raad voor de kinderbescherming, na een onderzoek te hebben ingesteld in het kader van een geschil over de omgang, bij de rechtbank een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van twee minderjarige dochters. Nadat dit verzoek in eerste aanleg was toegewezen, stelde de moeder (gezagsouder) hoger beroep in. Zij verzocht het hof vergeefs om een nader onderzoek te laten instellen door andere deskundigen. De Hoge Raad overwoog: “Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161). Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.” (rov. 3.3.2 – 3.3.3). 2.5. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat een verzoek aan de rechter tot benoeming van een deskundige voldoende concreet moet zijn. Dat vereiste spreekt voor zich. Verder kan zodanig verzoek in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij in beginsel worden afgewezen: a. indien het verzochte nadere onderzoek niet ter zake dienend is, hetgeen wil zeggen dat het verzochte onderzoek niet (mede) tot beslissing van de zaak kan leiden, of b. indien de rechter feiten of omstandigheden aanwezig acht op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. Wortmann in haar NJ-noot leidt uit de uitspraak van de Hoge Raad het volgende af. Dat het rechterlijk college zich voldoende voorgelicht acht of niet twijfelt aan de zorgvuldigheid van het raadsrapport, is geen geldige reden om het verzoek om een tegenonderzoek af te wijzen; in zoverre gaat art. 810a Rv als een lex specialis voor op de algemene regeling van het deskundigenonderzoek in het bewijsrecht. 2.6. Over de maatstaf onder b heeft Wortmann in haar noot onder de uitspraak van 5 september 2014 opgemerkt dat de voorwaarde dat het belang van het kind zich niet tegen een tegenonderzoek verzet, op uiteenlopende situaties ziet. De spoedeisendheid van een in het belang van het kind te nemen maatregel of het belastende karakter van de door het kind aan het onderzoek te verlenen medewerking of van een te lang uitblijven van een beslissing kunnen zich tegen verdere aanhouding van de zaak verzetten. In de praktijk is vaak het belastende karakter voor het kind van “nog weer een onderzoek” een reden om een verzoek om een tegenonderzoek af te wijzen. 2.7. Een quick scan in rechtspraak.nl in de gepubliceerde rechtspraak van de gerechtshoven over dit onderwerp in de periode vanaf 5 september 2014 levert enkele tientallen uitspraken op waarin de maatstaf genoemd onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.