Nr. 16/01761 A Zitting: 5 september 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] Bij vonnis van 17 februari 2016 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een tegen de verdachte gewezen vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten van 16 september 2015 bevestigd met verbetering en aanvulling van de gronden. In het genoemde vonnis van het gerecht is de verdachte wegens “witwassen” en “opzettelijke overtreding van het bepaalde in artikel 2 van de Landsverordening aanmeldingsplicht van grensoverschrijdende geldtransporten” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en zijn voorts de onder de verdachte inbeslaggenomen gelden verbeurd verklaard. Deze zaak hangt samen met de zaak die onder nr. 16/01762 A bij de Hoge Raad aanhangig is, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring van witwassen. Volgens de steller van het middel is het oordeel van het hof dat een bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van $ 80.230,- afkomstig is uit enig misdrijf – mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer dat het betreffende geldbedrag door de verdachte is gewonnen in een (illegale) loterij – onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. 4.1. In het – in eerste aanleg gewezen – vonnis van het gerecht van 16 september 2015 is ten laste van de verdachte onder meer bewezen verklaard: “dat hij op 14 februari 2014, in Sint Maarten, een voorwerp, te weten een geldbedrag van $ 80.000,- (Amerikaanse dollar) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of begreep dat het geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig is uit enig misdrijf.” 4.2. Het gerecht heeft de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen gebaseerd: “5. Bewijsmiddelen De overtuiging dat de verdachte de hiervoor omschreven feiten heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat. Een proces-verbaal (P.V. 13/2015P), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 20 februari 2015 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden buitengewoon agent van politie en werkzaam bij het Korps Douane Sint Maarten, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde verbalisanten, -zakelijk weergegeven-: “Op 14 februari 2015 bevond ik, verbalisant [verbalisant 2] mij op de Princess Juliana Airport (Gerecht: in Sint Maarten). Ik vroeg aan passagier [verdachte], die zou vertrekken met de Insel-Air vlucht naar Curaçao, of hij geld bij zich had in zijn ruim bagage. Op deze vraag antwoordde hij ontkennend. Ik heb zijn ruimbagage gecontroleerd. In de ruimbagage zat een tas en in die tas bevond zich een grote hoeveelheid geld. Er werden in de tas 59 biljetten van US$ 100,-; 110 biljetten van US$ 50,-; 2971 biljetten van US$ 20,-; 880 biljetten van US$ 10,- en 122 biljetten van US$ 5,-. Het totale bedrag was US $ 80.230,-.” Overwegingen ten aanzien van het bewijs De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 juli 2010 (NJ 2010/456) bepaald dat - ook indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf - bewezen kan worden geacht dat een onder een verdachte aangetroffen contant geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Te denken daarbij valt aan situaties, waarin het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is. Het Gerecht is van oordeel dat daarvan sprake is en dat de feiten en omstandigheden waaronder het geldbedrag werd aangetroffen, het vermoeden van witwassen rechtvaardigt. Het Gerecht kent daarbij betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden. Vastgesteld kan worden dat verdachte heeft getracht een groot geldbedrag op een ongebruikelijke wijze het land uit te voeren, zonder daarvan aangifte te doen. Voorts heeft hij heeft nadat hem hiernaar expliciet is gevraagd ontkend dat hij geld in zijn ruimbagage had. Vervolgens heeft hij verklaard dat het geld niet van hem was op welke verklaring hij later is teruggekomen. Van verdachte mag in de gegeven situatie worden verlangd dat hij een aannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Het Gerecht acht de uiteindelijke verklaring van verdachte dat hij het bedrag zou hebben gewonnen in een loterij niet geloofwaardig. Het Gerecht neemt daarbij in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij het winnende lot had gekocht bij ‘[A]’ in Curaçao en ten bewijze hiervan afschriften van de aankoopbonnen heeft overgelegd. Een vertegenwoordiger van ‘[A]’ heeft echter verklaard dat de door verdachte overgelegde aankoopbonnen vals zijn en dat het niet kan dat op die bonnen prijzen zijn uitbetaald.[1] Het vorenstaande in aanmerking nemende stelt het Gerecht vast dat reeds hierom de verklaringen van verdachte niet aannemelijk zijn en dat het op grond van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, die uit het beschikbare bewijsmateriaal kunnen worden afgeleid, niet anders kan zijn dan dat het bedrag dat verdachte met zich voerde van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist of begreep. [1] Proces-verbaal van gehoor getuige [getuige], in de wettelijke vorm opgemaakt en op 11 juni 2015 gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden werkzaam het Korps Politie Curaçao.” 4.3. In hoger beroep heeft het hof de bewijsbeslissing van het gerecht ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen in zijn vonnis bevestigd met verbetering en aanvulling van de gronden. Voor zover hier relevant, houdt het vonnis van het hof wat betreft de genoemde bewijsbeslissing in: “Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder na te noemen verbeteringen en met aanvulling van gronden, nu er in hoger beroep aanvullend verweer is gevoerd. Verbeteringen: - In de bewezenverklaring wordt telkens in plaats van “2014” gelezen: “2015” en wordt in plaats van “bij binnenkomst op” gelezen: “bij vertrek op”. - Onder de bewijsmiddelen van beide feiten wordt opgenomen als verklaring van verdachte, afgelegd op 16 februari 2015 tegenover verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6], zakelijk weergegeven: “Het geld, dat ik op 14 februari 2015 in de vertrekhal onder me had, heb ik in mijn koffer gestopt.” - Onder het kopje “Overwegingen ten aanzien van het bewijs” worden de eerste twee zinnen van de tweede alinea als niet geschreven beschouwd. (…) Nadere opmerking over de bewezenverklaring: In hoger beroep is gesteld dat verdachte het geld heeft verworven als winnaar in een illegale loterij op Curaçao. Het Hof verwerpt dit verweer als onaannemelijk en niet verifieerbaar. Onaannemelijk gelet op de omstandigheden door de eerste rechter aangevoerd en onverifieerbaar, aangezien de verworvenheden van een illegale loterij niet traceerbaar zijn. Bij deze constatering speelt de onaannemelijkheid van de verklaringen van verdachte een aanzienlijke rol.” 4.4. Uit de door het hof met verbetering en aanvulling overgenomen bewijsvoering van het gerecht kan worden opgemaakt dat de verdachte op 14 februari 2015 in de vertrekhal van het vliegveld in Sint Maarten een groot contant geldbedrag aanwezig had, welk geldbedrag zich op de genoemde tijd en plaats in de ruimbagage van de verdachte bevond. Desgevraagd heeft de verdachte tegen een controlerende verbalisant in eerste instantie medegedeeld dat hij geen geld bij zich had, vervolgens dat het daarop aangetroffen geld niet van hem was en tenslotte dat hij het geld had gewonnen bij een loterij en zelf in zijn bagage had gedaan. 4.5. Het gerecht heeft bij zijn – door het hof overgenomen – bewijsvoering het bewijs dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag ‘uit enig misdrijf afkomstig’ is gebaseerd op de omstandigheden waaronder het geldbedrag is aangetroffen en op de overweging dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een aannemelijke verklaring voor de herkomst van het geldbedrag zou geven. 4.6. Indien op grond van het bewijsmateriaal, zoals in onderhavige zaak, geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen een bij een verdachte aangetroffen contant geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan het bewijs dat een dergelijk verband wel aanwezig is niettemin worden aangenomen, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het betreffende geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het gaat hier om een bewijsvermoeden waaraan de Hoge Raad in HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787 de regel heeft toegevoegd dat het bewijsmateriaal waaruit kan worden afgeleid dat bepaalde gelden een criminele herkomst hebben door het openbaar ministerie moet worden verzameld en dat de omstandigheid dat sprake is van een bewijsvermoeden ten nadele van de verdachte niet zonder meer meebrengt dat de verdachte aannemelijk dient te maken dat deze gelden niet van misdrijf afkomstig zijn. De redenering van de Hoge Raad in dit arrest komt erop neer dat, indien in een bepaalde zaak sprake is van een bewijsvermoeden met betrekking tot de criminele herkomst van gelden, van de verdachte een begin van tegenbewijs (ook wel: een ‘concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst’) mag worden verlangd. Van belang is ook de mate waarin een door de verdachte aangedragen begin van tegenbewijs in de strafprocedure vervolgens nader is onderzocht. 4.7. In casu is naar aanleiding van het verweer van de verdediging dat de verdachte het bij hem aangetroffen geldbedrag had gewonnen bij een loterij van het bedrijf [A] in Curaçao door het openbaar ministerie in ieder geval serieus onderzoek naar deze stelling gedaan. Als onderdeel van dit onderzoek is onder meer een verhoor afgenomen bij een vertegenwoordiger van het loterijbedrijf, die heeft verklaard dat de door de verdediging overgelegde aankoopbonnen van loten vals zijn en dat op deze aankoopbonnen geen prijzengeld kan zijn uitbetaald. In eerste aanleg heeft het gerecht deze verklaring voor het bewijs gebruikt en de verklaring van de verdachte dat hij de contante gelden bij een loterij had gewonnen als ongeloofwaardig terzijde geschoven. 4.8. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging geprobeerd de verklaring van de verdachte dat hij het aangetroffen geldbedrag bij een loterij had gewonnen nieuw leven in te blazen. Aangevoerd is dat loterijbedrijf [A] twee soorten loterijen organiseert – een ‘witte’ (legale) en een ‘zwarte’ (illegale) variant – en dat de loten zonder watermerk die de verdachte in bezit had kennelijk zwarte loten zijn geweest. Ten aanzien van deze stelling heeft het hof in zijn vonnis geoordeeld dat zij onaannemelijk en niet verifieerbaar is, waarbij het hof heeft verwezen naar de overwegingen in het vonnis van het gerecht met betrekking tot het loterijverhaal van de verdachte (en dus ook naar de verklaring over dit verhaal van de vertegenwoordiger van loterijbedrijf [A]). Het hof heeft verder overwogen dat “de verworvenheden van een illegale loterij niet traceerbaar zijn”. 4.9. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het bestaan van een ‘zwarte’ variant van de loterijen van [A] zowel in Curaçao als in Sint Maarten een feit van algemene bekendheid is en dat het hof daarom het verweer van de verdediging niet met een (enkele) verwijzing naar de overwegingen uit het vonnis van het gerecht en de verklaring van de vertegenwoordiger van [A] had mogen verwerpen. 4.10. Om twee redenen ben ik het met de steller van het middel op dit punt niet eens. In de eerste plaats deel ik de in het middel besloten liggende stelling niet dat het bestaan van een ‘zwarte’ loterijvariant als feit van algemene bekendheid op zichzelf al meebrengt dat het hof zonder nadere motivering geen bewijswaarde heeft kunnen toekennen aan de verklaring van de vertegenwoordiger van [A]. Belangrijker nog is echter dat het – ik geef toe summier gemotiveerde – oordeel van het hof over de onaannemelijkheid van de verklaring van de verdachte voor het aangetroffen geldbedrag mijns inziens niet zozeer inhoudt dat het hof niet heeft willen aannemen dat de verdachte op enig moment heeft deelgenomen aan een illegale loterij of dat een dergelijke illegale loterij überhaupt bestaat, als wel dat het hof een winst in deze loterij als verklaring voor het aangetroffen geldbedrag onaannemelijk heeft gevonden. In het middel wordt niets aangedragen op grond waarvan dit in hoge mate feitelijke oordeel van het hof onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd moet worden geacht. 4.11. De vraag die resteert is of het hof, gegeven de onaannemelijkheid van de verklaring van de verdachte over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag, ook in ‘positieve' zin tot het bewijs van witwassen heeft kunnen komen. Gelet op het bepaalde in HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0787 kan in witwaszaken uit het oordeel dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van gelden niet aannemelijk is immers niet zonder meer worden afgeleid dat door de verdachte ook geen begin van tegenbewijs is geleverd. Zoals hierboven onder 4.4 reeds opgemerkt, heeft de verdachte vanaf het moment dat hij in de vertrekhal van het vliegveld in Sint Maarten werd gecontroleerd verschillende verklaringen voor de aanwezigheid van het geldbedrag in zijn ruimbagage gegeven en is hij pas in derde of vierde instantie met het ‘loterijverhaal’ gekomen. Nu het hof in zijn vonnis bij de onaannemelijkheid van de laatste verklaring van de verdachte ook de onaannemelijkheid van het geheel van de door de verdachte afgelegde verklaringen heeft vastgesteld en betrokken, ligt in het oordeel van het hof over de onaannemelijkheid van de verklaring van de verdachte voor het aangetroffen geldbedrag in casu mijns inziens wel besloten, dat de verdachte zelfs geen begin van tegenbewijs heeft geleverd. 4.12. Het eerste middel faalt. 5. Het tweede middel bevat een tweetal klachten met betrekking tot de bevestiging door het hof van het in eerste aanleg gewezen vonnis van het gerecht van 16 september 2015, welke klachten ik hieronder afzonderlijk bespreek. 5.1. De eerste klacht richt zich tegen een tweetal door het hof toegepaste verbeteringen, waarbij het hof (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.