Nr. 16/01762 A Zitting: 5 september 2017 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 17 februari 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wegens, onder 1, “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en, onder 2, “overtreding van een bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Deze zaak hangt samen met de onder nr. 16/01761 A bij de Hoge Raad aanhangige zaak, in welke zaak ik vandaag eveneens zal concluderen. Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik ben van oordeel dat beide middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en dat de verdachte op de voet van art. 80a RO in zijn cassatieberoep niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ik zal dat kort toelichten. 4. In het eerste middel wordt gesteld dat het hof de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde (in vereniging gepleegde) afpersing in overwegende mate heeft doen steunen op bij de politie afgelegde verklaringen van een getuige [getuige] die zijn politieverklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg op essentiële punten heeft gewijzigd en dat het hof – nu de verdediging de betrouwbaarheid van de betreffende getuige heeft betwist en het hof deze getuige niet heeft opgeroepen om te worden gehoord – de bewezenverklaring niet toereikend heeft gemotiveerd. 4.1. Het middel staat of valt met de vraag of het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van de getuige [getuige], die ten tijde van het tenlastegelegde feit werkzaam was als beveiligingsmedewerker bij [A] in Sint Maarten waar de afpersing voor de deur heeft plaatsgevonden. Het hof heeft voor het bewijs dat de verdachte als pleger bij de afpersing betrokken is geweest gebruik gemaakt van twee verklaringen van deze getuige, die onder meer inhouden dat de verdachte als eerste geld aan het slachtoffer vroeg tijdens de omsingeling van slachtoffer [slachtoffer] door de verdachte en zijn medeverdachten. Het gedeelte van de bij de politie afgelegde verklaringen waarover [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg anders heeft verklaard, heeft vooral betrekking heeft op de al dan niet significante rol die de verdachte bij de benadering van [slachtoffer] op de tenlastegelegde tijd en plaats heeft gehad. Het hof kon uit de overige gebruikte bewijsmiddelen zelfstandig afleiden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.