Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 20 september 2018 inzake: Nr. Hoge Raad: 17/06102 [X] B.V. Nr. Rechtbank: 17/3177 Derde Kamer A tegen Wet BPM Awb Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 17/06102, naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V., belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 24 november 2017, op het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraak van de Rechtbank van 24 augustus 2017. 1.2 Belanghebbende heeft op 11 november 2013 aangifte gedaan ingevolge de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) en heeft conform aangifte een bedrag van € 4.936 aan BPM voldaan voor een uit het buitenland geïmporteerde gebruikte personenauto (Volkswagen Tiguan), in verband met de registratie van de auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. 1.3 Op 3 april 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen haar eigen voldoening op aangifte. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2017 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende is in de bezwaarfase niet door de Inspecteur gehoord. 1.4 Bij beroepschrift van 21 juni 2017 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Daarin heeft belanghebbende gesteld dat de redelijke termijn van berechting door de lange duur van de bezwaarprocedure is overschreden, dat de Inspecteur ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding en dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. 1.5 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 augustus 2017 op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting. De Rechtbank heeft overwogen dat de dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit 11 november 2013 is en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. Derhalve is volgens de Rechtbank de termijn, van zes weken, voor het indienen van een bezwaarschrift geëindigd op 23 december 2013. Nu het bezwaarschrift pas op 3 april 2014 door de Inspecteur is ontvangen en door belanghebbende geen verschoonbare reden voor overschrijding van de bezwaartermijn is gegeven, heeft de Inspecteur volgens de Rechtbank terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is kennelijk ongegrond verklaard. 1.6 Bij verzetschrift van 22 september 2017 heeft belanghebbende bij de Rechtbank verzet ingesteld tegen de voornoemde uitspraak van de Rechtbank. In verzet heeft belanghebbende gesteld dat zij niet wist, dan wel behoorde te weten, dat en hoe zij bezwaar moest instellen tegen de eigen voldoening op aangifte en dat een daarop ziende rechtsmiddelenverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb ontbrak. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de Inspecteur verzuimd heeft haar te horen voorafgaand aan het doen van de uitspraak op bezwaar en dat vaststaat dat de Inspecteur schade heeft toegebracht aan belanghebbende, ‘welke schade feitelijk onderzoek had behoefd ex. artikel 8:88 Awb/8:89 Awb’. Volgens belanghebbende had ‘als de uitkomst anders was geweest’ de Rechtbank moeten onderzoeken 'of sprake was van een verkorting van de termijn van overschrijding wegens de eenvoud van de zaak’. Ten slotte verzoekt belanghebbende om in de verzetprocedure door de Rechtbank te worden gehoord. 1.7 De Rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 22 november 2017. Hoewel ordelijk opgeroepen is belanghebbende, zonder voorafgaande kennisgeving aan de Rechtbank, niet ter zitting verschenen. 1.8 Bij uitspraak van 24 november 2017 heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft overwogen dat hetgeen door belanghebbende is aangevoerd, geen aanleiding heeft gegeven om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van de Rechtbank van 24 augustus 2017. 1.9 Volgens de Rechtbank vormt het niet horen in de bezwaarfase geen verschoningsgrond voor termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaar. De Rechtbank heeft ten aanzien van belanghebbendes stelling dat zij niet op de hoogte was van de bezwaarmogelijkheid en bezwaartermijn wegens het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing ‘op de voldoening op aangifte van BPM’, overwogen dat de Hoge Raad onder meer bij arrest van 5 december 2015 (nr. 13/05801) heeft geoordeeld ‘dat het bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte niet mogelijk is om met overeenkomstige toepassing van artikel 3:45 van de Awb te vermelden door wie, binnen welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld’. Maar dat neemt niet weg ‘dat een belanghebbende bij voldoening of afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan beroepen op artikel 6:11 van de Awb met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak’. 1.10 Volgens de Rechtbank faalt dit verweer ‘in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken’. De Rechtbank heeft overwogen dat dit geldt voor belanghebbende, omdat zij bedrijfsmatig handelt in auto’s en geacht mag worden op de hoogte te zijn van de mogelijkheid bij de inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van BPM op aangifte en van de termijn die daarvoor geldt. Daarom kan belanghebbende niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb op de enkele grond dat de inspecteur haar niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte. 1.11 Verder heeft de Rechtbank overwogen dat in de toelichting bij het aangiftebiljet uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid van bezwaar en de daarvoor geldende termijn en dat op het aangiftebiljet wordt verwezen naar die toelichting. 1.12 Aldus was volgens de Rechtbank sprake van een kennelijk ongegrond beroep in de zin van artikel 8:54 van de Awb. Het verzet is ongegrond verklaard. De Rechtbank is in haar uitspraak niet ingegaan op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in de bezwaarfase. 1.13 Tegen de uitspraak op het verzet heeft belanghebbende cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In cassatie klaagt belanghebbende dat ondanks haar verzoek de Rechtbank in haar uitspraak geen blijk heeft gegeven een onderzoek te hebben gedaan naar de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in de bezwaarfase. 1.14 Volgens belanghebbende had de Rechtbank het beroep gegrond moeten verklaren wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase en daarbij de Inspecteur ter zake moeten veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende. 1.15 In cassatie is aldus formeel in geschil of de Rechtbank terecht het verzet ongegrond heeft verklaard. Materieel gaat het om de vraag of een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar ook kan worden uitgesproken indien het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens het te laat instellen van bezwaar. 1.16 Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie. In onderdeel 5 wordt de klacht van belanghebbende beoordeeld, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6. 2De feiten en het geding in feitelijke instantie Feiten 2.1 Door de Rechtbank zijn de volgende feiten vastgesteld: 1. Op 3 april 2017 [bedoeld zal zijn 3 april 2014, A-G] heeft opposante bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) van 11 november 2013. Verweerder heeft het bezwaarschrift [bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2017; A-G] niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft opposante niet gehoord in haar bezwaar. 2. Opposante is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen. De rechtbank heeft overwogen dat geen reden is opgegeven voor overschrijding van de bezwaartermijn en dat het niet horen geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding vormt. Volgens de rechtbank is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die aan niet-ontvankelijkverklaring in de weg zou staan. De rechtbank heeft het beroep derhalve kennelijk ongegrond verklaard. 3. In verzet tegen de kennelijke ongegrondheid van haar beroep voert opposante aan dat zij haar beroepschrift heeft gemotiveerd en daarmee heeft gereageerd op het verzoek van de rechtbank een reden te geven voor de termijnoverschrijding. Voorts stelt opposante dat geen rechtsmiddelverwijzing in de zin van artikel 3:45 van de Awb op de voldoening van aangifte is opgenomen. Daardoor wist zij niet dat en binnen welke termijn zij bezwaar kon maken. Ten slotte voert opposante aan dat zij niet is gehoord voordat verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan en dat haar recht tot inzage in de stukken is geschonden. Rechtbank 24 augustus 2017 2.2 De Rechtbank heeft in haar uitspraak buiten zitting van 24 augustus 2017 het procesverloop weergegeven: Eiseres heeft op 3 april 2014 bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Bij uitspraak op bezwaar van 16 mei 2017 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. Bij brief van 21 juni 2017, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde dag, heeft eiseres beroep ingesteld tegen dat besluit. De rechtbank heeft eiseres schriftelijk gevraagd waarom het bezwaar te laat is ingesteld. Eiseres heeft daar niet op gereageerd. 2.3 De Rechtbank heeft in haar uitspraak buiten zitting van 24 augustus 2017 als volgt overwogen: 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij verweerder is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. 3. De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 11 november 2013. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 23 december 2013. Het bezwaarschrift is op 3 april 2014 door verweerder ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend. 4. Eiseres heeft geen reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn opgegeven. Zij heeft slechts aangevoerd dat verweerder haar had moeten horen. Daarmee is geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5. Het beroep is kennelijk ongegrond. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Rechtbank 24 november 2017 2.4 De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 november 2017 op het verzet van belanghebbende overwogen: 4. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zonder zitting de uitspraak heeft kunnen doen dat het beroep kennelijk ongegrond was, dat wil zeggen zonder dat daarover in redelijkheid twijfel mogelijk was. Hierbij zal de rechtbank rekening houden met de gronden die in verzet zijn aangevoerd. 5. In hetgeen door opposante is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 24 augustus 2017. 6. Opposante heeft met de motivering van haar beroepschrift weliswaar gereageerd op het verzoek van de rechtbank een reden te geven voor de overschrijding van haar bezwaar, maar daarin heeft zij geen inhoudelijke argument genoemd die termijnoverschrijding zou kunnen rechtvaardigen. In de motivering van haar beroepschrift heeft zij enkel opgemerkt dat verweerder haar niet heeft gehoord in haar bezwaar. Zoals de rechtbank heeft overwogen, vormt het niet horen geen verschoningsgrond voor termijnoverschrijding. Eveneens vormt de omstandigheid dat opposante geen inzage in de stukken heeft gehad een verschoningsgrond voor termijnoverschrijding. In zoverre heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake was van een kennelijk ongegrond beroep. 7. Met betrekking tot de grond van opposante dat zij niet op de hoogte was van een bezwaarmogelijkheid en een bezwaartermijn doordat geen rechtsmiddelenverwijzing stond vermeld op de voldoening op aangifte van-BPM, oordeelt de rechtbank als volgt. 8. In zijn arresten van 5 december 2014 in de zaken met nummers 13/05801 (ECLI:NL:HR:2014:3510) en 13/05778 (ECLI:NL:HR:2014:3441) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het bij belastingen die worden geheven bij wege van voldoening of afdracht op aangifte niet mogelijk is om met overeenkomstige toepassing van artikel 3:45 van de Awb te vermelden door wie, binnen welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, maar dat dit niet wegneemt dat een belanghebbende bij voldoening of afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan beroepen op artikel 6:11 van de Awb met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Dit verweer faalt in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken. 9. Opposante handelt bedrijfsmatig in auto’s. Van een dergelijke belastingplichtige kan redelijkerwijs worden aangenomen dat zij op de hoogte is van de mogelijkheid bij de inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van BPM op aangifte en van de termijn die daarvoor geldt. Opposante kan derhalve niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb op de enkele grond dat de inspecteur haar niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte, nog daargelaten dat in de toelichting bij het aangiftebiljet uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid van bezwaar en de daarvoor geldende termijn en op het aangiftebiljet wordt verwezen naar die toelichting, zodat in zoverre de stelling van opposante feitelijke grondslag mist. 10. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een kennelijk ongegrond beroep in de zin van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank terecht tot sluiting van het onderzoek is overgegaan. 11. Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft. 12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek. 3.2 Belanghebbendes klacht luidt: Schending van het recht en/of verzuim van vormen, nu de rechtbank, ondanks een verzoek van belanghebbende, in zijn uitspraak geen blijk heeft gegeven van een onderzoek naar de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 3.3 De klacht is door belanghebbende toegelicht: 2.1. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende de nationale beroepstermijn niet in acht heeft genomen en buiten die termijn bezwaar heeft ingesteld en dat niet in zijn beroepschrift heeft gemotiveerd. 2.2. Dat hoefde ook niet, want belanghebbende is beroepsmatig autohandelaar en volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is in die gevallen de overschrijding van de nationale beroepstermijn niet verschoonbaar. 2.3. Aldus had de rechtbank belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren, het beroep gegrond moeten verklaren wegens overschrijding van de redelijke termijn, de wederpartij mogelijk de mogelijkheid moeten bieden iets te vinden van de al dan niet mogelijke verlenging van de redelijke termijn, terugbetaling van het griffierecht moeten gelasten en verweerder moeten veroordelen in de betaling van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 2.4.De rechtbank heeft geen blijk gegeven van enig onderzoek naar de redelijke termijn van berechting, anders dan het feitelijk verwerkt in zijn uitspraak en daarmee het recht miskend. 2.5. Uw Raad moet de zaak casseren en terugverwijzen naar de rechtbank ter verdere behandeling, met inachtneming van het voorgaande en de rechtbank de opdracht mee geven onderzoek te doen naar de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 3.4 In het verweerschrift in cassatie heeft de Staatssecretaris geschreven: Belanghebbende heeft zich bediend van het indienen van zowel een pro forma bezwaarschrift als een pro forma beroepschrift. Van het pro forma bezwaarschrift staat vast dat dit te laat is ingediend, terwijl - mede daartoe schriftelijk uitgenodigd door de rechtbank - belanghebbende niet heeft gereageerd op de vraag waarom het bezwaar te laat is ingesteld. Om zoals de rechtbank heeft gedaan onder de gegeven omstandigheden te beslissen dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding is gegeven, waardoor geen sprake is van een situatie van verschoonbare termijnoverschrijding, acht ik rechtens juist en niet onbegrijpelijk. In het pro forma beroep, hetwelk blijkbaar nadien door belanghebbende niet nader van de gronden is voorzien, beklaagt belanghebbende zich over de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, waarbij zij het oog heeft op de door de Inspecteur genomen termijn voor het doen van de uitspraak op bezwaar. In de uitspraak van de rechtbank komt dit aspect als zodanig niet terug. In het beroepschrift in cassatie (2.2) bevestigt de gemachtigde dat in casu belanghebbende wist dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar was. Daarmee is sprake van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar, waarvan onder meer kan worden volgehouden dat de toekenning van een eventuele immateriële schadevergoeding niet aan de orde kan zijn. Zie ook Van Eijsden in zijn noot onder HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4029, BNB 2013/167, punt 2. Voorts bevat blijkens de uitspraak op verzet, punt 3, de inhoud van het verzet - waarover ik niet de beschikking heb - geen klacht over het niet aan de orde stellen van de kwestie van het eventueel toekennen van een immateriële schadevergoeding door de rechtbank, hetwelk nu wel in cassatie aan de orde wordt gesteld. Mede gelet daarop acht ik het ongegrond verklaren van het verzet gerechtvaardigd zonder dat ambtshalve dan door de rechtbank in de verzetsprocedure aan de orde dient te worden gesteld in hoeverre sprake zou kunnen zijn van de eventuele toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van een redelijke termijn van afdoening. Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat het ingestelde beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak zal kunnen leiden. 4 Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur Wetgeving Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) 4.1 Artikel 26 van de AWR luidt: 1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of b. een voor bezwaar vatbare beschikking. 2. De voldoening of afdracht op aangifte, dan wel de inhouding door een inhoudingsplichtige, van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht of de inhouding zich daartegen niet verzet. Wetgeving Awb 4.2 Artikel 4:17 van de Awb luidt: 1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. 2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. 3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. 4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling. 5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op. 6. Geen dwangsom is verschuldigd indien: a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld, b. de aanvrager geen belanghebbende is, of c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. 7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd. 4.3 Artikel 6:2 van de Awb luidt: Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld: a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en b. het niet tijdig nemen van een besluit. 4.4 Artikel 6:6 van de Awb luidt: Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.5 Artikel 6:12 van de Awb luidt: 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden. 2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 3. Indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. 4. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. 4.6 Artikel 8:55, negende en tiende lid, van de Awb luiden: 9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits: a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep. 4.7 In artikel 8:73 van de Awb was formeel tot 1 juli 2013 de mogelijkheid opgenomen om een schadevergoeding te verkrijgen. Dit artikel luidde als volgt: 1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. 2. Indien de bestuursrechter de omvang van de schadevergoeding bij zijn uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt hij in zijn uitspraak dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek wordt heropend. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. 4.8 Vanaf 1 juli 2013 is artikel 8:73 van de Awb (formeel) geschrapt en is een nieuw artikel ten aanzien van schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in artikel 8:88 van de Awb opgenomen. 4.9 Artikel 8:88 van de Awb luidt thans: 1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van: a. een onrechtmatig besluit; b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit; c. het niet tijdig nemen van een besluit; d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd. 4.10 Blijkens het overgangsrecht (artikel V) bij de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, is artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of handelingen van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten en handelingen ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Kortom, artikel 8:88 van de Awb geldt op grond van het overgangsrecht thans niet voor andere rijksbelastingen.Artikel V luidt: 1. Titel 4.5 en titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen: a. van de Belastingdienst/Toeslagen, of b. van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. 2. In afwijking van artikel IV blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip waarop deze wet in werking is getreden, van toepassing op schade veroorzaakt door een besluit of andere handeling als bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid gelden niet voor besluiten en andere handelingen ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. 4. Dit artikel vervalt drie jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij voor het verstrijken van deze termijn een voorstel van wet is ingediend dat in het onderwerp van dit artikel voorziet.[] 4.11 Omtrent de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is in artikel VI opgenomen: 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat onderdeel A van artikel I tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip buiten toepassing blijft voor de vergoeding van schade waarvoor bij wet of beleidsregel een andere regeling is getroffen. 4.12 Ingevolge het besluit van 22 april 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, is alleen artikel 8:88 van de Awb per 1 juli 2013 direct in werking getreden, met behoud van overgangsrecht. 4.13 In de nota van toelichting bij voornoemd Besluit is het navolgende opgenomen: Op 15 februari 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns) in het Staatsblad gepubliceerd (Stb. 2013, 50). Ingevolge onderdeel a van het enig artikel van dit inwerkingtredingsbesluit treden de bepalingen uit de Wns die betrekking hebben op schadevergoeding bij onrechtmatig bestuurshandelen in werking met ingang van 1 juli 2013. Dit betreft in het bijzonder de nieuwe titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin een verzoekschriftprocedure bij de bestuursrechter is opgenomen voor het verkrijgen van schadevergoeding bij onrechtmatig bestuurshandelen. (…). 4. Schadevergoeding bij overschrijding redelijke termijn Uit onderdeel a van het enig artikel van dit inwerkingtredingsbesluit volgt onder meer dat artikel 8:73 Awb met ingang van 1 juli 2013 zal vervallen. Dit betreft de mogelijkheid voor de bestuursrechter om bij gegrondverklaring van het beroep op verzoek van een partij het bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding. Hiervoor in de plaats komt de verzoekschriftprocedure van de nieuwe titel 8.4 Awb. Blijkens vaste jurisprudentie acht de bestuursrechter zich met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 Awb bevoegd om te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM door de bestuursrechter. Ook ingeval artikel 6 EVRM niet rechtstreeks van toepassing is, is artikel 8:73 Awb het aanknopingspunt om in het kader van de rechtszekerheid tot soortgelijke resultaten te komen bij het overschrijden van de redelijke termijn. De Wns beoogt geen wijziging te brengen in voornoemde jurisprudentie. Ook in de toekomst kan worden aangesloten bij de regeling van de schadevergoeding in het Nederlandse recht, waarbij de bestuursrechter via verdragsconforme toepassing van titel 8.4 Awb tot hetzelfde resultaat kan komen als thans het geval is via de verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 Awb. In dit verband wordt nog opgemerkt dat, gelet op het feit dat in de bestuursrechtelijke jurisprudentie inmiddels op bevredigende wijze wordt voorzien in de toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, er geen dringende noodzaak meer is om tot wetgeving terzake te komen. De door mijn ambtsvoorganger aangekondigde regeling die zou worden opgenomen in titel 8.4 Awb, waarvoor in april 2010 een consultatieversie werd uitgebracht, is derhalve niet langer in het departementale wetgevingsprogramma opgenomen. 5. Overgangsrecht Wns Onderdeel a van het enig artikel van dit inwerkingtredingsbesluit omvat ook de inwerkingtreding van het in de artikelen IV en V van de Wns opgenomen overgangsrecht. Uiteraard worden die bepalingen voor nadeelcompensatie pas relevant zodra ook titel 4.5 Awb in werking treedt. Uit artikel V volgt dat titel 8.4 Awb wat betreft het werkterrein van de Belastingdienst vooralsnog alleen geldt voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Op de andere werkterreinen van de Belastingdienst blijft onder meer artikel 8:73 Awb, inclusief de daaraan verbonden jurisprudentie inzake overschrijding van de redelijke termijn, dus voorlopig van kracht. Dat verandert pas als drie jaar zijn verstreken nadat artikel 4:126 Awb in werking is getreden, tenzij voor die tijd een wetsvoorstel is ingediend dat strekt tot een specifieke regeling op dit terrein (zie het vierde lid van artikel V). 4.14 Sinds het aannemen van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is artikel 4:126 van de Awb nog niet in werking getreden en is aldus artikel 8:88 van de Awb nog niet van toepassing ten aanzien van andere rijksbelastingen dan de vennootschapsbelasting. Dit betekent dat voor deze rijksbelastingen artikel 8:73 van de Awb, ondanks de formele schrapping uit de Awb, nog relevant is bij een beroep op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Jurisprudentie Hoge Raad 4.15 De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 april 2005 overwogen over de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken: Aanvang van de redelijke termijn 4.2. Of op het aan de beboete toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk wordt gemaakt, hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR. Duur van de redelijke termijn 4.3. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld. In deze termijn is derhalve de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof, behoudens bijzondere omstandigheden als hierna in 4.5 vermeld, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. 4.4. Ook wanneer het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden, valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op artikel 6, lid 1, EVRM moet worden aangenomen. Het is evenwel ook denkbaar dat de zaak in een eerdere fase met bijzondere voortvarendheid is behandeld, zodanig dat de overschrijding van de redelijke termijn in een latere fase daardoor wordt gecompenseerd. 4.5. De redelijkheid van de duur van berechting van een boetezaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede verknochtheid van het beboetbare feit met andere belastbare feiten betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); b. de invloed van de beboete en/of diens raadsman/gemachtigde op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen; c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen; d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak. Gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn 4.6. Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Ambtshalve te verrichten toetsing; motiveringseisen (onderstreping toegevoegd, A-G) 4.7. De rechter dient ambtshalve te onderzoeken of inbreuk is gemaakt op de onderhavige garantie van artikel 6, lid 1, EVRM. Hij behoeft in zijn uitspraak echter alleen in de volgende gevallen te doen blijken van dat onderzoek: a. als door of namens de beboete terzake een klacht is aangevoerd, aangezien op een zodanige klacht een gemotiveerde beslissing dient te worden gegeven; b. als tussen het tijdstip waarop de beboete laatstelijk in de gelegenheid was een klacht terzake aan te voeren, en het tijdstip waarop uitspraak is gedaan, zoveel tijd is verstreken dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn. Dit laatste is het geval indien de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak niet in acht is genomen en mede daardoor de hiervoor onder 4.3 vermelde termijn van twee jaar is overschreden. 4.8. In geval van vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn dient de rechter in zijn uitspraak aan te geven in welke mate de boete is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke boete passend zou zijn geoordeeld indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter 4.9. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijkheid van voormeld tijdsverloop en - in voorkomend geval - de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval; b. het gevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts worden getoetst op begrijpelijkheid. 4.10. Opmerking verdient dat niet voor het eerst in cassatie met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop tot aan het tijdstip waarop de beboete laatstelijk in de gelegenheid was een klacht terzake aan te voeren, wanneer de beboete dat heeft nagelaten. (onderstreping toegevoegd, A-G) Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter 4.11. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. 4.12. Indien de Hoge Raad uit dien hoofde tot de bevinding komt dat de redelijke termijn is overschreden, zal als regel het bedrag van de boete (verder) worden verminderd met 10 percent. 4.16 Voorts heeft de Hoge Raad bij arrest van 10 juni 2011 geoordeeld in een zaak waar het niet ging om een fiscale boete, maar vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd toegekend: 3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op de onderhavige procedure inzake legesheffing. 3.3.1. Het onderhavige geschil betreft de heffing van leges ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning. In het midden kan blijven of het geschil de 'determination of civil rights and obligations' in de zin van artikel 6, lid 1, van het EVRM betreft. Immers, de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de heffingsambtenaar tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 10.2, 10.5 en 10.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters). 3.3.2. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet ook in zaken betreffende de heffing van leges aangesloten worden bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (onderstreping toegevoegd, A-G), nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. 3.3.3. Indien bij een zodanig geschil de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. 3.3.4. Het hiervoor overwogene geldt evenzeer voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten. 3.3.5. Nu het Hof met zijn in 3.2.2 weergegeven oordeel is uitgegaan van een rechtsopvatting die zich niet met het vorenoverwogene verdraagt, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend. Opmerking verdient dat de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) daarbij met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid dient te worden gesteld als partij aan het geding deel te nemen, nu het gaat om een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de rechter. Indien sprake is van een dergelijke overschrijding kan de Staat immers met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, lid 1, van de Awb worden aangewezen als rechtspersoon die de hieruit voortvloeiende schade dient te vergoeden. 4.17 In een ander arrest van 10 juni 2011 heeft de Hoge Raad overwogen: 3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de rechter ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) slechts de bevoegdheid heeft om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende geleden schade indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard en dat er daarom in dit geval, waarin het hoger beroep ongegrond is, geen schadevergoeding kan worden toegekend. (…). 3.3.2. Aangezien het geschil in beroep en in hoger beroep nog slechts betrekking had op de naheffingsaanslag, kan een recht van belanghebbende op een schadevergoeding niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van de genoemde bepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur tot vergoeding van die schade worden veroordeeld (vgl. de in de onderdelen 7.16, 7.19, 7.21 en 7.22 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters). (…). 3.3.6. Nu het Hof met zijn in 3.2.2 weergegeven oordeel is uitgegaan van een rechtsopvatting die zich niet met het vorenoverwogene verdraagt, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor materiële en immateriële schade moet worden toegekend. Nu belanghebbende zich enkel heeft beklaagd over de duur van de bezwaarfase, en niet heeft gesteld dat in de gerechtelijke procedure onredelijke vertraging is opgetreden, behoeft de Minister van Veiligheid en Justitie niet met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in het geding te worden betrokken. 4.18 De Hoge Raad heeft in een arrest van 30 november 2012 geoordeeld: 3.1. Belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is door het Hof afgewezen. De daartegen gerichte middelen slagen op de gronden vermeld in onderdeel 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN BO5046, BNB 2011/232. Opmerking verdient dat, zoals uit dat arrest volgt, de omstandigheid dat het (hoger) beroep ongegrond is er niet aan in de weg staat dat een zodanige schadevergoeding wordt toegekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb. 4.19 In zijn noot bij het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2012 (nr. 11/03462) heeft J.A.R. van Eijsden geschreven: In dit kader rijst wel de vraag of tevens immateriële schadevergoeding moet worden toegekend bij procederen tegen beter weten in. Ik meen dat zulks niet het geval is. Hoewel het in casu niet gaat om de toepassing van art. 6 EVRM zelf, maar om de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel, is de jurisprudentie van het EHRM met betrekking tot art. 6 EVRM niet zonder betekenis. Ook dat vloeit voort uit BNB 2011/232, waarin de Hoge Raad overweegt: “Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (…).” In het arrest EHRM 25 november 1993, nr. 14282/88 (Zander v. Sweden) overwoog het EHRM [cursivering toegevoegd]: “22. The Court reiterates that, according to the principles enunciated in its case-law (…), it has first to ascertain whether there was a dispute (‘contestation’) over a ʻrightʼ which can be said at least on arguable grounds, to be recognised under domestic law. The dispute must be genuine and serious; it may relate not only to the actual existence of a right but also to its scope and the manner of its exercise; and finally, the result of the proceedings must be directly decisive for the right in question (…).” Ingeval van volstrekt zinloze beroepen, is dan ook geen plaats voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 4.20 De civiele kamer van de Hoge Raad heeft bij arrest van 11 januari 2013 overwogen: 3.2. In het onderhavige geding vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de Staat jegens hem schadeplichtig is wegens onrechtmatig handelen. Volgens [eiser] heeft de Staat niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM beslist op zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning, op zijn bezwaar en op zijn bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding, en dient de Staat hem de immateriële schade te vergoeden die hij heeft geleden in verband met deze termijnoverschrijdingen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de Staat jegens [eiser] schadeplichtig is wegens het met vier maanden overschrijden van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure omtrent de aangevraagde verblijfsvergunning. De gevraagde verklaring voor recht dat de Staat schadeplichtig is wegens niet binnen een redelijke termijn beslissen op het verzoek om schadevergoeding, heeft de rechtbank echter afgewezen. (…). 3.4.4 Ook wat betreft [eiser]s beroep op art. 6 EVRM in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de beslissing op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning heeft te gelden dat de hiervoor in 3.4.3 genoemde, bij art. 6 EVRM aansluitende rechtspraak wordt begrensd door het toepassingsgebied van dat artikel. Zoals het hof met juistheid heeft beslist, veronderstelt de in dat artikel genoemde "behandeling van zijn zaak door een (...) gerecht" een geschil en omvat die behandeling derhalve niet tevens de aanvraagfase, ook niet indien daarop een behandeling door de rechter is gevolgd. Ook in dit opzicht faalt het middel derhalve. 3.4.5 Bij het bovenstaande verdient opmerking dat een te lange behandelingsduur in de aanvraagfase of in de bezwaarfase niet tot gevolg heeft dat voor de belanghebbende de toegang tot de rechter wordt vertraagd of geblokkeerd, aangezien de belanghebbende zich tot de bestuursrechter kan wenden indien het gevraagde besluit niet tijdig wordt genomen (art. 6:2, aanhef en onder b, Awb). 3.5 Opmerking verdient voorts dat het bovenstaande niet betekent dat een onaanvaardbaar lange duur van enkel de aanvraagfase of de bezwaarfase - te onderscheiden van een overschrijding van de wettelijke beslistermijn, zoals aan de orde was in HR 22 oktober 2010, LJN BM7040, NJ 2011/6 - nimmer kan leiden tot een aanspraak van de belanghebbende op schadevergoeding. Het gevolg van het bovenstaande is slechts dat de hiervoor in 3.4.2 bedoelde, aan art. 6 EVRM ontleende, veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie niet geldt, hetgeen meebrengt dat de belanghebbende zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij door de onaanvaardbaar lange duur van de behandeling door het bestuursorgaan van zijn aanvraag of bezwaar daadwerkelijk zodanige schade heeft geleden. 4.21 Bij arrest van 22 maart 2013 heeft de Hoge Raad overwogen: 3.4.3. In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade die door dat tijdsverloop is ontstaan te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechterlijke macht; de veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie). Dat heeft ook te gelden in een geval als het onderhavige, waarin het bestuursorgaan (een inspecteur) deel uitmaakt van de rijksbelastingdienst, en de vergoeding daardoor ongeacht de wijze van toerekening betaald moet worden door de Staat (vgl. ABRvS 30 juni 2010, nr. 200909929/1/H2, LJN BM9703). 3.4.4. Bij de hiervoor in 3.4.3 bedoelde toerekening heeft in belastingzaken als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (vgl. CRvB 26 januari 2009, nr. 05/01789, LJN BH1009, AB 2009/241). Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337. (…). 3.5.2. Met het oog op het geding na verwijzing verdient opmerking dat, anders dan middel 2 voorstaat, voor een aanspraak op vergoeding van immateriële schade niet van belang is of de belanghebbende al dan niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM te voorkomen (vgl. HR 16 december 1998, nr. 34148, LJN AA2596, BNB 1999/303). Reeds daarom kan aan belanghebbende in dit verband niet worden tegengeworpen dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op zijn bezwaarschrift (vgl. ABRvS 29 juni 2005, nr. 200406974/1, LJN AT8446, AB 2006/43, en CRvB 15 december 2010, nr. 10/1033 TW, LJN BP1398, RSV 2011/142). 4.22 Bij arrest van 29 november 2013 is door de Hoge Raad overwogen: 3.1. Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. 3.2. Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige beschikking tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in totaal 4 jaar zijn verstreken en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in totaal 3 jaar en een maand zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade. In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt. 3.3.1. Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is. Voor het geval daarop na verwijzing alsnog een beroep zou worden gedaan, verdient opmerking dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft. 3.3.2.Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, nr. 200705993/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604). 4.23 De Hoge Raad heeft geoordeeld bij arrest van 21 maart 2014: 2.1.1. Het Hof heeft in het kader van het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en heeft zowel de Inspecteur als de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot vergoeding van die schade ieder voor een deel. 2.1.2. Het tweede middelonderdeel behelst de klacht dat het Hof in dit verband onvoldoende belang heeft gehecht aan het feit dat belanghebbende, door bewust inkomen en vermogen te verzwijgen en na ontdekking daarvan elke medewerking te weigeren, de spanning en frustratie over zichzelf heeft afgeroepen en ook niet heeft bijgedragen aan een snelle afwikkeling door openheid van zaken te geven. 2.1.3. Het Hof heeft in onderdeel 4.2.3 van zijn uitspraak geoordeeld dat de mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan het geschil, niet van belang is bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar ’s Hofs oordeel geldt dat ook voor zover deze gedragingen worden opgevat als eigen schuld van de belastingplichtige. Deze oordelen zijn juist. Het middelonderdeel faalt daarom. Opmerking verdient nog dat een gebrek aan medewerking door een partij aan de vaststelling van de feiten er wel toe kan leiden dat een zaak gecompliceerder wordt. Dat is een factor die meeweegt bij het oordeel of de redelijke termijn is overschreden. Ook het Hof is daar – terecht – van uitgegaan. 2.2. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4.24 In een arrest van 20 juni 2014 heeft de Hoge Raad overwogen: 2.6.1. Voorts heeft het Hof kennelijk aanleiding gezien de aan de beroepsfase toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn met nog eens drie maanden te verminderen. Het Hof heeft in dat verband meegewogen dat het voor het jaar 1999 op 8 mei 2007 uitspraak heeft gedaan (BK-04/02818), in welke procedure dezelfde geschilpunten aan de orde waren, terwijl de feitelijke omstandigheden in de jaren na 1999 niet gewijzigd zijn, en dat belanghebbende zich daarvan redelijkerwijs bewust zal zijn geweest. Volgens het Hof brengt dit mee dat de spanning en frustratie in de beroepsfase minder zijn geweest omdat reeds in hoofdzaak duidelijk was wat de uitkomst van de rechterlijke procedure zou zijn. 2.6.2. Ook voor zover zij zijn gericht tegen deze oordelen, slagen de klachten. Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie verondersteld, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin de betrokkene daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang. Dat is slechts anders in bijzondere gevallen, waarvan sprake kan zijn als de procedure over een zeer gering financieel belang gaat (zie HR 29 november 2013, nr. 12/04301, ECLI:NL:HR:2013: 1361, BNB 2014/5). De omstandigheid dat sprake is van een (zeer) geringe kans op succes van de belanghebbende in de desbetreffende procedure brengt niet mee dat sprake is van een bijzonder geval zoals zojuist bedoeld. Het Hof heeft dit miskend. 4.25 De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 februari 2016 een overzichtsarrest gewezen inzake de VIS-ORT. Voor de duidelijkheid neem ik hier een groot deel van dat arrest over: 3.1. Op 10 juni 2011, onder meer in zijn arrest in de zaak nr. 09/02639, ECLI:HR:NL:2011:BO05046, BNB 2011/232 (hierna: het arrest BNB 2011/232), heeft de Hoge Raad aanvaard dat op verzoek een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Sindsdien heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen waarin regels zijn neergelegd met betrekking tot verschillende aspecten van het recht op een dergelijke vergoeding. De Hoge Raad vindt in de behandeling van de onderhavige zaak aanleiding een overzicht te geven van zijn oordelen met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, voor zover het daarin niet om een bestuurlijke boete gaat. Dat hierna in de onderdelen 3.2 tot en met 3.16 te geven overzicht betreft enerzijds oordelen die de Hoge Raad reeds in eerdere arresten heeft gegeven, en anderzijds oordelen over een aantal kwesties die zich met regelmaat in de praktijk voordoen, maar waarover de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.