ECLI:NL:PHR:2018:1060
Zaaknr: 17/03478 mr. B.J. Drijber Zitting: 21 september 2018 Conclusie inzake:
Tiffany en Swatch Group hebben in 2006 en 2007 langdurig onderhandeld over een voorgenomen samenwerking op het gebied van luxe horloges. Ter uitvoering van de samenwerking heeft Swatch Group een nieuwe vennootschap opgericht: Tiffany Watch Co. Ltd., afgekort TWC, en na naamswijziging Look and Feel AG geheten.
Aan de WTSA is als bijlage een Business Plan gevoegd, dat deel uitmaakt van die overeenkomst (hierna: Business Plan).
Artikel 1.14 WTSA bepaalt: “All obligations of the parties to each other under this Agreement shall be undertaken in good faith with a view of preserving a long term relationship and all obligations stated herein are to be read with this precept, whether or not expressly stated in the language defining the obligation.”
Art. 3.1 WTSA bepaalt: “3.1 Efforts Required Watch Company will use reasonable, good faith efforts to develop and promote the Collection in order to accomplish the Business Plan and will not engage in any other business other than Watch Company Activities. The term ‘reasonable, good faith efforts’ will be interpreted with reference to the agreed goals of the parties: to develop the Collection as a first-class quality brand with the prestige and distribution of the Reference Brands A and C.”
De overwegingen die volgen zijn ook in cassatie aan de orde: “96. In view of the sizes of these anticipated numbers, Respondents’ order log is relevant for the determination of the question whether and to what extent their actual orders complied with their obligation to order a sufficient number of watches to be capable of meeting the objectives of the Business Plan. From the above, it is evident that Respondents by far did not meet these objectives. As such, non-compliance with the Business Plan does not trigger breach under the Agreements or Dutch law as the Business Plan does not amount to an obligation to meet the targets (“resultaatsverbintenis”). On the other hand, the Business Plan is not a mere management instrument to check results with targets but a contractual benchmark under which the Parties were to develop reasonable efforts to meet these targets which under the Agreement and Dutch law can be characterized as an obligation to use reasonable efforts (“inspanningsverbintenis”).
As Respondents have by far not complied with their targets and have refrained from using reasonable efforts to achieve such efforts, the Arbitral Tribunal considers that there is breach of an implied obligation to use reasonable efforts to achieve the targets set forth in the Business Plan. It also considers that this applies to the Business Plan 2009 as that considered yearly volumes of 12,140 watches for 2009 and 8,040 watches for 2010 (...). Finally, the Arbitral Tribunal considers that Respondents’ argument that Claimants’ distribution network was the primary driver of WTC’s business cannot be accepted. Claimants and Respondents seem to use the concept of primary driver in two different senses: for Respondents, the success of WTC’s business depended on The Swatch’s distribution network and the concept of primary driver is then used as the most important driver for WTC ’s business while Claimants use the concept of primary driver in a chronological sense as being the first driver of the business.
The Arbitral Tribunal agrees with Claimants as to the concept of primary driver: under both the 2007 and the 2009 Business Plans, the WTC business was first and foremost to be rolled out in Tiffany stores and to a large extent thereafter through The Swatch ’s distribution channels. As this was what the Parties envisaged through the Business Plans, Tiffany ought to have used its best efforts to sell substantial quantities of watches in its own stores to target anticipated sales as provided in het Business Plans. In failing to do so as explained above, the Arbitral Tribunal considers that Tiffany breached its obligations pursuant to the Agreements. (...) 97. This conclusion is unaltered by Respondent’s proposition that the entire agreement clause of Article 1.11 WTSA (...) excludes importing additional obligations into the Agreements (...). Under Dutch law, an entire agreement clause as the one of Article 1.11 WTSA effectively excludes contradicting of additional obligations to the express terms of a contract but does not at all purport to restrict the interpretation of a contract as to derive implied terms from any such interpretation process. Respondents’ reliance on Article 1.11 WTSA is thus rejected. For the same reason, Respondents’ argument that Article 30.3.8 WTSA precludes the Arbitral Tribunal from changing, modifying or altering any express condition, term or provision of the Agreement (...) must fail. Finally, Respondents’ argument that Article 3.1 TWSA only created obligations for TWC and not for Tiffany (...) also cannot be accepted as it also referred to the Parties’ agreed goals to create a luxury watch business including - as to distribution - meeting the benchmarks (…).”
I. Art. 30.3.8 WTSA – dat onder meer bepaalt: “The arbitral tribunal may not change, modify or alter any express condition, term or provision of this Agreement and to that extent the scope of its authority is expressly limited.” – behelst een beperking van de opdracht aan de arbiters, die zij hebben genegeerd. Het arbitrale vonnis moet daarom op grond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder c, Rv worden vernietigd. De arbiters hebben bovendien, zonder dat de arbitrageovereenkomst daarvoor grond bood, die overeenkomst aangepast, waardoor het arbitrale vonnis tevens op grond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder a, Rv aan vernietiging blootstaat.
II. Een van de arbiters heeft onder zijn handtekening “Subject to dissenting opinion” geschreven. Daardoor is het arbitrale vonnis niet in overeenstemming met de wettelijke eisen en die van het arbitragereglement ondertekend en staat het vonnis aan vernietiging bloot op grond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder d, Rv.
III. Het arbitraal vonnis is in strijd met de openbare orde tot stand gekomen omdat het scheidsgerecht zijn oordeel deels heeft gebaseerd op documenten die door Swatch Group niet in de procedure zijn overgelegd en waar Tiffany derhalve niet op heeft kunnen reageren of zich tegen heeft kunnen verweren. Het scheidsgerecht heeft daarmee gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor, zodat het vonnis vernietigd moet worden op grond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder e, Rv.
IV. Het arbitraal vonnis ontbeert ook op een aantal essentiële punten de door de wet vereiste motivering, zodat het vonnis vernietigd moet worden op grond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder d, Rv.
4.33. Voormelde beslissingen hangen samen met overweging 76 van het arbitrale vonnis waaruit volgt dat volgens het Scheidsgerecht artikel 3.1 WTSA context geeft aan de gezamenlijke doelstellingen van partijen en dat deze bepaling daarmee een grondslag biedt voor nadere analyse of en in welke mate Tiffany entiteiten onder de contracten verplichtingen op zich hebben genomen die voortvloeien uit die doelstellingen. Het Scheidsgerecht overweegt dat Swatch in dat kader heeft gerefereerd aan het Business Plan (onderstrepingen rechtbank).
4.34. Het Scheidsgerecht stelt in overweging 76 ten aanzien van artikel 3.1 WTSA echter zelf reeds voorop: “Article 3.1 WTSA only implies an express obligation for TWC”. In dit verband is van belang dat TWC (in het arbitrale vonnis ook Watch Company genoemd) was opgericht door Swatch om Tiffany & Co. horloges te produceren, distribueren, marketen en verkopen; TWC was volledig in eigendom van Swatch en Swatch had volledige zeggenschap over TWC, zoals in r.o. 2.2 al kort is vermeld. Bovendien overweegt het Scheidsgerecht in overweging 93 ten aanzien van het Business Plan: “Respondents are right that there was no express term obligating them to order new models in certain quantities” alsmede in overweging 96: “the Business Plan does not amount to an obligation to meet the targets”. De door partijen overeengekomen rechtsgevolgen bleken dus uit artikel 3.1 WTSA en het Business Plan in die zin dat de overeenkomsten in dit kader geen express obligations bevatten voor Tiffany.
4.35. Toch heeft het Scheidsgerecht artikel 3.1 WTSA tegen de achtergrond van het Business Plan nader geanalyseerd en - op basis daarvan - tot implied obligations voor Tiffany geconcludeerd. Daardoor zijn arbiters buiten de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen getreden en hebben zij de expliciete bepalingen van de overeenkomsten aangevuld. Arbiters spreken zelf ook (expliciet) over “implied obligations” “extending beyond the express contract terms” (overweging 93, onderstreping rechtbank).
4.36. Dat Swatch stelt dat nergens in de overeenkomsten is vermeld dat de verplichtingen uitputtend waren, in die zin dat zij enkel rustten op de expliciet genoemde contractspartijen, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals volgt uit de betekenis van artikel 30.3.8 WTSA (de rechtsverhouding mag niet nader worden bepaald als de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen blijken uit de express conditions, terms or provisions van de overeenkomsten) zijn arbiters met hun nadere analyse - ook als deze juist zou zijn - verder gegaan dan op grond van de opdracht was toegestaan. Arbiters hebben daarmee de grenzen van de rechtsstrijd en de aan te leggen beslissingsmaatstaf miskend.”
Dat geldt ook voor drie andere punten: (i) het gebruik van door Swatch Group ter beschikking gestelde Collection Book, (ii) het geven van training aan personeel en (iii) het gebruik van etalagemateriaal (rov. 4.38.1- 4.38.3).
3.9 Uitgangspunt voor de beantwoording van de vraag of het scheidsgerecht zich aan zijn opdracht heeft gehouden is derhalve artikel 30.3.8 WTSA.
3.10 Het hof ziet zich voor de moeilijkheid geplaatst dat de opdracht “may not change, modify or alter any express condition, term or provision” niet eenduidig is. Deze opdracht verplicht het scheidsgerecht immers een uitdrukkelijke bepaling niet anders dan ongewijzigd toe te passen, maar zij laat na te bepalen of de voorgeschreven toepassing vergt dat de uitdrukkelijke bepalingen in “beperkte” zin wordt opgevat, derhalve strikt en naar de letterlijke betekenis genomen, of moet worden opgevat in “ruime” zin, derhalve met inbegrip van de daarin begrepen en daaraan verbonden rechtsgevolgen die voortvloeien uit uitleg en hetgeen de eisen van redelijkheid en billijkheid vergen (dit laatste verder ook de “goede trouw”).
Uitleg van Artikel 30.3.8 WTSA 3.11 Artikel 30.3.8 WTSA dient daarom te worden uitgelegd. Omdat Nederlands recht van toepassing is, dient de uitleg van artikel 30.3.8 WTSA te geschieden aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, NJ 1982, 635, Haviltex: (…) 3.12 In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in meerdere arresten beslist dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst grote betekenis kan toekomen, indien het gaat om een commerciële overeenkomst, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen.
3.13 Zulks laat evenwel onverlet dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de taalkundige betekenis niet doorslaggevend is, zoals overwogen in HR 4 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY8101 [Lundiform/Mexx]: “Ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”
3.14 Het hof is van oordeel dat er weliswaar veel valt te zeggen voor een uitleg van artikel 30.3.8 WTSA aan de hand van de taalkundige betekenis van de gebruikte woorden - het gaat om een commerciële overeenkomst gesloten tussen professionele partijen, er is meer dan zes maanden onderhandeld en partijen (althans Tiffany) beoogden de rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen - maar de taalkundige betekenis van de gekozen woorden is nu juist niet eenduidig. Allereerst maken de woorden “change, modify or alter” niet aanstonds duidelijk of het beding aldus moet worden begrepen dat het verbod alleen ziet op een verandering van een uitdrukkelijk geformuleerde verplichting, zoals The Swatch lijkt te betogen, of dat het ook ziet op een toevoeging van een verplichting, zoals Tiffany voorstaat. Bovendien maken de woorden “any express condition”, zoals hiervoor gezegd, op zichzelf niet aanstonds duidelijk of daarmee bedoeld worden de uitdrukkelijke bepalingen in de hiervoor omschreven “beperkte” zin of in de hiervoor omschreven “ruime” zin.
3.15 Het hof ziet de strekking van artikel 30.3.8 WTSA anders dan de rechtbank heeft aangenomen. De rechtbank heeft een onderscheid gemaakt tussen verplichtingen die door uitleg aan het licht komen (die dan door het scheidsgerecht wel in aanmerking mogen worden genomen) en verplichtingen die door de aanvullende werking van de goede trouw kunnen worden toegevoegd (die het scheidsgerecht dan niet in aanmerking mag nemen).
3.16 Het hof acht het voor de uitleg van belang dat, zoals partijen aan beide zijden hebben toegelicht, artikel 30.3.8 WTSA al opgenomen was in eerdere door Tiffany opgestelde concepten van de overeenkomsten waarin een keuze was opgenomen voor het recht van de staat New York. Vervolgens hebben partijen overeenstemming bereikt over het van toepassing verklaren van een “onafhankelijk” rechtsstelsel, Nederlands recht. In de uiteindelijke versies van de overeenkomsten is aldus gekozen voor Nederlands recht en is artikel 30.3.8 WTSA nagenoeg ongewijzigd overgenomen, zonder dat over die bepaling nader overleg is gevoerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de bewoordingen van artikel 30.3.8 WTSA, die, naar moet worden aangenomen, door de juristen aan de zijde van Tiffany oorspronkelijk opgevat werden in de context van het recht van de staat New York, onderworpen zijn geraakt aan Nederlands recht.
Tiffany moet, als professionele partij bijgestaan door juristen, geacht worden te hebben beseft dat haar rechtskeuze tot gevolg zou hebben dat de bepalingen van de overeenkomsten, zowel wat uitleg als wat werking betreft, anders zouden kunnen worden beoordeeld dan naar het recht van de staat New York. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat Tiffany, ingevolge de met The Swatch overeengekomen rechtskeuze voor Nederlands recht, de bedoeling had om de bewoordingen van artikel 30.3.8 WTSA opeens van kleur te doen verschieten, in die zin dat het daarin opgenomen verbod aan het scheidsgerecht afhankelijk werd gemaakt van een onderscheid dat naar Nederlands recht kan worden gemaakt tussen verplichtingen die door uitleg aan de hand van de Haviltex norm worden gevonden en verplichtingen die worden geïntroduceerd als gevolg van de aanvullende werking ontleend aan artikel 6:248 lid 1 BW.
Er zijn evenmin aanwijzingen dat The Swatch aan artikel 30.3.8 WTSA een dergelijke onderliggende eigenschap heeft toegekend.
3.17 Daar komt bij, dat naar Nederlands recht een verplichting om te goeder trouw zich zekere inspanningen te getroosten om een overeenkomst tot welslagen te brengen - zoals het scheidsgerecht heeft aangenomen - zowel door uitleg kan worden aangenomen als met behulp van de aanvullende werking van artikel 6:248 BW. Anders gezegd, uitleg en aanvullende werking hebben in dit verband onvoldoende onderscheidend vermogen omdat zij in elkaar overlopen.
3.18 De tussenconclusie is dat het zoeken van de betekenis van artikel 30.3.8 WTSA in de context van het recht van de staat New York niet aangewezen is omdat partijen gekozen hebben voor Nederlands recht, maar dat ook een onderscheid naar Nederlands recht tussen uitleg en aanvullende werking hier niet passend is.
3.19 Partijen hebben overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die hun bedoelingen bij artikel 30.3.8 WTSA verduidelijken, anders dan dat Tiffany er naar gestreefd heeft om de overeenkomsten zo uitputtend mogelijk op te stellen (hetgeen een bijlage van zeventien pagina’s definities ook duidelijk maakt) en dat zij derhalve mocht verwachten dat daarmee haar verplichtingen ook uitputtend zouden zijn vastgelegd. Het hof acht dit evenwel onvoldoende om te kunnen concluderen dat artikel 30.3.8 WTSA ertoe strekt dat in het geheel niet meer of andere verplichtingen door het scheidsgerecht mogen worden aangenomen dan uitdrukkelijk, overeenkomstig de letterlijke betekenis van de bepalingen, in de overeenkomsten zijn verwoord. Voor een dergelijke uitzonderlijke betekenis - waarmee iedere, ook iedere vanzelfsprekende, maar niet met zoveel woorden vastgelegde verplichting om de overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren wordt geëcarteerd - is artikel 30.3.8 WTSA, zoals uit het voorgaande mogen volgen, niet voldoende eenduidig.
3.20 Daar komt bij dat artikel 30.3.8 WTSA niet los kan worden gezien van Artikel 1.14 WTSA dat luidt: “All obligations of the parties to each other under this Agreement shall be undertaken in good faith with a view of preserving a long term relationship and all obligations stated herein are to be read with this precept, whether or not expressly stated in the language defining the obligation.”
Deze bepaling kan moeilijk anders worden begrepen dan dat die ertoe strekt dat de in de WTSA uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen tevens die verplichtingen meebrengen die de goede trouw vergt met het oog op het behoud van een langdurige relatie, ook al staan die “additionele” verplichtingen niet met zoveel woorden vermeld in de omschrijving van de uitdrukkelijk geformuleerde verplichtingen (“whether or not expressly stated in the language defining the obligation”).
3.21 Het hof is concluderend van oordeel dat de omstandigheden dat Tiffany en Swatch professionele partijen zijn, zij langdurig onderhandelingen hebben gevoerd, en zij (althans in ieder geval Tiffany) er naar gestreefd hebben om de overeenkomsten zo uitputtend mogelijk op te stellen, meebrengen dat artikel 30.3.8 WTSA, mede in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 1.14 WTSA, de volgende strekking heeft. Het scheidsgerecht mag alleen de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen in aanmerking nemen. Daarbij mag het scheidsgerecht dan wel ook (maar niet meer dan) die verplichtingen in aanmerking nemen die uit de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen voortvloeien krachtens de eisen van de goede trouw, opdat de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen worden uitgevoerd op een wijze waarbij het behoud van een langdurige relatie in het oog wordt gehouden, of, anders gezegd, op een wijze gericht op het uiteindelijk welslagen van de beoogde verkoop van de horloges.
3.22 Hieraan doet niet af dat in de overeenkomsten ook een entire agreement clause is opgenomen. Een entire agreement clause is op zichzelf geen uitlegbepaling. De clausule heeft naar Nederlands recht ook niet zonder meer een bijzondere betekenis (vergelijk HR 5 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY8101, Lundiform/Mexx). Tiffany heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat deze clausule in de overeenkomsten een verder strekkende betekenis heeft dan, zoals deze clausule in de regel beoogt te bewerkstelligen, dat partijen niet zijn gebonden aan eerder gemaakte afspraken of afspraken die niet uit de overeenkomst voortvloeien. Dit betekent dat deze clausule niet in de weg staat aan het aanvaarden van verplichtingen, die door uitleg of de aanvullende werking van de goede trouw door de (uitdrukkelijke bepalingen van de) onderhavige overeenkomsten in het leven worden geroepen.
Beoordeling van de door het scheidsgerecht uitgevoerde opdracht 3.23 Vervolgens moet worden getoetst of het scheidsgerecht overeenkomstig de opdracht heeft geoordeeld en beslist. Bij deze toets dient er wel voor te worden gewaakt niet te treden in de inhoudelijke beoordeling van het geschil zelf, die immers aan het scheidsgerecht was voorbehouden. Ook moet er rekening mee worden gehouden dat een effectief functionerende arbitrale rechtspraak vergt dat arbiters een ruime mate van beoordelingsvrijheid hebben opdat arbitrale uitspraken niet te gemakkelijk onderworpen geraken aan de mogelijkheid van vernietiging. In dit verband heeft de Europese Commissie voor de rechten van de mens in zijn uitspraak van 27 november 1996, NJ 1997, 505 als volgt overwogen: "It finds it reasonable that in this respect Dutch law requires strong reasons for quashing an already rendered award, since the quashing will often mean that a long and costly arbitral procedure will become useless and considerable work and expense must be invested in proceedings."
3.24 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2003 ECLI:NL:HR:2003: AE9395 (IMS/Modsaf I) als volgt geoordeeld: “(…) Voorts verdient aantekening dat de rechter bij zijn onderzoek of het scheidsgerecht de procedureregels heeft nageleefd terughoudendheid moet betrachten. Dit hangt onder meer hiermee samen dat een procedure op de voet van art. 1065 Rv. niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in de uitleg die arbiters aan het reglement hebben gegeven.”
3.25 De Hoge Raad heeft deze overweging gegeven ten aanzien van procedureregels, terwijl artikel 30.3.8 WTSA eerder is aan te merken als een materiële regel die een beslissingsmaatstaf voorschrijft, maar aangenomen moet worden dat terughoudendheid bij de beoordeling ook hier met betrekking tot de onderhavige opdracht op zijn plaats is.”
Met betrekking tot de laatste drie verplichtingen overweegt het hof in rov. 3.27.3 dat “(…) het scheidsgerecht, anders dan in de hiervoor aangehaalde overwegingen, niet, althans niet met zoveel woorden, een uitdrukkelijk verwoorde verplichting tot uitgangspunt [heeft] genomen. Dat is ook het bezwaar van Tiffany, namelijk dat het scheidsgerecht aanvullende verplichtingen (ter zake het Collection Book, opleiding en etalagemateriaal) uit het niets heeft geïntroduceerd. Het hof is evenwel van oordeel dat het scheidsgerecht aan deze beslissingen, na de voorafgaande overwegingen en beslissingen, klaarblijkelijk ten grondslag heeft gelegd zijn eerder verwoorde oordeel dat Tiffany, vanuit haar uitdrukkelijke verplichting om de horloges in haar winkels voor de verkoop uit te stallen, zich diende in te spannen om de horloges ook daadwerkelijk in voldoende mate te verkopen met het oog op de uit het business plan blijkende doelstellingen en dat deze inspanningen ook betrekking hebben op het gebruik van het Collection Book, opleiding van personeel en etalagemateriaal, zonder welke naar het kennelijke oordeel van het scheidsgerecht de haalbaarheid van de verkoopdoelstellingen aanzienlijk wordt bemoeilijkt.
Ook met deze overwegingen en beslissingen is het scheidsgerecht aldus niet buiten het kader van zijn opdracht getreden. Het oordeel van het scheidsgerecht dat het gebruik van het Collection Book, opleiding van personeel en etalagemateriaal tot de te leveren inspanningen behoorden is een inhoudelijk oordeel van het scheidsgerecht over de reikwijdte van hetgeen onder de gegeven omstandigheden de eisen van de goede trouw vergden, en is, indachtig de gepaste terughoudendheid, aan een nadere beoordeling door het hof onttrokken.”
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat ook de beoordeling door het scheidsgerecht van twee andere door Swatch Group aan Tiffany gemaakte verwijten binnen het kader van de hem verleende opdracht bleef: de exploitatie van monobrand stores (rov. 3.27.4); en de exploitatie van verkooppunten ‘Tourbillion’ en de verkoop op vliegvelden (rov. 3.27.5).
3Voorafgaande opmerkingen Algemene inleiding 21. Deze zaak lijkt op het eerste gezicht bijzonder: het financiële belang is (zeer) groot en een van de drie arbiters heeft een dissenting opinion afgegeven. Dit alles zou m.i. evenwel geen reden moeten zijn om van de overheidsrechter in een vernietigingsprocedure te eisen dat hij een minder terughoudende opstelling aan de dag legt dan uit vaste rechtspraak volgt (waarover hierna meer). M.i. is er ook niets dat aan toepassing van art. 81 RO in de weg zou staan indien Uw Raad van oordeel is dat het cassatieberoep van Tiffany moet worden verworpen. Dat het scheidsgerecht ook tot een andere uitkomst had kunnen komen, zoals de dissenting opinion illustreert, maakt dit niet anders, omdat dit even goed het geval is bij veel uitspraken van de overheidsrechter (waar geen dissenting opinions kunnen worden afgegeven).
Toepasselijke regelgeving 23. De onderhavige procedure is op 31 maart 2014 aanhangig gemaakt. Op grond van het overgangsrecht bij de op 1 januari 2015 in werking getreden nieuwe Arbitragewet is de vóór die datum geldende regeling op deze procedure van toepassing, te weten de Arbitragewet 1986. Daarnaast is het NAI Reglement versie 2010 van toepassing. Dit alles is in cassatie niet bestreden.
Het vierde lid van art. 1065 Rv (oud) luidt: “4 De grond, bedoeld onder c van het eerste lid, kan niet tot vernietiging leiden indien de partij die deze aanvoert aan het geding heeft deelgenomen zonder daarop een beroep te doen, hoewel haar bekend was dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht hield.”
Terughoudende toepassing van de (meeste) vernietigingsgronden 28. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de rechter zich in een vernietigingsprocedure op de voet van art. 1064 lid 1 Rv. jo art. 1065 Rv terughoudend moet opstellen. Onder andere in de zaak Nannini overwoog de Hoge Raad (onderstreping toegevoegd; A-G): “3.5.2 De wetgever heeft de mogelijkheid van aantasting van arbitrale beslissingen beperkt willen houden en heeft een motiveringsgebrek op zichzelf niet als nietigheidsgrond willen aanvaarden. Zoals het hof in zijn rov. 9.1 heeft overwogen, hangt het antwoord op de vraag hoe expliciet de uitspraak van arbiters over een aan hun oordeel onderworpen punt moet zijn om een arbitraal vonnis niet aan nietigheid bloot te doen staan af van de aard van dat punt, gezien in het geheel van de aan arbiters voorgelegde rechtsstrijd (HR 30 december 1977, nr. 11165, NJ 1978/449). Bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging bestaat, moet de rechter terughoudendheid betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (…).”
Deze rechtspraak werd bevestigd in het arrest [...]/[...] van 22 december 2006: “3.3 Bij de beoordeling van het tegen dit arrest gerichte middel wordt het volgende vooropgesteld. In zijn beschikking van 25 februari 2000 (…) NJ 2000, 508, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat volgens art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. vernietiging van een arbitraal vonnis kan plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed, en dat vernietiging op deze grond slechts mogelijk is wanneer motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van ondeugdelijke motivering. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen. De Hoge Raad heeft dit oordeel in zijn arrest van 9 januari 2004, (…) NJ 2005, 190, aldus gepreciseerd dat met het ontbreken van een motivering op één lijn gesteld moet worden het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet valt te onderkennen. Dit criterium moet door de rechter met terughoudendheid worden toegepast, in die zin dat hij slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv vermelde grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed.”
3Bespreking van het principaal beroep 33. De eerste drie onderdelen betreffen het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht zich wél aan zijn opdracht heeft gehouden en dat de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1 aanhef en onder c, Rv (oud) zich niet voordoet. Die conclusie bereikt het hof op basis van twee uitlegoordelen, namelijk (i) de uitleg van art. 30.3.8 WTSA en (ii) de uitleg van het arbitraal vonnis. Het hof overweegt immers, kort samengevat, dat (ad (i)) het scheidsgerecht ook andere dan uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen van Tiffany mocht vaststellen, zolang deze maar krachtens de eisen van de goede trouw voortvloeien uit uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen (zie rov. 3.21), en dat (ad (ii)) het scheidsgerecht dat ook concreet heeft gedaan en in zoverre binnen de grenzen van zijn opdracht is gebleven. De onderdelen 1 en 2 richten zich tegen de uitleg door het hof van art. 30.3.8 WTSA, terwijl onderdeel 3 zich richt tegen de uitleg door het hof van het arbitraal vonnis.
Onderdeel 1 34. Onderdeel 1 klaagt dat het hof, in het kader van zijn uitleg van art. 30.3.8 WTSA, is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het verschil tussen de leerstukken van uitleg van overeenkomsten en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het onderdeel richt zich tegen rov. 3.17, 3.18 en 3.21 van het in cassatie bestreden arrest, en met name tegen het volgende in rov. 3.21 gegeven uitlegoordeel: “Het scheidsgerecht mag alleen de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen in aanmerking nemen. Daarbij mag het scheidsgerecht dan wel ook (maar niet meer dan) die verplichtingen in aanmerking nemen die uit de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen voortvloeien krachtens de eisen van de goede trouw, opdat de uitdrukkelijk verwoorde verplichtingen worden uitgevoerd op een wijze waarbij het behoud van een langdurige relatie in het oog wordt gehouden, of, anders gezegd, op een wijze gericht op het uiteindelijk welslagen van de beoogde verkoop van de horloges.”
Onderdeel 2 42. Onderdeel 2 klaagt dat het hof een uitleg van art. 30.3.8 WTSA heeft gegeven die zich niet verdraagt met de bewoordingen van dat artikel en de daarin opgenomen beperking van de opdracht zinledig maakt. Deze klacht richt zich tegen dezelfde beslissing in rov. 3.21 als onderdeel 1 en daarnaast tegen de daaraan voorafgaande oordelen in rov. 3.10, 3.14, 3.16 en 3.18.
Subonderdeel 2a 44. Aan de klacht ligt de premisse ten grondslag dat het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht de express terms uit de overeenkomsten mag aanvullen met de verplichtingen die op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid uit die express terms volgen. Deze uitleg van art. 30.3.8 WTSA is volgens Tiffany onbegrijpelijk (nr. 16), omdat die erop neerkomt dat het scheidsgerecht de express terms wèl mag wijzigen, zo lang het dat doet onder het mom van uitleg of aanvulling van een andere express term, in dit geval de display-verplichting. Dit staat haaks op de tekst van art. 30.3.8 WTSA (nr. 17). Het gevolg van deze uitleg is volgens haar dat het scheidsgerecht een verplichting tot het behalen van bepaalde verkoop-targets heeft aangenomen die niet was overeengekomen. Het scheidsgerecht heeft de verplichting van TWC om haar vraag naar horloges (requirements) te dekken getransformeerd in een minimumafnameverplichting van Tiffany (nr. 18). Voorts stelt Tiffany dat het hof niet heeft gerespondeerd op haar stellingen dat het scheidsgerecht bepaalde express terms heeft gewijzigd (nr. 19).
Subonderdeel 2b 47. Subonderdeel 2b richt zich tegen enkele rechtsoverwegingen die voorafgaan aan het uitlegoordeel in rov. 3.21, om te beginnen rov. 3.10. Tiffany acht het daar gegeven “oordeel” onbegrijpelijk, omdat er meer manieren zijn om de term ‘express terms’ uit te leggen dan “de beperkte uitleg” (naar de letterlijke betekenis) en de “ruime uitleg” (met inbegrip van de rechtsgevolgen die voortvloeien uit zowel uitleg als wat de redelijkheid en billijkheid vergen). Daardoor zou het hof de door Tiffany voorgestane uitleg hebben geëcarteerd, welke uitleg erop neerkomt dat het begrip ‘express terms’ wel uitleg “volgens de normale regels” bevat maar geen aanvulling (nr. 22). Ik merk dienaangaande op dat, áls in rov. 3.10 al een oordeel is gegeven, ik dit niet onbegrijpelijk acht. Het hof heeft de door partijen gegeven uitleg van art. 30.3.8 WTSA in rov. 3.6 weergegeven en het heeft in de overwegingen die daarop volgen, waaronder rov. 3.10, daarop voortgebouwd.
Onderdeel 3 51. Onderdeel 3 klaagt erover dat het hof in de rov. 3.27.2, 3.27.3 en 3.27.5 buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door de zaak af te doen op basis van een lezing van het arbitrale vonnis die partijen niet voor ogen hebben gehad en (dus) ook niet hebben bediscussieerd. Concreet richt deze rechtsklacht zich tegen de hiervoor in nr. 16 samengevatte verwijten onder f) (onvoldoende afname), onder g (Collection Book), onder i) (opleiding personeel) en onder j) (etalagemateriaal), alsmede tegen het verwijt ter zake van de Tourbillion winkels. De kritiek spitst zich toe op het verwijt onder f): waar het scheidsgerecht de op Tiffany rustende verplichting tot voldoende verkoop afleidde uit het Business Plan, leidt het hof die eigenmachtig af uit de display-verplichting (nrs. 29-35). Daarmee zou het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen (in hoger beroep) zijn getreden (nr. 36). Tiffany voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat noch het arbitraal vonnis noch het debat tussen partijen in de vernietigingsprocedure enig aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat uit de expliciete display-verplichting een verkoopverplichting zou kunnen worden afgeleid (nr. 37). Ten aanzien van de overige verwijten geldt volgens Tiffany mutatis mutandis hetzelfde: het hof heeft een lezing van het arbitrale vonnis aangehouden, die daar niet in is terug te vinden en in de vernietigingsprocedure niet ter discussie heeft gestaan.
In genoemd arrest van 3 januari 1997 overwoog de Hoge Raad: “3.6 Subonderdeel 3.3 bevat de klacht dat de door het Hof gevolgde uitleg van het arbitrale vonnis door geen van beide partijen is verdedigd en dat het Hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Ook deze klacht faalt. Nu partijen over deze uitleg kennelijk van mening verschilden, had het Hof te dier zake zelfstandig een oordeel te geven en was het niet aan de standpunten van partijen te dier zake gebonden. In het licht hiervan kan evenmin worden gezegd dat hier sprake is van een met een goede procesorde strijdige verrassingsbeslissing. (…).”
Onderdelen 4 en 5 59. De onderdelen 4 en 5 gaan over de oordelen van het hof naar aanleiding van het voorwaardelijk incidenteel appel van Tiffany. Deze onderdelen hebben betrekking op twee andere vernietigingsgronden: een geldige overeenkomst tot arbitrage zou ontbreken (vernietigingsgrond onder a) en het arbitraal vonnis zou niet naar behoren met redenen zijn omkleed (vernietigingsgrond onder d).
3.32 Uit het voorgaande volgt dat het hof van oordeel is dat het scheidsgerecht niet buiten het kader van de opdracht - door Tiffany in deze grief gekenmerkt als een beperking van de arbitrageovereenkomst - is getreden. Deze grief faalt derhalve.”
Tiffany bestrijdt niet de in rov. 3.48 aangelegde maatstaf, maar klaagt dat het scheidsgerecht geen motivering heeft gegeven voor zijn oordeel dat Tiffany haar inspanningsverplichting heeft geschonden om de verkoopdoelen uit het Business Plan te halen 64. Aan Tiffany kan worden toegegeven dat dit oordeel van het scheidsgerecht apodictisch is. Toch meen ik dat de motivering niet onder de in [...]/[...] geformuleerde ondergrens komt. Uit het oordeel in zijn geheel is wel degelijk op te maken wat de gedachtegang van het scheidsgerecht is geweest. Samengevat: de geringe inkoop van horloges in vergelijking met de in het Business Plan opgenomen aantallen te bestellen horloges toont aan dat Tiffany niet heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om voldoende horloges te bestellen en te verkopen (vgl. vooral nr. 96).
Conclusie in het principaal cassatieberoep 67. Geen van de klachten kan tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.
5Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 68. Het incidenteel cassatieberoep van Swatch Group is ingesteld onder de voorwaarde dat één of meer klachten van Tiffany in het principaal cassatieberoep doel treft en leidt tot vernietiging van het bestreden arrest. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, zie ik geen aanleiding om het incidenteel beroep te bespreken.
6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. Aan het incidenteel cassatieberoep wordt niet toegekomen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Grotendeels ontleend aan rov. 2.1-2.10 van het bestreden arrest van 25 april 2017 van het Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2017:1496.
Hoewel Swatch Group deze vennootschap heeft opgericht en daar ook 100% aandeelhouder van was, gold TWC als het gezamenlijk vehikel om de samenwerking tussen partijen gestalte te geven. Tiffany had samen met Swatch Group de controle over de bedrijfsvoering van TWC en zij had recht op een deel van de winst. Zie de schriftelijke toelichting van Swatch Group, nr. 13. Per 1 januari 2014 is Look and Feel AG als gevolg van een (juridische) fusie met The Swatch Group Ltd. opgehouden te bestaan; zie het bestreden arrest, rov. 2.9.
Het Scheidsgerecht bestond uit Prof. Dr. Filip De Ly (vz.), Mr. Georg Von Segesser en Prof. Bernard Hanotiau.
Prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.
Swatch Group had meer dan CHF 3,8 miljard gevorderd; zie haar schriftelijke toelichting, nr. 43.
In deze overweging is de verklaring te vinden voor het feit dat Tiffany aansprakelijk wordt gehouden voor de vastgestelde material breach, die primair door TWC was begaan.
Par. 24 van zijn opinie (prod. 2 bij de inleidende dagvaarding). De dissenting opinion had geen betrekking op de begroting van de schade.
Zie ook rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank van 4 maart 2015.
ECLI:NL:GHAMS:2017:1496.
Vgl. HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1141 (ABA/ENEL).
Zie art. IV lid 4 van de Wijzigingswet in verband met de modernisering van het Arbitragerecht: “Deze wet is niet van toepassing op zaken die bij de rechter aanhangig zijn gemaakt of waren door het uitbrengen van een inleidende dagvaarding of door het indienen van een inleidend verzoekschrift indien en voor zover het arbitrages betreft als bedoeld in het tweede lid. Op die zaken blijft het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold.”
Stb. 2014/200 en 254. Zie voor een bespreking onder andere H.J. Snijders, ‘Wet Herziening Arbitragerecht (inwerkingtreding 1 januari 2015)’, TvA 2014/22, G.J. Meijer & H.J. Snijders, ‘Arbitragerecht, op de scheidslijn van oud naar nieuw?’, NVvP, 2015; B.R.D. Hoebeke, ‘Arbitragewet 2015: Le roi est mort, vive le roi!’, JBPR 2015/907; K. Redeker-Gieteling, ‘De modernisering van het arbitragerecht’, AAe 2015-maart, p. 227-230; G.J. Meijer & P.E. Ernste, ‘De Arbitragewet 2015, bezien in het licht van dwingend recht en regelend recht’, RM Themis 2015-3, p. 95-106; M.P.L. Schaink, ‘Het herziene arbitragerecht’, TOP 2015 (6)/520.
Zie voor het huidige en op dit punt niet gewijzigde recht G.J. Meijer e.a., Parlementaire Geschiedenis Arbitragewet, 2015, p. 158-159.
Zie o.a. G.J. Meijer & A.I.M. van Mierlo, ‘Aantasting van arbitrale vonnissen’, WPNR 2014/7003, p. 60 e.v./63.
Zie het slot van rov. 4.36, geciteerd hiervoor in nr. 11.
Art. 1064a Rv.
Art. 1048a Rv. Zie ook art. 58 NAI Reglement.
Art. 1065a lid 1 Rv.
Art. 1065 lid 5 Rv.
HR 9 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AK8380, NJ 2005/190 m.nt. H.J. Snijders (Nannini/SFT Bank), rov. 3.5.2, onder verwijzing naar HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9395, NJ 2004/384 m.nt. H.J. Snijders (IMS/Modsaf I).
HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, NJ 2010/171 m.nt. H.J. Snijders (IMS/Modsaf II).
Het is de gewone rechter die het laatste woord heeft over de vraag of er een geldige arbitrageovereenkomst is. Zie HR 27 maart 2009, NJ 2010/170, m.nt. H.J. Snijders ([...]/Ruwa Bulbs), rov. 3.4.1 en HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders (Equador/Chevron), rov. 4.2: “Dit fundamentele karakter brengt voorts mee dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond, vermeld in art. 1065 lid 1, onder a, Rv, door de rechter niet terughoudend wordt getoetst.”
HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294 ([...]/Anova Food), TvA 2008/10 m.nt. J.J. van Haersolte-van Hof en HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3137, NJ 2010/171 m.nt. H.J. Snijders (IMS/Modsaf II), rov. 4.3.1.
In de literatuur is m.i. terecht opgemerkt dat dit niet veel nieuws brengt, o.a. omdat ook naar het voorheen geldende recht al terughoudend werd getoetst. Vgl. bijv. J.W. Bitter & R. Schellaars, ‘De tenuitvoerlegging, vernietiging en herroeping van arbitrale vonnissen naar huidig en naar wordend recht’, TvA 2013/37, par. 5.b. Vgl. reeds naar aanleiding van de Arbitragewet 1986: A.J. van den Berg, R. van Delden en H.J. Snijders, Arbitragerecht, 1992, p. 134: “Laatstgenoemde twee subgronden vragen mijns inziens een terughoudende opstelling van de overheidsrechter. Een afwijking van feiten of overeengekomen procesregels moet wel van eminent belang zijn, wil deze vernietiging op grond c kunnen rechtvaardigen. Meer algemeen behoort slechts een substantiële schending van de opdracht tot vernietiging van het arbitraal vonnis te leiden.” (onderstreping toegevoegd; A-G).
ECLI:NL:HR:2006:AZ1593, NJ 2008/4, m.nt. H.J Snijders ([...]/[...]), TvA 2007, 20, m.nt. H.L.J. Roelvink en JBPR 2007/35, m.nt. I.P.M. van den Nieuwendijk.
Tiffany heeft in de procedure bij het hof verdedigd dat art. 30.3.8 WTSA het scheidsgerecht verbiedt de express terms van de overeenkomsten tussen partijen aan te vullen (procesinleiding, nr. 10).
Vgl. procesinleiding, nr. 7: “Onderdeel 1 richt zich tegen r.ov. 3.17, 3.18 en 3.21 (…)”.
Vgl. o.a. de – m.i. minder gelukkige – term ‘additionele” verplichtingen’ in rov. 3.20 en voorts rov. 3.50 (“nadere verplichtingen (…) ontleend aan de aanvullende werking van de goede trouw). Daartegen richt zich onderdeel 1.2, subonderdeel A, van het voorwaardelijk incidenteel appel van Swatch Group. De door het hof gegeven lezing van het arbitraal vonnis draagt daarmee niet bij aan de duidelijkheid.
Zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/366: “De beide hier onderscheiden werkzaamheden – het vaststellen van de rechtsgevolgen die uit de overeenkomst op zichzelf voortvloeien, en het vaststellen van de rechtsbetrekking tussen de partijen na toepassing van art. 6:2 BW er art. 6:248 BW (…) – vloeien niet zelden ineen.” Zie ook W. Snijders, EPNR 2007/6693, p. 7-8, C.E. Drion, NJB 2010/226, p. 279, H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW A5), § 1.7, en, recent, R.P.J.L. Tjittes, Commercieel Contractenrecht. Deel één. 2018, Den Haag: BJU – 2018, p. 260 e.v. (uitleg) en p. 400 e.v. (aanvulling).
Daarentegen is wél aannemelijk dat partijen, en zeker Tiffany, hebben laten onderzoeken wat de keuze voor Nederlands recht in plaats van voor het recht van de Staat van New York algemeen gesproken voor gevolgen zou kunnen hebben voor de reikwijdte van de over en weer aangegane verplichtingen.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III, 2014/380: “Dat het gehele art. 6:248 BW dwingend recht bevat is kennelijk door de wetgever zo vanzelfsprekend geacht dat de bepaling niet in art. 6:250 BW is genoemd.”
Aldus procesinleiding, nr. 28.
Conclusie voor HR 12 juli 2013, ECLI:NL:PHR:2013CA0259 (X/Slotervaartziekenhuis), nr. 14.
HR 3 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2240, NJ 1998/127 m.nt. H.J. Snijders (Prudential Bache Securities Holland/Diepgrond e.a.).
Zie de vindplaatsen in voetnoten 22 en 23 van de procesinleiding en de vindplaatsen waarnaar de schriftelijke toelichting van Swatch Group in nrs. 199-201 verwijst.
Memorie van grieven, o.a. nrs. 157, 171(ii) en 172.
Display-verplichtingen vindt men bij selectieve distributiestelsels, waarbij hoogwaardige producten uitsluitend worden verkocht via een netwerk van geselecteerde verkooppunten die voldoen aan kwalitatieve eisen.
Zie zijdens Tiffany procesinleiding, nr. 43 en zijdens Swatch Group schriftelijke toelichting, nrs. 205 - 208.
Ook door Tiffany aangehaald in procesinleiding, punt 45.
Zie bijv. procesinleiding in cassatie, nr. 48.