← Nederland

ECLI:NL:PHR:2018:1087

Nr. 18/02656 U Zitting: 2 oktober 2018 Mr. D.J.M.W. Paridaens Standpunt/conclusie inzake: [de opgeëiste persoon]

  1. Bij uitspraak van 12 juni 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard ter fine van vervolging ter zake van de feiten omschreven in de “beschikking over het aanspannen en in behandeling nemen van strafzaak d.d. 1 maart 2013” en in de “beschikking over het aanpassen en in behandeling nemen van strafzaak d.d. 10 december 2013”, welke stukken als bijlage aan de uitspraak zijn gehecht. Van enige betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] bij deze feiten kan uit beide beschikkingen niet blijken nu daarin uiteen is gezet dat de feiten zijn begaan door “ongeïdentificeerde personen uit het bestuur van [A]” respectievelijk “ongeïdentificeerde personen, waaronder een aantal medewerkers en bestuurders van [A]”. Kennelijk heeft de rechtbank beide beschikkingen gelezen in samenhang met de “beschikking over het aanmerken als verdachte” van 2 oktober 2017 waarin de betrokkenheid van [de opgeëiste persoon] uiteen wordt gezet en hij wordt aangeduid als “leider van Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] (verder in de tekst [A])”, naar welke beschikking wordt verwezen in het aanhoudingsbevel van 8 december
  2. De opgeëiste persoon heeft het cassatieberoep doen instellen. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. T. Meevis, advocaat te Eindhoven, een schriftuur met acht middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Voordat ik de middelen bespreek merk ik op dat in de meeste ervan de uitleveringsprocedure wordt benaderd als ware het een Nederlandse strafzaak. Dat is het niet. De Nederlandse uitleveringsprocedure staat ten dienste van de Russische strafzaak maar is geen strafprocedure. Dit betekent onder meer dat het “bewijsrecht” niet van toepassing is (middel 4). Om dezelfde reden staat de vraag of de beschuldigingen juist zijn, niet ter beoordeling van de Nederlandse uitleveringsrechter maar ter beoordeling van de rechter in de verzoekende staat (middelen 2 en 8). Het vertrouwensbeginsel waarop de uitleveringsprocedure berust, brengt mee dat de Nederlandse uitleveringsrechter moet uitgaan van de juistheid van de informatie die door de Russische autoriteiten is verstrekt, afgezien van uitzonderingen die in deze zaak niet aan de orde zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of het Russische aanhoudingsbevel tegen [de opgeëiste persoon] terecht en op juiste gronden is gegeven (middelen 6 en 8).
  4. Het eerste middel klaagt over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat “de daadwerkelijke reden voor het strafrechtelijke onderzoek van de Russische Federatie naar verzoeker ingegeven is door het feit dat verzoeker in het bezit is van Russische staatsobligaties die de Russische Federatie tracht te verkrijgen”. Aangevoerd wordt dat de verzoekende staat [de opgeëiste persoon] in feite wil vervolgen wegens het verwerven van staatsobligaties uit
  5. Het specialiteitsbeginsel verzet zich ertegen dat [de opgeëiste persoon] na te zijn uitgeleverd wordt vervolgd ter zake van feiten waarvoor zijn uitlevering niet toelaatbaar is toegestaan en voorafgaand aan zijn uitlevering zijn gepleegd. Een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel staat niet ter beoordeling van de uitleveringsrechter.
  6. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen inhoudende dat de stukken ongenoegzaam zijn. De ongenoegzaamheid van de stukken zou eruit bestaan dat “er fouten in het uitleveringsverzoek staan en dat dit verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld”. Aan de uitleveringsrechter komt geen oordeel toe over de juistheid van de tegen [de opgeëiste persoon] aangevoerde beschuldigingen; dat oordeel is aan de Russische rechter. Het onderzoek naar de vraag of het verzoek in strijd met de waarheid is opgesteld, staat evenmin ter beoordeling van de uitleveringsrechter.
  7. Het derde middel klaagt over het verzuim van de rechtbank te responderen op het verweer dat de uitlevering van [de opgeëiste persoon] in strijd zou zijn met het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op een privéleven.
  8. In de schriftuur is niet aangegeven waaruit kan blijken dat dit verweer ter zitting is gevoerd. Uit de ter zitting overgelegde pleitnota noch uit het laatste woord waarvan een schriftelijke versie zich bij de stukken bevindt, kan blijken dat een dergelijk verweer is gevoerd. Wel wordt daarin aangegeven dat [de opgeëiste persoon] is aangehouden toen hij zijn kinderen en zwangere vrouw begeleidde die op weg waren naar de Verenigde Staten ten behoeve van de bevalling. Dit is echter geen beroep op het recht op een privéleven dat volgens de toelichting op dit middel zou worden geschonden omdat [de opgeëiste persoon] na te zijn veroordeeld nooit meer een paspoort zou kunnen krijgen om naar zijn vrouw en kinderen in het buitenland te reizen. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
  9. Het vierde, vijfde en zesde middel hebben betrekking op de “beschikking aangaande het oplegging van een maatregel van inhechtenisneming van verdachte” die is afgegeven door O.J. Zatomskaja, rechter bij de arrondissementsrechtbank te Moskou en gedateerd 8 december
  10. De middelen gaan ervan uit dat [de opgeëiste persoon] in deze beschikking reeds onherroepelijk schuldig is verklaard aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. De rechtbank heeft de beschikking echter niet aangemerkt als een onherroepelijk vonnis, maar als een aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 12 Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 Uitleveringswet. Die uitleg is feitelijk en allesbehalve onbegrijpelijk gelet op de inhoud van de beschikking waarin wordt overwogen dat het noodzakelijk is om met betrekking tot [de opgeëiste persoon] “een maatregel in de vorm van voorlopige hechtenis op te leggen voor de internationale signalering via Interpol met het oog op de vaststelling van zijn verblijfsplaats, aanhouding en uitlevering naar de Russische Federatie.” Om deze reden faalt het vijfde middel waarin wordt geklaagd dat de rechtbank “ten onrechte heeft aangenomen dat de overgelegde beschikking van 8 december 2017 geen onherroepelijke beslissing betreft.”
  11. Het vierde en zesde middel klagen over de wijze waarop het aanhoudingsbevel tot stand is gekomen. Het middel faalt omdat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of het Russische aanhoudingsbevel tegen [de opgeëiste persoon] terecht en op juiste gronden is gegeven.
  12. Het zevende middel klaagt over de verwerping van het beroep op mensenrechtenschendingen. Het middel stuit af op bestendige rechtspraak die inhoudt dat niet de uitleveringsrechter, maar de minister van Justitie en Veiligheid oordeelt over een beroep op mensenrechtenschendingen dat bestaat uit een reeds voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM en een dreigend reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
  13. Het achtste middel klaagt over de afwijzing door de rechtbank van een aanhoudingsverzoek dat er blijkens de toelichting op het middel toe strekte “de door de verdediging aangeleverde feiten en omstandigheden te laten verifiëren door de Russische Federatie” en daarmee te onderbouwen “dat het uitleveringsverzoek in strijd met de waarheid is opgesteld.” Behalve dat de uitleveringsrechter op basis van het vertrouwensbeginsel, behoudens uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn, moet uitgaan van de juistheid van de door de verzoekende staat overgelegde informatie, stuit het middel af op HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489 NJ 2013/263 r.o. 4.2.
  14. De middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden en rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat zij afstuiten op bestendige rechtspraak en het karakter van de uitleveringsprocedure miskennen.
  15. Deze conclusie strekt ertoe de opgeëiste persoon met toepassing van het bepaalde in artikel 80a in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 396 nr. 352 “Dit alles leidt er toe dat in de Nederlandse rechtspraak de uiteenzetting van de feiten doorgaans zeer welwillend wordt uitgelegd en soms meer naar de intentie dan naar de letter wordt verstaan”. J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 133 “Ook is van belang, dat de HR goedkeurt, dat de feiten niet slechts in het door het buitenlands OM of de griffier overgelegde nota’s, inhoudende een overzicht der feiten […] te vinden zijn, maar ook in andere stukken”. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, NJ 2000/367 . Swart a.w. 1986, p. 393 nr. 348 onder verwijzing naar HR 28 juni 1977, NJ 1978/405 “dat dit betoog reeds hierom faalt omdat een onderzoek naar de vraag of de rechter in de Bondsrepubliek Duitsland terecht en op juiste gronden een ‘Haftbefehl’ heeft uitgevaardigd, niet behoort tot de taak van de Nederlandse rechter die geroepen is over toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering te oordelen”. Swart a.w. 1986, p. 393 nr. 348 onder verwijzing naar HR 28 juni 1977, NJ 1978/405 “dat dit betoog reeds hierom faalt omdat een onderzoek naar de vraag of de rechter in de Bondsrepubliek Duitsland terecht en op juiste gronden een ‘Haftbefehl’ heeft uitgevaardigd, niet behoort tot de taak van de Nederlandse rechter die geroepen is over toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering te oordelen”. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 m.nt. N. Rozemond r.o. 3.5.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.