ECLI:NL:PHR:2018:1168
Nr. 17/03277 Zitting: 30 oktober 2018 (bij vervroeging) Mr. P.C. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 7 juni 2017 door het hof Den Haag wegens het bewezenverklaarde onder 1. “medeplegen van een poging tot iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven’, onder 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, onder 4. primair “poging tot zware mishandeling”, onder 5. primair “poging tot zware mishandeling”, onder 6. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan en ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd” en onder 7. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd” veroordeeld. Het hof heeft verstaan dat geen gevangenisstraf meer kan worden opgelegd en beslist op vorderingen van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals nader in het arrest verwoord.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/04673. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door mr. R.P. Schoute, advocaat-generaal bij het ressortsparket, en mr. M. van der Horst, eveneens advocaat-generaal bij het ressortsparket, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur het beroep in cassatie tegengesproken.
Het middel betreft de beslissing van het hof te verstaan dat aan (de in een andere strafzaak tot levenslang) veroordeelde geen gevangenisstraf meer kan worden opgelegd.
Het bestreden arrest bevat onder het kopje ‘Vordering van de advocaat-generaal’ het volgende: “De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair, 6 en 7 een laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.”
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 13 oktober 2012 samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot ontvoering van en openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] . De verdachte en zijn mededaders hebben de taxi waarin [slachtoffer 1] zich bevond met een tweetal auto's, waaronder een Seat Ibiza, gevolgd. Nadat [slachtoffer 1] op de Vaillantlaan in Den Haag uit de taxi was gestapt, hebben de verdachte en zijn mededaders, die vuurwapens bij zich hadden, [slachtoffer 1] geslagen en geschopt en hebben zij geprobeerd om [slachtoffer 1] één van de auto's in te trekken.
Dat is uiteindelijk niet gelukt.
Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Feiten als de onderhavige worden door slachtoffers bovendien als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijkt ook welke ingrijpende gevolgen het gebeurde voor [slachtoffer 1] heeft gehad en nog steeds heeft. Door dit geweld op de openbare weg te plegen hebben de verdachte en zijn mededaders bovendien bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel.
Nadat de ontvoering van [slachtoffer 1] was mislukt zijn de verdachte en zijn mededaders er met de twee auto's vandoor gegaan. De verdachte heeft zich vervolgens, als bestuurder van een van de auto's, de Seat Ibiza, schuldig gemaakt aan een viertal andere strafbare feiten.
Tijdens de autorit vanaf de Vaillantlaan werd door motoragent [verbalisant] een verkeersovertreding geconstateerd, waarop hij de bestuurder van de betreffende auto, de verdachte, staande wilde houden. Op de Europaweg in Leiden heeft [verbalisant] daarop zijn motor achter de auto van de verdachte stilgezet. De verdachte heeft zijn auto vervolgens in zijn achteruit gezet en is met relatief hoge snelheid tegen de motor van die [verbalisant] gereden. Intussen had slachtoffer [slachtoffer 2] , die het incident had gezien, zijn auto vóór de auto van de verdachte stilgezet. De verdachte heeft vervolgens, gas gegeven en is met zijn auto tegen de achterzijde van de auto van [slachtoffer 2] gereden.
Met dit handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zowel [verbalisant] als [slachtoffer 2] . Dat zij daarbij niet gewond zijn geraakt, is geenszins aan de verdachte te danken. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien zijn de motor van [verbalisant] en de auto van [slachtoffer 2] beschadigd geraakt en heeft de verdachte aldus financiële schade en overlast veroorzaakt.
De verdachte is na de aanrijding met [verbalisant] en vervolgens met [slachtoffer 2] uit zijn auto gestapt en is weggerend. Aldus heeft hij de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit prijs te geven. Zodoende heeft de verdachte getracht zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen te ontlopen. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.
Gezien de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden alleszins gerechtvaardigd is.
Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu er tussen het instellen van het hoger beroep door de officier van justitie op 28 mei 2014 en het wijzen van dit arrest op 7 juni 2017 een periode van meer dan 24 maanden is gelegen. Gelet op deze termijnoverschrijding is het hof van oordeel dat in plaats van voormelde straf een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren gerechtvaardigd is.
Het hof heeft echter ook acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte bij (niet onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2015 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Nu de verdachte, zoals vermeld, bij vonnis van 1 mei 2015 en aldus na het begaan van de thans bewezen verklaarde feiten, is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf is het hof gehouden rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt in dezen met zich mee dat de hiervoor genoemde straf niet kan worden opgelegd.
Het hof komt mitsdien niet toe aan het opleggen van voormelde gevangenisstraf.
Het hof is voorts van oordeel dat, tegen de achtergrond van de opgelegde levenslange gevangenisstraf, met de door de advocaat-generaal gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid geen redelijk, met de strafoplegging beoogd doel gediend is, zodat het hof de gevorderde ontzegging niet zal opleggen.”
Artikel 57 “1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2 Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
Artikel 63 “Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
In dit arrest, waartegen de verdachte zich eveneens in cassatie heeft voorzien, heeft het hof overwogen dat het: ‘met toepassing van art. 63 Sr in rekening brengt dat verdachte bij arrest van dit hof van 8 mei 1984 ter zake van ‘handelen in strijd met art. 33a derde lid WVW’ is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de tijd van een week met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van een jaar;.’ 4.2. Hoewel het in art. 63 Sr vervatte voorschrift in het algemeen ook geldt indien de in dat artikel bedoelde ‘vroegere straf’ is opgelegd bij een rechterlijke uitspraak welke nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en de rechter in het algemeen ook dan — in verband met dat voorschrift — moet doen uitkomen of het die eerdere veroordeling als vaststaand aanneemt, lijdt evenbedoelde regel uitzondering indien — zoals te dezen het geval is geweest — in hoger beroep hetzelfde college achtereenvolgens recht doet in de beide in art. 63 Sr bedoelde strafzaken — te weten: A. de zaak waarin de verdachte in hoger beroep ‘opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding’ en B. de zaak waarin in eerste aanleg de ‘vroegere straf’ is opgelegd – en alsdan bij de strafoplegging in de zaak B de in de zaak A opgelegde straf in rekening brengt. Immers, bij beschouwing van die beide zaken gezamenlijk blijkt dan op juiste wijze toepassing te zijn gegeven aan het in art. 63 Sr vervatte voorschrift. Voor wat betreft de toepassing van de in de art. 57 t/m 63 Sr vervatte regeling met betrekking tot de meerdaadse samenloop is de veroordeelde niet in een ongunstiger positie komen te verkeren dan wanneer de beide zaken gevoegd zouden zijn behandeld.”
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. J.M. ten Voorde e.a., Meerdaadse samenloop in het strafrecht, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 114 en punt 3 van de noot van Mevis onder HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556, NJ 2006/10. HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7757, NJ 2007/543 m.nt. Buruma lijkt in dezelfde richting te wijzen. Ik realiseer mij dat de Hoge Raad zich in dat laatste arrest beroept op redelijke wetstoepassing en niet met zoveel woorden de toepassing van art. 59 Sr uitsluit bij achtereenvolgende berechting. Buruma leest de niet toepasselijkheid van art. 59 Sr blijkens punt 5 van zijn noot wel in het arrest. In zijn conclusie voorafgaande aan het arrest is mijn voormalig ambtgenoot Machielse glashelder: “Cumulatieverboden betreffende verschillende strafsoorten, van toepassing in het kader van de gelijktijdige berechting van strafbare feiten - zoals art. 59 Sr - spelen naar mijn mening dan ook geen rol bij de toepassing van art. 63 Sr.”
In de cassatieschriftuur wordt verwezen naar HR 1 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7122, NJ 1978/535, HR 17 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC7985, NJ 1984/25 en HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9143, NJ 1986/369.
Kamerstukken I 2017/18, 34 126, A. Art. 63, eerste lid, Sr luidt in het voorstel: “Indien iemand, nadat hij onherroepelijk tot straf is veroordeeld, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.” De behandeling van het wetsvoorstel is in een gevorderd stadium. De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer is van 3 september 2018. Zie ook F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling, ac. prfs. VU, Den Haag: Boomjuridisch 2018, p. 113 e.v.
Gratie kan (bij afwezigheid van alternatieven) niet volledig worden uitgesloten. Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325, NJ 2016/348 m.nt. Kooijmans en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185.
Vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6273, NJ 2008/429.
In de schriftuur wordt verwezen naar J. de Bosch Kemper, Wetboek van Strafvordering , Amsterdam 1840, tweede deel, p. 562.