Zaaknr: 17/05150 mr. W.L. Valk Zitting: 5 oktober 2018 Conclusie inzake: [eiser] tegen [verweerder] Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerder] . Deze zaak betreft het bewijs van de oorzaak van een brand die heeft gewoed in de stallen die door [verweerder] als verpachter aan [eiser] als pachter ter beschikking zijn gesteld. 1Feiten en procesverloop 1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: 1.1.1. Op 19 maart 2008 is tussen partijen en een diervoederleverancier een ‘overeenkomst voor het vleesvarkensbedrijf te [plaats] ’ gesloten. Daarbij is onder meer overeengekomen dat [eiser] in de vleesvarkensstallen van [verweerder] aan de [a-straat] te [plaats] vleesvarkens zal gaan houden tegen een vergoeding van € 1.530,— inclusief btw per maand. 1.1.2. Deze vergoeding omvat volgens artikel 2 D van de overeenkomst onder meer ‘een vergoeding voor gebruik van het onroerend goed en inventaris en machines en alle kosten die drukken op de onroerende zaak waarin de varkens worden gehouden’. 1.1.3. In de overeenkomst is in artikel 2 E onder meer bepaald dat ‘kosten voor onderhoud stal (binnenwerks)’ voor [eiser] zijn. 1.1.4. De overeenkomst is aangegaan voor twee jaar, maar is reeds op 17 juni 2008 geëindigd doordat toen brand is ontstaan waardoor de varkensstal verloren is gegaan. 1.1.5. Bij de brand zijn 1300 varkens om het leven gekomen. De verzekeraar van [eiser] , Fortis-ASR, heeft in verband daarmee aan [eiser] een bedrag van € 117.572,— uitgekeerd en aan [verweerder] een bedrag van € 20.825,— voor het asbestvrij maken en het ruimen van de varkens. 1.2. Bij dagvaarding van 4 februari 2013 heeft [eiser] [verweerder] in rechte betrokken en vergoeding gevorderd van de door hem geleden schade ten gevolge van de brand, bestaande uit kosten voor de voortzetting van zijn bedrijf en verlies van zijn investeringen in de stal. Daarnaast heeft [eiser] vergoeding gevorderd van de door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. 1.3. Bij tussenvonnis van 27 februari 2014 heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over verwijzing van de zaak naar de pachtkamer dan wel voor een gezamenlijk verzoek aan de kantonrechter overeenkomstig art. 96 Rv, al dan niet met uitdrukkelijk voorbehoud van hoger beroep. Partijen hebben vervolgens de kantonrechter bij akte verzocht het geschil te beslechten, onder voorbehoud van hoger beroep. 1.4. Bij tussenvonnis van 5 juni 2014 stelt de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid bewijs te leveren van de volgende stellingen: a. Er was sprake van een gebrek in de voederinstallatie in de van [verweerder] gepachte varkensstal. b. [verweerder] kende het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst of had het gebrek behoren te kennen óf [verweerder] heeft bij het aangaan van de overeenkomst aan [eiser] te kennen gegeven dat de voederinstallatie het gebrek niet had. c. De gevorderde schade is veroorzaakt door het gebrek. 1.5. Bij eindvonnis van 5 februari 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan zowel dat er sprake was van een gebrek in de voederinstallatie als dat dit gebrek de brand heeft veroorzaakt, maar dat de schade als gevolg van de brand niet aan [verweerder] kan worden toegerekend, omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst kende, het gebrek had behoren te kennen óf aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat de voederinstallatie het gebrek niet had. Op die grond heeft de rechtbank de vordering van [eiser] afgewezen. 1.6. In het door [eiser] ingestelde hoger beroep heeft het hof bij tussenarrest van 17 januari 2017 [eiser] in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verstrekken met betrekking tot zijn stelling dat de brand veroorzaakt is door een gebrek in de voederinstallatie. 1.7. Bij eindarrest van 1 augustus 2017 heeft het hof geoordeeld dat, kort gezegd, niet vaststaat dat de brand zijn oorzaak heeft in een gebrek in de voederinstallatie. Op die grond heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. 1.8. Bij dagvaarding van 1 november 2017 is door [eiser] – tijdig – in cassatie gekomen van het arrest van het hof van 1 augustus 2017. [verweerder] heeft van antwoord gediend. Beide partijen hebben hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten. Vervolgens hebben partijen van repliek en dupliek gediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. In eerste aanleg heeft [eiser] zijn vordering gebaseerd op de grondslag van de bijzondere bepaling van art. 7:208 BW (huur) en heeft de kantonrechter die vordering beslist op dezelfde grondslag van de parallelle bepaling van art. 7:341 BW (pacht). Volgens die bepalingen, die niet afdoen aan de gewone aanspraken van de huurder respectievelijk de pachter in geval van tekortkoming op grond van met name Boek 6 BW, is de verhuurder respectievelijk de verpachter tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en hij het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder respectievelijk aan de pachter heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had. In hoger beroep heeft [eiser] aan zijn vordering alsnog een bredere grondslag gegeven door zich mede te beroepen op een door [verweerder] bij het aangaan van de overeenkomst gegeven garantie en meer algemeen zich op het standpunt te stellen dat [verweerder] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst volledig verantwoordelijk is voor de stal en de daarin geplaatste machines, waaronder de voederinstallatie. Aan een beoordeling van deze grondslagen, die door [verweerder] met diverse verweren zijn bestreden, is het hof niet toegekomen. Volgens het hof is, kort gezegd, de door [eiser] gestelde oorzaak van de brand, namelijk een gebrek in de voederinstallatie, niet komen vast te staan. 2.2. Het middel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het derde slechts voortbouwklachten bevat. Alle klachten richten zich tegen de rechtsoverwegingen 7.5 en 7.6 van het eindarrest. Ik citeer die overwegingen en in verband met de samenhang ook de voorafgaande rechtsoverweging 7.4: ‘7.4 Bij het pleidooi is gebleken dat voor beide partijen geldt dat zij de bevindingen van I‑TEK niet inhoudelijk betwisten. Verder is uit de overgelegde e-mails gebleken dat de onderzoekers van Delta Lloyd en ASR zich hebben gebaseerd op dit rapport en niet daarnaast zelfstandig onderzoeken hebben uitgevoerd. Ook hebben partijen te kennen gegeven dat er geen andere rapportages voorhanden zijn en dat nader onderzoek naar de oorzaak van de brand niet kan worden uitgevoerd, aangezien de varkensstal inmiddels gesloopt is. Het rapport van [A] BV van 2 juli 2008 leidt evenmin tot andere inzichten dan die van I-TEK. 7.5. Dit alles betekent dat het rapport van I-TEK de – enige – technische grondslag vormt voor de beantwoordging van de vraag wat de oorzaak is geweest van de brand en vervolgens voor de beantwoording van de vraag of die oorzaak terug is te voeren op een gebrek in de voederinstallatie. 7.6 De volledige conclusie van het rapport van I-TEK over de oorzaak van de brand luidt als volgt: “Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd, dat de brand in het pand op het risicoadres is ontstaan in de gang, die tussen de stallen was gesitueerd. De brand is zeer waarschijnlijk ontstaan als gevolg van een onvolkomenheid in één van de bedieningspanelen van de voederinstallatie van de fokkerij. Als gevolg van de zeer ernstige aantasting/verwoesting van deze panelen kon de exacte oorzaak van de brand niet meer worden vastgesteld.” Met dat de exacte oorzaak van de brand niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld, is tevens gegeven dat niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld dat de brand zijn oorzaak heeft in een gebrek in de voederinstallatie, zoals [eiser] stelt en [verweerder] betwist. Dit brengt mee dat de vraag of [verweerder] al dan niet op de hoogte was van een dergelijk gebrek niet relevant is en ook niet of een dergelijk gebrek al dan niet voor risico van [verweerder] als verpachter zou dienen te komen.’ 2.3. Onderdeel 1 bevat rechtsklachten tegen rechtsoverweging 7.6 en onderdeel 2 daarnaast motiveringsklachten tegen de rechtsoverwegingen 7.5 en 7.6. 2.4. Vertrekpunt bij de beoordeling van de klachten van beide onderdelen moet zijn dat de waardering van het bewijs aan de rechter is overgelaten (art. 152 Rv). Dat betekent intussen niet dat die waardering nimmer blijk kan geven van een onjuiste rechtsopvatting en nog minder dat zij nimmer onbegrijpelijk is. 2.5. Valt uit het arrest van het hof iets af te leiden omtrent ’s hofs rechtsopvatting omtrent bewijs en bewijswaardering? Ik meen van ja. De overweging van het hof dat waar de exacte oorzaak van de brand niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld, gegeven is dat niet is vastgesteld en ook niet kan worden vastgesteld dat de brand zijn oorzaak heeft in een gebrek in de voederinstallatie, veronderstelt dat voor het bewijs dat de brand zijn oorzaak heeft in een gebrek in de voederinstallatie noodzakelijk is dat de exacte oorzaak van de brand wordt vastgesteld. Indien dit inderdaad zo in de overweging van het hof moet worden gelezen, geeft dat mijns inziens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de naar mijn inzicht juiste rechtsopvatting geldt namelijk dat ook zonder dat het exacte verloop van de causale keten van gebeurtenissen bekend is, een oorzaak zodanig waarschijnlijk kan zijn, dat van het bestaan van die oorzaak behoort te worden uitgegaan. 2.6. Mijns inziens past laatstbedoelde opvatting bij hetgeen uw Raad in een recent arrest in algemene zin overweegt omtrent bewijs in het burgerlijk procesrecht: ‘Daarbij verdient opmerking dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar kan volstaan dat deze voldoende aannemelijk worden. (Vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24-3.25 en 3.27-3.29.)’ Op de aangehaalde plaatsen zet de conclusie van A-G De Bock, kort samengevat, uiteen dat het bewezen zijn van een feit niet inhoudt dat het feit zeker moet zijn of boven alle discussie verheven en dat het bewijsoordeel in de civiele procedure vooral een kwestie is van het afwegen van de argumenten voor en tegen een bepaald feit. Daarbij geldt dat een zekere mate van onzekerheid in veel gevallen onvermijdelijk is, onder meer wanneer een feit niet rechtstreeks valt te bewijzen, maar bij wijze van gevolgtrekking uit andere feiten en omstandigheden moet worden afgeleid. 2.7. Op deze gronden meen ik dat het middel onder 1.1, dat aanvoert dat een redelijke mate van zekerheid over de brandoorzaak voor het bewijs daarvan voldoende is en dat daarom het hof van de verkeerde maatstaf is uitgegaan, terecht is voorgesteld. 2.8. Hiervoor ging ik uit van de lezing dat volgens het arrest van het hof voor het bewijs dat de brand zijn oorzaak heeft in een gebrek in de voederinstallatie noodzakelijk is dat de exacte oorzaak van de brand wordt vastgesteld. Is echter niet nog een andere lezing van ’s hofs arrest mogelijk? Ik meen dat in discussies omtrent schadeoorzaken een belangrijke rol behoort te spelen of blijkt van de mogelijkheid van een alternatief scenario – waarin de aangesproken partij níét aansprakelijk is – en, zo ja, de mate waarin dat alternatieve scenario aannemelijk is. Indien zo’n alternatief scenario in het geheel niet in beeld is, behoren aan het bewijs geen hoge eisen te worden gesteld. Is zo’n alternatief scenario wel in beeld, dan zal een juiste bewijswaardering vooral neerkomen op een afweging van de waarschijnlijkheid van het ene scenario ten opzichte van die van het andere. Ik zeg ‘vooral’. Indien uitsluitend scenario’s voorgesteld zijn die weinig aannemelijk zijn, is uiteraard niet vanzelfsprekend dat volstaat dat het scenario waarop de vordering jegens de aangesproken partij berust, waarschijnlijker is dan de benoemde alternatieve scenario’s. Terugkerend naar ’s hofs arrest: is de welwillende lezing denkbaar dat het hof van de mogelijkheid van een alternatief scenario is uitgegaan en moet ’s hofs arrest in verband daarmee aldus worden gelezen dat niet kan worden vastgesteld dat het scenario waarop de vordering berust zich heeft voorgedaan, omdat niet kan worden vastgesteld dat dit scenario in relevante mate aannemelijker is dan een alternatief scenario (of eventueel alternatieve scenario’s)? In deze veronderstelde lezing krijgen de woorden ‘de exacte oorzaak van de brand’ in context van de overweging van het hof dus een geheel andere betekenis dan waarvan ik hiervoor uitging. 2.9. In het tussenarrest valt eventueel te lezen dat het hof toen inderdaad uitging van het naast elkaar bestaan van alternatieve scenario’s voor het ontstaan van de schade. Rechtsoverwegingen 4.12 en 4.13 van het tussenarrest houden in: ‘4.12 [eiser] heeft in eerste aanleg een rapport overgelegd van een door hem ingeschakelde expert, [betrokkene 1] van [A] BV (rapport van 2 juli 2008, prod. 1 akte 3 juli 2014), die ook als getuige is gehoord. Dit rapport vermeldt als oorzaak van de brand: kortsluiting. Als getuige heeft deze expert verklaard dat de brand werd veroorzaakt door overbelasting van de elektrokabel krachtstroom van de regelkast naar de voervijzelmotor en dat ook de andere aanwezige onderzoekers van de technische recherche, Delta Lloyd en ASR dezelfde oorzaak van de brand hebben achterhaald. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [eiser] een rapport overgelegd van een door Fortis ASR ingeschakelde expert, [betrokkene 2] van I-TEK BV (rapport van 24 juni 2008, prod. 10). Dit rapport vermeldt als conclusie onder meer dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan als gevolg van een onvolkomenheid in één van de bedieningspanelen van de voederinstallatie van de fokkerij en dat als gevolg van de zeer ernstige aantasting/verwoesting van deze panelen de exacte oorzaak van de brand niet meer kon worden vastgesteld. 4.13 Volgens [eiser] is de brand veroorzaakt door een gebrek aan de voedervijzel. In die stelling ligt de feitelijke grondslag voor zijn vordering. Uit de twee overgelegde rapporten blijkt niet (expliciet) dat een gebrek aan de voervijzel de oorzaak van de brand is geweest en in ieder geval niet wat dat gebrek inhield. Nu de brand kennelijk ook nog door andere experts is onderzocht en [eiser] daarin kennelijk een bevestiging van zijn standpunt ziet, zal het hof [eiser] in de gelegenheid stellen over de resultaten daarvan bij akte nadere informatie te verstrekken. [verweerder] kan daarop bij antwoordakte reageren. Voor enig ander doel is deze aktewisseling niet bestemd.’ 2.10. Aldus lijkt het erop dat het hof ten tijde van het tussenarrest diverse alternatieve scenario’s voor ogen stonden. Het hof gebruikt immers verschillende omschrijvingen van door getuigen en in rapportages benoemde oorzaken van de brand, waarbij het erop lijkt dat het hof die verschillende omschrijvingen niet aldus heeft opgevat dat zij allen hetzelfde relevante scenario aanduiden. 2.11. De door het hof gebruikte omschrijvingen van benoemde brandoorzaken zijn (zie rechtsoverweging 4.12): (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.