Nr. 17/02067 B Zitting: 6 november 2018 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [klager] Bij beschikking van 2 december 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een veelvoud aan goederen, zoals opgenomen in de kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL0600- 2015049301-17 en in de aan het klaagschrift gehechte lijst met BHV-nummer PL0600- 2015259020, ongegrond verklaard. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel bevat de klacht dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift, althans dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. 3.1. Het hof heeft het beklag ongegrond verklaard en, voor zover hier relevant, het volgende overwogen: ‘’Beoordeling De goederen waarvan klager teruggave verzoekt, zijn op grond van artikel 94 Sv onder hem in beslag genomen in de strafzaak onder parketnummer 08-730293-15. Klager is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 17 september 2015 veroordeeld ter zake van diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak of inklimming, meermalen gepleegd. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft arrest gewezen op 22 februari 2016. Dit arrest is onherroepelijk geworden. (…) Het arrest van 22 februari 2016 kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat ten aanzien van de thans in het geding zijnde voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende is gelast, omdat ten tijde van de beslissing in hoger beroep niet bekend was wie de rechthebbende was. Klager heeft in raadkamer niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechthebbende op de voorwerpen waarvan hij teruggave verzoekt. Dat klager deze voorwerpen feitelijk in zijn bezit had op het moment dat deze in beslag zijn genomen in zijn woning te Olst en de door hem gebruikte schuur bij het perceel [a-straat 1] te Apeldoorn en dat zich (nog) geen rechthebbenden hebben gemeld, is daartoe onvoldoende. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof het beklag ongegrond verklaren.’’ 3.2. In het arrest van de strafkamer van het hof van 22 februari 2016 waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen is ten aanzien van het beslag het volgende overwogen: ‘’Het vonnis waarvan beroep Het vonnis (…) Ten slotte heeft de rechtbank bevolen dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbende. Bevestiging Het hof verenigt zich met voornoemd vonnis en zal dit bevestigen met uitzondering van de beslissing ten aanzien van beslag — in zoverre zal het vonnis worden vernietigd — en (…). (…) Beslag Uit het dossier volgt dat er ten behoeve van het politieonderzoek diverse goederen in beslag zijn genomen. Hoewel het hof niet beschikt over een beslaglijst, volgt uit de kennisgevingen van inbeslagneming dat het merendeel van de goederen toebehoort aan de aangevers. Het hof zal derhalve de teruggave gelasten — indien en voor zover dat nog niet feitelijk is gebeurd — aan de rechthebbende van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen voor zover dat volgt uit de bewezenverklaarde feiten en in het dictum zal worden opgenomen. Voor de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen gelast het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende.’’ 3.3. Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Onder de klager zijn op grond van art. 94 Sv onder andere de hiervoor onder 1. vermelde goederen inbeslaggenomen. Uit het dossier blijkt dat het met name gaat om bouwmaterialen en gereedschap. De klager is strafrechtelijk vervolgd en door de rechtbank en vervolgens het hof veroordeeld voor diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak of inklimming, meermalen gepleegd. Het hof heeft in de strafzaak ten aanzien van een deel van de inbeslaggenomen goederen de teruggave gelast aan de rechthebbenden, de aangevers van de door de klager gepleegde diefstallen. Ten aanzien van het resterende deel van de nog niet teruggegeven inbeslaggenomen goederen heeft het hof de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende. 3.4. Na de veroordeling door het hof heeft de klager op 7 juni 2016 een klaagschrift ingediend bij de raadkamer van het hof strekkende tot teruggave van de voorwerpen waarvan het hof de bewaring heeft gelast ten behoeve van de rechthebbende op grond van art. 353 lid 2 sub c Sv. Dat betekent dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet, maar nog niet bekend is aan wie de goederen moeten worden teruggegeven. 3.5. Over de door strafrechter in de hoofdzaak te nemen beslissing met betrekking tot op grond van art. 94 Sv inbeslaggenomen goederen heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van art. 353 (lid 2) Sv – het volgende overwogen: ‘’Uit deze passages van de Memorie van Toelichting moet worden afgeleid dat in de in het eerste lid van art. 353 Sv bedoelde gevallen een met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.