Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 31 oktober 2018 inzake: Nr. Hoge Raad: 18/00356 Staatssecretaris van Financiën Nrs. Gerechtshof: 16/03874 t/m 16/03877 Nrs. Rechtbank: 14/3465 t/m 14/3468 Derde Kamer B tegen Loonbelasting 2008 - 2011 [X] B.V. 1Inleiding 1.1 Aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) zijn naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2011 (hierna: de naheffingsaanslagen). Tevens zijn beschikkingen afgegeven betreffende heffingsrente en een boete. 1.2 De naheffingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen heeft de Inspecteur, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken gehandhaafd. 1.3 Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor wat betreft de naheffingsaanslagen en heffingsrente. De boetebeschikking heeft de Rechtbank vernietigd. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof). Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraken van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake de boetebeschikking, vernietigd. De naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente heeft het Hof verminderd. 1.5 De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft gerepliceerd. Belanghebbende heeft niet gedupliceerd. 1.6 Het geschil in cassatie betreft de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op (
(3)verzorgt is het leerbedrijf. Met andere woorden de organisatie waar de deelnemer daadwerkelijk onderricht in de praktijk ontvangt. De Memorie van Toelichting bij de WEB gaat hier verder op in. Het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, draagt zorg voor de begeleiding door de praktijkbegeleider/leermeester van de deelnemer binnen het bedrijf (artikel 7.2.8, derde lid, van de WEB). De POK moet door het leerbedrijf ondertekend worden. De WEB schrijft niet voor dat de detacheringsorganisatie of uitzendorganisatie de POK dient te ondertekenen. Een werkgever (detacheringsbedrijf, uitzendorganisatie) dat niet gelijktijdig het leerbedrijf is waar de deelnemer de beroepspraktijkvorming volgt, is geen partij die de POK dient te ondertekenen. De WEB kent de term "erkend detacheringsorganisatie" niet. Deze term komt wel voor in enkele reglementen erkenning leerbedrijven van diverse KBB's. In diezelfde reglementen staat ook aangegeven dat eenetacheringsorganisatie/uitzendorganisatie de beroepspraktijkvorming plaats laat vinden bij één of meerdere erkende leerbedrijven. Ook hieruit blijkt dat de detacheringsorganisatie niet het leerbedrijf is en uitlening bij een daadwerkelijk erkend leerbedrijf moet plaatsvinden. Om de rechten en plichten van de deelnemer te kunnen waarborgen dient dan ook het leerbedrijf de BPV overeenkomst (POK) te ondertekenen (artikel 7.2.9 van de WEB). Met andere woorden uitzendbedrijf/detacheringsorganisatie zijn niet de wettelijke partij om de POK te ondertekenen. De POK dient in ieder geval door het leerbedrijf (veelal het inleenbedrijf bij uitzend/detacheringsorganoisaties) ondertekend te zijn. 5(Cafetaria)regeling voor extraterritoriale huisvestingskosten Wet- en regelgeving 5.1 Artikel 13a Wet LB 1964 luidt, voor zover voor deze zaak van belang: 1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het: a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel b. vorderbaar en tevens inbaar wordt. (…) 5.2 Aan artikel 13a Wet LB 1964 is met ingang van 1 januari 2012 een zevende lid toegevoegd. Blijkens de parlementaire geschiedenis (zie onderdeel 5.8) is dit een codificering van de gangbare praktijk. Dit lid luidt: In afwijking van het eerste lid wordt loon dat door de inhoudingsplichtige overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn aan een eerder in het kalenderjaar gelegen tijdvak wordt toegerekend dan het tijdvak waarin het ingevolge het eerste lid wordt genoten, geacht in dat eerdere tijdvak te zijn genoten. 5.3 De in geschil zijnde ET-regeling, was opgenomen in artikel 15a, lid 1, onderdeel j, Wet LB 1964 dat in 2008 als volgt luidde: 1. Tot de vrije vergoedingen behoren vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van: (…) j. extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst (extraterritoriale kosten), met dien verstande dat voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen werknemers die door een inhoudingsplichtige van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen of buiten Nederland worden uitgezonden, onder daarbij te stellen voorwaarden, geldt dat vergoedingen van kosten van verblijf buiten het land van herkomst — voor van buiten Nederland in dienstbetrekking genomen werknemers gedurende ten hoogste tien jaar — ten minste worden beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot ten hoogste 30 percent van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten, alsmede tot het bedrag van de daarbij aan te wijzen schoolgelden. 5.4 Artikel 27 Wet LB 1964 luidt, voor zover voor deze zaak van belang: 1. De belasting wordt geheven door inhouding op het loon. 2. De inhoudingsplichtige is verplicht de belasting in te houden op het tijdstip waarop het loon wordt genoten. (…) 5.5 De regeling van het correctiebericht is geïntroduceerd met ingang van 1 januari 2006 en is opgenomen in artikel 28a Wet LB 1964 dat in 2008 als volgt luidde: 1. Indien de inhoudingsplichtige met betrekking tot een aangifte binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is aangevangen waarover die aangifte is gedaan constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan, is hij verplicht gelijktijdig met de eerstvolgende aangifte, of de daarop volgende aangifte door middel van een correctiebericht alsnog de juiste en volledige gegevens te verstrekken. 2. (…) 3. (…) 4. (…) 5. Een correctiebericht is geen bezwaarschrift in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 6. (…) 7. (…) 8. (…) 9. (…). 5.6 Artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt: De werkgever kan slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Parlementaire geschiedenis 5.7 Bij Nota van wijziging is het voorstel van wet over de regeling van het correctiebericht op een aantal punten aangepast. In de toelichting bij de Nota van wijziging staat: Artikel 2.2.2 Wet op de loonbelasting 1964, artikel 28a (onderdeel L, onder b en c, punt 2) (…) Op grond het zesde lid moet de inhoudingsplichtige de financiële gevolgen die voortvloeien uit een correctiebericht salderen met de belasting die op de aangifte waarbij het correctiebericht is gevoegd, moet worden afgedragen. Het over een eerder tijdvak te veel betaalde bedrag wordt aldus in mindering gebracht op de over het tijdvak waarvoor aangifte wordt gedaan af te dragen belasting. (…) Ingeval uit het correctiebericht blijkt dat over een eerder tijdvak te veel is betaald kan de inhoudingsplichtige niet verder salderen dan het bedrag dat op de aangifte waarbij het correctiebericht wordt gevoegd, moet worden afgedragen. Indien het te veel betaalde bedrag dat uit het correctiebericht blijkt groter is dan de afdracht op de aangifte waarbij het correctiebericht wordt gevoegd, wordt het correctiebericht voor dit meerdere, met toepassing van artikel 65 AWR, aangemerkt als een verzoek om ambtshalve teruggave. (…) 5.8 Over het met ingang van 1 januari 2012 aan artikel 13a Wet LB 1964 toegevoegde zevende lid staat in de Memorie van Toelichting: Aan artikel 13a van de Wet LB 1964 wordt een zevende lid toegevoegd, waarin wordt toegestaan dat een inhoudingsplichtige correcties op het loon met terugwerkende kracht binnen het kalenderjaar mag toerekenen aan het tijdvak of de tijdvakken waarop dat loon betrekking heeft. Dit toegerekende loon wordt geacht in het tijdvak of die tijdvakken waaraan het wordt toegerekend, te zijn genoten. Als voorwaarden daarbij geldt dat de inhoudingsplichtige bij de toerekening een bestendige gedragslijn volgt. Deze maatregel vormt de codificering van de gangbare praktijk van «loon over» en vervangt, tezamen met de elders in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassing in artikel 3 146 van de Wet IB 2001, de thans in artikel 39a van de Wet LB 1964 opgenomen overgangsmaatregel. Inhoudelijk is geen wijziging beoogd. Hoge Raad 5.9 Uit onder meer het arrest HR BNB 1998/100 valt volgens de Staatssecretaris op te maken dat het niet mogelijk is om reeds genoten brutoloonbestanddelen in een cafetariaregeling om te wisselen tegen onbelaste vergoedingen of verstrekkingen. Het geval was dat de werkgever aan haar werknemers een leaseauto ter beschikking stelde. Als de gekozen leaseauto duurder was dan het beschikbaar gestelde bedrag, kwamen de meerkosten voor rekening van de werknemer. De werknemers kozen veelal voor het opnieuw doen vaststellen van het bruto-maandsalaris. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat die afspraak moest worden aangemerkt als een overeenkomst tot verrekening van de door de werknemers verschuldigde bedragen met hun toekomend loon. De Hoge Raad oordeelde, uitgaande van dat feitelijke oordeel, als volgt op het cassatieberoep: 4.1. In de uitspraak van de Centrale Raad ligt besloten dat de overeenkomsten tussen eiseres en haar werknemers naar het oordeel van de Raad aldus moeten worden uitgelegd dat de door de werknemers voor het ter beschikking stellen van een auto verschuldigde eigen bijdragen aan de werkgever zullen worden voldaan door inhouding van deze bijdragen op het door de werkgever verschuldigde loon in geld. Uitgaande van dit oordeel, dat als van feitelijke aard ingevolge het bepaalde in artikel 18c van de Coördinatiewet sociale verzekeringen (hierna: de Wet) in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht, heeft de Centrale Raad terecht geoordeeld dat tegenover de genoemde eigen bijdragen loon in de zin van artikel 4 van de Wet staat, dat (telkens) door verrekening in de zin van artikel 5 van de Wet is genoten. De klachten falen in zoverre. 4.2. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden, nu zij zijn gericht tegen oordelen welke niet zijn gegrond op één van de artikelen 4-8 van de Wet, zodat daartegen, ingevolge artikel 18c van de Wet, geen beroep in cassatie openstaat. 5.10 De belanghebbende in het arrest HR BNB 2012/260 exploiteerde een scheepvaartbedrijf. In de jaren 2002 tot en met 2006 gold voor in Nederland woonachtige zeevarenden een afdrachtvermindering van 40% en voor niet in Nederland woonachtige zeevarenden een afdrachtvermindering van 10%. Naar aanleiding van vragen van de Europese Commissie is dat percentage vanaf 1 januari 2007 voor beide categorieën zeevarenden gelijkgesteld op 40%. In 2007 heeft de belanghebbende correctieberichten ingediend en met een beroep op het gemeenschapsrecht alsnog aanspraak gemaakt op toepassing van een afdrachtvermindering van 40% over de jaren 2002 tot en met 2006 voor de niet in Nederland woonachtige zeevarenden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat noch uit de tekst van artikel 28a Wet LB 1964 (het correctiebericht), noch uit de parlementaire toelichting daarbij blijkt dat de wetgever daarmee een uitzondering heeft willen maken op het beginsel dat na ommekomst van de bezwaartermijn, zonder dat bezwaar is gemaakt, de verschuldigdheid van het op aangifte afgedragen bedrag definitief is komen vast te staan: 3.2. Voor de Rechtbank was onder meer in geschil of belanghebbende de verschuldigdheid van door haar verrichte afdrachten over de jaren 2002 tot en met 2006 alsnog ter discussie kan stellen in het kader van de betwisting van de onderhavige naheffingsaanslagen. De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartegen keert zich het middel. 3.3 Het middel betoogt dat een correctiebericht op grond van artikel 28a, lid 6, van de Wet en de toelichting daarop in de parlementaire geschiedenis slechts als een verzoek tot ambtshalve vermindering moet worden beschouwd indien en voor zover de verrekening van de financiële gevolgen daarvan de afdracht op aangifte overtreft en als gevolg daarvan leidt tot een teruggaaf. 3.4. Het hier toepasselijke systeem van heffing van belastingen door middel van afdracht op aangifte voorziet in de mogelijkheid van bezwaar tegen op aangifte afgedragen bedragen. Voor het maken van een dergelijk bezwaar geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met thans artikel 26, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een termijn van zes weken. 3.5. Na ommekomst van deze termijn zonder dat bezwaar is gemaakt geldt in beginsel dat de verschuldigdheid van het op aangifte afgedragen bedrag definitief is komen vast te staan. Ook in geval van afdracht op aangifte geldt derhalve dat de inhoudingsplichtige die heeft verzuimd daartegen tijdig een rechtsmiddel aan te wenden, zich nadien in beginsel niet met vrucht erop kan beroepen dat de heffing ongeldig is en de belasting moet worden gerestitueerd. 3.6. Het middel bepleit in wezen dat de wetgever op het hiervoor in 3.5 bedoelde beginsel een uitzondering heeft gemaakt in de regeling van het correctiebericht (artikel 28a van de Wet). 3.7. Noch uit de tekst van artikel 28a van de Wet, noch uit de parlementaire geschiedenis van die bepaling blijkt echter dat de wetgever met de daarin neergelegde regeling van het correctiebericht een dergelijke uitzondering heeft willen maken. Het moet er daarom, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid, voor worden gehouden dat artikel 28a van de Wet niet een dergelijke uitzondering bevat. Dit brengt mee dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in de procedure over de onderhavige naheffingsaanslagen moet worden uitgegaan van de juistheid van de in de jaren 2002 tot en met 2006 op aangifte afgedragen loonbelasting. Het middel faalt derhalve. Besluiten 5.11 In het Besluit van 8 april 1994 heeft de staatssecretaris van Financiën vragen beantwoord over per 1 januari 1994 ingevoerde spaarfaciliteiten voor werknemers (artikel 11, lid 1, onderdeel h, Wet LB 1964, thans vervallen). De staatssecretaris van Financiën heeft in dit vraag-antwoord-besluit gesteld dat het niet mogelijk is loon dat fiscaal als genoten moet worden beschouwd achteraf tot spaarpremie te bestempelen (cursivering A-G): 7. Wat zijn de gevolgen voor een premiespaarregeling indien werknemers die niet deelnemen een extra bedrag als belast loon zullen ontvangen (of indien het loon van degenen die wel deelnemen zal worden gekort met het bedrag van de spaarpremie)? Dit hoeft voor de premiespaarregeling in beginsel geen gevolgen te hebben als hieromtrent in het contract vastgelegde (individuele) loonafspraken zijn gemaakt. Hierbij kan van belang zijn welke overige gevolgen aan deze afspraak zijn of worden verbonden. Indien het normale loon contractueel wordt verlaagd (of minder wordt verhoogd), kan dit bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de hoogte van een pensioenpremie. In dit verband moet worden bedacht dat een spaarpremie moet worden toegekend naar gelang van de ingehouden besparing en niet rechtstreeks afhankelijk mag zijn van de winst of de winstuitkering. Indien de premie voortaan in mindering zal worden gebracht op een winstuitkering, zal bijvoorbeeld deze winstuitkering tot het bedrag van de spaarpremie moeten worden gegarandeerd, aangezien deze spaarpremie anders winstafhankelijk is. Het is niet mogelijk loon dat fiscaal als genoten moet worden beschouwd achteraf tot spaarpremie te bestempelen. 5.12 In het Besluit van 28 oktober 2005, waarbij voornoemd Besluit van 8 april 1994 is ingetrokken, beantwoordt de staatssecretaris van Financiën vragen als volgt: 4. Spaarloon vergeten 4.1. Werkgever stort het spaarloon in een volgend jaar op de spaarloonrekening Vraag Een werknemer spreekt met zijn werkgever af jaarlijks € 500 van zijn in december uit te keren 13e maand als spaarloon aan te merken. In december 2005 houdt de werkgever volgens deze afspraak € 500 spaarloon in op de 13e maand. De inhoudingsplichtige verzuimt echter deze € 500 op de spaarloonrekening van de werknemer te storten. In januari 2006 maakt hij dat verzuim goed. Is deze € 500 spaarloon dat is gespaard in 2005? Antwoord Ja. Zowel de toezegging als het moment waarop de werkgever het spaarloon van de werknemer inhoudt ligt in 2005. Het moment van inhouding is in dit geval bepalend en niet het moment waarop de werkgever het verzuim herstelt. De inhoudingsplichtige moet in de aangifte loonheffing over december 2005 25% eindheffing opnemen. 5.13 In het Besluit van 7 december 2005 (geldend in 2008) heeft de staatssecretaris van Financiën het beleid op het gebied van cafetariaregelingen uiteengezet. Ik citeer: 1 Inleiding In de uitvoeringspraktijk van de loonheffingen bestaat behoefte aan verduidelijking van de wetstoepassing inzake zogenoemde cafetariaregelingen. Dit zijn regelingen op grond waarvan een werknemer een keuze kan maken met betrekking tot de vorm van de te genieten beloning. Uit het grote aantal vragen aan de Belastingdienst over de fiscale gevolgen van een dergelijke ruil blijkt een grote behoefte aan rechtszekerheid te bestaan. In het belang van de rechtszekerheid, ter verduidelijking en ter bevordering van een uniforme behandeling voor de loonheffingen zet ik hieronder het beleid op dit gebied uiteen. In onderdeel 2 van dit besluit is hiertoe een algemeen toetsingskader geschetst voor aan werknemers geboden keuzes van arbeidsvoorwaarden of beloningsbestanddelen. Hierbij staat centraal de beoordeling van de realiteitswaarde van dergelijke keuzes. Onderdeel 3 bevat een aantal voorbeelden van situaties waarin een ruil al dan niet de door betrokkenen beoogde gevolgen voor de loonheffingen heeft. Voorts bevat onderdeel 3 een opsomming van de elementen die een werkgever in een cafetariaregeling en in een aanvulling op de arbeidsovereenkomst kan opnemen. Dit besluit is een algemeen kader voor de toetsing van wijzigingen van beloningen en met name van cafetariaregelingen. Het kan, gelet op het aantal en de diversiteit van de denkbare situaties, geen uitsluitsel bieden voor de rechtstoepassing in elk concreet geval. Hierom is het raadzaam een voorgenomen wijziging van de beloning vooraf aan de Belastingdienst voor te leggen voor uitsluitsel over de gevolgen voor de loonheffingen. 2. Wijziging overeengekomen beloning 2.1 Algemeen Cafetariaregelingen voorzien in het algemeen in een ruil van belaste loonbestanddelen met andere loonbestanddelen die geheel of gedeeltelijk niet tot het loon in de zin van de Wet LB en het SV-loon behoren. De ruil van belaste loonbestanddelen betreft bijvoorbeeld (een gedeelte van) het brutoloon per maand, een eindejaarsuitkering, een tantième, een provisie of de vakantietoeslag (hierna: de bron). Een bijzondere vorm van ruil is die waarbij de werknemer ADV-dagen of vakantiedagen ruilt. De werknemer kan dergelijke loonbestanddelen bijvoorbeeld inzetten ter verkrijging van een fiets, spaarloon, een vergoeding voor kosten van kinderopvang, een vergoeding of verstrekking van de inrichting van een werkruimte, een vergoeding voor regelmatig woon-werkverkeer of andere zakelijke reizen, een vergoeding van de kosten van een studie of een vergoeding van vakbondscontributie (hierna: het doel). Realiteitswaarde wijziging Werkgevers en werknemers kunnen een overeengekomen beloning wijzigen. Dit kan incidenteel gebeuren of structureel, via een cafetariaregeling. Een wijziging kan incidentele of langdurige gevolgen hebben. Van een wijziging van de overeengekomen beloning is alleen sprake als de wijziging als zodanig realiteitswaarde heeft. De wijziging heeft deze realiteitswaarde niet, als de betrokken partijen in wezen geen wijziging in hun onderlinge rechtsverhouding hebben aangebracht of iets anders zijn overeengekomen. In dit verband moet een wijziging van de overeengekomen beloning worden onderscheiden van een besteding van het loon. Uitgangspunten bij beoordeling Bij een beoordeling van wijzigingen van de overeengekomen beloning gelden de volgende uitgangspunten: - Het staat werknemers en werkgevers in beginsel vrij om de arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de (samenstelling van
- de)beloning, optimaal af te stemmen op de wettelijke mogelijkheden. - Wat betreft de samenstelling van de voor de loonheffingen relevante onderdelen van een beloning kan in beginsel worden aangenomen dat hetgeen werkgever en werknemer hierover schriftelijk in de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen realiteitswaarde heeft. - Ook wijzigingen in de overeengekomen beloning werken door in de werkelijke, in de toekomst te genieten beloning. - Een structurele keuzemogelijkheid in een beloningsregeling is in het algemeen voor de betrokkenen van wezenlijke betekenis. Als een wijziging van de overeengekomen beloning berust op een dergelijke structurele keuzemogelijkheid, hoeft in beginsel niet aan de realiteitswaarde van de wijziging te worden getwijfeld. - Bij een min of meer incidentele keuzemogelijkheid kan twijfel ontstaan over de realiteitswaarde van de ruil en de duiding ervan voor de loonheffingen. Dit is zeker het geval als de ruil buiten de beoogde gevolgen voor de loonheffingen geen wezenlijke betekenis of gevolgen heeft. In zulke gevallen is de vormgeving in het bijzonder van belang om sterk gelijkende situaties met verschillende gevolgen voor de loonheffingen van elkaar te onderscheiden. De realiteitswaarde van een wijziging van de overeengekomen beloning behoeft in beginsel geen nadere beoordeling als het een toekomstgerichte wijziging is, die berust op een structurele regeling (zoals een collectieve arbeidsovereenkomst) en indien, buiten de beoogde gevolgen voor de loonheffingen, sprake is van wezenlijke verschillen en gevolgen (zie onder 2.2). Van belang is wel, dat inkomensafhankelijke regelingen die gevolgen verbinden aan de keuzes in het kader van de cafetariaregeling consequent worden toegepast. Deze en de volgende aspecten kunnen ieder op zichzelf of in hun onderlinge samenhang bezien een rol spelen bij de beoordeling van de realiteitswaarde van een wijziging in de overeengekomen beloning en de eventuele gevolgen voor de loonheffingen. 2.2. Aard en gevolgen van een wijziging De aard van een wijziging kan inhouden dat de werknemer een alternatieve beloning geniet op een ander tijdstip of tot een andere waarde. Een voorbeeld daarvan is het afzien van een structurele loonsverhoging in ruil voor de verstrekking van een fiets. Een wijziging van de overeengekomen beloning heeft in een aantal situaties ook andere dan de primair beoogde gevolgen. Een verlaging van bijvoorbeeld het loon in geld, heeft in het algemeen gevolgen voor: – de grondslag voor de berekening van de diensttijdvrijstelling; – de pensioengrondslag en de verschuldigde pensioenpremies (zie in dit verband evenwel onderdeel 4 van het besluit van 8 september 2008, nr. CPP2008/1727M, BWBR0024494). – de grondslag voor de berekening van het vakantiegeld; – het loon tijdens ziekte of zwangerschap; – het SV-loon; – de grondslag voor inkomensafhankelijke voorzieningen, zoals de huurtoeslag. Het past bij een reële wijziging van de overeengekomen beloning dat de betrokkenen dergelijke verschillen of gevolgen, voorzover aanwezig gelet op de terzake geldende regeling, bewust aanvaarden. Het staat de betrokkenen echter vrij om, met inachtneming van de terzake geldende regelgeving, regelingen zodanig aan te passen dat keuzes in het kader van een cafetariaregeling daarop geen invloed meer hebben. Voorbeeld In een CAO is bepaald dat een verlaging van het brutoloon via de cafetariaregeling geen invloed heeft op de grondslag van overwerktoeslagen. Zo'n bepaling heeft geen nadelig gevolg voor de realiteitswaarde van de cafetariaregeling. 2.3. Overige aspecten/misbruiksituaties De realiteitswaarde van een wijziging van de overeengekomen beloning behoeft in beginsel geen nadere beoordeling als het een toekomstgerichte wijziging is, die berust op een structurele regeling en indien buiten de beoogde gevolgen voor de loonheffingen sprake is van wezenlijke verschillen en gevolgen (zie onder 2.1 en 2.2). Betreft de wijziging van de overeengekomen beloning echter (gekunstelde) situaties waarin één of meer van deze aspecten anders liggen, dan kan een nadere beoordeling wel nodig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een beoogde wijziging van loon dat (mede) betrekking heeft op het verleden of in het verleden verrichte arbeid. Dan moet in het bijzonder worden beoordeeld of de werknemer het desbetreffende loonbestanddeel al heeft genoten of, door verrekening, bij gelegenheid van de wijziging zal genieten. Duidelijkheidshalve merk ik op dat de met een wijziging beoogde gevolgen voor de loonheffingen uiteraard een aparte beoordeling vergen, ook indien geen twijfel bestaat over de realiteitswaarde van de wijziging. In al deze gevallen is voor de loonheffingen bepalend hetgeen de werknemer werkelijk geniet of zal genieten. Dit is alleen in bijzondere gevallen anders (zie bijvoorbeeld artikel 13a, tweede en derde lid, van de Wet LB). In dit verband wijs ik op de uitspraak van Hof Den Haag, van 26 februari 1993, nr. 91/3498, (onder meer gepubliceerd in VN 1993/2505) waarin inhoudingen op het bruto loon werden aangemerkt als betalingen uit het netto loon, in het kader van een betalingsregeling. Ook wijs ik op het arrest van de Hoge Raad, van 18 februari 1998, nr. 306 (onder meer gepubliceerd in V-N 1998/12.20), naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, van 10 oktober 1996, nr. 94/826. In dat arrest ging het om door werknemers verschuldigde eigen bijdragen voor een ter beschikking gestelde auto, die in mindering werden gebracht op het bruto loon. Uitgaande van de feitelijke vaststelling van de Centrale Raad, bevestigde de Hoge Raad diens oordeel dat het loon dat stond tegenover de maandelijkse eigen bijdragen (telkens) door verrekening werd genoten. (…) 3. Vereenvoudigde praktische voorbeelden (…) Praktische aanwijzingen De opzet van een cafetariaregeling en de aanvulling op de arbeidsovereenkomst zijn vanuit het oogpunt van de loonheffingen in beginsel vormvrij. (…) 5.14 Thans is het beleid op het gebied van cafetariaregelingen opgenomen in het Besluit van 12 december 2017. De wijzigingen ten opzichte van het Besluit van 7 december 2005 zijn, voor zover voor deze zaak van belang, niet noemenswaardig. 5.15 Paragraaf 3 van het Besluit Loonheffingen, loon, vrijgesteld loon en vrije vergoedingen en verstrekkingen, zoals aangehaald door het Hof in zijn uitspraak (besluit zoals dat gold van 31 augustus 2007 tot en met 12 maart 2009), luidde: De fiscale behandeling van vergoedingen en verstrekkingen is zoveel mogelijk gelijk. Dit is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De tekst van artikel 17, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB, is hiertoe afgestemd op de tekst met betrekking tot vrije vergoedingen in artikel 15, aanhef en onderdeel a, van de Wet LB. De in deze bepalingen opgenomen begrippen hebben dezelfde betekenis. Tenzij anders aangegeven, geldt wat hierna voor vergoedingen is vermeld ook voor verstrekkingen. Ik merk op, dat de beoordeling van een vrije vergoeding in beginsel per kalenderjaar plaatsvindt. Een vrije vergoeding van kosten in een voorgaand jaar is naar mijn oordeel wel mogelijk als de werknemer in dat voorgaande jaar al een onvoorwaardelijk recht op die kostenvergoeding had. Als het recht op zo'n vergoeding afhankelijk was van een keuze van de werknemer (zoals bijvoorbeeld bij een cafetariasysteem) moet deze zijn keuze dus hebben gemaakt in het jaar waarin hij de kosten maakte. Literatuur 5.16 Feteris schreef over de correctie van een te hoge afdracht: Art. 28a, vijfde lid, Wet LB 1964 bepaalt dat het correctiebericht geen bezwaarschrift is in de zin van de AWR. De bedoeling zal wel zijn dat het evenmin een bezwaarschrift is in de zin van de AWB. Deze regeling is begrijpelijk: doordat de werkgever uit eigen beweging saldeert, is hij als het ware zelf reeds tot honorering van zijn bezwaren overgegaan. Maar de mogelijkheid blijft bestaan dat de werkgever afzonderlijk bezwaar maakt of reeds heeft gemaakt tegen zijn eerdere, te hoge afdracht op aangifte. Ook bestaat de mogelijkheid dat de werknemer bezwaar heeft gemaakt tegen een te hoge inhouding. Honorering van dergelijke bezwaren zou leiden tot een teruggaaf van belasting (art. 25b, eerste lid, AWR). Het wetsvoorstel maakt niet duidelijk hoe dit recht op teruggaaf zich verhoudt tot de saldering op grond van het nieuwe art. 28a, zesde lid, Wet LB 1964. Het is uiteraard niet de bedoeling dat beide kunnen cumuleren. De wetgever zou er goed aan doen dit uitdrukkelijk te regelen, en daarbij aan te geven welke vermindering of teruggaaf voorgaat. 5.17 Koelewijn schreef over de (on)mogelijkheden om onterecht ingehouden loonheffingen te corrigeren bij correctiebericht: Welke plaats neemt het correctiebericht in dit overzicht in? Is het correctiebericht een wijze van heffing? Spelen bij beantwoording van deze vraag de hiervoor beschreven verschillen in heffingssystematiek tussen die van werknemer en inhoudingsplichtige een rol? De problemen die opdoemen bij beantwoording van deze vraag laten zich wellicht het beste illustreren aan de hand van twee voorbeelden. Voorbeeld 1 — te weinig geheven loonbelasting Stel werkgever Y betaalt aan werknemer X in februari 2010 een tot het loon te rekenen vergoeding van € 1.000. De over deze vergoeding verschuldigde loonheffing bedraagt € 400. Werkgever Y verzuimt echter de loonbetaling te verwerken in de loonadministratie. Gevolg is dat geen loonheffing wordt ingehouden en dat de loonbetaling niet in de aangifte loonheffingen over de maand februari 2010 wordt verwerkt. Een jaar na dato constateert werkgever Y dat de loonbetaling ten onrechte niet in de aangifte loonheffingen van februari 2010 is verwerkt. Hij besluit een correctiebericht in te dienen. Hoe moet dit correctiebericht eruit zien? Voorbeeld 2 — te veel geheven loonbelasting Werkgever Y stelt aan werknemer X een leaseauto ter beschikking. De bij de catalogusprijs behorende maandelijkse bijtelling bedraagt € 1.000. Werknemer X vraagt en krijgt een verklaring geen privégebruik en levert die in bij zijn werkgever. Maar werkgever X verzuimt over de maand februari 2010 de bijtelling achterwege te laten. Gevolg is dat van werknemer X € 400 te veel loonheffing wordt ingehouden en op de aangifte loonheffingen over de maand februari 2010 wordt afgedragen. Een jaar na dato constateert werkgever Y de fout. Hij besluit een correctiebericht in te dienen. Hoe moet dit correctiebericht eruit zien? (…) In voorbeeld 2 is wel ingehouden, zij het ten onrechte. Met die inhouding is de loonbelasting geheven en wel van de werknemer. Alleen de werknemer kan tegen die inhouding bezwaar maken. De wetgever heeft de inhoudingsplichtige juist niet het recht gegeven bezwaar te maken tegen een inhouding. De inhoudingsplichtige kan weliswaar bezwaar maken tegen een te hoge afdracht, maar wanneer (ten onrechte) te veel loonbelasting is ingehouden, is de werkgever niettemin gehouden die loonbelasting op aangifte af te dragen (art. 27 lid 5 Wet LB 1964). Een bezwaar tegen die afdracht moet worden afgewezen, aldus A-G Van Ballegooijen in zijn conclusie voor HR 18 januari 2008, BNB 2008/58. De Hoge Raad formuleerde het wat minder vergaand: “In de systematiek van de loonbelasting past het niet dat achteraf in het kader van een naheffing wegens onjuiste afdrachtvermindering lage lonen kan worden teruggekomen op het bedrag dat van werknemers is ingehouden.” Het zojuist aangehaalde arrest ging over een naheffingsaanslag over het jaar 2001, een tijdperk waarin het correctiebericht nog niet bestond. Over de in voorbeeld 2 genoemde situatie is (nog) geen jurisprudentie gewezen. Wel oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 4 mei 2012, LJN BW4754, dat uit de wetsgeschiedenis van het correctiebericht niet blijkt dat de wetgever met de invoering ervan een wijziging heeft beoogd in de systematiek dat een werkgever binnen zes weken bezwaar moet maken tegen een afdracht op aangifte en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat een dergelijke uitzondering niet bestaat. Ik ga nog een stap verder: uit de wetsgeschiedenis van het correctiebericht blijkt evenmin dat met de invoering van het correctiebericht een wijziging in de (heffings)systematiek van de loonbelasting is beoogd. Bevestiging van dit standpunt lees ik in de uitspraak van Hof Leeuwarden van 3 april 2012, LJN BW0974. Een werkgever had loonbelasting ingehouden, maar niet afgedragen. Het Hof beriep zich op het zojuist aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008 en oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat het in de systematiek van de loonbelasting niet past dat achteraf in het kader van de naheffing kan worden teruggekomen op het bedrag dat van werknemers is ingehouden. Dat betekent dat bij het correctiebericht in voorbeeld 2 het loon wordt gesteld op € 0 en dat ter zake van de ingehouden loonbelasting — € 400 — geen correctie wordt aangebracht. Deze uitkomst zal menig lezer de wenkbrauwen doen fronsen. Naar mijn inschatting wordt er in de uitvoeringspraktijk van uitgegaan dat de werkgever uit voorbeeld 1 ook de verschuldigde loonbelasting in het correctiebericht moet vermelden. Het is echter zeer de vraag of die verplichting werkelijk bestaat en waarop die dan gebaseerd is. De tekst van artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 en de wetsgeschiedenis geven daarover geen duidelijkheid en het zou een doorbreking zijn van het heffingssysteem. Naar mijn mening zou de heffingssystematiek voor de inhoudingsplichtige/werkgever niet worden doorbroken met de indiening van een correctiebericht. Het volgende voorbeeld kan dit wellicht verduidelijken. Voorbeeld 3 — te weinig geheven eindheffing Stel werkgever Y betaalt — net als in voorbeeld 1 — aan werknemer X in februari 2010 een tot het loon te rekenen vergoeding van € 1.000. Werkgever Y past de werkkostenregeling toe en wijst het loonbestanddeel aan als eindheffingsbestanddeel. De over deze vergoeding verschuldigde loonheffing (eindheffing) bedraagt € 400. Werkgever Y verzuimt echter de loonbetaling te verwerken in de loonadministratie. Gevolg is dat de loonheffing niet in de aangifte loonheffingen over de maand februari 2010 wordt verwerkt en evenmin wordt afgedragen. Een jaar na dato constateert werkgever Y dat de loonbetaling ten onrechte niet in de aangifte loonheffingen van februari 2010 is verwerkt. Hij besluit een correctiebericht in te dienen. Hoe moet dit correctiebericht eruit zien? Ook in dit geval moet het loon worden gesteld op € 1.000, zij het dat dit loon niet op naam van werknemer X, maar op naam van werkgever Y komt te staan. Er bestaat verder geen enkel (systematisch) bezwaar tegen in het correctiebericht een bedrag van € 400 aan — door werkgever Y — verschuldigde loonheffing in het correctiebericht op te nemen en vervolgens te betalen. Er is immers geen doorwerking naar de inkomstenbelasting. Op deze manier zou werkgever Y de door hem verschuldigde loonbelasting prima kunnen voldoen. Helaas biedt ook hier de wetsgeschiedenis niet de zekerheid dat dit ook werkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest. Uit niets blijkt dat de wetgever zich er bij de invoering van het fenomeen correctiebericht van bewust is geweest 1. dat loonbelasting niet alleen wordt geheven van de werknemer, maar ook van de werkgever en 2. dat de wijzen van heffing voor die twee verschillen. (…) In voorbeeld 2 zou een betalingsverplichting betekenen dat de werkgever de te veel betaalde loonbelasting terugkrijgt met de indiening van een negatief correctiebericht. Maar heeft de werknemer dan nog wel de mogelijkheid van verrekening? Immers, de belasting is van hém ingehouden. Naar mijn mening zou dit de heffingssystematiek zozeer doorbreken dat dat niet de bedoeling kan zijn. Als de indiening van een correctiebericht niet verplicht tot het vermelden van een inhouding die niet (voorbeeld 1) dan wel ten onrechte (voorbeeld 2) heeft plaatsgevonden — zie hiervoor — dan kan vanzelfsprekend evenmin een verplichting bestaan die belasting alsnog te betalen respectievelijk terug te ontvangen. Vanuit systematisch oogpunt kan een mogelijke betalingsverplichting naar mijn mening slechts bestaan voor reeds van de werknemer — bij wijze van inhouding — geheven loonbelasting, die nog niet in een aangifte is verwerkt en voor door de werkgever in zijn hoedanigheid van belastingplichtige verschuldigde loonbelasting, die nog niet in een aangifte is verwerkt (voorbeeld 3). 5.18 Van Schendel schreef over correctie in de IB-aangifte van een onjuistheid of onvolledigheid in de aangifte loonbelasting (voetnoten zijn weggelaten): De regeling van correctieberichten haalt een bestaande uitdaging binnen het regime van in te houden en af te dragen loonbelasting weer boven water. Ik noem dat ‘de IB-check’. De van werknemers ingehouden loonbelasting is een voorheffing op de door hen verschuldigde inkomstenbelasting. Als de werkgever onjuist of onvolledig loonbelasting heeft ingehouden en afgedragen, maar de werknemer heeft dat hersteld in of door zijn aangifte inkomstenbelasting, verliest de inspecteur zijn bevoegdheid tot het naheffen van loonbelasting bij de inhoudingsplichtige werkgever. Hetzelfde heeft naar mijn mening te gelden bij het opleggen van correctieplichten, voor zover het betreft het heffingsbelang. Het kan dus voorkomen dat een werkgever vanwege het gegevensbelang van de polisadministratie een correctiebericht indient, zónder effectuering van de daaruit voortvloeiende financiële consequenties. Maar een inhoudingsplichtige weet meestal niet of zijn werknemers de onjuistheid of onvolledigheid in de loonbelasting hebben gecorrigeerd in hun inkomstenbelasting. Dit is een uitdaging. In voorkomende gevallen leg ik een inspecteur met een naheffingsvoornemen – of een voornemen tot het opleggen van een correctieplicht met financiële gevolgen – de vraag voor of hij ‘de IB-check’ al heeft uitgevoerd. Een ander voorbeeld van een correctiebericht met wel een gegevensbelang en geen heffingsbelang, is de situatie waarin enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aan naheffing bij de werkgever in de weg staat, zoals door de inspecteur gewekt vertrouwen. In de relatie LB-correctieberichten en inkomstenbelasting, speelt ook de andere vraag of de met een positief correctiebericht (na)betaalde loonbelasting door de werknemer als voorheffing kan worden verrekend met de door hem verschuldigde inkomstenbelasting. Mertens beantwoordt deze vraag bevestigend en Koelewijn ziet beren op de weg. In mijn visie dat een correctiebericht een wijze van heffen van loonbelasting is, heeft een werknemer dit verrekeningsrecht. Bij jaargrensoverschrijdende correctieberichten, moet de werkgever een gecorrigeerde jaarloonopgave uitreiken. Daarop staat het hogere (LB en IB) loon vermeld, alsmede de te verrekenen loonbelasting inclusief hetgeen met het correctiebericht is (na)betaald. 6Beoordeling middelen 6.1 In cassatie is in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op (
- i)afdrachtvermindering onderwijs en (
- ii)vergoeding voor extraterritoriale huisvestingskosten. Behandeling van het eerste cassatiemiddel (afdrachtvermindering onderwijs) 6.2 De in artikel 14, lid 1, onderdeel a, WVA genoemde vereisten voor afdrachtvermindering onderwijs zijn dat (
- i)de werknemer de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg, zulks (
- ii)op de grondslag van een overeenkomst als in artikel 7.2.8 WEB, (iii) gesloten door de in artikel 7.2.9 WEB genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven. Uit ’s Hofs feitenvaststelling volgt dat de POK’s zijn ondertekend door of namens de deelnemende werknemers, de instelling (ROC [J] ), het bedrijf/de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt (belanghebbende) en het kenniscentrum beroepsonderwijs ( [CCC] ). Vaststaat dat door [J] aan de deelnemers van de AKA-opleiding geen diploma’s of certificaten zijn uitgereikt, zodat getoetst moest worden of de beroepspraktijkvorming daadwerkelijk is gevolgd. 6.3 De Staatssecretaris betoogt in zijn eerste middel dat het Hof ten onrechte, dan wel op onjuiste gronden tot zijn oordeel is gekomen, omdat: a. de werknemers niet de in de praktijkovereenkomst (hierna: POK) vastgelegde complete beroepsopleiding hebben gevolgd, doch slechts een niet nader vastgesteld deel (t.w. enkele elementen volgens de Onderwijsinspectie) van die opleiding; b. de daadwerkelijk gevolgde opleiding door de Onderwijsinspectie is gekwalificeerd als een opleiding die niet voldoet aan de eisen van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) als genoemd in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, WVA; c. belanghebbende niet met vastleggingen per deelnemersdossier (leerdoelen, activiteiten, beoordeling) heeft bewezen dat de werknemers de bij de AKA-opleiding behorende BPV hebben gevolgd; d. het Hof de stelling van de Inspecteur dat in ieder geval niet aannemelijk is dat gemaakt dat in ieder loontijdvak BPV is gevolgd, ten onrechte niet heeft behandeld; e. het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat enkel onder bijzondere omstandigheden, zoals frauduleus handelen, de toetsing als beschreven in r.o. 2.3.7 en 2.3.8 van het arrest HR 22 september 2017, nr. 16/03857, ECLI:NL:HR:2017:2436, BNB 2017/224, tot het oordeel kan leiden dat de BPV niet is gevolgd; f. de POK niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Beroepspraktijkvorming 6.4 Het oordeel van het Hof dat in het Crebo opgenomen opleidingen niet door de belastinginspecteur en -rechter aan de WEB kunnen worden getoetst, is juist. Het is wel aan de belastinginspecteur en -rechter om te beoordelen of de gevolgde opleiding de Crebo-opleiding is ter zake waarvan de afdrachtvermindering is geclaimd. 6.5 Het Hof heeft vastgesteld dat de werknemers stonden ingeschreven voor de opleidingen ter zake waarvan de afdrachtvermindering onderwijs is geclaimd. In het slot van r.o. 4.8 heeft het Hof geoordeeld dat “voldoende [is] komen vast te staan dat de deelnemers daadwerkelijk beroepspraktijkvorming hebben gevolgd, die behoort tot één van beide opleidingen”. Middelonderdelen a en b 6.6 De Staatssecretaris voert ad
- b)aan dat de daadwerkelijk gevolgde opleiding volgens de Onderwijsinspectie geen opleiding in de zin van de WEB is. Het programma zou wel elementen van de Crebo-opleiding bevatten. Niet is vere