Nr. 17/02616 Zitting: 13 november 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 5 maart 1992 door het gerechtshof te Amsterdam bij verstek veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf wegens 1. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod”, en 2. “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Alvorens de middelen te bespreken, komt het mij dienstig voor het volgende op te merken. Het strafdossier is verre van volledig. Inspanningen van de zijde van de griffie van de Hoge Raad en de rolraadsheer van de Hoge Raad om het dossier te completeren, hebben niets opgeleverd, zodat thans in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de, op verzoek van mr. Kuijper, opgevraagde stukken in het ongerede zijn geraakt. In het dossier bevindt zich het schrijven van de griffie van de Hoge Raad d.d. 14 juni 2018 aan mr. Kuijper, waarin wordt medegedeeld dat de door haar opgevraagde stukken – te weten stukken die betrekking hebben op de betekening van het verstekarrest van het hof en de betekening van de dagvaarding (of oproeping) in hoger beroep – geen deel uitmaken van het op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden dossier alsmede dat het ressortsparket geen stukken (meer) voorhanden heeft. De in cassatie voorhanden stukken van het geding geven geen uitsluitsel over de vraag of de verdachte destijds is gedagvaard voor de behandeling van zijn zaak in hoger beroep en dus evenmin over de vraag of de betekening daarvan rechtsgeldig is geschied. Evenmin kan uit het dossier worden opgemaakt of het verstekarrest van het hof aan de verdachte (rechtsgeldig) is betekend. Dit punt is van belang voor de voorliggende zaak, niet alleen met het oog op het hierna te bespreken eerste middel (betreffende de verjaringstermijnen), maar ook met betrekking tot de vraag of het beroep in cassatie tijdig namens de verdachte door mr. J.F. van der Brugge is ingesteld. Het cassatieberoep is ingesteld op 31 maart 2017, dus meer dan vijfentwintig jaar na de datum waarop het verstekarrest van het hof is gewezen. De cassatieschriftuur vermeldt – en ik ga van de juistheid daarvan in cassatie uit, nu ik geen reden heb daaraan te twijfelen – dat de verdachte op 19 maart 2017, reizende met zijn vrouw en kind, op de luchthaven Schiphol werd aangehouden, omdat er nog 928 dagen zouden openstaan voor een bij arrest van 5 maart 1992 door het hof Amsterdam opgelegde gevangenisstraf van vier jaren. Ik citeer in dit verband uit de schriftuur: “Bij navraag door de in verband hiermee ingeschakelde raadsman, mr. Van der Brugge, werd door de justitiële autoriteiten mondeling meegedeeld dat dit arrest op 29 november 2001 aan rekwirant zou zijn betekend dan wel was het op die dag onherroepelijk geworden. Op het (ook mondelinge) verzoek van mr. Van der Brugge om toezending van de stukken die betrekking hebben op die betekening is meegedeeld dat ‘het arrest staat geregistreerd als betekend.’ De op de betekening betrekking hebbende stukken waar de raadsman om verzocht zijn hem niet toegezonden.” Op grond van het voorgaande meen ik dat in het voordeel van de verdachte moet worden aangenomen dat het verstekarrest van het hof Amsterdam van 5 maart 1992 niet aan de verdachte is betekend, dat de verdachte eerst kennis van de uitspraak van het hof kreeg op 19 maart 2017, dat hij binnen veertien dagen daarna, dus tijdig, op 31 maart 2017 beroep in cassatie heeft doen aantekenen en dat hij derhalve ontvankelijk moet worden geacht in het onderhavige cassatieberoep. Dat betekent dat naar mijn inzicht de middelen zich voor beoordeling lenen. Het eerste middel klaagt dat het recht tot strafvervolging is verjaard ten aanzien van beide feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Uit de stukken die zich wél in het strafdossier bevinden, blijkt dat de verdachte bij verstek is veroordeeld ter zake van twee feiten die ten laste van hem zijn bewezenverklaard, te weten dat: “1. hij op een tijdstip in de periode van 1 januari 1986 tot en met 31 december 1987 te Haarlemmermeer en te Amsterdam te zamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1 kilogram of daaromtrent van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub d van de Opiumwet vermeld op de bij die wet vermelde lijst I; 2. hij in de periode van 1 januari 1986 tot en met 31 december 1987 te Amsterdam te zamen en in vereniging met anderen meermalen opzettelijk heeft afgeleverd telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde telkens een middel in de zin van artikel 1, eerste lid, sub d van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet vermelde lijst I.” 10. De tenlastelegging van feit 1 is gestoeld op art. 2 onder A (oud) van de Opiumwet: het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van de in lijst I genoemde middelen. In de tenlastegelegde periode gold voor feit 1 (net als
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.