Zaaknr: 18/00718 mr. Hartlief Zitting: 19 oktober 2018 Conclusie inzake: [verzoeker] (hierna: ‘ [verzoeker] ’) tegen InvestInFuture Holding B.V. (hierna: ‘IIF Holding’) Aanleiding voor deze zaak is het ontslag van [verzoeker] door IIF Holding, waartegen [verzoeker] in rechte is opgekomen. Hij heeft de kantonrechter verzocht het ontslag te vernietigen. In dat verband is de vraag gerezen of [verzoeker] als statutair bestuurder van IIF Holding moet worden aangemerkt. Bij bevestigende beantwoording valt de zaak buiten de competentie van de kantonrechter en is bovendien het ontslagrecht niet onverkort van toepassing. De kantonrechter heeft zich onbevoegd verklaard op basis van zijn voorlopig oordeel dat [verzoeker] als statutair bestuurder van IIF Holding moet worden aangemerkt en de zaak verwezen naar Team handel van de rechtbank Den Haag. De status van die procedure is mij onduidelijk, maar deze procedure loopt kennelijk nog. De onderhavige zaak betreft de procedure die tussen partijen is gevoerd voor het geval vast zou komen te staan dat [verzoeker] niet als statutair bestuurder kan worden aangemerkt. In deze procedure heeft IIF Holding de kantonrechter bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Deze procedure heeft geleid tot een eindbeschikking waarin de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk, ‘voor het geval komt vast te staan dat werknemer geen statutair bestuurder van werkgever is’, heeft ontbonden vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker] (art. 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter heeft geen aanleiding gezien om hem naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toe te kennen. In appel heeft het hof de bestreden beschikking van de kantonrechter vernietigd en de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van zijn beschikking hersteld onder dezelfde voorwaarde als waaronder de kantonrechter de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Deze beschikking van het hof van 21 november 2017 wordt in cassatie zowel door [verzoeker] (zaaknummer 18/00718) als door IIF Holding (zaaknummer 18/00758) bestreden. In de door IIF Holding geëntameerde cassatiezaak zijn klachten gericht onder meer tegen mondelinge behandeling door één raadsheer-commissaris, terwijl de bestreden beschikking is gewezen door een meervoudige kamer. Deze problematiek is vaker aan de orde geweest in recente rechtspraak van Uw Raad. Verder betoogt IIF Holding dat het hof zijn boekje te buiten is gegaan door zelf tot herstel van de arbeidsovereenkomst over te gaan in plaats van de werkgever daartoe te veroordelen. In de onderhavige cassatiezaak staat, kort gezegd, de vraag centraal of het hof het herstel van de arbeidsovereenkomst niet tegen een eerder moment dan de datum van zijn beschikking had moeten laten plaatsvinden althans een voorziening had moeten treffen voor de periode tot aan het moment van herstel. 1Feiten 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 1.2 [verzoeker] is geboren op [geboortedatum]
(2)herstel tegen de datum van de beschikking van het hof, maar dan met een voorziening voor de periode die daaraan voorafgaat. Nu is het een derde optie geworden: herstel tegen de datum van de beschikking van het hof, maar zonder een voorziening voor de periode die daaraan voorafgaat. Ook dat resultaat is in het wettelijk systeem, dat de rechter de nodige vrijheid geeft, weliswaar niet uitgesloten, maar vraagt wel om een deugdelijke motivering en daarmee om een rechtvaardiging. De onderdelen 1 en 2 lenen zich daarmee voor een gezamenlijke behandeling. Voordat ik daaraan toekom, ga ik eerst kort in meer algemene zin in op de wettelijke regeling omtrent herstel van de arbeidsovereenkomst door de appelrechter en de eventueel door hem te treffen voorzieningen. Herstel van de arbeidsovereenkomst en het treffen van voorzieningen 3.17 Het uitgangspunt omtrent (de veroordeling tot) herstel van de arbeidsovereenkomst is te vinden in art. 7:683 lid 3 BW waarvan de tekst als volgt luidt: “Indien de rechter in hoger beroep of na verwijzing in cassatie oordeelt dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen of dat het verzoek van de werknemer om vernietiging van de opzegging of om herstel van de arbeidsovereenkomst ten onterechte is afgewezen, kan hij de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.” De appelrechter die van oordeel is dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden, heeft daarmee een tweetal opties. De eerste betreft een veroordeling van de werkgever tot herstel van de arbeidsovereenkomst, waarvoor overigens wel noodzakelijk is dat de werknemer daar om heeft verzocht. De tweede optie betreft het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer. Dat laatste kan ook ambtshalve geschieden. 3.18 Wanneer de appelrechter overgaat tot herstel van de arbeidsovereenkomst, is hij vrij om de ingangsdatum van het herstel te bepalen. Deze datum kan zowel in de toekomst als in het verleden liggen. In veel gevallen (hierna randnummer 3.19) kiest de appelrechter voor herstel vanaf de datum van de ontbinding. De werknemer kan dan in beginsel aanspraak maken op betaling van loon vanaf de ontbindingsdatum. Indien de werknemer in de tussenliggende periode een WW-uitkering heeft ontvangen, zal hij deze, als zijnde onverschuldigd aan hem betaald, dan wel terug dienen te betalen. 3.19 Uit onderzoek blijkt, als gezegd, dat de appelrechter bij een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst in de meeste gevallen kiest voor herstel met terugwerkende kracht en wel per datum ontbinding door de kantonrechter. Dat de arbeidsovereenkomst in de regel hersteld wordt tegen de datum waarop de kantonrechter de arbeidsovereenkomst aanvankelijk heeft ontbonden, ligt ook voor de hand. Het hof komt immers tot het oordeel dat een redelijke grond waarop de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden, ontbreekt. Omdat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst achteraf gezien ten onrechte heeft ontbonden, ligt het dan voor de hand herstel te laten plaatsvinden tegen de datum van de ontbinding. Gebeurt dat niet, dan blijven de gevolgen van de (onterechte) ontbinding in principe voor de werknemer, tenzij uiteraard een voorziening wordt getroffen. 3.20 De rechter mag de werkgever echter wel degelijk veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst tegen een andere (en daarmee latere) datum dan de ontbindingsdatum. In dat geval ontstaat dan wel een periode tussen de ontbindingsdatum en de hersteldatum waarin van een arbeidsovereenkomst geen sprake is en derhalve evenmin van loonaanspraken van de werknemer. In dit verband komt art. 7:683 lid 4 BW in beeld. Dit artikellid bepaalt dat, indien de appelrechter een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt, art. 7:682 lid 6 BW van overeenkomstige toepassing is. Dit artikellid heeft op zijn beurt weer betrekking op de situatie waarin de kantonrechter een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt, nadat het UWV toestemming heeft gegeven voor opzegging: “Indien de kantonrechter een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst uitspreekt als bedoeld in lid 1, onderdeel a, of lid 2, onderdeel a, bepaalt hij op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst wordt hersteld en treft hij voorzieningen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst.” 3.21 In de Meriant-beschikking is de vraag aan de orde gekomen of de appelrechter op grond van art. 7:683 lid 4 jo. 7:682 lid 6 BW verplicht is om een voorziening te treffen voor de eventuele periode gelegen tussen de datum van ontbinding en de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst. Uw Raad heeft daarop als volgt geantwoord: “3.3.2 Op grond van art. 7:683 lid 4 BW is bij een veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking art. 7:682 lid 6 BW van overeenkomstige toepassing. Volgens art. 7:682 lid 6 BW bepaalt de rechter met ingang van welk tijdstip de arbeidsovereenkomst wordt hersteld en treft hij voorzieningen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. De parlementaire geschiedenis van deze bepaling bevat zowel passages waarin wordt opgemerkt dat de rechter die de arbeidsovereenkomst herstelt voor een eventuele tussenliggende periode “voorzieningen [zal] moeten treffen” (bijv. Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 119-120) als passages waarin staat dat de rechter een dergelijke voorziening “kan (…) treffen” (bijv. Kamerstukken I 2013-2014, 33 818, E, p. 17). Wanneer echter de parlementaire stukken in samenhang worden bezien, blijkt dat de wetgever het aan de rechter heeft willen overlaten om te beoordelen welke voorziening in welk geval nodig is, en dat daarbij geen afwijking is beoogd van het voorheen geldende recht, waarin in art. 7:682 lid 2 (oud) BW was bepaald dat de rechter bij een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst voorzieningen “kan (…) treffen” (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9-3.15). Steun aan die lezing biedt dat de uitdrukking ‘voorzieningen treffen’ inhoudelijk onbepaald is, en dat ook het bepalen dat over de periode van onderbreking geen, of slechts een minimale, betaling behoeft te worden verricht, kan worden beschouwd als een beslissing omtrent het treffen van een voorziening.” 3.22 Daarop volgt dan de reeds in randnummer 3.7 aangehaalde rechtsoverweging, die ik hier nu volledig citeer: “3.3.3 Art. 7:682 lid 6 BW moet in het licht van het voorgaande aldus worden begrepen, dat de rechter bij herstel van de arbeidsovereenkomst, als daarbij een periode van onderbreking van die overeenkomst optreedt, moet beslissen of daarvoor een voorziening moet worden getroffen, en, zo ja, welke voorziening. Daarbij geldt, anders dan het middel verdedigt, niet dat de rechter het treffen van een voorziening alleen achterwege mag laten als het wel treffen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.” 3.23 Uit de Meriant-beschikking volgt, kortom, dat de appelrechter een discretionaire bevoegdheid heeft en niet de verplichting om een voorziening te treffen. Hij moet echter wel een beslissing nemen omtrent het treffen van een voorziening. Ook het bepalen dat over de periode van onderbreking geen, of slechts een minimale, betaling behoeft te worden verricht, kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent het treffen van een voorziening. Indien de appelrechter van oordeel is dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft toegewezen en de appelrechter de werkgever op de voet van art. 7:683 lid 3 BW veroordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst tegen een latere datum (waardoor een onderbreking van de arbeidsovereenkomst optreedt), kan hij in voorkomende gevallen afzien van het treffen van een voorziening voor de tussenliggende periode. 3.24 In haar conclusie voor de [Van der W.]-beschikking, waarin een andere in verband met art. 7:683 lid 3 BW gerezen vraag centraal stond, de vraag namelijk of de appelrechter wanneer hij de ten onrechte ontbonden arbeidsovereenkomst niet herstelt, vervolgens verplicht is een billijke vergoeding toe te wijzen, heeft A-G De Bock opgemerkt dat het op dit punt bieden van discretionaire ruimte aan de rechter om met inachtneming van alle bijzondere omstandigheden van het geval maatwerk te leveren, in overeenstemming is met de Meriant-beschikking van Uw Raad. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel wel inzicht te geven in de omstandigheden die hem tot dat oordeel hebben gebracht. 3.25 Uw Raad heeft in de [Van der W.]-beschikking vervolgens overwogen dat er volgens de wettekst van art. 7:683 lid 3 BW geen verplichting bestaat voor de rechter om in geval de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld een billijke vergoeding toe te kennen. Ook in de toelichting op die bepaling, zo overweegt Uw Raad in rov. 3.3.2, wordt in dit verband veelal gesproken in termen van ‘kunnen’ en mogelijkheden’; van een verplichting wordt niet gerept. De toelichting bevat geen duidelijke aanwijzingen dat die verplichting toch zou zijn beoogd. Uw Raad heeft art. 7:683 lid 3 BW dan ook zo uitgelegd dat de appelrechter, die tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte is ontbonden en dat herstel niet is aangewezen, moet beslissen of aan de werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend en, zo ja, tot welk bedrag. De rechter heeft in voorkomend geval dus ook de bevoegdheid om geen billijke vergoeding toe te kennen (rov. 3.3.3). Wat daarop volgt, lijkt mij ook van belang voor de onderhavige zaak: “3.3.3 (…) De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over (de hoogte van) de vergoeding hebben geleid. 3.3.4 Opmerking verdient dat het hiervoor in 3.3.2-3.3.3 overwogene ook geldt in het door art. 7:683 lid 3 BW mede bestreken geval dat de appelrechter oordeelt dat een verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen.” 3.26 Uit deze overwegingen valt af te leiden dat de rechter zijn keuze voor herstel of een billijke vergoeding dient te motiveren. Het onderhavige geval betreft een situatie die vergelijkbaar is met die in de Meriant-beschikking. In die beschikking blijkt weliswaar niet expliciet van een motiveringsplicht, maar in het licht van de aan de beschikking voorafgaande conclusie van A-G De Bock en ook van de zojuist besproken overwegingen van Uw Raad in de [Van der W.]-beschikking, ligt het voor de hand dat het hof ook in situaties als de onderhavige zijn oordeel omtrent het gebruik van de hem op grond van art. 7:683 lid 3 BW toekomende bevoegdheden moet motiveren. 3.27 Het voorgaande komt op het volgende neer. Het bepalen van de datum waartegen de arbeidsovereenkomst wordt hersteld, is een discretionaire bevoegdheid van de rechter in die zin dat hij niet gebonden is aan één bepaalde datum. Het ligt wel voor de hand dat de hersteldatum wordt bepaald op de datum van de ontbinding; dat is niet voor niets ook de gangbare praktijk, zo kan uit de feitenrechtspraak worden afgeleid. Het staat de rechter echter vrij te beslissen dat de arbeidsovereenkomst beter tegen een latere datum hersteld wordt. In dat geval treft hij, opnieuw in uitgangspunt, voorzieningen voor de periode gelegen tussen de datum van ontbinding en de datum van herstel. Maar ook het al dan niet treffen van een voorziening voor de periode tussen de ontbindingsdatum en de hersteldatum op grond van art. 7:683 lid 3 jo. 7:682 lid 6 BW betreft een discretionaire bevoegdheid. Het ligt weliswaar voor de hand dat de rechter voor een dergelijke periode voorzieningen treft, maar hij is daartoe niet verplicht. Zo kan het zijn dat de werknemer ook enige blaam treft of dat hij in de betreffende periode op andere wijze inkomsten heeft genoten. Ook zijn beslissing omtrent het al dan niet treffen van een voorziening dient de rechter deugdelijk te motiveren. 3.28 Daarmee ben ik toegekomen aan de bespreking van de klachten. 3.29 [verzoeker] komt in cassatie terecht op tegen de uitkomst waartoe het hof komt: herstel tegen een latere datum dan de ontbindingsdatum, zij het zonder daarbij een voorziening te treffen voor de periode die ligt tussen ontbindingsdatum en hersteldatum. Het recht heeft het hof daarbij niet geschonden: voor elk van de elementen van de beslissing waartoe het hof komt, geven de verschillende discretionaire bevoegdheden waarover de appelrechter op basis van art. 7:683 lid 3 BW beschikt de ruimte, maar over de motivering wordt wat mij betreft terecht geklaagd. Zij is niet toereikend. 3.30 Het hof is, gelet op zijn discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van een datum voor herstel van de arbeidsovereenkomst, niet verplicht om de hersteldatum te bepalen op de ontbindingsdatum. Wanneer het hof kiest voor herstel tegen een latere datum, kan het hof voorzieningen treffen voor de ontstane overbruggingsperiode. Ook dit is weer geen verplichting, betreft immers opnieuw een discretionaire bevoegdheid. Voor zover het middel met de rechtsklacht ingang wil doen vinden dat het hof een voorziening moet nemen, faalt het. Het hof kan immers wel degelijk ook afzien van het treffen van een voorziening. Een dergelijke beslissing verlangt dan wel een deugdelijke motivering. Het hof heeft in het onderhavige geval echter geen woord gewijd aan het niet treffen van een voorziening voor de periode tussen de ontbinding en de hersteldatum van de arbeidsovereenkomst en daarmee ook geen zicht gegeven op achterliggende redenen van of argumenten voor zijn beslissing. Dat [verzoeker] enkel herstel heeft verzocht en niet (ook) het treffen van een voorziening, is misschien niet handig en komt waarschijnlijk ook steeds minder vaak voor, maar lijkt me niet beslissend. Hij heeft het hof wat hersteldatum betreft ruimte gegeven in de inleiding op de grieven in zijn beroepschrift (herstellen ‘per een datum zoals het Hof zal menen te behoren’; randnummer 3.1.), maar mocht er daarbij wat mij betreft vanuit gaan dat het hof zich er bij de keuze voor de ene of de andere datum rekenschap van zou geven dat daaraan consequenties verbonden zijn. In het ene geval zouden voorzieningen aan de orde kunnen zijn die bij een andere keuze niet nodig of wellicht ook niet gerechtvaardigd zijn. Het hof heeft, het zij herhaald, hier veel ruimte, maar het moet wel inzicht geven dat en waarom het bepaalde keuzes maakt. Voor zover de onderdelen 1 en 2 klagen over een ontoereikende motivering, treffen zij daarmee dus doel. Vernietiging ontbindingsbeschikking? 3.31 Ten slotte maak ik nog een enkele opmerking naar aanleiding van onderdeel
- Met dat onderdeel klaagt [verzoeker] ook nog over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof om een andere dan de zojuist besproken reden. 3.32 Omdat het hof de beschikking van de kantonrechter heeft vernietigd (rov. 5.18 en dictum), zou ook de ontbinding van tafel zijn, zodat het vervolgens onduidelijk is wanneer de door het hof herstelde arbeidsovereenkomst is geëindigd. De kennelijk aan deze motiveringsklacht ten grondslag liggende gedachte is dat vanwege de vernietiging van de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter door de appelrechter, de arbeidsovereenkomst achteraf gezien niet is beëindigd. Deze gedachte strookt mijns inziens niet met de door de Wwz gebrachte systematiek. Ik licht dit toe. 3.33 Onder het oude recht kon geen hoger beroep en cassatie worden ingesteld tegen de ontbindingsbeschikking (art. 7:685 lid 11 BW (oud)). Onder het door de Wwz gebrachte regime staat juist tegen iedere ontbindingsbeschikking hoger beroep en cassatie open. Hierop is vervolgens het reguliere procesrecht van toepassing, voor zover daarvan door art. 7:683 BW niet is afgeweken. Deze bepaling geeft inderdaad een aantal bijzondere regels van procesrecht voor hoger beroep en cassatie. 3.34 Zo bepaalt art. 7:683 lid 1 BW, in afwijking van art. 360 lid 1 Rv, dat hoger beroep ingesteld tegen een beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst de tenuitvoerlegging van de beschikking niet schorst. Dit betekent, zo betoogt ook de memorie van toelichting, dat aan een beschikking van de rechter in eerste aanleg altijd gevolg wordt gegeven, hetgeen de rechtszekerheid voor zowel werkgever als werknemer ten goede zou komen, en dat bijvoorbeeld in het geval van een toegewezen verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk eindigt. Het betekent bijvoorbeeld ook dat een werknemer die in afwachting is van de uitkomst van hoger beroep (of cassatie), op zoek zal moeten naar een nieuwe baan (ook in verband met de sollicitatieplicht uit de WW). Als in hoger beroep vervolgens wordt geoordeeld dat een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen door de kantonrechter, kan de appelrechter de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en voor de tussenliggende periode eventueel voorzieningen treffen. 3.35 De appelrechter die van oordeel is dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden, kan de ontbinding als zodanig echter niet vernietigen. Iets vergelijkbaars geldt voor de rechter die in hoger beroep oordeelt dat de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft afgewezen. In dat geval kan de appelrechter niet alsnog de vernietiging van de opzegging uitspreken. 3.36 Nu het hof in hoger beroep heeft geoordeeld en is overgegaan tot herstel per datum van de beschikking in hoger beroep, is van onduidelijkheid over het einde van de arbeidsovereenkomst en over de datum van het herstel geen sprake. Het hof kon immers wel de beschikking van de kantonrechter, maar niet de door deze beschikking gerealiseerde ontbinding vernietigen. 3.37 Deze motiveringsklacht van onderdeel 2 berust dan ook op een onjuist uitgangspunt. 3.38 Uiteindelijk kom ik tot het oordeel dat de onderdelen 1 en 2 beide terecht zijn voorgesteld, voor zover zij klagen over de motivering van de slotsom waartoe het hof is gekomen. Gelet op aard en inhoud van de processuele klachten in de met de onderhavige zaak samenhangende door IIF Holding geëntameerde zaak (hiervoor randnummer 3.3), is de vraag of Uw Raad in de onderhavige zaak aan vernietiging en verwijzing toekomt. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van 21 november 2017 van het hof Den Haag en tot verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan rov.
- van de beschikking van het hof van 21 november
- Zie de weergave door de kantonrechter in de beschikking van 27 februari 2017, rov. 1.
- Het verweer van IIF Holding in eerste aanleg, onderbouwd met een productie, was dat de transitievergoeding reeds zou zijn voldaan. Omdat dit niet is bestreden, heeft de kantonrechter dit als vaststaand feit aangenomen (beschikking van 27 februari 2017, rov. 2.3.). Het gaat hier dus om de transitievergoeding die hiervoor is genoemd in randnummer 1.
- Zie de beschikking van de kantonrechter van 6 januari 2017, rov. 4.
- Met betrekking tot het voorwaardelijk tegenverzoek van IIF Holding heeft de kantonrechter in zijn beschikking van 6 januari 2017 overwogen dat niet direct duidelijk is onder welke voorwaarden het tegenverzoek is gedaan (rov. 5.14.). IIF Holding is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorwaarden waaronder het zelfstandige verzoek behandeld diende te worden. In de pleitnotities van 13 februari 2017 heeft IIF Holding in randnummer
- opgemerkt dat de voorwaarde kort samengevat inhoudt: ‘voor het geval door de handelskamer en/of het Hof zou worden beslist dat [verzoeker] geen statutair directeur is en het door de AVA gegeven ontslag geen stand houdt’. Zie de beschikking van de kantonrechter van 6 januari 2017, rov. 4.
- De kantonrechter spreekt hier van ‘statutair directeur’, maar de relevante vraag is of [verzoeker] als statutair bestuurder moet worden aangemerkt. Voor de inhoud van het primaire verzoek verwijs ik naar randnummer 2.2 van deze conclusie. De kantonrechter spreekt hier abusievelijk van ‘werkgever’. Aangenomen mag worden dat ‘werknemer’ bedoeld zal zijn. De voorlopige voorziening had onder meer betrekking op het verzoek om de werkgever te veroordelen de werknemer in staat te stellen zijn werkzaamheden te hervatten en toegang te geven tot het bedrijfspand op straffe van een dwangsom, tot doorbetaling van het loon, althans een in goede justitie te nemen voorziening en werkgever te veroordelen in de kosten van de procedure. Art. 2:241 BW luidt aldus: ‘De rechtbank, binnen welker rechtsgebied de vennootschap haar woonplaats heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering bedoeld bij artikel 248 van dit Boek, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat. Dezelfde rechtbank neemt kennis van verzoeken als bedoeld in artikel 685 van Boek 7 betreffende de in de eerste zin genoemde overeenkomst. De zaken bedoeld in de eerste en tweede volzin, worden niet behandeld en beslist door de kantonrechter.’ Art. 7:685 BW is met de inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid (Wwz) per 1 juli 2015 vervallen; vanaf dat tijdstip gaat het om (de in) art. 7:671c BW (geregelde procedure). De wetgever heeft art. 2:241 BW destijds echter niet aangepast. Het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen beoogt hierin alsnog te voorzien (Kamerstukken II 2015-2016, 34491, nr. 2). Art. 2:241 BW zal komen te vervallen, net als onder meer het derde lid van art. 2:244 BW (dat zich verzet tegen rechterlijke veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen vennootschap en bestuurder). De wetgever zal voorzien in een nieuw art. 2:9b BW waarvan de tekst van het derde en vierde lid aldus komen te luiden: ‘
- De rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de rechtspersoon zijn woonplaats heeft, neemt kennis van alle rechtsvorderingen betreffende de overeenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder, daaronder begrepen de vordering als bedoeld in artikel 9c, waarvan het bedrag onbepaald is of € 25.000 te boven gaat. Dezelfde rechtbank neemt kennis van verzoeken als bedoeld in artikel 671b en artikel 671c van Boek 7 betreffende de in de eerste zin genoemde overeenkomst. De zaken, bedoeld in de eerste en tweede volzin, worden niet behandeld en beslist door de kantonrechter.
- Een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de rechtspersoon en de bestuurder kan door de rechter niet worden uitgesproken.’ Beschikking van de kantonrechter van 27 februari 2017, rov. 5.
- Beschikking van de kantonrechter van 27 februari 2017, rov. 5.
- De kantonrechter noemt in zijn beschikking van 27 februari 2017 in rov. 5.
- abusievelijk art. 7:669 lid 3 onder g BW. Het hof spreekt in zijn beschikking van 21 november 2017 in rov.
- abusievelijk van zes grieven. Beschikking van het hof van 21 november 2017, rov.
- Beschikking van het hof van 21 november 2017, rov.
- Beschikking van het hof van 21 november 2017, rov.
- Als blijkt dat [verzoeker] statutair bestuurder is dan is de onderhavige procedure immers niet meer aan de orde. Art. 2:244 lid 3 BW staat een rechterlijke veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen een vennootschap en een bestuurder in de weg. Voor het ontslag van een bestuurder is weliswaar een redelijke grond vereist, maar er geldt geen preventieve ontslagtoets (art. 7:671 lid 1 onder e BW). De arbeidsovereenkomst kan dus worden beëindigd zonder dat het UWV of de kantonrechter hebben getoetst of een redelijke grond voor ontslag aan de orde is. Mocht een redelijke grond ontbreken, dan geeft dat de bestuurder recht op een billijke vergoeding, maar het ontbreken van een redelijke ontslaggrond staat niet in de weg aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zie voor een overzicht en nadere verwijzingen onder meer S.J. Sterk, ‘De arbeidsovereenkomst van de bestuurder na een statutair ontslag: een lege huls met uitgeholde ontslagbescherming?’, MvO 2017, p. 214 e.v. en A. Attaïbi, ‘Ontslag van statutair bestuurders – een recap’, MvO 2018, p. 198 e.v. Zie ook HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713, NJ 2005/483, Ars Aequi 2005, p. 729 e.v. m.nt. S.C.J.J. Kortmann en JAR 2005/153 m.nt. R.M. Beltzer ([...] /Ciris) en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030, NJ 2005/484 m.nt. G. Heerma van Voss, Ondernemingsrecht 2005/115 m.nt F.B.J. Grapperhaus, SR 2005/54 m.nt. M.D. Ruizeveld, JOR 2005/145 m.nt. P.A.M. Witteveen en JAR 2005/117 m.nt. R.M. Beltzer ([...] /Unidek Volumebouw). Overigens voorziet het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen in het verplaatsen van de inhoud van art. 2:244 lid 3 BW naar een nieuw in te voeren art. 2:9b lid 4 BW. Zie Kamerstukken II 2015-2016, 34491, nr. 2 en ook voetnoot 11 hiervoor. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant). HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, RvdW 2018/86 en JBPR 2018/30 m.nt. G. van Rijssen (Stichting Maatschappelijke ondersteuning voor elkaar) en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, RvdW 2018/67 (Stichting Islamitisch Primair Onderwijs Rijnmond). HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant). A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1203) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant). Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 1.
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 1.
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- [verzoeker] verwijst hierbij naar Kamerstukken I 2013-2014, 33818, nr. C, p. 114-
- De rechter moet in het licht van de omstandigheden van het geval beoordelen tegen welke datum de arbeidsovereenkomst hersteld kan worden. Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- [verzoeker] verwijst hierbij naar A.R. Houweling, ‘Herstel van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz. De theorie, de statistieken en de parenthesen van de Hoge Raad’, TvO 2017/3, p.
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- Daarbij heeft [verzoeker] verwezen naar Rb. Amsterdam 22 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2601, Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7100, AR-Updates-nl 2016-1004 m.nt. S.S.M. Peters en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- Ik merk op dat de rechtbank Amsterdam in de genoemde zaak voor de tussenliggende periode voorzieningen heeft getroffen waarbij overigens rekening is gehouden met de genoten WW-uitkering. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in geen van beide zaken een voorziening getroffen: in de ene zaak niet omdat werkneemster op eigen verzoek met onbetaald verlof was en daarom geen inkomens- en pensioenderving heeft ondervonden (ECLI:NL:GHARL:2016:7100, AR-Updates.nl 2016-1004 m.nt. S.S.M. Peters) en in de andere zaak (ECLI:NL:GHARL:2016:9733) niet vanwege de uitkering die de werknemer had ontvangen. Zie ook randnummer 3.27 hierna. [verzoeker] spreekt hier per ongeluk van ‘petitum’. Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- Zie verzoekschrift tot cassatie, randnummer 2.
- Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 119-
- Ook onder het oude recht werd aangenomen dat de rechter niet ambtshalve een herstelveroordeling kon uitspreken. Zie in dit verband HR 4 juni 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6935, NJ 1977/98 (Derksen/Derksen BV). Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p.119-
- Zie ook F.G. Laagland, ‘Arbeidsprocesrecht’, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), De Wet werk en zekerheid, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p.
- Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p. 119-120 en ook Kamerstukken I 2013-2014, 33818, C, p.
- Kamerstukken I 2013-2014, 33818, C, p. 110-111 en ook Kamerstukken I 2013-2014, 33818, E , p.
- Zie daarvoor A.R. Houweling, ‘Herstel van de arbeidsovereenkomst onder de Wwz, De theorie, de statistieken en de parenthesen van de Hoge Raad’, TvO 2017/3, p.
- Zie verder bijvoorbeeld ook D.M.A. Bij de Vaate, Handboek arbeidsprocesrecht, Den Haag: Bju 2018, p.
- Ook het oude recht kende de herstelveroordeling. Op grond van art. 1639t BW (oud) kon de werkgever worden verplicht opnieuw een arbeidsovereenkomst met de werknemer aan te gaan (Kamerstukken I 1947-1948, 881, nr. 3, p. 10). Later kon de werknemer op grond van art. 7:680 BW (oud) in het kader van onregelmatige opzegging en op grond van art. 7:681/682 BW (oud) in verband met kennelijke onredelijke opzegging vorderen dat de werkgever werd veroordeeld tot herstel van de arbeidsovereenkomst. In de parlementaire geschiedenis bij art. 1639t BW is destijds opgemerkt dat deze bepaling niets anders is dan ‘een uitwerking van het aloude principe: pacta sunt servanda’ (Kamerstukken I 1953-1954, 881, nr. 37, p. 2). Ook voor arbeidsovereenkomsten zou met de bepaling civielrechtelijk gaan gelden, dat de rechter de partij die zich aan wanprestatie schuldig maakt, kan dwingen tot nakoming van haar verplichtingen en niet enkel tot schadevergoeding. In HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0552, NJ 1992/495 m.nt. P.A. Stein (Nedlloyd rederijdiensten BV/Bras Monteiro) wordt de herstelveroordeling echter aangemerkt als een schadevergoeding in andere vorm dan geld. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant). Zie ook de annotaties van A. van Zanten-Baris (JAR), M.S.A. Vegter (TRA) en E. Hagendijk (JIN) bij HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant). Volgens A-G De Bock ligt in de discretionaire bevoegdheid van de rechter om voorzieningen te treffen besloten dat de rechter ook kan oordelen dat de voor de tussenliggende periode te treffen voorziening ‘nihil’ is. Dat komt op hetzelfde naar als het oordeel dat er geen aanleiding is om een voorziening te treffen. De imperatieve formulering van art. 7:682 lid 6 BW staat er volgens haar wel aan in de weg dat de rechter onbesproken laat of er voorzieningen moeten worden getroffen. Zie haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1203) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant), randnummer 3.
- [verzoeker] heeft hierbij nadrukkelijk aansluiting gezocht. Zie hiervoor randnummer 3.8 van deze conclusie. A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1203) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant), randnummer 3.
- A-G De Bock voor HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, TRA 2018/78 m.nt. D.J. Buijs, JAR 2018/168 m.nt. A. van Zanten-Baris en JIN 2018/126 m.nt. B.J. Sap ([Van der W.]), randnummer 3.
- Zie in dat verband ook HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/188 m.nt. A. van Zanten-Baris, Prg. 2017/228 m.nt. J.J.M. de Laat, TRA 2017/92 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2017/171 m.nt. I.H. Kersten (New Hairstyle), rov. 3.4.
- A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:1203) voor HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3241, RvdW 2018/68, JAR 2018/16 m.nt. A. van Zanten-Baris, TRA 2018/30 m.nt. M.S.A. Vegter en JIN 2018/45 m.nt. E. Hagendoorn (Meriant), randnummer 3.
- Zie ook voetnoot 42 van deze conclusie. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7100, AR-Updates.nl 2016-1004 m.nt. S.S.M. Peters waarin het hof de werkgever veroordeelt tot herstel tegen een tijdstip in de toekomst, maar tegelijkertijd afziet van het treffen van een voorziening voor de tussenliggende periode nu werkneemster
(2)pas tijdens de mondelinge behandeling concreet heeft aangeboden om daadwerkelijk weer aan het werk te gaan. Werkneemster had overigens verzocht om herstel tegen datum ontbinding kantonrechter en niet om het treffen van een voorziening. Zie ook Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4234, JAR 2018/101 m.nt. L.R. van Heusden waarin het hof herstelt tegen een later tijdstip dan de ontbindingsdatum en, hoewel wel om een voorziening was verzocht in geval van een periode van onderbreking, evenmin een voorziening treft onder meer vanwege een WW-uitkering. Ook in Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9733 gaat het hof over tot herstel tegen een later tijdstip dan de ontbindingsdatum en ziet het af van het treffen van een voorziening vanwege de door werknemer genoten uitkering. In de praktijk ziet men regelmatig dat de werknemer niet alleen herstel verzoekt tegen datum ontbinding door de kantonrechter, maar ook anticipeert op de mogelijkheid dat de appelrechter een latere hersteldatum kiest door voor dat geval te verzoeken dat een voorziening wordt getroffen voor de te overbruggen periode. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3215, Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9733, Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4234, JAR 2018/101 m.nt. L.R. van Heusden en Hof Den Haag 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2932, JAR 2017/308 m.nt. P. Hufman. Het komt echter ook voor dat de werknemer enkel om herstel verzoekt (waarbij in de regel het tijdstip van ontbinding door de kantonrechter wordt genoemd al dan niet onder de toevoeging ‘of een andere door het hof geschikt geachte datum’ of vergelijkbare tekst met dezelfde strekking), zonder dat aandacht wordt besteed aan eventuele voorzieningen. Zie behalve de onderhavige zaak bijvoorbeeld ook Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7100, AR-Updates.nl 2016-1004 m.nt. S.S.M. Peters. Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p.
- Zie daarvoor onder meer J.M. van Slooten, I. Zaal en J.P.H. Zwemmer, Handboek Nieuw ontslagrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 7.4, F.G. Laagland, ‘Arbeidsprocesrecht’, in F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), De Wet werk en zekerheid, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 145, D.M.A. Bij de Vaate, Handboek arbeidsprocesrecht, Den Haag: Bju 2018, par. 7.8.1 e.v. en J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Ontslagrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, par. 12.6 en 12.6.
- Art. 7:683 BW ziet, zo blijkt uit lid 1, niet op alle beschikkingen uit hoofde van afdeling 7.10.9 BW, maar alleen op beschikkingen tot herstel (art. 7:682), vernietiging (art. 7:681 en 7:677 lid 4) en ontbinding (art. 7:671b en 7:671c BW). Zie ook J.M. van Slooten, I. Zaal en J.P.H. Zwemmer, Handboek Nieuw ontslagrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, par. 7.4.
- Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 2013-2014, 33818, nr. 3, p.
- Zie ook A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:186) voor HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, RvdW 2018/695, TRA 2018/78 m.nt. D.J. Buijs, JAR 2018/168 m.nt. A. van Zanten-Baris en JIN 2018/126 m.nt. B.J. Sap ([Van der W.]), randnummer 3.
- A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:186) voor HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857, RvdW 2018/695, TRA 2018/78 m.nt. D.J. Buijs, JAR 2018/168 m.nt. A. van Zanten-Baris en JIN 2018/126 m.nt. B.J. Sap ([Van der W.]), randnummer 3.4 en ook A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:21) voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571, NJ 2017/204 m.nt. E. Verhulp, JAR 2017/116 m.nt. A. van Zanten-Baris, JIN 2017/90 m.nt. D.A.D. Mees en AR-Updates.nl 2017-0392 m.nt. F.M. Dekker (Vlisco), randnummer 2.12 en rov. 3.6.3 van Uw Raad in dezelfde beschikking. Zie ook HR 7 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209, RvdW 2018/892, JAR 2018/203 m.nt. M.W. Koole en TRA 2018/88 m.nt. F.M. Dekker (Wilco) en in het bijzonder A-G De Bock in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:525) voor deze beschikking, randnummers 4.3.1 e.v.