Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 15 november 2018 inzake: Nr. Hoge Raad: 18/00472 [X] Nr. Gerechtshof: BK-17/00736 Nr. Rechtbank: ROT 16/8062 Derde Kamer B tegen Parkeerbelasting 2016 Regionale Belasting Groep 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 18/00472, naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] , belanghebbende, tegen de uitspraak van gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 19 december 2017. 1.2 Op 25 juni 2016 heeft de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep te Schiedam (hierna: de Heffingsambtenaar) bij een controle in Delft geconstateerd dat ten aanzien van een auto van kentekenhouder [A] (hierna: de kentekenhouder), de verschuldigde parkeerbelasting niet is betaald. Daarom is aan hem een naheffingsaanslag van € 89 opgelegd. Het aan hem toegezonden duplicaat van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016. 1.3 In de onderhavige procedure komt belanghebbende kennelijk, in haar visie, als feitelijke parkeerster van de auto tegen deze naheffingsaanslag op. In het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift van 8 augustus 2016 maakt haar gemachtigde overigens geen melding van die hoedanigheid. In het bezwaarschrift wordt inhoudelijk het standpunt ingenomen dat geen sprake zou zijn geweest van parkeren in de zin van de Gemeentewet, nu ‘het voertuig niet op een fiscale parkeerplek stond omdat er sprake was van strijd met een wettelijk voorschrift’. 1.4 Bij brief van 7 september 2016 heeft de Heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de naheffingsaanslag is opgelegd aan de kentekenhouder en is aan de gemachtigde verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder in de procedure op te treden. Tevens is de gemachtigde verzocht om voor 21 september 2016 een nadere motivering van het bezwaar in te dienen. 1.5 De gemachtigde heeft niet gereageerd, waarna de Heffingsambtenaar bij brief van 5 oktober 2016 opnieuw om een machtiging en een reden voor termijnoverschrijding heeft gevraagd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar bericht voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als binnen de gestelde termijn geen juiste machtiging en reden voor de termijnoverschrijding mocht worden ontvangen. 1.6 Bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2016 heeft de Heffingsambtenaar om reden van het niet overleggen van een juiste machtiging het bezwaar ‘kennelijk niet-ontvankelijk’ verklaard, met mededeling dat daarom van horen wordt afgezien. Overigens zij vermeld dat In de uitspraak op bezwaar niets staat over overschrijding van de bezwaartermijn, hoewel het bezwaarschrift blijkbaar meer dan zes weken na dagtekening van de naheffingsaanslag is ingediend. 1.7 Daarop heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard. 1.8 De Rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. De Rechtbank heeft vastgesteld dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan de kentekenhouder is opgelegd, dat aan de gemachtigde is verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden en dat deze machtiging niet is ontvangen. 1.9 Volgens de Rechtbank lag het op de weg van belanghebbende om in het bezwaarschrift of op enig later moment in de bezwaarfase toe te lichten waarom zij bevoegd was om bezwaar te maken en dat daar (gelet op de brieven van de Heffingsambtenaar van 7 september 2016 en 5 oktober 2016) voldoende gelegenheid voor gegeven is. Dat pas in beroep de, door de Heffingsambtenaar betwiste, stelling is ingenomen dat belanghebbende als bestuurster het voertuig heeft geparkeerd, kan volgens de Rechtbank niet tot het oordeel leiden dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan opgelegde naheffingsaanslag. Volgens de Rechtbank blijkt uit niets dat belanghebbende als bestuurder heeft geparkeerd. 1.10 Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij het Hof was evenals bij de Rechtbank in geschil of belanghebbende de bevoegdheid had bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken. 1.11 Het Hof heeft bij uitspraak van 19 december 2017 overwogen dat de Rechtbank, gelet op de beschikbare gegevens, terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de Heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft volgens het Hof tegenover de formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die de conclusie rechtvaardigen dat het bezwaar ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft het Hof overwogen dat weliswaar uit de gedingstukken naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat er verder geen enkel bewijs aanwezig is voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd. 1.12 Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.13 Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof. Volgens belanghebbende is aan het verzoek van de Heffingsambtenaar om een machtiging van de kentekenhouder over te leggen door haar niet voldaan omdat het bezwaar was ingesteld namens haar en niet namens de kentekenhouder. Het bezwaar acht zij ontvankelijk, zelfs ongeacht of de gemachtigde het bezwaarschrift namens haar of ‘als gemachtigde van de gemachtigde van De kentekenhouder’ heeft ingediend. 1.14 Voorts klaagt belanghebbende dat het op de weg van de Heffingsambtenaar had gelegen om een toelichting te vragen aan de gemachtigde waarom namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder bezwaar was gemaakt. 1.15 Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie. In onderdeel 5 wordt de klacht van belanghebbende beoordeeld, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties Feiten 2.1 Door het Hof zijn de volgende feiten vastgesteld: 2.1. Aan (de kentekenhouder, A-G) is naar aanleiding van de bij een controle gedane bevinding dat niet blijkt dat de voor het op 25 juni 2016 rond 22.06 uur parkeren van de auto aan de [a-straat1] in [Q] verschuldigde parkeerbelasting is betaald, de onderwerpelijke naheffingsaanslag van € 89 (belasting: € 29 + kosten: € 60) opgelegd. Het aan hem toegezonden Duplicaat Naheffingsaanslag Parkeerbelasting is gedagtekend 14 juli 2016. 2.2. Bij brief van 8 augustus 2016, bij de heffingsambtenaar binnengekomen op 10 augustus 2016, geeft (…) het bureau [B] te [R] te kennen namens (belanghebbende, A-G) te [Z] bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken. 2.3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar wegens het ontbreken van een juiste machtiging niet-ontvankelijk verklaard. Rechtbank Den Haag 2.2 De Rechtbank heeft overwogen: 1. Aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar heeft verweerder ten grondslag gelegd dat [belanghebbende/eiseres; A-G] de gevraagde machtiging niet (binnen de gestelde termijn) heeft overgelegd. 2. Eiseres voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van de kentekenhouder. Het bezwaar (en beroep) is ingesteld door eiseres omdat zij als bestuurder het voertuig heeft geparkeerd. De beroepsgrond faalt. 2.1. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover van belang - kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. 2.2. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd aan de kentekenhouder, dat tegen die aanslag door de gemachtigde namens eiseres bezwaar is gemaakt, dat verweerder bij brief van 7 september 2016 (na de constatering dat de naheffingsaanslag aan de kentekenhouder is opgelegd) aan de gemachtigde heeft verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij (de gemachtigde) bevoegd is om namens de kentekenhouder op te treden, dat verweerder bij brief van 5 oktober 2016 daar nogmaals om heeft verzocht onder mededeling dat bij gebreke daarvan het bezwaar niet- ontvankelijk zal worden verklaard en dat verweerder de gevraagde machtiging niet binnen de gestelde termijnen heeft ontvangen. 2.3. In het bezwaarschrift heeft de gemachtigde zonder verdere toelichting gesteld dat eiseres zich tot hem heeft gewend in verband met een aan hem/haar opgelegde naheffings- - aanslag parkeerbelasting. De naheffingsaanslag is echter opgelegd aan de kentekenhouder. Het lag op de weg van eiseres om in het bezwaarschrift of op enig later moment in bezwaar toe te lichten waarom zij bevoegd was bezwaar te maken. Zij was daartoe ook in de gelegenheid, bijvoorbeeld na(ar aanleiding van) de brieven van verweerder van 7 september 2016 en 5 oktober 2016. Zonder deze toelichting kon verweerder niet vaststellen waarom eiseres gerechtigd was haar bezwaar te maken. Verweerder heeft terecht de kentekenhouder om een machtiging gevraagd. De pas in beroep naar voren gebrachte - en door verweerder betwiste - stelling dat eiseres als bestuurder het voertuig heeft geparkeerd kan niet leiden tot het oordeel dat zij bevoegd was om bezwaar te maken tegen de aan de kentekenhouder opgelegde naheffingsaanslag. Uit niets blijkt dat eiseres als bestuurder heeft geparkeerd. 3. Het beroep is ongegrond. Gerechtshof Den Haag 2.3 Bij het Hof was in geschil: 4.1. Partijen houdt in hoger beroep, net als voor de Rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende de bevoegdheid heeft bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken, welke vraag belanghebbende bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend beantwoordt. 2.4 Het Hof heeft geoordeeld: 5.1. Gelet op de beschikbare gegevens heeft de Rechtbank naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de heffingsambtenaar is. Belanghebbende heeft, tegenover de formele en inhoudelijke uiteenzettingen in de verweerschriften, geen feiten of omstandigheden en evenmin valabele argumenten aangevoerd, ook niet in hoger beroep, die de conclusie rechtvaardigen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof neemt vooral in aanmerking dat uit de gedingstukken weliswaar naar voren komt dat belanghebbende en de kentekenhouder kennelijk op hetzelfde adres wonen, maar dat uit de gedingstukken verder geen enkel bewijs is te putten voor de eerst in beroep aangevoerde stelling dat het belanghebbende is geweest die de auto op 25 juni 2016 rond 22.06 uur op de bewuste locatie heeft geparkeerd. 5.2. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Regionale Belasting Groep heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en de Regionale Belasting Groep een conclusie van dupliek. 3.2 In cassatie klaagt belanghebbende: In cassatie wordt aangevoerd dat niet is onderkend dat een bezwaar niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat een volmacht van de kentekenhouder ontbreekt, terwijl het bezwaar is gemaakt namens – en op verzoek van – belanghebbende. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat tegen de naheffingsaanslag door de gemachtigde namens belanghebbende bezwaar is gemaakt en dat de heffingsambtenaar heeft verzocht een machtiging van de kentekenhouder over te leggen (de onder r.o. 3 van de beslissing van het hof geciteerde beslissing van de rechtbank onder r.o. 2.2.). Aan het verzoek van de heffingsambtenaar is niet voldaan, reeds omdat het bezwaar was ingesteld namens belanghebbende en niet namens de kentekenhouder. Het bezwaar was derhalve ontvankelijk, ongeacht of ondergetekende het bezwaarschrift heeft ingediend namens belanghebbende, als degene die ten tijde van het parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had (vgl. HR 24 juli 2000, nr. 34578, BNB 2000/284, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5, derde volzin), dan wel als gemachtigde van de gemachtigde (belanghebbende) van de kentekenhouder. Van belanghebbende is namelijk een geldige machtiging overgelegd. Ik wijs ook op HR 14 juni 2002, ECU:NL:HR:2002:AE4134. Indien de heffingsambtenaar zich zou hebben afgevraagd of belanghebbende in bezwaar kon worden ontvangen, had het op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om een toelichting te vragen waarom namens belanghebbende, en niet namens de kentekenhouder, bezwaar was gemaakt. Een dergelijke toelichting is nooit gevraagd: de heffingsambtenaar heeft slechts om een volmacht van de kentekenhouder gevraagd en, enkel en alleen op die grond, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een volmacht van de kentekenhouder. De heffingsambtenaar heeft evenmin de gelegenheid geboden het bezwaar nader te motiveren, terwijl daarom wel uitdrukkelijk was verzocht. 4 Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur Wetgeving Awb 4.1 Artikel 2:1 van de Awb luidt: 1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. 2. Het bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. 4.2 Artikel 6:5, eerste lid, van de Awb luidt: 1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht; d. de gronden van het bezwaar of beroep. 4.3 Artikel 6:6 van de Awb luidt: Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.4 Artikel 8:24 van de Awb luidt: 1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. 2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. 3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten. Wetgeving Gemeentewet 4.5 Artikel 225 van de Gemeentewet luidt: 1. In het kader van de parkeerregulering kunnen de volgende belastingen worden geheven: a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. 3. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. 4. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen. 5. Zolang geen voldoening van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde belasting heeft plaatsgevonden wordt de houder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. Met betrekking tot een motorrijtuig dat is ingeschreven in het kentekenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, wordt als houder aangemerkt degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven. De tweede volzin vindt geen toepassing indien: a. blijkt dat het motorrijtuig ten tijde van het parkeren op de naam van een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, in welk geval die ander wordt aangemerkt als degene die het motorrijtuig heeft geparkeerd; b. een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorrijtuig was, in welk geval de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorrijtuig heeft geparkeerd. 6. De belasting wordt niet geheven van degene die ingevolge het vijfde lid is aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 7. De belasting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. 8. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde belastingen kan afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. 4.6 Artikel 234, eerste en zevende lid van de Gemeentewet luiden: 1. De belasting, bedoeld in artikel 225, eerste lid, onder a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze. (…). 7. Overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt het aanslagbiljet bekend gemaakt door toezending of uitreiking. In afwijking daarvan kan het aanslagbiljet ook worden aangebracht op of aan het voertuig. Alsdan vermeldt het aanslagbiljet niet de naam van de belastingschuldige maar het kenteken van het voertuig. Bij gebreke van een kenteken vermeldt het aanslagbiljet een of meer gegevens die kenmerkend zijn voor het geparkeerde voertuig. 4.7 Artikel 253, eerste en vierde lid, van de Gemeentewet luiden: 1. Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld. (…). 4. Tegen een met toepassing van het eerste lid vastgestelde belastingaanslag kan mede beroep bij de rechtbank worden ingesteld door de belastingplichtige wiens naam niet op het aanslagbiljet staat vermeld. Artikel 26a, derde lid, van de Algemene wet is van overeenkomstige toepassing. Jurisprudentie Hoge Raad 4.8 De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juli 2000 overwogen: 4. Beoordeling van de klachten 4.1. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft erkend dat zij de auto met kenteken 00-AA-00 op 19 augustus 1995 om 14.40 uur zonder betaling van het vereiste parkeergeld heeft geparkeerd op een plaats waar krachtens de Verordening parkeerbelasting wordt geheven. De vaststelling van hetgeen ter zitting is voorgevallen en van hetgeen partijen ter zitting hebben gesteld en verklaard, is voorbehouden aan het Hof. De vaststelling door het Hof dat belanghebbende het hiervoor vermelde ter zitting heeft erkend, dient derhalve in cassatie te worden geëerbiedigd. In zoverre zij tegen deze vaststelling zijn gericht, falen de klachten. 4.2. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat op 19 augustus 1995 inderdaad een naheffingsaanslag is opgelegd. Deze naheffingsaanslag - die aanvankelijk niet ten name van een bepaalde belastingschuldige was gesteld - is blijkens de uiteindelijke tenaamstelling volgens het tot de stukken van het geding behorende “duplicaat” van het aanslagbiljet opgelegd aan A BV (hierna: de leasemaatschappij), die kennelijk ten tijde van het parkeren de houder was van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, letter b, van de Verordening. Het op de voet van deze bepaling aanmerken van de leasemaatschappij als belastingschuldige, en het dienovereenkomstig aan haar opleggen van de naheffingsaanslag, is, naar het Hof terecht heeft geoordeeld (onderdeel 3.4 van zijn uitspraak) in overeenstemming met artikel 225, lid 5, van de Gemeentewet. Daarin is immers bepaald dat zolang geen voldoening van de in dat artikel in het eerste lid, letter a, bedoelde parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, de houder van het voertuig wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 4.3. Het Hof heeft echter tevens vastgesteld (onderdeel 1 van zijn uitspraak) dat de naheffingsaanslag aan belanghebbende is opgelegd en is in zijn uitspraak daarvan verder uitgegaan. Het heeft klaarblijkelijk aangenomen dat terzake van hetzelfde belastbare feit meer dan één aanslag kan worden opgelegd. Dat is echter niet juist. Terzake van hetzelfde belastbare feit kan slechts één aanslag worden opgelegd. Dit wordt niet anders doordat in artikel 225, lid 5, met het oog op een praktische gang van zaken zolang geen voldoening van de belasting heeft plaatsgevonden, de houder als belastingplichtige is aangewezen. Weliswaar kan met deze bepaling, gelet op de strekking ervan de invordering van parkeerbelastingen te vergemakkelijken, niet zijn bedoeld uit te sluiten dat de aanslag wordt opgelegd aan degene die het voertuig heeft geparkeerd, en dient deze bepaling dan ook zo te worden gelezen dat naast de houder ook degene die in artikel 225, lid 3, in de eerste plaats als belastingplichtige is aangewezen, als zodanig blijft aangemerkt, maar dat laat onverlet dat slechts één aanslag kan worden opgelegd, aan één van de als belastingplichtige aangewezen personen. 4.4. Nu aan belanghebbende geen naheffingsaanslag is opgelegd, zou zij strikt genomen niet uit eigen hoofde doch slechts namens de leasemaatschappij in bezwaar en beroep kunnen komen. Aldus zou echter voor dergelijke gevallen het recht op toegang tot de rechter onvoldoende zijn gewaarborgd voor degene die het voertuig feitelijk heeft geparkeerd en die naar aan te nemen valt door de leasemaatschappij ook aansprakelijk kan worden gesteld voor de door deze betaalde belasting. De wettelijke regeling, bij het ontwerpen waarvan de aandacht kennelijk vooral erop was gericht betaling van de naheffingsaanslag zeker te stellen, vertoont op dit punt een leemte, die met inachtneming van het stelsel van de wet dient te worden opgevuld. Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd - en, ingevolge artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan - het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen. Met betrekking tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken van bezwaar geldt het volgende. 4.5. Indien op de voet van het bepaalde in artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet [] voor de uitreiking van het aanslagbiljet is volstaan met het aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22a (thans 22j) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aanvangt met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet. Indien niet vaststaat dat het aanslagbiljet op deze wijze is uitgereikt, vangt de termijn voor het instellen van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een “duplicaat” van het aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van het voertuig ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld, aan de hand waarvan kan worden geconstateerd of het “duplicaat” op de juiste wijze is verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing van artikel 234, lid 8, en toezending van een “duplicaat” het bezwaarschrift wordt ingediend door degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had. In die situatie dient in voorkomend geval met het oog op de toepassing van het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat het “duplicaat” van het aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder van het voertuig. 4.6. Het Hof heeft niet vastgesteld of het aanslagbiljet op de voet van artikel 234, lid 8, van de Gemeentewet op of aan het geparkeerde voertuig is aangebracht, noch of, uitgaande van het blijkens het hiervoor overwogene bij gebreke van een dergelijke uitreiking geldende aanvangstijdstip, de bezwaartermijn in acht is genomen en evenmin of, uitgaande van dat aanvangstijdstip, de - mogelijke - termijnoverschrijding met inachtneming van de omstandigheid dat het “duplicaat” niet aan belanghebbende maar aan de houder van het voertuig is verzonden, verschoonbaar is. Nu niet duidelijk is van welke situatie het Hof op deze punten is uitgegaan, is zijn oordeel dat belanghebbende terecht in haar bezwaar niet is ontvangen, onvoldoende met redenen omkleed. In zoverre slagen de klachten. De uitspraak van het Hof kan derhalve niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling meer. Verwijzing moet volgen. 4.9 De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 juni 2002 overwogen: 4.1. Tot de stukken van het geding behoort een op 30 december 1999 gedagtekend biljet met het opschrift "Naheffingsaanslag parkeerbelasting". Dit biljet bevat de gegevens van de onderwerpelijke naheffingsaanslag. Het is gesteld ten name van A B.V. te Q (hierna: de leasemaatschappij), kennelijk in haar hoedanigheid van houder van het voertuig als bedoeld in artikel 3, lid 2, letter b, van de Verordening ten tijde van het parkeren ter zake waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. Dit een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de naheffingsaanslag (uiteindelijk) ten name van de leasemaatschappij is gesteld. Zulks brengt mee dat de bezwaartermijn is aangevangen de dag na de dagtekening van het vorenbedoelde biljet of, indien de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, de dag na die van de bekendmaking (vergelijk artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:8, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht). 4.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaarschrift is ingediend op 11 januari 2000, hetgeen gerekend vanaf 30 december 1999 is binnen de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk, ongeacht of belanghebbende het bezwaarschrift heeft ingediend voor zichzelf, als degene die ten tijde van het parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had (vgl. HR 24 juli 2000, nr. 34578, BNB 2000/284, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5, derde volzin), dan wel als gemachtigde van de leasemaatschappij. De klachten treffen mitsdien doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de verzetzaak afdoen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. 4.10 Bij arrest van 7 juli 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld: 2.1. [ B] (hierna: [B]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] Holding B.V. (hierna: Holding), welke vennootschap op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [X] B.V. (hierna: [X]). [X] is op 19 augustus 2014 in staat van faillissement verklaard. 2.2. Bij beschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR (hierna: de informatiebeschikking) heeft de Inspecteur vastgesteld dat [X] voor de jaren 2008 tot en met 2012 niet (volledig) heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 52 AWR. Blijkens de aanhef ervan is de informatiebeschikking gericht aan [X], ter attentie van [B]. 2.3. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2015 beslist op het door [X] gemaakte bezwaar tegen de informatiebeschikking. (…). 2.5. De Rechtbank heeft geoordeeld
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.