Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 15 november 2018 inzake: Nrs. Hoge Raad: 18/00498 en 18/01584 [X1] Nrs. Rechtbank: AMS 17/3358, AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383, AMS 17/3384, AMS 17/3718, AMS 17/3719, AMS 17/3720, AMS 17/3721 en AMS 17/3722 Derde Kamer B tegen Parkeerbelasting 2017 College van B & W van de gemeente Amsterdam 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaken met nummers 18/00498 en 18/01584, naar aanleiding van de beroepen in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam (hierna: de Rechtbank) van 23 januari 2018, op het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraken van de Rechtbank van 7 november 2017, respectievelijk tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2018, op het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 december
(2010)genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Met het oog op dit geschilpunt heeft belanghebbende met een beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb verzocht om overlegging van de taxatiedossiers die ten grondslag liggen aan de taxatierapporten die de Inspecteur in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaken (hierna: de taxatiedossiers). Om dezelfde reden heeft belanghebbende verzocht om overlegging van schermprints van de WOZ-beschikkingen voor die onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikkingen). 2.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet is gehouden de taxatiedossiers en schermprints van de WOZ-beschikkingen over te leggen. Wat betreft de taxatiedossiers heeft het Hof daarvoor redengevend geacht dat zij de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet ter beschikking hebben gestaan en derhalve geen rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming. Wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen heeft het Hof voor dat oordeel redengevend geacht dat belanghebbende als eigenaar van de panden zelf beschikt over deze WOZ-beschikkingen en derhalve zelf in staat is de door de Inspecteur gehanteerde waarden te controleren. 2.2. Middel 1, dat zich richt tegen het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof, slaagt. Blijkens de uitspraak van het Hof heeft de Inspecteur in de beroepsfase de beschikking gekregen over de taxatiedossiers. Zij konden, naar belanghebbende voor het Hof gemotiveerd heeft gesteld, van belang zijn voor de beoordeling van het hiervoor in 2.1.1 genoemde geschilpunt. De taxatiedossiers behoren daarmee tot de op de zaak betrekking hebbende stukken die de Inspecteur op de voet van artikel 8:42, lid 1, Awb dient over te leggen (zie HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2, onder ii). Het hiervoor in 2.1.2 weergegeven oordeel van het Hof berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting. Ook wat betreft de schermprints van de WOZ-beschikkingen berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, brengt niet mee dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen (vgl. HR 20 maart 2009, nr. 42 232, ECLI:NL:HR:2009:BH6420, BNB 2009/132). Opmerking verdient dat de omstandigheid dat de belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) dat stuk wel van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag welke gevolgtrekking de rechter maakt indien de inspecteur dat stuk niet overlegt. Jurisprudentie lagere rechters 4.22 De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft in een uitspraak van 26 januari 2018 overwogen: Was belanghebbende bevoegd bezwaar te maken? 3.6. De rechtbank heeft onderzocht (zie 1.11) of belanghebbende wel bevoegd was om bezwaar te maken. Zou dat immers niet het geval zijn, dan zou het bezwaar reeds om die reden terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. 3.7. Nu het duplicaat van de naheffingsaanslag aan [A] is gezonden, is de naheffingsaanslag niet aan belanghebbende maar aan [A] opgelegd (vgl. het arrest BNB 2000/284, rov. 4.3). Belanghebbende heeft in de in 1.11 vermelde e-mailberichten verklaard dat de auto op naam van zijn partner [A] staat en bevestigd dat hij (belanghebbende) degene was die de auto heeft geparkeerd ten tijde van de naheffingsaanslag. De rechtbank heeft geen aanleiding om in dit geval aan de verklaringen te twijfelen en acht daarom aannemelijk dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was. Gelet op artikel 225, lid 3 van de Gemeentewet en het arrest BNB 2000/284, rov. 4.3 was dus (ook) belanghebbende aan te merken als belastingplichtige. Dit brengt mee dat, hoewel de naheffingsaanslag aan [A] is opgelegd, belanghebbende bevoegd was om daartegen bezwaar te maken. Zo dit laatste niet uit artikel 253, lid 4, van de Gemeentewet volgt, volgt dit in elk geval uit het arrest BNB 2000/284. Is de niet-ontvankelijkverklaring terecht? 3.8. Vast staat dat de gemachtigde niet op enig moment in de bezwaarfase kenbaar heeft gemaakt dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was. Pas in beroep, bovendien pas ter zitting, heeft de gemachtigde dit kenbaar gemaakt. 3.9. Aan de heffingsambtenaar moet worden toegegeven dat het onwenselijk is dat de gemachtigde niet eerder duidelijkheid heeft gegeven. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor de niet-ontvankelijkverklaring: - Belanghebbende was bevoegd om bezwaar te maken (zie 3.7). - De naam van degene namens wie bezwaar wordt gemaakt moet binnen de bezwaartermijn bekend zijn (vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1234). Dat is hier het geval (zie 1.2). Dat niet binnen de bezwaartermijn kenbaar was gemaakt dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was doet daaraan niet af. - Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door ‘de gemachtigde’, dan dient bij het beroepschrift een schriftelijke machtiging te worden overgelegd (vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2). Gebeurt dat niet, dan is sprake van een vormverzuim, dat – indien niet hersteld – tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden. Hier is van een dergelijk vormverzuim geen sprake; de gemachtigde heeft immers direct een (toereikende) schriftelijke machtiging van belanghebbende overgelegd bij het bezwaarschrift (zie 1.2). 3.10. In het midden kan blijven of het oordeel anders zou zijn geweest in de situatie waarin de heffingsambtenaar had gevraagd waarom belanghebbende in de opvatting van de gemachtigde bevoegd was om bezwaar te maken en de gemachtigde daarop geen duidelijkheid zou hebben geboden. Die situatie doet zich immers niet voor. 3.11. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal de zaak terugwijzen naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak. 5Beoordeling van de klachten Inleiding 5.1 In casu is in geschil namens wie het beroepschrift is ingediend, een natuurlijk persoon (belanghebbende), of een rechtspersoon ( [X2] BV waar belanghebbende blijkens het handelsregister in 2017 enig aandeelhouder van was). Het processuele belang is dat in 2017 ten aanzien van het beroep van een natuurlijk persoon in belastingzaken een griffierecht kon worden geheven van € 46 en van een rechtspersoon ten bedrage van € 333. Omdat belanghebbende ter zake van het instellen van beroep volgens de Rechtbank ten onrechte het lagere tarief voor een natuurlijk persoon heeft voldaan, zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard. 5.2 Blijkens artikel 225, derde lid, van de Gemeentewet wordt de parkeerbelasting geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. Op grond van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, wordt, zolang de parkeerbelasting niet is voldaan, de kentekenhouder van het voertuig aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd., 5.3 In casu wil belanghebbende als feitelijke parkeerder opkomen tegen de naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting. Dat is mogelijk op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000. Daarin was een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan een leasemaatschappij (als kentekenhouder van de auto) en wilde de feitelijke parkeerder van de auto daartegen in rechte opkomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ‘moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd – en, ingevolge artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan – het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen’. Onderhavige zaak 5.4 Wegens het in februari 2017 niet hebben voldaan van parkeerbelasting op dertien verschillende plaatsen in Amsterdam zijn door de Heffingsambtenaar aan de kentekenhouder(
- s)van de betreffende auto’s dertien naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. 5.5 De gemachtigde van belanghebbende heeft namens de belanghebbende bij beroepschrift van 2 juni 2017 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar door de Heffingsambtenaar. In het beroepschrift staat: ‘Hierbij stel ik namens [X1] [belanghebbende, A-G] tijdig beroep in tegen dertien samenhangende besluiten op bezwaar van de directeur parkeren van de gemeente Amsterdam d.d. 21 april 2017’. Zowel het beroepschrift als machtiging van de gemachtigde is op 6 juni 2017 ingekomen bij de Rechtbank. De machtiging is ondertekend door ‘ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’ op 11 maart 2017 in [Z] . 5.6 In de voornoemde machtiging is opgenomen dat ‘gemachtigde (…) bevoegd [is] om namens ondergetekende (…) alle rechtsmiddelen aan te wenden met betrekking tot (…) besluiten, waaronder begrepen bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures’. Ontbreken duplicaten naheffingsaanslagen en bezwaarschriften en de gevolgen daarvan 5.7 Er zijn in het procesdossier ten aanzien van geen van de dertien naheffingsaanslagen duplicaten van de naheffingsaanslagen en/of bezwaarschriften terug te vinden. Wel bevat het procesdossier in alle zaken uitspraken op bezwaar d.d. 21 april 2017, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende. 5.8 Ten aanzien van het ontbreken van de duplicaten van de naheffingsaanslagen en de bezwaarschriften in het procesdossier merk ik het volgende op. Blijkens artikel 7:4, tweede lid, van de Awb legt het bestuursorgaan ‘het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage’. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in’. 5.9 Hierbij zij opgemerkt dat er voor de indiener van een beroepschrift geen (wettelijke) plicht bestaat om een litigieus besluit of het bezwaarschrift te sturen aan de rechtbank. Zo staat in artikel 6:5, tweede lid, van de Awb, slechts dat bij het beroepschrift ‘zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, [wordt] overgelegd’. 5.10 Het ligt op de weg van een inspecteur of heffingsambtenaar om een bezwaarschrift in de beroepsfase aan de belastingrechter te sturen. Volgens artikel 7:4 van de Awb geldt dat in de bezwaarfase ‘het bestuursorgaan (…) het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken (…) ter inzage [legt]’. Gelet op de zinsnede ‘en alle verder (…)’ wordt naar mijn mening ook een bezwaarschrift als een op de zaak betrekking hebbend stuk aangemerkt. Dit geldt eveneens voor het in beroep van belang zijnde artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. 5.11 Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb, alle stukken ‘die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten’. 5.12 Daarnaast heeft de Hoge Raad bij arrest van 17 augustus 2018 overwogen dat ‘de omstandigheid dat belanghebbende zelf beschikt over (een afschrift van) een stuk dat van belang kan zijn voor de besluitvorming in een zaak, (…) niet mee[brengt] dat de inspecteur is ontslagen van de verplichting (een afschrift van) dat stuk als een op de zaak betrekking hebbend stuk over te leggen’. 5.13 Mede gelet op het voorgaande en de aard van een bezwaarschrift (als verzoek om heroverweging van een bepaald besluit) dient een bezwaarschrift te worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk, dat door de inspecteur of heffingsambtenaar aan de belastingrechter moet worden overgelegd. 5.14 Dit geldt ook voor de onderhavige zaak, nu immers nog een bestaand geschilpunt is of ter zake van het bepalen van het te betalen griffierecht het beroep is ingesteld door de belanghebbende of door [X2] B.V. Daarvoor is de inhoud van de bezwaarschriften te beoordelen. 5.15 De Rechtbank heeft in de litigieuze uitspraak geen blijk gegeven een onderzoek te hebben verricht naar de indiener van het bezwaarschrift; met andere woorden of dat belanghebbende was of [X2] B.V. 5.16 Blijkens de aan de gemachtigde van belanghebbende gerichte uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar in de zaak van de Rechtbank met nummer AMS 17/3358, is het bezwaarschrift ‘in goede orde ontvangen op 13-03-2017’. Gelet op de bewoordingen van de op 6 juni 2017 bij de Rechtbank binnengekomen machtiging (‘waaronder begrepen bezwaar[procedures]’) alsmede de datum van ondertekening daarvan (op 11 maart 2017), zou vermoed kunnen worden dat dezelfde machtiging ook al in de bezwaarfase is gestuurd aan de Heffingsambtenaar. Echter, blijkens de uitspraak op bezwaar door de Heffingsambtenaar in de zaak met Rechtbank nummer AMS 17/3383 is aldaar het bezwaarschrift ontvangen op 6 maart 2017. 5.17 Zoals de Hoge Raad in het arrest van 14 juli 2000 heeft overwogen kan ter zake van het belastbare feit slechts ‘één aanslag (…) worden opgelegd, aan één van de als belastingplichtige aangewezen personen’. Voorts is in dat arrest overwogen dat ‘in gevallen waarin de naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is opgelegd - en, ingevolge artikel 225, lid 4, van de Gemeentewet, naast degene die de belasting heeft voldaan - het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in te dienen’. 5.18 Toegepast op de onderhavige zaak, zou het voor de bevoegdheid om bezwaar te kunnen maken, niet uitmaken of belanghebbende of [X2] B.V. de naheffingsaanslag heeft voldaan: belanghebbende was, als vast komt te staan dat hij de feitelijke parkeerder was, hoe dan ook bevoegd om bezwaar in te stellen. In dit kader mag het mijns inziens niet uitmaken of belanghebbende pro se, als natuurlijk persoon, bezwaar heeft ingesteld, dan wel, als enig bestuurder van [X2] B.V., namens deze rechtspersoon, aangezien feitelijk handelen van de bestuurder van een rechtspersoon aan deze kan worden toegerekend. 5.19 Dat laat echter onverlet dat in beginsel de insteller van het bezwaarschrift ook dezelfde partij moet zijn als de insteller van het beroepschrift. De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 augustus 2008 in een zaak waarin een naheffingsaanslag parkeerbelasting was opgelegd het beroep van de belanghebbende (natuurlijk persoon) niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting was ingesteld door de BV van de belanghebbende (de BV had de auto geleased en aan belanghebbende ter beschikking gesteld). , Behandeling van de klachten 5.20 In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb staat dat een griffierecht wordt geheven van de indiener van het beroepschrift. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder a, van de Awb bevat het beroepschrift ‘de naam en het adres van de indiener’. 5.21 In casu is de beroepschrift ingediend door een gemachtigde als bedoeld in artikel 8:24, eerste lid, van de Awb. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 wordt met ‘indiener’ van een beroep bedoeld ‘degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld’. 5.22 De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 januari 2014 geoordeeld dat ‘ondertekening van het beroepschrift (…) als bewijs [dient] dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Indien het beroepschrift niet door de indiener zelf is (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan ‘is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd’, hetgeen een gebrek oplevert. 5.23 Op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb kan een bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen, zoals de Rechtbank in casu heeft gedaan. 5.24 Anders dan belanghebbende stelt, heeft de Rechtbank gelet op de voornoemde arresten mijns inziens terecht voor de uitleg van de vertegenwoordiging vooral belang gehecht aan de inhoud van de ter zake van de vertegenwoordiging overgelegde machtiging. Waarbij ik aanteken dat de overige omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van de namens belanghebbende ingediende processtukken, nader licht kunnen werpen op de uitleg van de machtiging. 5.25 In de onderhavige zaken is zowel in het beroepschrift als in de machtiging opgenomen dat het beroepschrift is ingesteld ‘namens [X1] [belanghebbende, A-G]’ en is alleen in de machtiging daaraan toegevoegd ‘h.o.d.n. [X2] B.V.’. 5.26 Kennelijk heeft de Rechtbank de afkorting h.o.d.n. aldus opgevat dat belanghebbende namens [X2] B.V. zich tot de gemachtigde heeft gewend om beroep in te stellen. Met andere woorden: dat sprake is van vertegenwoordiging door [X1] van [X2] B.V. 5.27 Nu is na te gaan of de Rechtbank aldus een juiste uitleg heeft gegeven aan de afkorting ‘h.o.d.n.’, oftewel voluit: ‘handelend onder de naam’. Uit de in de noten hier opgenomen verwijzingen blijkt dat de afkorting h.o.d.n. ziet op de situatie dat een natuurlijk persoon in het handelsverkeer optreedt onder een handelsnaam., Een voorbeeld: P. Jansen handelend onder de naam De Beddenkoning. 5.28 Ingevolge artikel 1 van de Handelsnaamwet wordt onder handelsnaam verstaan ‘de naam waaronder een onderneming wordt gedreven’. In artikel 4 van de Handelsnaamwet staat: ‘Het is verboden een handelsnaam te voeren, die in strijd met de waarheid aanduidt, dat de onderneming zou toebehoren aan een of meer personen, handelende als een vennootschap onder een firma, als een vennootschap en commandite of een rederij, of wel aan een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een onderlinge waarborgmaatschappij, een coöperatie, een vereniging of aan een stichting’. 5.29 Op grond van artikel 2:177, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek vangt de statutaire naam van een besloten vennootschap aan of eindigt met de woorden ‘besloten vennootschap’ of de afkorting ‘B.V.’. Blijkens informatie van de KvK is zowel de statutaire naam als de handelsnaam in casu [X2] B.V. Daarom is er wat dat betreft geen sprake van strijd met artikel 4 van de Handelsnaamwet. 5.30 Er kan wel strijdigheid met artikel 4 van de Handelsnaamwet worden aangenomen, voor zover belanghebbende heeft bedoeld aan te geven dat hij als natuurlijk persoon (niet als bestuurder) kan handelen onder de naam van een BV, waarvan hij aandeelhouder is. Dat lijkt mij in dit wettelijke kader niet acceptabel. 5.31 Het gaat in casu dus om het achterhalen van de bedoeling van belanghebbende. Bedoelde hij met de term ‘h.o.d.n.’ aan te geven namens [X2] B.V. te handelen (oftewel [X2] B.V. te vertegenwoordigen)? Het is mijns inziens een ongelukkig gekozen term, omdat die niet past in dit kader van vertegenwoordiging, maar ziet op het gebruik van een handelsnaam. 5.32 Ik heb in de rechtspraak noch in de literatuur steun gevonden voor het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat onder ‘h.o.d.n.’ hier namens een rechtspersoon, [X2] B.V., dient te worden verstaan. Die term is daarvoor mijns inziens juridisch niet geschikt. 5.33 Overigens blijkt uit de namens belanghebbende ingediende processtukken dat belanghebbende pro se procedeert, als natuurlijk persoon. Dat strookt mijns inziens met de wil van belanghebbende als bestuurder, chauffeur, op te komen tegen de naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting. 5.34 Een en ander betekent dat ik het niet eens ben met de uitleg die de Rechtbank hier heeft gegeven aan de term ‘h.o.d.n.’ Naar mijn mening is belanghebbende pro se, als natuurlijk persoon, in beroep gekomen. In zoverre treffen de klachten van belanghebbende doel. 5.35 Dat betekent ook dat de Rechtbank in casu ten onrechte griffierecht naar het tarief geldend voor een rechtspersoon in rekening heeft gebracht. De Rechtbank heeft het verzet van belanghebbende ten onrechte ongegrond verklaard. 5.36 De zaak zal moeten worden verwezen ter verdere behandeling. Omdat nog vrij veel open ligt, zal na verwijzing mede moeten worden vastgesteld: -
- i)wie de kentekenhouder(
- s)van de auto’s is/zijn; -
- ii)door welke natuurlijke of rechtspersoon bezwaar is gemaakt; - iii) of belanghebbende de feitelijke parkeerder was van de auto’s (taxi’
- s)ten aanzien waarvan de naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd., 5.37 Nu het cassatieberoep van belanghebbende naar mijn mening slaagt, wordt thans niet meer toegekomen aan belanghebbendes klacht dat in het verzet onbesproken is gelaten of de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 47 van het EU-Handvest. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Rechtbank Amsterdam 23 januari 2018, nrs. AMS 17/3358 V, AMS 17/3362 V, AMS 17/3368 V, AMS 17/3371 V, AMS 17/3373 V, AMS 17/3376 V, AMS 17/3378 V, AMS 17/3379 V, AMS 17/3380 V, AMS 17/3381 V, AMS 17/3382 V, AMS 17/3383V en AMS 17/3384 V (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Rechtbank Amsterdam 7 november 2017, nrs. AMS 17/3358, AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384, (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Rechtbank Amsterdam 5 maart 2018, nr. AMS 17/3718 t/m 17/3722 V (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Rechtbank Amsterdam 22 december 2017, nr. AMS 17/3718 t/m 17/3722 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). In deze conclusie zal (indien nodig) worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden als bedoeld in de zaak van de Rechtbank met nr. AMS 17/3718. Voor zover nodig zal ik de feiten en omstandigheden in de zaak met nummer 18/01584 (in voetnoten) benoemen. In de zaak met nummer 18/01584 gaat het om vijf naheffingsaanslagen parkeerbelasting, opgelegd ten aanzien van vier verschillende kentekens. De naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd ten aanzien van elf verschillende kentekens. Ik heb in beide zaken geen duplicaten naheffingsaanslagen parkeerbelasting aangetroffen in het fysieke dossier. Ik heb derhalve geen informatie wie de kentekenhouder(
- s)van de auto’s is/zijn. Gelet op de uitspraken op bezwaar, welke zijn gericht aan de gemachtigde van belanghebbende. Uit het beschikbare procesdossier blijkt niet of [X2] B.V. de kentekenhouder van de auto’s is. Een kort onderzoek op het openbare company.info heeft mij geleerd dat [X2] B.V. zich ziet als een onderneming met belanghebbende als dga. Gelet op het beperkte kapitaal van die B.V. en het gegeven dat belanghebbende daarvan de enige werknemer is, lijkt het onaannemelijk dat de B.V. als eigenaar kentekenhouder van de auto’s is. Het zou wel kunnen dat de kentekenhouder een taxicentrale is en belanghebbende als chauffeur in verschillende taxi’s rijdt. Het is aldus denkbaar dat de naheffingsaanslagen gesteld zijn ten name van de kentekenhouder die deze heeft doorgestuurd naar de chauffeur, belanghebbende, met verzoek die te betalen. Echter, omdat zowel een duplicaat van de naheffingsaanslagen als het bezwaarschrift daartegen in het procesdossier ontbreekt, is nu niet te zeggen hoe een en ander precies zit. Vervat in één beroepschrift. Het gaat om de zaken met nummers AMS 17/3358, AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378, AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384. In de vijf rechtbank-zaken met nummers AMS 17/3718, AMS 17/3719, AMS 17/3720, AMS 17371 en AMS 17/3722 (leidend tot Hoge Raad nr. 18/01584) is helemaal geen griffierecht betaald. In de uitspraak van de Rechtbank van 7 november 2017 is echter overwogen in r.o. 6.1: ‘ [X2] heeft bij brief van 1 augustus 2017 de rechtbank bericht dat in alle zaken ten onrechte het griffierecht voor een rechtspersoon in rekening is gebracht’. In de zaak met nummer AMS 17/3358 is helemaal geen griffierecht betaald, terwijl in de andere twaalf zaken het betaalde griffierecht (van € 46) niet is aangevuld ter grootte van het voor een rechtspersoon verschuldigde griffierecht (van € 333). In de zaken leidend tot het nummer van de Hoge Raad 18/01584 heeft de rechtbank Amsterdam daaraan toegevoegd: ‘Ook voor zover de gemachtigde van belanghebbende heeft bedoeld te zeggen dat het beroepschrift door zowel [X1] als door [X2] B.V. is ingediend, schrijft artikel 8:41 van de Awb volgens de Rechtbank voor dat het hoogste tarief in rekening moet worden gebracht’. De Rechtbank heeft in de twaalf zaken waarin te weinig griffierecht is betaald, de betaalde bedragen teruggestort. De Rechtbank heeft in r.o. 7.1. overwogen dat de dertien beroepen zijn gericht tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting waarbij sprake is van parkeren door steeds verschillende kentekens op verschillende locaties en daarom terecht door de griffier van de Rechtbank in alle zaken apart griffierecht in rekening is gebracht. De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten. Opmerking verdient dat in cassatie de gemachtigde namens belanghebbende (de natuurlijke persoon) cassatieberoep heeft ingesteld en de gemachtigde door belanghebbende daartoe ook gemachtigd is. Daarop heeft de griffier van de Hoge Raad van belanghebbende een griffierecht geheven van € 126 en dus niet het voor niet-natuurlijke personen (rechtspersonen en bestuursorganen) geldende tarief van € 508. De in cassatie overgelegde machtiging is gedagtekend 11-03-2017 en lijkt identiek te zijn aan de litigieuze machtiging die aan de Rechtbank is overgelegd (zij het dat de zinsnede ‘h.o.d.n.’ ontbreekt). In de zaak met het Hoge Raad nummer 18/01584 heeft het College van B & W van de gemeente Amsterdam wel een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende gerepliceerd en het College gedupliceerd. In de conclusie van repliek klaagt belanghebbende dat het verweerschrift niet bevoegdelijk is ingediend (door de directeur van de afdeling Belastingen en niet door het College) en dat het ten onrechte niet inhoudelijke behandelen van het beroep in strijd is met Europees Recht. Het College heeft e.e.a. in de conclusie van dupliek weersproken. Blijkens artikel 3:60, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is volmacht ‘de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten’. Wet van 5 juli 1921, houdende bepalingen omtrent de handelsnaam, Stb 1954, 410. Wet van 22 maart 2007, houdende regels omtrent een basisregister van ondernemingen en rechtspersonen, Stb. 2007, 153. Hoge Raad 14 juli 2000, nr. 34 578, ECLI:NL:HR:2000:AA6508, na conclusie A-G Ilsink, BNB 2000/284 met noot Snoijink. Hoge Raad 8 augustus 2008, nr. 42 533, ECLI:NL:HR:2008:BD9473, BNB 2008/260 met noot Koopman. BNB 2008/260. Hoge Raad 6 februari 2009, nr. 08/01915, ECLI:NL:HR:2009:BH1928, BNB 2009/100. Hoge Raad 17 december 2010, nr. 09/04183, ECLI:NL:HR:2010:BO7505, V-N 2010/65.8 met noot redactie. Hoge Raad 10 januari 2014, nr. 13/02112, ECLI:NL:HR:2014:2, BNB 2014/44 met noot Albert. Hoge Raad 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2018/164 met noot de Bont. Hoge Raad 17 augustus 2018, nr. 17/00879, ECLI:NL:HR:2018:1319, na conclusie A-G IJzerman, NTFR 2018/1883 met noot Weijers. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 januari 2018, nr. AWB 17/372, ECLI:NL:RBZWB:2018:472, Belastingblad 2018/219. Zie voor artikel 225 van de Gemeentewet onderdeel 4.8. Dit laat blijkens het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 onverlet dat er slechts één naheffingsaanslag kan worden opgelegd, aan één van de als belastingplichtige aangewezen personen. Zie onderdeel 4.14. Zie het beroepschrift in cassatie waarin belanghebbende stelt dat hij ‘als chauffeur rechtstreeks belanghebbende [is] bij de naheffingsaanslagen’. Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 onderdeel 4.14. In het fysieke procesdossier zijn 13 machtigingen terug te vinden van ‘ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V’. Alle machtigingen zijn ondertekend op 11 maart 2017. Zie voor de tekst van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb onderdeel 4.2. Zie 4.6 voor de tekst van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Zie voor artikel 6:5, tweede lid, van de Awb, onderdeel 4.1. Een bezwaarschrift dat dus door een belanghebbende of diens gemachtigde is opgesteld. Zie het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 in onderdeel 4.20. Zie ook 4.17 voor het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2009, waarin uitspraken op bezwaar zijn aangemerkt als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’, als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018 onderdeel 4.21. Gericht tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met kenmerk [0001]. Echter, overigens staat in diezelfde uitspraak op bezwaar: ‘Uw bezwaarschrift is ontvangen op 14-03-2017’. Opmerking verdient overigens dat in dezelfde uitspraak op bezwaar staat: ‘Uw bezwaarschrift is ontvangen op 08-03-2017’. Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2000 onderdeel 4.14. Zie het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2008. Zie onderdeel 4.15. Zie in dit kader tevens het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015, nr. 13/05004, ECLI:NL:HR:2015:848, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2015/153 met noot Boer. Zie voor de tekst van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb onderdeel 4.5. Zie 4.1 voor de tekst van artikel 6:5, eerste lid, onder a, van de Awb. Zie voor het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 onderdeel 4.18. Zie 4.19 voor het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2014. Zie 4.3 voor de tekst van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat de Rechtbank [X2] B.V. als kentekenhouder heeft aangemerkt en daarom bevoegd heeft geacht om beroep in te stellen. Echter, omdat het duplicaat van de naheffingsaanslagen ontbreekt en de Rechtbank niet heeft vastgesteld wie de kentekenhouder(
- s)is/zijn, meen ik dat alsdan ’s Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd is. https://www.rechtspraak.nl/Registers/Paginas/Termen-afkortingen-codes.aspx Laatst online geraadpleegd op 17 september 2018. Het Lycaeus Juridisch Woordenboek omschrijft ‘handelend onder de naam (hodn)’ als: ‘verwijzing naar het feit dat een natuurlijk persoon zich in het handelsverkeer begeeft met een handelsnaam; vaak in de kop van de dagvaarding gebruikte verwijzing naar de naam waaronder een onderneming (vaak eenmanszaak) wordt gedreven. Bijv. de heer P. Mes, h.o.d.n. "Slagerij Piet", wonende te etc.’ Zie: https://www.juridischwoordenboek.nl/zoek/handelend%20onder%20de%20naam%20(hodn). Laatst online geraadpleegd op 17 september 2018. Blijkens een bijdrage van T.F.E. Tjong Tjin Tai, Groene Serie, Burgerlijke rechtsvordering, art. 30a RV, aantek. 5, is het ook indien een rechtspersoon onder een andere naam deelneemt aan het handelsverkeer aan te bevelen ook deze naam in de procesinleiding op te nemen, onder toevoeging van ‘h.o.d.n’. Zie onderdeel 4.12 voor artikel 4 van de Handelsnaamwet. Vgl. het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 1943, NJ 1943, 259 waaruit volgt dat in beginsel de statutaire naam de handelsnaam is, maar dat ook de mogelijkheid bestaat dat nog een andere handelsnaam kan worden gebezigd. In het beroepschrift is alleen in algemene zin opgemerkt dat belanghebbende chauffeur is, maar niet of hij de feitelijke parkeerder was van de auto’s ten aanzien waarvan de litigieuze naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd. Vgl. de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 januari 2018 in onderdeel 4.22. Zie tevens de conclusie in de zaak met nummer 18/00472 over de bewijslast t.a.v. het zijn van ‘feitelijke parkeerder’. Dit geldt ook voor de zaak met nummer 18/01584.