Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.L.H. IJzerman Advocaat-Generaal Conclusie van 13 december 2018 inzake: Nrs. Hoge Raad: 18/00983 en 18/00984 [X] Nrs. Gerechtshof: 16/01500 en 16/01501 Nrs. Rechtbank: 12/7330 en 12/7331 Derde Kamer A tegen Aansprakelijkstelling IW 1990 Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Heden neem ik conclusie in de zaken met nummers 18/00983 en 18/00984 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van [X] , belanghebbende, tegen de uitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) van 6 februari 2018., Het gaat in deze zaken om een tweede cassatieprocedure, waarin wordt opgekomen tegen een beschikking aansprakelijkstelling van een bestuurder als bedoeld in artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990). In deze conclusie zal in beginsel worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden in de zaak met nummer 18/
(1), schriftelijke inlichtingen (0,5), nadere zitting Hof (0,5)) x wegingsfactor 1 x € 501, ofwel in totaal op € 2.755,50. Het Hof neemt verder in aanmerking dat de zaak met Hofnummer 16/01501 met de onderhavige zaak samenhangt. Het Hof veroordeelt de Ontvanger daarom in de onderhavige zaak in de proceskosten voor de helft van € 2.755,50, ofwel € 1.377,75. 2.7 C.M. Dijkstra heeft in zijn commentaar bij de uitspraak van het Hof geannoteerd: Gegeven de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad begint het echte werk voor Hof Arnhem-Leeuwarden in onderhavige zaak bij art. 8:42, lid 1, Awb en in het kielzog daarvan art. 8:31 Awb: ‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek (…) kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.’ In casu had de ontvanger het FIOD-dossier niet overgelegd aan de belanghebbende. Welke gevolgtrekkingen komen het hof dan op de voet van art 8:31 Awb ‘geraden’ voor? Het hof weegt de zaken zeer zorgvuldig (r.o. 4.6) en komt tot het oordeel dat vernietiging van de beschikking te verstrekkend zou zijn. Echter, aan het niet overleggen van het FIOD-dossier kan ook niet voorbij worden gegaan. De belanghebbende kan namelijk daardoor in haar bewijspositie zijn geschaad. Het hof verbindt dan ook aan art. 8:42 Awb het gevolg dat de belanghebbende is geslaagd in haar verweer tegen de stelling van de ontvanger dat de naheffingsaanslag te wijten is aan opzet of grove schuld van de bv. Aldus moet ervan uit worden gegaan dat een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht is gedaan (art. 36, lid 2, IW 1990) en dat daarmee vervolgens de ontvanger aannemelijk moet maken dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 36, lid 3, IW 1990). De hamvraag is dan of de ontvanger aannemelijk maakt of er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Maar wat is ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’? De Hoge Raad heeft al langer geleden geoordeeld dat alle omstandigheden in onderling verband en samenhang moeten worden betrokken wanneer het om kennelijk onbehoorlijk bestuur gaat (HR 14 oktober 2005, nr. C04/172, NTFR 2005/1461). Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder gehandeld zou hebben zoals de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft gedaan. Dat is een tamelijk zware eis, maar dit sluit aan bij het aansprakelijkheidsrecht dat ervan uitgaat dat eenieder in beginsel alleen voor zijn eigen daden en nalatigheden aansprakelijk is te houden. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur moet daarom ook niet te snel sprake kunnen zijn. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is echter in ieder geval sprake indien de aansprakelijk gestelde bestuurder heeft bewerkstelligd dat belastingschulden onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft (HR 31 maart 2017, nr. 15/02939, NTFR 2017/859). Ook oordeelde de Hoge Raad dat het opzettelijk achterwege laten van de inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting en premies kennelijk onbehoorlijk bestuur vormt (HR 4 februari 2011, nr. 09/03451, NTFR 2011/341). Daarvan lijkt in casu in het bijzonder sprake. Hoe pakt een en ander in dan casu uit voor belanghebbende? Het hof overweegt dat toen het de belanghebbende duidelijk was geworden dat de loonadministratie en de aangiften onjuist waren, zij pas maanden later actie heeft ondernomen door de onjuistheden aan te passen, terwijl die acties niet hebben bestaan uit het indienen van suppletieaangiften, maar uit het geleidelijk indienen van minder onjuiste aangiften en later pas uit het indienen van juiste aangiften (r.o. 4.12). Belanghebbende heeft daarmee opzettelijk de inhouding en afdracht van verschuldigde loonbelasting en premies achterwege gelaten, waarmee voor het hof sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het hof had niet snel tot een ander oordeel kunnen komen. Op deze wijze heeft het hof op prudente wijze invulling gegeven aan zijn verwijzingsopdracht en de schending van art. 8:42 Awb met tussenkomst van art. 8:31 Awb rechtgetrokken. Dat de verwijzing op dit punt belanghebbende weinig mag baten, is een ander verhaal. 2.8 Vetter heeft bij de Hofuitspraak van de met deze zaak samenhangende zaak (HR nr. 18/00984) geannoteerd: Belastingdienst maakt relevante stukken kwijt Een derde die voor andermans belastingschuld door de Ontvanger aansprakelijk is gesteld, is veelal voor een deel van de factfinding en de bewijsvoering afhankelijk van zijn ‘tegenpartij’ in de procedure, de Ontvanger van de Belastingdienst. Deze procedure betreft een bestuurder die op de voet van artikel 36 IW 1990 aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van in totaal € 806.513 aan loonheffing over de jaren 2005 t/m 2007. De loonheffing heeft betrekking op een uitzendbureau en was klaarblijkelijk een gevolg van in de loonbelastingadministratie gemaakte fouten, in het bijzonder ter zake van de fiscale behandeling van reiskostenvergoedingen, lunchkostenvergoedingen en het beoordelen van loonbelastingverklaringen. De procedure betreft een verwijzingszaak. Hof Den Bosch had vastgesteld dat de Ontvanger het onderliggende dossier van de Belastingdienst FIOD in het geding had moeten brengen in het licht van artikel 8:42 Awb in een uitspraak van 11 februari 2016 met kenmerk 13/00892 (niet gepubliceerd). Daaraan had het Hof toen geen gevolgen op de voet van artikel 8:31 Awb verbonden bij diverse vragen die in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure aan de orde zijn. Omdat die FIOD-stukken voor een aantal relevante vragen van belang kunnen zijn, heeft de Hoge Raad in een uitspraak van 2 december 2016 (overigens qua dictum hersteld bij arrest van 6 januari 2017) gecasseerd en verwezen naar Hof Arnhem-Leeuwarden. De Inspecteur had ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen in 2009 de beschikking over het FIOD-dossier. Hof Den Bosch heeft vastgesteld dat de Ontvanger het Hof heeft bericht dat het desbetreffende FIOD-dossier in 2009 vernietigd is door de Belastingdienst, kort nadat de parallelle strafzaak op 12 oktober 2009 had geleid tot een sepot. Wel had de Belastingdienst voor de heffing van de loonbelasting ‘gunstige’ citaten uit diverse verhoren bewaard, doch het complete beeld van het FIOD-dossier ontbrak. En blijkbaar was de Belastingdienst ook niet meer in staat om de vernietigingsactie goed te maken door een kopie van het dossier op te vragen bij de Belastingdienst FIOD dan wel het Openbaar Ministerie. De betrokken bestuurder heeft bij Hof Den Bosch aangegeven dat vertrouwd werd op de – inmiddels overleden – interne financiële man of vrouw van het uitzendbureau. Verder werd vertrouwd op een belastingadviesbureau. En ook werd wat de loonheffing betreft vertrouwd op de certificering door de goed in de markt bekend staande instantie VRO over de jaren 2004 t/m 2006, die voor diverse uitzendbureaus verbonden aan onder andere ABU en NBBU controleert en certificeert waar het betreft het voldoen aan relevante wet- en regelgeving. Melding betalingsonmacht; toepassing artikel 8:31 Awb In de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure is allereerst de vraag aan de orde of door het bestuur tijdig een melding betalingsonmacht bij de Ontvanger is gedaan. In het kader van die meldingsproblematiek dient de aansprakelijkgestelde bestuurder te bewijzen dat de naheffingsaanslagen loonheffing, die immers afweken van de ingediende aangiften, niet te wijten zijn aan opzet of grove schuld van het uitzendbureau. In het geval van ‘kwade trouw’ kan de bestuurder in het licht van artikel 7, lid 2, Uitv.besl. IW 1990 niet meer melden kort na ontvangst van de naheffingsaanslag; dat dient dan kort na het aangiftetijdvak al te geschieden. Hof Arnhem-Leeuwarden komt allereerst tot de conclusie dat artikel 8:31 Awb in dit geval niet tot een vernietiging van de aansprakelijkheidsbeschikking dient te leiden. Wel wordt de bestuurder vanwege het ontbreken van de hiervoor genoemde relevante FIOD-stukken vanwege de toepassing van artikel 8:31 Awb geacht te hebben bewezen dat de naheffingsaanslagen niet te wijten zijn aan opzet of grove schuld van het uitzendbureau. Dat leidt uiteindelijk tot de conclusie dat het meldingsverwijt van de Ontvanger onterecht is, omdat er binnen twee weken na het verlopen van de betaaltermijn van de naheffingsaanslag schriftelijk bij de Ontvanger betalingsonmacht is gemeld. Vormt niet in contact treden met Belastingdienst tijdens boekenonderzoek kennelijk onbehoorlijk bestuur? Vervolgens is de vraag aan de orde in de fiscale procedure of bij het uitzendbureau sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur, alsmede of dat geleid heeft tot het niet betalen van de aanslagen. Dat kennelijk onbehoorlijk bestuur dient door de Ontvanger bewezen te worden. Vreemd genoeg worden het ontbreken van het FIOD-dossier en de gevolgen daarvan voor de waarheidsvinding door Hof Arnhem-Leeuwarden niet bij die kwestie betrokken. Mijns inziens kan zeker niet uitgesloten worden dat materiaal in dat FIOD-dossier nuttig is bij de waarheidsvinding door de rechter en voor de bestuurder bij het te verrichten ‘tegenbewijs’ ten aanzien van verwijten die de Ontvanger maakt. Waarom het ontbreken van een relevant deel van het dossier en de gevolgen daarvan voor de waarheidsvinding niet bij de discussie over het kennelijk onbehoorlijk bestuur betrokken zijn, kan ik uit de aan mij ter beschikking staande stukken niet afleiden. Uiteindelijk komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot het oordeel dat de Ontvanger in de bewijslast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur is geslaagd. Het criterium dat het Hof toepast is of aan de bestuurder ‘terzake persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt’. Uit r.o. 4.13 blijkt dat het Hof vindt dat niet zozeer aan de bestuurder voor het handelen in de jaren 2005 en 2006 (dat wil zeggen ten tijde van het inhouden en afdragen van loonbelasting) een verwijt kan worden gemaakt. Echter, in januari 2007 had de bestuurder moeten bemerken, vanwege het op dat moment reeds sinds augustus 2006 lopende boekenonderzoek van de Belastingdienst, dat er in 2005 en 2006 te weinig loonheffing is ingehouden en afgedragen. En daarop zou de desbetreffende bestuurder vervolgens volgens het Hof onvoldoende actie hebben ondernomen; van een bestuurder verwacht het Hof klaarblijkelijk dat in een dergelijke situatie hangende het boekenonderzoek ‘contact wordt opgenomen met de Belastingdienst’ alsmede ‘de kennelijk aanwezige financiële middelen aangewend worden voor de betaling van de verschuldigde belasting’. Ook constateert het Hof dat terwijl de bestuurder in januari 2007 gemerkt had dat het ‘niet helemaal goed zat’, er pas vanaf april 2007 minder onjuiste aangiften loonheffing werden ingediend en vanaf juli 2007 juiste aangiften loonheffing. Klaarblijkelijk vindt het Hof die ‘overgangsperiode’ ook te lang. Opvallend is dat dat niet contact opnemen in januari 2007 dan volgens het Hof ‘met terugwerkende kracht’ ook voor de jaren 2005 en 2006 het ‘opzettelijk achterwege laten van inhouding en afdracht aan loonheffing’ oplevert. Dat is in strijd met de eerdere vaststelling door hetzelfde Hof dat de bestuurder geslaagd is in het tegenbewijs dat geen sprake is geweest van opzet of grove schuld in 2005 en 2006. Daarmee lijkt de uitspraak van het Hof ook innerlijk tegenstrijdig. Het is derhalve nog even afwachten of dit oordeel ten aanzien van kennelijk onbehoorlijk bestuur van het Hof en de bijbehorende vraag of dat geleid heeft tot het niet betalen van de Ontvanger de toets der kritiek in cassatie wel kan doorstaan. De stelling dat de betrokken bestuurder ‘contact had moeten opnemen met de Belastingdienst’, zulks terwijl de Belastingdienst op dat moment reeds in contact is met het uitzendbureau in verband met het op dat moment reeds lopende boekenonderzoek, spreekt mij persoonlijk niet erg aan. En in dit geval lijkt de bestuurder er het slachtoffer van te zijn geweest dat het boekenonderzoek heel lang gelopen heeft (te weten van 9 augustus 2006 tot 5 oktober 2009) en dat de Belastingdienst die drie jaar gewacht heeft met aanslagoplegging (te weten tot oktober 2009). Normaal mag een bestuurder immers in januari 2007 verwachten dat een dergelijk boekenonderzoek dat al enkele maanden loopt, kort nadien leidt tot een conceptcontrolerapport en inzicht in de juiste cijfers op basis waarvan dan vervolgens desgewenst betaald kan worden. Het standaardcriterium van de Hoge Raad voor kennelijk onbehoorlijk bestuur is dat er door het bestuur gehandeld is zoals ‘geen redelijk handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden gehandeld zou hebben’. Mijns inziens is van een dergelijk ‘onbegrijpelijk handelen’ nog geen sprake als geen contact wordt opgenomen hangende het boekenonderzoek met de Belastingdienst, omdat het uitzendbureau ten gevolge van het lopende boekenonderzoek in de regel al intensief met de Belastingdienst over de loonheffing in contact is. Sterker nog, de meeste bestuurders zullen in een dergelijke situatie de vastlegging van de bevindingen van de Belastingdienst afwachten en vervolgens actie ondernemen. Daarbij speelt ook een rol dat de Belastingdienst op dat moment vermoedelijk wel, doch de ondernemer niet, een inschatting kan maken van het bedrag dat straks (na brutering) volgens de Belastingdienst materieel verschuldigd is. Toetsing onderliggende aanslagen en ontbrekend dossier Bij de vraag of de onderliggende loonheffingsaanslagen juist zijn is vervolgens weer aan de orde de vraag wat op de voet van artikel 8:31 Awb ‘de sanctie’ moet zijn volgens het Hof in verband met het ontbreken van het FIOD-dossier. Het Hof komt tot de sanctie dat de bestuurder alle feiten en omstandigheden kan aanvoeren tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling, ook al zouden die al eerder in het kader van de naheffingsaanslag aan de Rechtbank zijn voorgelegd (r.o. 4.14). Echter, in de bewijssfeer doet het Hof vervolgens helemaal niets met de desbetreffende problematiek. In artikel 49, lid 6, IW 1990 is opgenomen: ‘De ontvanger stelt de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld voorzover deze gegevens voor het maken van bezwaar, het instellen van beroep of beroep in cassatie redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.’ Mijns inziens noopt de combinatie van artikel 8:42 Awb en artikel 49, lid 6, IW 1990 tot een gevolg op zijn minst in de bewijssfeer bij de beoordeling van de onderliggende aanslagen indien een relevant deel van de factfinding door handelen van de Ontvanger (‘vernietigingsactie’) onmogelijk is gemaakt. Ik denk dat de door het Hof toegepaste sanctie ‘te mager’ is. Volgens mij zou vanwege het ten gevolge van het in 2009 vernietigen door de Belastingdienst ontbreken van een relevant onderdeel van het dossier – dat op vermoedelijk een groot aantal aan de orde zijnde discussiepunten nader licht had kunnen werpen – een gevolg aan de orde moeten zijn in de bewijssfeer. Ik wil daarbij de parallel leggen naar de sanctie die op grond van artikel 25 AWR geldt indien de belastingplichtige ondernemer een relevant deel van de administratie heeft kwijtgemaakt (en dat via een onherroepelijke informatiebeschikking is vastgesteld). In dat geval wordt de bewijslast verzwaard en omgekeerd, heeft de Belastingdienst het recht om een aanslag op te leggen op basis van een ‘redelijke schatting’ en blijft die redelijke schatting vervolgens overeind tenzij er ‘overtuigend tegenbewijs’ geleverd wordt door de belastingplichtige. Mij lijkt dat een dergelijk gevolg in de bewijssfeer ook aan de orde zou moeten zijn indien artikel 8:31 Awb een sanctie vordert waar de Belastingdienst een deel van de factfinding en waarheidsvinding door de rechter onmogelijk maakt omdat een relevant deel van het dossier vernietigd is. Dit klemt te meer nu het in dit geval discussies betreft over kilometervergoedingen, lunchvergoedingen en de vraag op welk moment een relevante loonbelastingverklaring door de werknemer is afgelegd met het oog op een loonheffingskorting. Dit lijken mij vragen die bij uitstek nader uitgezocht zullen zijn (ook door met derden in contact te treden) tijdens het onderzoek van de Belastingdienst FIOD. Het Hof komt vervolgens bij de beoordeling van die posten in de uitspraak steeds tot de conclusie dat de betrokken bestuurder onvoldoende bewijs heeft aangeleverd voor de stellingen dat ten aanzien van die vergoedingen en ten aanzien van de loonbelastingverklaringen/loonheffingskorting in de jaren 2005 t/m 2007 juist gehandeld is. Strijd met Melo Tadeu-leer? Een vraag die bij mij ook opkomt is of de uitspraak van het Hof bij de kennelijk-onbehoorlijk-bestuurkwestie niet ook in strijd komt met de zogenoemde ‘Melo Tadeu-leer’. Uit het arrest van 2 juni 2017 blijkt dat deze leer niet alleen geldt bij een uitspraak van de strafrechter, doch in beginsel ook bij een strafrechtelijk sepot. En in beginsel volgt uit de ‘onschuldpresumptie’ volgens de Melo Tadeu-leer dat de fiscale rechter de vrijspraak of het sepot in de strafzaak niet (impliciet of expliciet) in twijfel mag trekken. De Officier van Justitie heeft de parallelle strafzaak in 2009 reeds beëindigd met een sepot. Dat sepot heeft uitstraling naar de parallelle fiscale zaak over de aansprakelijkheid ter zake van loonheffing. De Officier van Justitie heeft blijkbaar op basis van een uitgebreid FIOD-onderzoek geoordeeld dat een strafrechtelijke vervolging (en ‘opzet’) niet aan de orde is. En uit de bewoordingen van de uitspraak van het Hof (kennelijk onbehoorlijk bestuur in de vorm van opzettelijk achterwege laten van inhouding en afdracht aan loonheffing) blijkt toch op z’n minst grote twijfel ten aanzien van de juistheid van dat sepot van de Officier van Justitie. Wat meer uitleg over deze ‘samenloop’ in de uitspraak lijkt mij wenselijk. Conclusie Ik heb gemengde gevoelens bij deze uitspraak. Duidelijk is dat het Hof geworsteld heeft met de vraag welke ‘sanctie’ toegepast moet worden en daar eigenlijk niet goed uitgekomen is. Wat mij betreft zou de lijn moeten zijn dat het door toedoen van de Belastingdienst ontbreken van een relevant onderdeel van het dossier in geval van ‘opzet’ of ‘voorwaardelijke opzet’ ertoe moet leiden dat de beschikking aansprakelijkstelling vernietigd wordt (‘obstruction of justice’). In dit geval lijkt Hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel te zijn dat het FIOD-dossier in 2009 per abuis vernietigd is. Echter dat ‘abuis’ wordt – helaas – niet met zoveel woorden in de uitspraak vastgelegd. In dat geval lijkt mij een vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling niet aan de orde als ‘sanctie’. In dat geval dienen er echter wel gevolgen te worden verbonden aan het ontbreken van een relevant onderdeel van het dossier in de bewijssfeer en dat ‘gevolg’ dient dan ook bij alle relevante vragen, waarbij het ontbreken van dit dossier een rol zou kunnen spelen, consequent te worden toegepast. Qua nadelige gevolgen voor de Ontvanger kan volgens mij het beste naar analogie worden toegepast wat de wetgever in de bewijssfeer passend en geboden heeft gevonden zodra een ondernemer een relevant deel van de administratie heeft kwijtgemaakt. Een rechter die procespartijen niet gelijkwaardig behandelt, verliest immers aan gezag. 3Het geding in cassatie 3.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gerepliceerd. De Staatssecretaris heeft afgezien van dupliek. 3.2 Belanghebbende stelt in cassatie de volgende acht middelen voor: Middel [1] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in overwegingen 2.3 tot en met 2.6 citeert uit gedingstukken, ingebracht door de Ontvanger, welke gedingstukken alsmede de inhoud daarvan, door belanghebbende zijn bestreden, en in diverse overwegingen op grond van de gedingstukken, vermeld in overwegingen 2.3 tot en met 2.6, uitlatingen/stellingen van de Ontvanger aannemelijk acht, zonder in de bestreden uitspraak uiteen te zetten waarom de betwisting van belanghebbende niet kan slagen en daarmee die betwiste feiten als vaststaand lijkt te hanteren. Middel [2] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof art. 8:42 Awb onjuist toepast door er niet voor te zorgen dat de Ontvanger alle stukken die betrekking hebben op de zaak laat inbrengen daaronder te verstaan de onderliggende stukken van het boekenonderzoek en de sepotbeslissing van de Officier. Middel [3] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof art. 8:31 Awb onjuist toepast (door de schending van art. 8:42 Awb enkel middels een procedurele sanctie af te doen). Middel [4] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof in (overweging 4.15 van) de bestreden uitspraken stelt dat de door de Ontvanger ingebrachte stukken niet buiten de procedure moeten worden gehouden omdat die stukken het verweer, dat krachtens de verwijzingsopdracht moet worden onderzocht, ondersteunen. Middel [5] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof (in overwegingen 4.10 tot en met 4.13) ten onrechte oordeelt dat belanghebbende kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd. Middel [6] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof (in overwegingen 4.14 tot en met 4.35) ten onrechte oordeelt dat de hoogte van de aansprakelijkheid niet verminderd/aangepast moet worden. Middel [7] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte niet respondeert op de stelling van belanghebbende dat het sepot van de Officier van Justitie aansprakelijkheid voorkomt, zoals door uw Raad beslist in het arrest van 2 juni 2017, NTFR 2017/1432. Middel [8] Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder art. 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof ten onrechte aan belanghebbende geen hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding heeft toegekend. 3.3 Uit de omvangrijke motivering van het beroep in cassatie is hieronder alleen de toelichting op de mijns inziens meest interessante cassatiemiddelen 2 en 3 opgenomen: Toelichting [op het tweede middel] Rapport boekenonderzoek en onderliggende stukken Uit de overwegingen 4.14 en 4.31 van de bestreden uitspraken blijkt dat het Hof zich ervan bewust is dat tijdens de inzage van 17 september 2012 de onderliggende stukken van het rapport boekenonderzoek ter inzage hebben gelegen. Dat impliceert dat die stukken onder het bereik van art. 8:42 Awb vallen. Art. 8:42 Awb bepaalt dat binnen vier weken na verzending van de gronden van het beroep het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken indien! Uit uw jurisprudentie volgt dat als een belanghebbende gemotiveerd stelt dat stukken van belang kunnen zijn geweest, de rechter er op moet toezien dat die stukken worden ingebracht. Uit het eerdere citaat van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 20171 volgt dat belanghebbende stelt dat de Ontvanger art. 8:42 Awb schendt Belanghebbende stelt expliciet welke stukken dat zijn, namelijk “alle onderliggende stukken die aan de spreadsheet ten grondslag liggen". Vervolgens stelt belanghebbende het belang van die stukken voor haar verdediging. Belanghebbende heeft de bewijskracht van het rapport boekenonderzoek altijd betwist en gesteld dat zonder de onderliggende stukken het rapport niet voor waar kan worden aangenomen. Naar de mening van belanghebbende had het Hof er op moeten toezien dat de Ontvanger de onderliggende stukken van het rapport boekenonderzoek, daaronder de onderliggende stukken van de spreadsheet, inbracht. Uit de bestreden uitspraken volgt dat het Hof op een incompleet dossier haar oordelen heeft gestoeld in de wetenschap dat bij de inzage in 2012 er meer bescheiden zijn getoond en waarvan de Ontvanger erkent dat die bescheiden vallen onder alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat tonen van de stukken tijdens de inzage gebeurde meer dan vijfjaar voordat het Hof de uitspraken, zonder die stukken, doet. Sepotbeslissing Belanghebbende heeft nadat het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had bepaald dat de sepotbeslissing ingebracht moest worden aan het Hof voorgelegd of in de verwijzingsprocedure die opdracht nog stond. Weliswaar stelde de Ontvanger dat hem die beslissing niet bekend was en dat hij gepoogd had de beslissing te achterhalen maar het Hof reageert in het geheel niet op het betoog van belanghebbende. Het Hof oordeelt ook niet dat art. 8:42 Awb is geschonden of dat door uw arrest de opdracht van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch achterhaald is. Daarmee zijn de bestreden uitspraken ontoereikende gemotiveerd. Conclusie Uit het arrest van 8 april 2011 van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (NTFR 2011/1451) volgt dat het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb ertoe dient, “dat belanghebbende en de belastingrechter zich een oordeel kunnen vormen over de stukken die de Inspecteur ten grondslag legt of heeft gelegd aan zijn standpunt Zonder overlegging van een dergelijk stuk zijn de feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) aan de belanghebbende en de belastingrechter niet bekend, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd en door de belastingrechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Aldus faalt ook de stelling van de Inspecteur; zoals begrepen door het Hof; dat hij de stukken die hij bij nieuwe eigenaar heeft ingezien niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren, omdat hij die stukken niet (in kopie) in zijn dossier heeft gevoegd. Uit het oogpunt van een eerlijk proces is het onaanvaardbaar dat de Inspecteur bij derden stukken inziet en daarop ten nadele van een belanghebbende conclusies baseert om vervolgens die stukken niet tot zijn dossier te rekenen met als gevolg dat hij die stukken tijdens de (bezwaarfase
- en)beroepsfase niet meer voor weerlegging door belanghebbende en toetsing door de belastingrechter kan overleggen. Of anders geschreven: de Inspecteur kan zich niet onttrekken aan zijn plicht om de op zaak betrekking hebbende stukken over te leggen door deze eenvoudigweg niet (in kopie) aan zijn dossier te voegen”. (…) Het moet de rechter (…) mogelijk worden gemaakt om het geschil te kunnen beoordelen en dat te doen op grond van alle gegevens waarop (in dit geval) de Ontvanger zich (direct en/of indirect) heeft gebaseerd. Bovendien is belanghebbende in haar verdediging geschaad omdat zij op een incompleet dossier zich moet verdedigen en de rechter op dat incomplete dossier moet oordelen dan wel in dat geval heeft geoordeeld. Belanghebbende is van oordeel dat de bestreden uitspraken wegens een onjuiste toepassing van art. 8:42 Awb niet in stand kunnen blijven. Uw Raad kan de zaak zelf afdoen indien uw Raad oordeelt dat het procesrecht de Ontvanger niet meer toestaat om na (tweede) verwijzing reeds (voor de verwijzing) bestaande stukken in te brengen. In dat geval is er namelijk geen bewijs voor de aantijgingen in het rapport boekenonderzoek zodat dat gedingstuk buiten beschouwing moet blijven. In alle andere gevallen moet verwijzing volgen. (…). Toelichting [op het derde middel] Na uw arrest op het eerste cassatieberoep in deze zaak stond vast dat de Ontvanger art. 8:42 Awb had geschonden voor wat betreft het inbrengen van het Fiod-dossier. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 oktober 2014 volgt dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wenst dat de volgende stukken worden ingebracht: 1. Proces-verbaal van de Fiod; 2. De aanslagen; 3. Informatie over wie de aanslagen heeft gedaan; 4. ATV-melding; 5. Toetsing door Officier van Justitie. Uit de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in deze zaak blijkt dat het rapport boekenonderzoek in die procedure niet is ingebracht. Dat rapport is pas bij verweerschrift in hoger beroep door de Ontvanger overlegd. Naast voorgaande zes stukken volgt uit de bestreden uitspraken dat de onderliggende stukken, waarop het rapport boekenonderzoek is gebaseerd, niet zijn ingebracht. Het is de verplichting van de Ontvanger er voor te zorgen dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder 1. Proces-verbaal van de Fiod; 2. De aanslagen; 3. Informatie over wie de aanslagen heeft vastgesteld; 4. ATV-melding; 5. Toetsing door Officier van Justitie; 6. Rapport boekenonderzoek; 7. Onderliggende stukken bij rapport boekenonderzoek, worden ingebracht. De rechter moet er op toezien dat die stukken worden ingebracht, In ieder geval als een belanghebbende gemotiveerd stelt dat stukken van belang (kunnen) zijn (geweest). Belanghebbende stelt vast dat tot op heden het proces-verbaal van de Fiod niet is ingebracht. Stukken waaruit de toetsing door de Officier blijkt, zijn evenmin ingebracht. Bovenal zijn de onderliggende stukken van het rapport boekenonderzoek niet ingebracht. Belanghebbende stelt ook vast dat door de Ontvanger te laat onderdelen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingediend. Op grond daarvan heeft belanghebbende betoogd dat vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling als sanctie ex art. 8:31 Awb moet volgen op het meerdere malen overtreden van art. 8:42 Awb. Op dat betoog van belanghebbende heeft het Hof niet gerespondeerd. Verstrekkend In overweging 4.6 stelt het Hof dat -voor wat betreft- het niet meer kunnen overleggen van het Fiod-dossier niet tot de verstrekkende conclusie van vernietiging van de beschikking(
- en)kan leiden. Uit de bestreden uitspraak wordt echter niet duidelijk waarom de gevolgtrekking van vernietiging van de beschikkingen te verstrekkend zou zijn. Het Hof heeft wel die verplichting om dat nader toe te lichten. Deswege zijn de bestreden uitspraken onvoldoende gemotiveerd. Verwijzing moet volgen. Het Hof stelt zelf vast dat door het ontbreken van het Fiod-dossier belanghebbende in haar bewijspositie is geschaad (o.a. overweging 4.7). Daarmee zegt het Hof in feite dat een “fair trial” in gevaar komt. Temeer uit het voorgaande volgt dat de Ontvanger bij herhaling art. 8:42 Awb overtreedt. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de consequenties die aan het niet nakomen van de verplichtingen wordt verbonden in redelijke verhouding staan tot de verwijtbaarheid van de Ontvanger. Althans zonder nadere toelichting door het Hof is het oordeel dat vernietiging van de beschikkingen te verstrekkend zou zijn niet houdbaar gelet op de schending van art. 8:42 Awb, zoals begaan door de Ontvanger. Zeker als daarbij in ogenschouw wordt genomen dat door de handelwijze van de Ontvanger belanghebbende haar verdediging voor maar één gerechtelijk college, het Gerechtshof, heeft kunnen voeren. Dat maakt dat er geen sprake kan zijn van een procedure waarvan kan worden gezegd dat aan de waarheidsvinding geen afbreuk wordt gedaan. Waarheidsvinding als stukken achter gehouden worden, is niet mogelijk. Het Hof stelt met zoveel woorden vast in overwegingen 4.14 en 4.31 dat stukken nog worden achtergehouden. Althans het Hof geeft in die overwegingen er blijk van te weten dat tijdens de inzage van 17 september 2012 stukken door de Ontvanger tot alle op de zaak betrekking hebbend zijn gerekend, die door de Ontvanger niet aan de rechter ex art. 8:42 Awb zijn gepresenteerd. Die constatering van het Hof over de inzage is een bevestiging van het feit dat de Ontvanger art. 8:42 Awb bij voortduring schendt zodat ingevolge art. 8:31 Awb daaraan een andere consequentie verbonden moet worden dan het Hof heeft gedaan. Verwijzing moet volgen. Bewijslastverdeling In overweging 4.14 oordeelt het Hof dat er geen aanleiding is om de bewijslast, voor zover die volgens de normale bewijslastverdeling op belanghebbende rust, te verschuiven naar de Ontvanger. Het Hof oordeelt wel dat belanghebbende in het kader van het bestrijden van de hoogte van de aansprakelijkstelling alle argumenten kan aanvoeren, ook al zouden die argumenten eerder tegen de naheffingsaanslagen door de lichamen zijn ingebracht en waarover al is geoordeeld. Belanghebbende kan zich niet verenigen met die oordelen. In deze casus is het volgende aan de hand. De Inspecteur heeft aan de lichamen naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd. De correcties opgenomen in die aanslagen hebben betrekking op feiten en omstandigheden waarvan de bewijslast ligt bij de lichamen. Dat nadat de Belastingdienst Fiod de administratie van de lichamen in beslag had genomen en een strafrechtelijk onderzoek heeft uitgevoerd. Na het niet betalen door de lichamen van de aanslagen (wegens onvermogen), is belanghebbende aansprakelijk gesteld. In bezwaar is door de Ontvanger een veelheid aan informatie, vallende onder art. 7:4 en 8:42 Awb, ter inzage gelegd. Nadien is vastgesteld dat in bezwaar maar bovenal beroep de Ontvanger (onderdelen van) alle op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft overlegd. Na verwijzing is gebleken dat de Ontvanger alle op de zaak betrekking hebbende stukken (zie overlegde stukken na verwijzing en overwegingen 4.14 en 4.31) voor verwijzing heeft achter gehouden. Bovendien staat vast dat belanghebbende voor cassatie herhaaldelijk heeft verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de onderliggende stukken van het rapport boekenonderzoek, te overleggen. Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende niet te vereenzelvigen is met de lichamen en dat belanghebbende niet beschikt over de administratie van de lichamen. De enige partij die alle stukken heeft waarop de hoogte van de aansprakelijkstelling is gebaseerd, is de partij die weigert die stukken in te brengen (dat staat los van de vraag of dat na verwijzing nog kan). Na verwijzing brengt de Ontvanger selectief stukken in. Belanghebbende voert daartegen verweer. Onder deze omstandigheden kan belanghebbende het Hof niet volgen in het oordeel dat er geen aanleiding is om de bewijslast op de Ontvanger te leggen. Dat roept ais eerste de vraag op of de bewijslast niet zonder meer rust op de Ontvanger. Immers hij is degene die stelt dat belanghebbende voor een bepaald bedrag aansprakelijk is. Dat de Ontvanger dan verwijst naar de omvang van de naheffingsaanslagen, betekent niet dat dan in de aansprakelijkheidsprocedure de bewijslast, zoals die geldt voor de naheffingsaanslagen moet worden gevolgd. Temeer omdat de Ontvanger een eigen onderzoeks-/ beoordelingsplicht heeft. Temeer in deze procedure belanghebbende niet over alle stukken beschikt en de Ontvanger die stukken heeft maar niet inbrengt. Onder deze omstandigheden had het Hof de bewijslast op de Ontvanger moeten leggen. Namelijk in verband met de onmogelijke bewijspositie waarin belanghebbende door de proceshouding van de Ontvanger verkeert, waardoor een redelijke bewijslastverdeling vereist dat de bewijslast verschuift naar de Ontvanger. Verwijzing zal moeten volgen als u belanghebbende in haar redenering volgt. Immers uit de overwegingen 4.21 tot en met 4.35 volgt dat het Hof redeneert vanuit het feit dat het aan belanghebbende is om aan te tonen dat “vergoedingen” terecht zijn uitgekeerd. Proceskostenvergoeding Belanghebbende formuleert nog een grief tegen de toegekende proceskostenvergoeding maar wil thans hier al opmerken dat zij van mening is dat in het kader van art. 8:31 Awb een hogere vergoeding dan een forfaitaire had moeten worden toegekend. Belanghebbende heeft dat ook bepleit (conclusie van 15 februari 2017) naast de vernietiging van de beschikkingen. Belanghebbende is van oordeel dat een schending van art. 8:42 Awb (zeker als dat herhaaldelijk gebeurt, zoals in deze zaak) ingevolge art. 8:31 Awb tot een hogere vergoeding moet leiden dan enkel een forfaitaire vergoeding. Niet wegens onzorgvuldigheid of “tegen beter weten in handelen" maar omdat door het schenden van art. 8:42 het bestuursorgaan het fundament van een “fair trial” raakt en belanghebbende op kosten jaagt. In dit geval kan belanghebbende in maar één feitelijke instantie zich verweren tegen het rapport boekenonderzoek (fair trial) en door het standpunt van de Ontvanger na verwijzing over art. 8:42 Awb heeft belanghebbende extra kosten moeten maken. Onder dergelijke omstandigheden moet een rechter bij toepassing van art. 8:31 Awb een hogere vergoeding toekennen. Belanghebbende hoopt dat uw Raad dit onderdeel van de grief aangrijpt om de rechtspraktijk handvatten te geven hoe gehandeld moeten worden qua toe te kennen vergoedingen bij schending van art. 8:42 Awb. 4Wet- en regelgeving en jurisprudentie Wet- en regelgeving IW 1990 4.1 Artikel 36, eerste t/m vierde lid, van de IW 1990 luidt als volgt: 1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting (…) verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden. 2. Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van loonbelasting (…) in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden. 3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. 4. Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan. 4.2 Artikel 49, vierde t/m zevende lid, van de IW 1990 luidt: 4. Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de in het eerste lid bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. 5. Met betrekking tot het vierde lid zijn de artikelen 25, derde lid, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing indien het niet aan de aansprakelijk gestelde is te wijten dat: a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 41, 47, 47a, 49 en 52 van die wet, alsmede aan de verplichtingen ingevolge artikel 53, eerste, tweede en derde lid, van die wet voor zover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen. 6. De ontvanger stelt de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar, het instellen van beroep of beroep in cassatie redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht. 7. Het bezwaar kan geen betrekking hebben op feiten of omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. 4.3 Artikel 7 Uitvoeringsbesluit IW 1990 luidt, voor zover in cassatie van belang: 1. De mededeling, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet, wordt gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan ingevolge artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (…). 2. In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag. 3. Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald. Jurisprudentie lagere rechters 4.4 De Rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 6 april 2011 overwogen in de zaak waarin de naheffingsaanslag aan [A] BV in geschil was: 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende op 16 oktober 2009 over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd van € 156.742 en heeft bij afzonderlijke beschikking heffingsrente ten bedrage van € 27.161 in rekening gebracht. 1.2. De inspecteur heeft bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 april 2010 de naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen en beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 juni 2010, ontvangen bij de rechtbank op 3 juni 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. (…) 2.2. Bij belanghebbende en haar dochtermaatschappij is op 9 augustus 2006 een boekenonderzoek ingesteld. Het rapport van dit onderzoek draagt als datum 5 oktober 2009 en is aan belanghebbende gezonden. In dit rapport zijn met toestemming van het Openbaar Ministerie, stukken gebruikt van verhoren van een door de FIOD/ECD ingesteld strafrechtelijk onderzoek naar de uitbetaalde kilometervergoedingen in de periode 1 januari tot en met 31 december 2005 van belanghebbende en haar dochtermaatschappij. (…) 3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. (…) 4.1.2.Belanghebbende heeft de constateringen in het controlerapport, voor wat betreft de gebreken in de loonadministratie niet, dan wel onvoldoende weersproken. De inspecteur heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de door belanghebbende gevoerde loonadministratie zodanige gebreken vertoont dat deze niet voldoet aan de eisen van artikel 52 van de AWR. Gelet op onder andere de door de werknemers afgelegde verklaringen, de afwezige kilometerlijsten en geconstateerde afwijkingen van de kilometervergoedingen en in aanmerking nemende dat na aanpassing van het bruto loon in 2007 de percentages van de kilometervergoedingen ten opzichte van het fiscale loon zo’n 20% afwijken (afgerond 28% in 2005 bij belanghebbende en haar rechtsopvolger, 34% in 2006 en 30% in 2007 tot de herrekening bij haar rechtsopvolger ten opzichte van 9% na herrekening in 2007) zijn de gebreken in de (loon)administratie van belanghebbende dermate ernstig dat de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 52 van de AWR op haar rustende verplichtingen. Dit betekent dat de rechtbank het beroep wat betreft de naheffingsaanslag over 2005 ongegrond moet verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de desbetreffende uitspraak op bezwaar onjuist is. 4.1.3.Met betrekking tot het jaar 2004 heeft de inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank terecht, gesteld dat er geen sprake is van omkering van de bewijslast. Op grond hiervan dient de vraag of terecht belasting over 2004 van belanghebbende is nageheven beantwoord te worden op basis van de normale regels omtrent de bewijsvoering. Kilometervergoeding 4.2.1. Met betrekking tot de kilometervergoeding is er geen sprake van omkering van de bewijslast aangezien belanghebbende volgens de normale regels van de bewijsvoering al de bewijslast heeft van het verstrekken van de vrijgestelde kilometervergoeding. 4.2.2. Belanghebbende is niet in deze bewijslast geslaagd. Aan de onder 2.3 vermelde feiten ontleent de rechtbank het vermoeden dat belanghebbende bovenmatige kilometervergoedingen heeft uitbetaald door meer kilometers in aanmerking te nemen dan feitelijk waren gereden. 4.2.3. Met betrekking tot de hoogte van de bovenmatige kilometervergoedingen overweegt de rechtbank het volgende. Het staat de inspecteur vrij om bij een groot personeelsbestand als dat van belanghebbende de juistheid van de berekende loonheffing te beoordelen door middel van een steekproef (zie hiervoor onder andere HR 14 maart 2008, nr. 39.866, onder andere gepubliceerd in NTFR 2008/549). Die steekproef moet dan wel voldoen aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen. De bewijslast van de juistheid van de steekproef en van de extrapolatie van de uitkomsten daarvan rust op de inspecteur. Uit de door de inspecteur overgelegde stukken blijkt dat de steekproef is opgezet met inachtneming van de algemeen aanvaarde controlegrondslagen (waaronder vastlegging van bij de steekproef gehanteerde materialiteit en celgrootte) en beleidslijnen die de belastingdienst daarvoor pleegt te hanteren. 4.2.4. In het kader van het onderzoek is door de inspecteur een zogenoemde guldenssteekproef getrokken uit de door belanghebbende en haar dochtermaatschappij in 2005 verstrekte kilometervergoedingen. In de steekproef zijn 86 weekvergoedingen, betaald in 2005, betrokken van in totaal 63 uitzendkrachten. De inspecteur heeft de in de steekproef betrokken vergoedingen onderzocht en óf geaccepteerd óf voor een bepaald percentage bovenmatig geacht. De som van die percentages kwam uit op 44,11 (het zogenoemde foutpercentage). De inspecteur heeft bij de beoordeling of van een fout sprake was tot uitgangspunt genomen dat er vooraf (op wat voor wijze ook) een declaratie voor het juiste aantal gereden kilometers moest zijn en de uitbetaalde kilometers vergeleken met de vastlegging bij de projecten. Met gebruikmaking van het resultaat van de steekproef heeft de inspecteur vervolgens een schatting gemaakt van de vermoedelijke omvang van het deel van de kostenvergoedingen waarvoor kan worden aangenomen dat daarover loonbelasting behoefde te worden ingehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is de steekproef juist opgezet en uitgevoerd. 4.2.5. Belanghebbendes standpunt dat rekening gehouden moet worden met negatieve correcties omdat er kostenvergoedingen zijn toegekend die hoger onbelast hadden mogen uitvallen, maakt dat niet anders. Een vergoeding is onbelast indien de werkgever, binnen de juiste kaders en normen, naast het loon vooraf een aparte vergoeding voor de gemaakte kosten met de werknemer is overeengekomen en op het moment van uitbetaling ook als zodanig heeft aangemerkt. Men kan hierbij achteraf niet een stuk van het loon als onbelaste vergoeding aanmerken. 4.2.6. Ook het standpunt van belanghebbende dat in de steekproef Duitse werknemers zijn meegenomen met een andere regeling en dat er geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat een werknemer materiaal op moest halen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft de door de inspecteur bovenmatig geachte vergoedingen op zich niet bestreden. Voorts heeft belanghebbende geen nadere of cijfermatige onderbouwing gegeven met betrekking tot de Duitse werknemers. Bovendien vindt de rechtbank de stelling van belanghebbende met betrekking tot het ophalen van materialen niet geloofwaardig. Weekendvergoeding 4.3.1. Ook met betrekking tot de weekendvergoedingen heeft belanghebbende de bewijslast. Volgens belanghebbende is er een mondelinge afspraak gemaakt met de Polen dat ze om het weekend een vergoeding krijgen voor een rit naar huis. 4.3.2. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke vergoeding in beginsel mogelijk is voor daadwerkelijk gemaakte reizen voor familiebezoek. Voor het declareren van een kilometervergoeding ter zake van het vervoer per eigen auto voor gezinsbezoek zou in beginsel kunnen worden volstaan met een door de werknemer ondertekende declaratie. Nu echter dergelijke declaraties niet aanwezig zijn, belanghebbende slechts stelt mondelinge afspraken te hebben gemaakt en geen controle heeft uitgeoefend en er, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de feiten en omstandigheden genoemd onder 2.3, gerede twijfel bestaat omtrent het waarheidsgehalte van de gestelde familiebezoeken, acht de rechtbank onder deze omstandigheden een vergoeding voor het familiebezoek niet aannemelijk. 4.3.3. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de brief van de inspecteur van 3 december 2004 het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat deze vergoeding gegeven mocht worden. Belanghebbende schrijft in haar brief van 16 december 2004 (Rb: uit de brief van de inspecteur blijkt dat deze in november is verzonden) hierover: “Woon werk verkeer buitenlandse werknemers. Wij betalen hiervoor de wettelijke toegestane 0,18 eurocent per km dit voor een enkele reis per week.” In zijn reactie van 3 december 2004 schrijft de inspecteur: “ … De kosten van reizen naar het land van herkomst die de werknemer maakt om zijn gezin, dat in het land van herkomst is blijven wonen, te bezoeken zijn aan te merken als extraterritoriale kosten.” 4.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in bovenstaande brief juist aangegeven dat belanghebbende slechts de door de buitenlandse werknemer gemaakte kosten mocht vergoeden. Dat belanghebbende een enkele reis per week vergoedt, kan in principe zonder inhouding van loonbelasting en premies volksverzekeringen geschieden indien deze kosten ook daadwerkelijk gemaakt zijn. Het blijft de verantwoordelijkheid van belanghebbende om slechts die kosten te vergoeden die ook daadwerkelijk zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de brief redelijkerwijs niet zover reikt dat in strijd met de wet aftrek zou worden toegestaan. Er is geen sprake van opgewekt vertrouwen van de zijde van de inspecteur. Lunchvergoeding 4.4.1. Belanghebbende heeft de bewijslast voor de lunchvergoeding. Hij stelt dat de vergoeding zakelijk is en verwijst hiervoor naar de bouw-CAO, de beoordeling van 14 december 2007 van de CAO voor de bouwnijverheid 2007-2009 door de kennisgroep CAO-adoptie en het handboek loonbelasting. 4.4.2. In de Collectieve arbeidsovereenkomst voor de Bouwnijverheid van de periode 1 april 2004 tot en met 31 maart 2007 is geen vergoeding voor maaltijden tussen de middag vastgelegd. De beoordeling van de kennisgroep CAO-adoptie betreft een CAO over latere jaren. Hierop kan dan ook niet met vrucht een beroep worden gedaan. 4.4.3. In het handboek loonheffing en premies werknemersverzekeringen 2005 wordt over maaltijden het volgende opgemerkt: “Een vergoeding of verstrekking van maximaal 80 maaltijden per kalenderjaar is onbelast, als de vergoeding of verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Ook voor ambulante werknemers geldt deze regeling. Voor de beantwoording van de vraag of iemand ambulant is, past u het 20-dagencriterium toe. De werknemer moet wel zijn aangewezen op een restaurant of dergelijke eetgelegenheid. …” 4.4.4.Nu belanghebbende haar stelling verd