Nr. 17/03280 Zitting: 18 december 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 29 juni 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens (zaak A, zaaksdossier ‘Perugia’) 1. “medeplegen van het door beloften en het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk uitlokken van moord”, (zaak A, zaaksdossier ‘Agenda’) 2. “medeplegen van moord”, (zaak A, zaaksdossier ‘Tanta’) 3. “medeplegen van moord, meermalen gepleegd”, (zaak A, zaaksdossier ‘Cobra’) 4. “medeplichtigheid aan moord”, (zaak B, zaaksdossier ‘Opa’) 1. “medeplegen van moord”, (zaak B, zaaksdossier ‘Indiana’) “medeplegen van poging tot moord”, (zaak B) 3. “deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en (zaak B, zaaksdossier ‘Perugia’) 4. “medeplegen van poging tot moord”, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Er bestaat samenhang met de zaken 17/03276, 17/03297, 17/03339, 17/03459 en 17/04015. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. D.N. de Jonge, mr. S.L.J. Janssen, beiden advocaat te Rotterdam, mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam en mr. C. Grijsen, advocaat te Almere, hebben vijftien middelen van cassatie voorgesteld. Op 28 juni 2018 is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken, zoals hierna onder nummer 10 nog nader zal worden besproken. Op 4 september 2018 heeft mr. S.L.J. Janssen de cassatiemiddelen mondeling toegelicht. Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. J.H. Fellinger, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is schriftelijk tegengesproken door de voornoemde raadslieden van de verdachte. Namens de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is eveneens een cassatieschriftuur ingediend. Mr. E. Huls, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie ingesteld. Ook dit cassatieberoep is door de raadslieden van de verdachte schriftelijk tegengesproken. Het Passageproces 6. De strafzaak tegen de verdachte is onderdeel van verschillende strafzaken die bekend zijn geworden onder de noemer ‘liquidatieproces Passage’ (hierna ook: Passageproces). Dit proces is gestart op 9 februari 2009. Op 29 januari 2013 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in dit liquidatieproces. Op 28 februari 2013 is het proces in hoger beroep gestart bij het gerechtshof Amsterdam. De uitspraak vond plaats op donderdag 29 juni 2017. Het proces startte aanvankelijk met twaalf verdachten die beschuldigd werden van betrokkenheid bij liquidaties, pogingen daartoe of de voorbereiding daarvan. Een aantal van hen werd daarnaast beschuldigd van – onder meer – wapendelicten en het vormen van een criminele organisatie, gericht op het plegen van liquidaties. In de loop van het strafproces zijn twee verdachten overleden. Met twee andere verdachten, [getuige 1] en [getuige 2] , heeft het Openbaar Ministerie een zogeheten kroongetuigenovereenkomst gesloten. In ruil voor onder meer een lagere strafeis, hebben deze verdachten een verklaring afgelegd over verschillende moorden die hebben plaatsgevonden in de periode 1993 tot en met 2006. Onder meer op basis van deze verklaringen heeft het gerechtshof negen verdachten veroordeeld. Eén verdachte is vrijgesproken. De andere verdachten zijn veroordeeld tot vrijheidsstraffen, waarvan in vier gevallen een levenslange gevangenisstraf. Zes verdachten zijn in cassatie gegaan, waaronder de verdachte. Zaaksdossiers 7. De strafzaken tegen de verdachte en de medeverdachten zijn een uitvloeisel van verschillende politieonderzoeken naar strafbare feiten. Doordat de strafzaken zeer omvangrijk zijn, is in de procedure bij de rechtbank en het hof veelal teruggevallen op de namen van deze onderzoeken. Om de leesbaarheid van deze conclusie te bevorderen, noem ik de namen van de voor de cassatieprocedure relevante onderzoeksdossiers: - Het onderzoeksdossier ‘Tanta’ ziet op de moord op [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in 1993. - Het onderzoeksdossier ‘Opa’ ziet op de moord op [betrokkene 7] in 1993. - Het onderzoeksdossier ‘Cobra’ ziet op de moord op [betrokkene 8] en [betrokkene 9] in 1993. - Het onderzoeksdossier ‘Agenda’ ziet op de moord op [betrokkene 14] in 2005. - Het onderzoeksdossier ‘Perugia’ ziet op de moord op [betrokkene 10] in 2006. - Het onderzoeksdossier ‘Indiana’ ziet op de poging tot moord op [betrokkene 11] in 2000. - Het onderzoeksdossier ‘Nicht’ ziet op de poging moord/voorbereiding van moord op [betrokkene 12] in de periode 2002-2007. - Het onderzoeksdossier ‘Oma’ ziet op de poging moord/voorbereiding van moord op [betrokkene 13] in de periode 2004-2005. - Het onderzoeksdossier ‘Wapen’ ziet op het voorhanden hebben vuurwapens. - Het onderzoeksdossier ‘Wapenhandel’ ziet op het handelen in vuurwapens. Leeswijzer 8. In deze conclusie worden in totaal 21 middelen besproken. 15 middelen zijn ingediend namens de verdachte. Daarvan worden eerst de middelen 1 tot en met 9, 12 en 13 besproken. Deze middelen hebben betrekking op de kroongetuigeregeling. Vervolgens worden de middelen 10 (over het ondervragingsrecht), 11 (over onder meer medeplegen en denatureren), 14 (over het ondervragingsrecht) en 15 (over de strafoplegging) behandeld. Tot slot komen de in totaal zes namens de benadeelde partijen ingediende middelen aan de orde. De bewezen verklaarde feiten 9. [verdachte] is als verdachte in beeld gekomen vanwege zijn mogelijke betrokkenheid bij verschillende liquidaties. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat: “Ten aanzien van het onder zaak A, feit 1 tenlastegelegde (zaaksdossier Perugia): ten aanzien van het in zaak A onder 1 subsidiair ten laste gelegde: [betrokkene 20] en [betrokkene 21] op 20 april 2006 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 10] van het leven hebben beroofd, immers heeft die [betrokkene 20] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam van die [betrokkene 10] geschoten, waardoor die [betrokkene 10] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden, welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 20 april 2006 in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften, te weten door een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en door het verschaffen van middelen, zoals vuurwapens en een vluchtauto en telefoons, en door het verschaffen van inlichtingen, zoals informatie over adresgegevens/verblijfplaatsen van die [betrokkene 10] en het signalement van die [betrokkene 10] en andere voor de moord relevante informatie over die [betrokkene 10] ; Ten aanzien van het onder zaak A, feit 2 tenlastegelegde (zaaksdossier Agenda): hij op 2 november 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 14] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels in het lichaam van die [betrokkene 14] geschoten, waardoor die [betrokkene 14] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden. Ten aanzien van het onder zaak A, feit 3 tenlastegelegde (zaaksdossier Tanta): hij op 1 april 1993 te Ouderkerk aan den Amstel, gemeente Ouder-Amstel, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 6] en [betrokkene 5] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels in het lichaam van die [betrokkene 6] en in het lichaam van die [betrokkene 5] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 6] en [betrokkene 5] zodanige verwondingen hebben opgelopen dat zij daaraan zijn overleden. Ten aanzien van het onder zaak A, feit 4 subsidiair tenlastegelegde (zaaksdossier Cobra): [betrokkene 41] en [medeverdachte 3] in de periode van 8 mei 1993 tot en met 14 mei 1993 te Antwerpen, in België, tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 8] van het leven hebben beroofd, immers hebben [betrokkene 41] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 8 mei 1993 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels in het lichaam van voornoemde [betrokkene 8] geschoten ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 8] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan op 14 mei 1993 is overleden, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 mei 1993 tot en met 9 mei 1993 in Nederland, en te Antwerpen, in elk geval in België, opzettelijk behulpzaam is geweest immers heeft hij, verdachte, - bij het Hilton in Rotterdam verzameld met voornoemde [betrokkene 41] en [medeverdachte 3] en - is hij vervolgens met voornoemde [betrokkene 41] en [medeverdachte 3] vanuit Nederland naar de omgeving van de woning van voornoemde [betrokkene 8] in Antwerpen gereden. Ten aanzien van het onder zaak B, feit 1 tenlastegelegde (zaaksdossier Opa): hij op 19 april 1993 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 7] van het leven heeft beroofd, immers hebben hij en een van zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, kogels in het lichaam van voornoemde [betrokkene 7] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 7] zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij daaraan is overleden; Ten aanzien van het onder zaak B, feit 2 primair tenlastegelegde (zaaksdossier Indiana): hij op 26 oktober 2000 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 11] (alias [...] ) van het leven te beroven, zich met een mededader naar de plaats van het misdrijf heeft begeven, waarna hij met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een kogel in het lichaam en kogels in de richting van het lichaam van die [betrokkene 11] heeft geschoten. Ten aanzien van het onder zaak B, feit 3 tenlastegelegde (zaaksdossier criminele organisatie): hij in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 augustus 2006 te Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en [betrokkene 22] en [getuige 2] en [getuige 1] en [medeverdachte 5] en een ander, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten moord. Ten aanzien van het in zaak B, onder 4 primair ten laste gelegde (zaaksdossier Perugia): hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 20 februari 2006 te Zwanenburg en elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [betrokkene 10] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededader, - voorzien van vuurwapens met munitie en van speciaal daartoe aangeschafte kleding en een personenauto, naar de woning van die [betrokkene 10] is toegegaan en - op een door hem, verdachte, en zijn mededader geschikt geachte plaats op die [betrokkene 10] heeft gewacht.” 9.1. In het dossier ‘Agenda’ staat de moord op [betrokkene 14] centraal. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kan het volgende worden afgeleid. [betrokkene 14] is op 2 november 2005 bij zijn woning in de wijk [...] , Amsterdam van het leven beroofd. Het slachtoffer is, toen hij in zijn auto stapte, met een vuurwapen beschoten. Vervolgens is het slachtoffer ook beschoten met een Kalasjnikov. [betrokkene 14] heeft uit zijn auto kunnen komen en is uiteindelijk in zijn woning komen te overlijden. Het hof heeft mede op basis van de verklaringen van [getuige 1] vastgesteld dat [betrokkene 14] is komen te overlijden door de dodelijke kogels die [getuige 1] en [verdachte] hebben afgevuurd. Zij zouden deze moord hebben uitgevoerd in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 5] en naar het hof aanneemt [betrokkene 23] , geen (mede)verdachte in het Passageproces. 9.2. Het dossier ‘Perugia’ ziet op de moord op [betrokkene 10] , die is doodgeschoten in zijn café in Amsterdam. Het hof heeft op basis van het dossier vastgesteld dat er tenminste één eerdere poging is geweest om het voornoemde slachtoffer van het leven te beroven. Bij deze poging waren volgens het hof [verdachte] en [getuige 1] betrokken. Omdat zij werden gadegeslagen door getuige [betrokkene 17] , staakten zij de liquidatiepoging. Door [verdachte] en [getuige 2] zouden vervolgens [betrokkene 20] en [betrokkene 21] zijn benaderd om de moord te plegen en zij hebben de moord uiteindelijk ook gepleegd. De feitelijke opdracht zou verstrekt zijn door [medeverdachte 5] . 9.3. Het dossier ‘Tanta’ ziet op het onderzoek dat verricht is naar de dood van [betrokkene 6] en [betrokkene 5] . De stoffelijke overschotten van de twee Joegoslavische slachtoffers zijn in de nacht van 1 op 2 april 1993 aangetroffen op een afgelegen parkeerplaats aan de Ouderkerkerplas in Ouderkerk aan de Amstel. Eén van de slachtoffers bevond zich in een uitgebrande auto. Nader onderzoek wees uit dat beiden overleden waren als gevolg van schotwonden en dat nadien de lichamen in brand zijn gestoken. De omstandigheden waaronder de overledenen zijn aangetroffen, hebben het dossier in de media de sinistere naam ‘barbecuemoorden’ opgeleverd. Het hof heeft uit het dossier afgeleid dat [betrokkene 34] , [medeverdachte 2] en [verdachte] het plan hebben gemaakt om de slachtoffers om het leven te brengen. [betrokkene 34] en [medeverdachte 2] hebben de auto met de slachtoffers naar een afgelegen en verlaten parkeerplaats gereden. Op die plek was [verdachte] aanwezig en op deze locatie zijn de beide slachtoffers doodgeschoten. In ieder geval [verdachte] heeft volgens het hof op één van de slachtoffers geschoten. 9.4. In de nacht van 8 op 9 mei 1993 zijn [betrokkene 8] en [betrokkene 9] dood aangetroffen in een auto in Antwerpen. Uit onderzoek bleek dat zij door vuurwapengeweld om het leven zijn gekomen. Onder de noemer ‘Cobra’ is onderzoek verricht naar deze dubbele moord. De achtergrond van de moord is volgens het hof erin gelegen dat [betrokkene 40] geld verschuldigd was aan [betrokkene 8] . [betrokkene 40] is geen (mede)verdachte in het Passageproces. [verdachte] en [medeverdachte 2] zouden toentertijd voor deze [betrokkene 40] als – kort gezegd – huurmoordenaars hebben gewerkt. Op de avond van de moord heeft [verdachte] de ‘schutters’ [medeverdachte 3] en [betrokkene 41] naar Antwerpen begeleid. [verdachte] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan de moord op [betrokkene 8] . 9.5. Het dossier ‘Opa’ ziet op de eveneens in 1993 gepleegde moord op [betrokkene 7] . Het slachtoffer werd nabij een Amsterdams hotel in zijn auto doodgeschoten. [medeverdachte 2] zou door [betrokkene 37] zijn benaderd om [betrokkene 7] te vermoorden. Door [betrokkene 37] is een afspraak gemaakt met het latere slachtoffer en zou de details van de afspraak aan [medeverdachte 2] hebben doorgegeven. Deze informatie is vervolgens aan [verdachte] dan wel [medeverdachte 4] doorgegeven. [betrokkene 7] is op de afgesproken plaats verschenen en is volgens het hof vervolgens doodgeschoten door [verdachte] en [medeverdachte 4] . 9.6. Tot slot gaat het in het dossier ‘Indiana’ om de mislukte poging om [betrokkene 11] van het leven te beroven. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat het slachtoffer vanuit Ibiza naar Amsterdam was gereisd. Eenmaal in Amsterdam heeft het slachtoffer op de avond van 26 oktober 2000 verschillende malen contact gehad met een persoon die later geïdentificeerd is als [medeverdachte 2] . Na verschillende afspraken en ontmoetingen heeft het slachtoffer ’s avonds afgesproken om iemand in de buurt van het Olympisch Stadion in Amsterdam te ontmoeten. Op die ontmoetingsplaats is het slachtoffer beschoten door een persoon die achterop een motor zat. Het slachtoffer werd daarbij in zijn buik geraakt, maar wist desondanks via het water te ontkomen. In zijn verklaringen is [verdachte] door [getuige 1] als schutter aangewezen en ‘ [...] ’ zou de bestuurder van de motor zijn geweest. 9.7. De dossiers ‘Tanta’, ‘Opa’ en ‘Cobra’ worden gezamenlijk ook wel aangeduid als ‘de 93-zaken’, omdat het gaat om onderzoeken naar moorden die zijn gepleegd binnen een korte periode in 1993. Voorafgaande opmerkingen over de partiële intrekking van de cassatieschriftuur 10. Blijkens een akte rechtsmiddel, opgemaakt op 28 juni 2018, is namens de verdachte het cassatieberoep partieel ingetrokken voor zover dat is gericht tegen (
- i)de door het hof gegeven vrijspraak van het in zaak A, feit 1 primair tenlastegelegde, (
- ii)de door het hof gegeven vrijspraak van het in zaak A, feit 4 primair en subsidiair tenlastegelegde en (iii) de beslissingen de volgende benadeelde/beledigde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren: [betrokkene 9] , [betrokkene 60] , [betrokkene 1] , [betrokkene 4] [betrokkene 3] , [betrokkene 2] (voor het deel dat niet-ontvankelijk is verklaard) en [betrokkene 50] (voor het deel dat niet-ontvankelijk is verklaard). 10.1. Ingevolge art. 429 Sv kan het beroep in cassatie tegen een gedeelte van een in hoger beroep gewezen uitspraak worden ingesteld. In geval van een samengestelde tenlastelegging kan het cassatieberoep worden beperkt tot de beslissingen over (cumulatieve, alternatieve en/of primaire) onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven. De hierboven onder (
- i)en (
- ii)genummerde beperkingen zijn dus toelaatbaar. Toelaatbaar lijkt ook een beperking voor gevallen waarin een benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in haar civiele vordering. In ieder geval heeft de Hoge Raad nog vrij onlangs een beperking in die zin in de aanhef van een arrest uitdrukkelijk vermeld, zonder daarop een aanmerking te maken. Of de beperkingsvrjjheid zó ver gaat dat ook een opsplitsing binnen de beslissing op de vordering van een en dezelfde benadeelde partij mogelijk is waag ik te betwijfelen. In de onderhavige zaak is dat blijkens de akte houdende partiële intrekking wel gepoogd te doen, zie de hierboven als (iii) genummerde beperking. Enig belang bij het beantwoorden van die vraag is er thans niet, dus ik laat dit verder terzijde. Dat geldt niet voor de vraag of de intrekking van het cassatieberoep voor zover het betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij consequenties heeft voor de mogelijkheid voor diezelfde benadeelde partij om op de voet van art. 437 lid 3 Sv harerzijds cassatiemiddelen voor te stellen, met betrekking tot een rechtspunt dat de vordering betreft. Op die kwestie kom ik later in deze conclusie terug, bij de behandeling van de door de benadeelde partij [betrokkene 1] en de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ingediende cassatiemiddelen. De namens de verdachte ingediende middelen Kroongetuigen 11. In het Passageproces hebben kroongetuigen een voorname rol vervuld. Zo is de procedure bij de rechtbank in een belangrijke mate beheerst door kwesties inzake de kroongetuige [getuige 1] . Tijdens de behandeling in hoger beroep werd bekend dat het Openbaar Ministerie ook een kroongetuigenovereenkomst had gesloten met verdachte [getuige 2] . Dat deze rode draad in het Passageproces doorloopt in de cassatiefase, mag dan ook geen verbazing wekken. Verspreid over negen middelen, zijn verschillende klachten geformuleerd over de uitleg en toepassing van de in art. 226g en verder Sv neergelegde kroongetuigeregeling. Deze middelen komen in het navolgende aan de orde. Het wettelijk kader 12. Alvorens deze middelen te bespreken, sta ik stil bij het wettelijk kader en bespreek ik kort de kroongetuigeregeling. De relevante bepalingen luiden als volgt: - Art. 226g Sv “1. De officier van justitie geeft aan de rechter-commissaris kennis van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte die bereid is een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht zal worden gevorderd. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op het afleggen van een getuigenverklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar misdrijven, als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering die gepleegd zijn in georganiseerd verband en gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren of naar misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. De afspraak heeft uitsluitend betrekking op strafvermindering als bedoeld in artikel 44a, tweede lid. 2. De voorgenomen afspraak is op schrift gesteld en bevat een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van: a. de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige, bedoeld in het eerste lid, bereid is een getuigenverklaring af te leggen; b. de strafbare feiten waarvoor de getuige in de zaak waarin hij zelf verdachte is, zal worden vervolgd en op welke die toezegging betrekking heeft; c. de voorwaarden die aan de getuige, tevens verdachte, worden gesteld en waaraan deze bereid is te voldoen; d. de inhoud van de toezegging van de officier van justitie. 3. Op vordering van de officier van justitie toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak. De officier van justitie verschaft de rechter-commissaris de gegevens die hij voor de beoordeling daarvan behoeft. 4. Van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak, bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.” - Art. 226h Sv “1. De getuige die met de officier van justitie overlegt over het maken van een afspraak op de voet van artikel 226g, kan zich laten bijstaan door een advocaat. Aan de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat toegevoegd. De toevoeging geschiedt op last van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. 2. De rechter-commissaris hoort de getuige, bedoeld in artikel 226g, eerste lid, over de voorgenomen afspraak. 3. De rechter-commissaris beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak; hij houdt daarbij rekening met de dringende noodzaak en met het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Hij geeft tevens een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand. 4. De officier van justitie voegt de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door het maken van een afspraak als bedoeld in artikel 226g niet bij de processtukken voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft geoordeeld.” - Art. 226i Sv “1. De beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 226h, derde lid, is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de getuige. 2. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin de voorgenomen afspraak niet rechtmatig wordt geoordeeld, staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking hoger beroep open bij de rechtbank. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. 3. Tegen de beschikking van de rechtbank is geen beroep in cassatie toegelaten.” - Art. 226j Sv “1. Nadat de afspraak rechtmatig is geoordeeld wordt de getuige bedoeld in artikel 226g, eerste lid, door de rechter-commissaris gehoord. 2. Deze getuige kan niet worden gehoord met toepassing van de artikelen 226a tot en met 226f. 3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, geeft de rechter-commissaris van het totstandkomen van de afspraak en de inhoud daarvan kennis aan de verdachte, te wiens laste de verklaring is afgelegd, met dien verstande dat geen mededeling behoeft te worden gedaan van de maatregelen, bedoeld in artikel 226l. 4. De rechter-commissaris kan in het belang van het onderzoek ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de getuige bevelen dat de identiteit van de getuige voor een bepaalde termijn voor de verdachte verborgen wordt gehouden. Het bevel wordt voor de beëindiging van het onderzoek door de rechter-commissaris opgeheven.” - Art. 226k Sv “1. De artikelen 226g tot en met 226j zijn van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken met een veroordeelde die bereid is een getuigenverklaring af te leggen, in ruil voor de toezegging van de officier van justitie dat deze bij de indiening van een verzoekschrift om gratie een positief advies tot vermindering van de opgelegde straf met maximaal de helft zal uitbrengen. De voorwaarden voor het uitbrengen van een positief advies zijn dezelfde als genoemd in artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht voor het vorderen en toepassen van strafvermindering. 2. Bij het op schrift stellen van de voorgenomen afspraak geldt niet het vereiste genoemd in artikel 226g, tweede lid, onder b.” - Art. 344a lid 4 Sv: ‘4. Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van verklaringen van getuigen met wie op grond van artikel 226h, derde lid, of 226k een afspraak is gemaakt.” - Art. 360 lid 2 en 4 Sv: "2. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een getuige met wie op grond van artikel 226h, derde lid, (...) door de officier van justitie een afspraak is gemaakt, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden. (...) 4. Alles op straffe van nietigheid." - Art. 44a Sr “1. Op vordering van de officier van justitie kan de rechter na een op grond van artikel 226h, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gemaakte afspraak de straf verminderen die hij overwoog op te leggen op de in het tweede lid bepaalde wijze. Bij de strafvermindering houdt de rechter ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven. 2. Bij toepassing van het eerste lid kan de strafvermindering bestaan in: a. maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete, of b. de omzetting van maximaal de helft van het onvoorwaardelijke gedeelte van een vrijheidsstraf, taakstraf of van een geldboete in een voorwaardelijk gedeelte, of c. de vervanging van maximaal een derde gedeelte van een vrijheidsstraf door taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onder b, blijft artikel 14a, eerste en tweede lid, buiten toepassing.” 12.1. Art. 226g en verder Sv opent de mogelijkheid voor de officier van justitie om toezeggingen te doen aan getuigen die tevens verdachte zijn. In ruil voor deze toezeggingen toont de getuige zich bereid om een getuigenverklaring af te leggen. Er worden bepaalde eisen gesteld aan het sluiten van een overeenkomst. Zo kan de figuur van de kroongetuige worden ingezet in onderzoeken naar strafbare feiten van een bepaalde ernst. Wat betreft de te volgen procedure, geldt het volgende. Indien het voornemen bestaat om een kroongetuigenovereenkomst aan te gaan, wordt de rechter-commissaris door de officier van justitie hiervan in kennis gebracht. De rechter-commissaris dient de getuige te horen over de voorgenomen afspraak. Zijn oordeel legt hij neer in een beschikking, waarin hij de rechtmatigheid van de afspraak en de betrouwbaarheid van de getuige beoordeelt. Indien hij tot een toewijzende beschikking komt, wordt de overeenkomst geformaliseerd en wordt de getuige nogmaals door de rechter-commissaris gehoord. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, wordt de totstandkoming van de afspraak en de inhoud daarvan door de rechter-commissaris ter kennis aan de verdachte gebracht. Tot 1 januari 2013 waren afspraken louter mogelijk in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, maar met het vervallen van deze modaliteit is dit vervangen door ‘opsporingsonderzoek’. De voormelde regeling, die in grote lijnen overeenkomt met de eisen die de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden voor ogen stond, is nader uitgewerkt in de ‘Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’ (hierna: de Aanwijzing). Rechtmatigheidstoets kroongetuigenovereenkomst 13. Het eerste middel klaagt in de kern dat het hof is afgeweken van het door de verdediging aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de afspraken met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] om verschillende redenen niet rechtmatig waren, terwijl het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen aan te geven waarom het hiervan is afgeweken, althans dat het afwijken van dit standpunt in het licht van de aan te leggen rechtmatigheidstoets onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is. Vervolgens zou het hof ten onrechte hebben voortgeborduurd op deze beperkte rechtmatigheidstoets wat betreft de beslissingen (toezeggingen) van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de voornoemde getuigen. 13.1. In hoger beroep heeft de verdediging een groot aantal verweren gevoerd die zien op de rechtmatigheid van de (vermeende) toezeggingen aan de kroongetuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Deze verweren zijn door het hof als volgt samengevat: “2.1.2 De eerste rubriek: de wijze waarop het Openbaar Ministerie vorm en inhoud heeft gegeven aan de bejegening en beloning van (kroon)getuigen 2.1.2.1 Wat is aangevoerd De raadsman heeft de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Wetboek van Strafvordering, Boek II, Titel III, Afd. 4B) aan een brede en diepgaande beschouwing onderworpen. De aanleiding voor deze beschouwing is gelegen in de toepassing die (leden van) het Openbaar Ministerie aan die wettelijke regeling heeft gegeven. Sterk samengevat en voor zover voor het navolgende van belang houdt het betoog van de raadsman het volgende in. De wetgever heeft met deze regeling een gesloten systeem in het Wetboek van Strafvordering willen opnemen waarin slechts de toezegging van vermindering van de strafeis is toegestaan. Daarnaast regelt het vierde lid van artikel 226 g Sv de restcategorie van de zogeheten kleine gunsten: toezeggingen die niet raken aan de (beantwoording van) de vragen van artikel 348-350 Sv. Zodra het Openbaar Ministerie zich buiten deze kaders beweegt bevindt het zich op uitdrukkelijk verboden terrein, zo volgt uit de wettelijke regeling en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan. In weerwil van wat de wetgever met de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken heeft geregeld en beoogd is het Openbaar Ministerie willens en wetens en stelselmatig buiten de oevers van die regeling getreden. Dat het Openbaar Ministerie daartoe bereid en in staat is blijkt in het algemeen al uit de op die regeling gegronde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken, en in de onderhavige zaak uit de inhoud van de met de kroongetuigen [getuige 1] en [getuige 2] gemaakte afspraken en de overigens aan ieder van hen gedane toezeggingen. Het zich onrechtmatig bewegen buiten die kaders kan door het Openbaar Ministerie niet met succes worden gepareerd door het opportuniteitsbeginsel in stelling te brengen. De wetgever heeft met de regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken nadrukkelijk ervoor gekozen de algemene handelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie bij het doen van dergelijke toezeggingen aan banden te leggen en te normeren. Daarmee is het opportuniteitsbeginsel in zijn meest zuivere vorm – door de wetgever – beperkt in het geval waarin afzien van vervolging of van voordeelsontneming in de context van toezeggingen aan getuigen zou worden toegepast. Het onder de vlag van getuigenbescherming doen van toezeggingen die aan ieder zicht – ook dat van de rechter-commissaris – zijn onttrokken is derhalve evenzeer in strijd met de (bedoeling van
- de)wet. Toegespitst op de kroongetuige [getuige 1] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken. a. De strafeis van 16 jaren gevangenisstraf voor de (wél) aan [getuige 1] ten laste gelegde feiten had hoger kunnen zijn, temeer nu hij voor zijn betrokkenheid bij een aantal zaken waarover hij wél heeft verklaard toch niet is vervolgd. Bevestiging voor de juistheid van deze stelling kan gevonden worden in de door het Openbaar Ministerie in samenhangende strafzaken (verdachten [betrokkene 20] , [betrokkene 21] , [betrokkene 22] , [medeverdachte 5] , [getuige 2] en [verdachte] ) geformuleerde strafeisen. Door in de strafzaak tegen [getuige 1] niettemin slechts 8 jaren gevangenisstraf te eisen is sprake van een deels verkapte toezegging tot strafvermindering, waarmee het wettelijk toegestane maximum van korting de facto is overschreden. b. Anders dan in de zaken van zijn medeverdachten is [getuige 1] niet vervolgd voor het deelnemen aan een criminele organisatie en evenmin voor zijn strafbare betrokkenheid bij in een aantal deeldossiers beschreven feiten. De tegenwerping van het Openbaar Ministerie dat ook die strafbare gedragingen van [getuige 1] bij de bepaling van de strafeis van 16 jaren zijn meegenomen is moeilijk te volgen. Daarbij komt, dat de inhoud van de dossiers, waarin de resultaten van het onderzoek naar de gewelddadige dood van [betrokkene 36] en een aanslag op [betrokkene 55] zijn beschreven, voldoende aanknopingspunten biedt voor een succesvolle vervolging van [getuige 1] . Voor die feiten is echter evenmin vervolging ingesteld. Al met al moet worden geconcludeerd dat hierdoor sprake is geweest van verkapte immuniteitstoezeggingen aan [getuige 1] . Deze toezeggingen zijn in strijd met de (bedoeling van
- de)wet en dus onrechtmatig gedaan. c. Aan [getuige 1] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat het door hem als criminele beloning voor zijn aandeel in de moord op [betrokkene 14] ontvangen geldbedrag (65.000 Euro) niet als wederrechtelijk verkregen voordeel aan hem wordt ontnomen. Deze toezegging is in strijd met de (bedoeling van
- de)wet en dus onrechtmatig gedaan. d. Aan [getuige 1] is heimelijk toegezegd dat hij niet ook over een specifieke verdachte, namelijk [betrokkene 23] , nader hoefde te verklaren. Deze toezegging heeft te gelden als een tussen [getuige 1] en de Staat gemaakte afspraak, die bij [getuige 1] verwachtingen heeft gewekt over wat van hem in de context van de gemaakte kroongetuigenafspraak kon worden verlangd. Ook deze toezegging is onrechtmatig gedaan. e. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [getuige 1] is gebleken van ernstig onrechtmatig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Die onrechtmatige gang van zaken met betrekking tot zijn getuigenbescherming laat zich in de volgende onderdelen onderscheiden. - De wetgever heeft tot uitgangspunt genomen dat getuigenbescherming zich niet leent voor onderhandelingen met de getuige in kwestie; elke vorm van financiële genoegdoening is door de wetgever uit den boze geacht. Het Openbaar Ministerie heeft aan [getuige 1] veel verdergaande toezeggingen gedaan dan die in het kader van getuigenbescherming geëigend, noodzakelijk of gerechtvaardigd waren. De wet ontbeert iedere grondslag voor het doen van financiële toezeggingen aan getuigen. Deze toezeggingen kunnen niet rechtmatig worden gedaan, ook niet onder de vlag van getuigenbescherming. Door zich jegens [getuige 1] te verplichten in de vorm van een extreem riante financiële constructie handelt het Openbaar Ministerie in strijd met de wet althans met de expliciete en kenbare bedoelingen van de wetgever. Daarbij komt, dat het magistratelijk Openbaar Ministerie heeft nagelaten om de met uitoefening van met beveiliging gepaard gaande bevoegdheden aan kenbare regels te onderwerpen. - Door in afwijking van – naar het hof de raadsman begrijpt – de Aanwijzing beveiliging van personen, objecten en diensten aan [getuige 1] als kroongetuige wél inspraak te geven in de wijze waarop zijn beveiliging plaatsheeft, schendt het Openbaar Ministerie zowel diens magistratelijke verantwoordelijkheden als de eigen Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken. - Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Het Openbaar Ministerie is er zelfs niet voor teruggedeinsd om aan [getuige 1] voor te houden dat de overeenkomst zal worden ontbonden als hij op vragen over zijn bescherming antwoord geeft, ook als hij dit doet in antwoord op door de rechter aan hem gestelde vragen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter waar het met betrekking tot de ontnemingstoezegging al plaatsnam op de stoel van de wetgever. - Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en overigens daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [getuige 1] over zijn bescherming gemaakte afspraken, terwijl het Openbaar Ministerie wist dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [getuige 1] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van zijn verklaringen. Dat de rechter-commissaris tijdens de gedingfase in hoger beroep alsnog heeft kunnen kennisnemen van met [getuige 1] gesloten overeenkomsten neemt deze onrechtmatigheid niet weg, nu dat kennisnemen geen (proportionaliteits)toetsing inhield doch uitsluitend zag op de vraag naar het bestaan van inhoudelijke samenhang tussen de zgn. overeenkomst op hoofdlijnen uit 2009 en de zgn. intentieverklaring financiële bepalingen uit 2007. - De informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie over de met [getuige 1] gemaakte beschermingsafspraken is misleidend geweest. Steeds is de indruk gewekt dat het samenstel van voorwaarden dat in die “intentieverklaring financiële bepalingen” uit 2007 was opgenomen in die “overeenkomst op hoofdlijnen” uit 2009 was overgenomen, terwijl genoegzaam is gebleken dat [getuige 1] te kennen had gegeven zelf in zijn door de Staat te financieren bescherming te willen voorzien. - Onduidelijkheid is blijven bestaan over welke geledingen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie betrokken zijn geweest bij de door de verdediging gewraakte informatievoorziening. Het gevolg van dit een en ander is geweest dat de verdachte [verdachte] zich heeft te verdedigen tegen een kroongetuige die voor een groot aantal zeer ernstige feiten dragend althans zwaarwegend bewijs heeft aangeleverd. Dit, terwijl aan de kroongetuige [getuige 1] in strijd met de (bedoeling van
- de)wet toezeggingen zijn gedaan die hem een financieel motief geven om in strijd met de waarheid te verklaren. Over die toezeggingen is geen, althans onvoldoende, juiste informatie verstrekt als gevolg waarvan de betrouwbaarheid van die verklaringen niet, althans onvoldoende, kan worden vastgesteld. Toegespitst op de kroongetuige [getuige 2] is met betrekking tot het handelen van het Openbaar Ministerie het volgende gebleken. a. De met de getuige [getuige 2] gemaakte afspraak kan de proportionaliteitstoetsing niet doorstaan. Het Openbaar Ministerie heeft in de strafzaak tegen [getuige 2] in eerste aanleg fors stelling genomen, zoals blijkt uit de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de onderbouwing daarvan. Het is in het licht van de proportionaliteitsvraag moeilijk te begrijpen dat het Openbaar Ministerie, bij gelegenheid van de vordering tot toetsing van de voorgenomen afspraak bij de rechter-commissaris, in het geheel geen melding heeft gemaakt van dat eerder ingenomen standpunt en van die gemaakte ommezwaai. Kennelijk in dat door het Openbaar Ministerie ingezette spoor heeft de rechter-commissaris evenmin een overweging gewijd aan dit aspect, terwijl juist de proportionaliteitstoets een zeer belangrijk onderdeel vormt van de (voorlopige) rechtmatigheidstoetsing door de rechter-commissaris. Daarbij komt, dat [getuige 2] eerder in een andere zaak is vervolgd ter zake van betrokkenheid bij een levensdelict, terwijl in de zaak tegen [verdachte] al een kroongetuige figureerde, namelijk [getuige 1] . Ook deze twee aspecten raken aan de vraag naar de proportionaliteit van de met [getuige 2] gemaakte afspraak. Voorts roept de – na een eis tot levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg – aan [getuige 2] toegezegde maximale strafvermindering in dit verband verbazing op. Deze is zonder meer een contra-indicatie voor het aannemen van de proportionaliteit van de met [getuige 2] gemaakte afspraak b. Het Openbaar Ministerie heeft in strijd met het wettelijk systeem gehandeld door in de getuigenbeschermingsovereenkomst een absolute geheimhoudingsverplichting op te nemen. Daarmee neemt het Openbaar Ministerie plaats op de stoel van de rechter. c. Het Openbaar Ministerie heeft, in strijd met wat de wet in artikel 226j Sv regelt en daarmee beoogt te waarborgen, de rechter-commissaris niet ingelicht over het geheel van de met [getuige 2] gemaakte afspraken over zijn bescherming, terwijl het Openbaar Ministerie wist – want daarvoor moet het worden gehouden – dat de getuigenbeschermingsafspraken voor [getuige 2] een voorwaarde waren om te komen tot het afleggen van verklaringen. d. Aan [getuige 2] is als onderdeel van de met hem gemaakte afspraak toegezegd dat wordt afgezien van het ontnemen van zijn door criminele activiteiten verkregen voordeel. De daarvoor door het Openbaar Ministerie aangedragen argumenten zijn niet alleen niet overtuigend, maar ook en vooral is deze ontnemingstoezegging in strijd met de (bedoeling van
- de)wet en dus onrechtmatig gedaan. e. Met betrekking tot het onderwerp bescherming van de getuige [getuige 2] is gebleken van onrechtmatig handelen door het Openbaar Ministerie. Op grond van de inhoud van een door drie officieren van justitie opgemaakt proces-verbaal, bezien in samenhang met de verklaringen van nadien door het hof als getuigen gehoorde officieren van justitie, bestaan sterke aanwijzingen dat met [getuige 2] is overeengekomen dat hij met financiële ondersteuning van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien. Waar dit in het geval van [getuige 1] voldoende is komen vast te staan bestaan ten aanzien van [getuige 2] sterke aanwijzingen dat ook aan hem als kroongetuige toezeggingen zijn gedaan die in strijd zijn met de (bedoeling van
- de)wet. Het gevolg daarvan is dat aan hem een financieel motief is gegeven om in strijd met de waarheid te verklaren, terwijl over die toezeggingen geen althans verregaand onvoldoende juiste informatie is verstrekt. Daardoor kan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] niet althans onvoldoende kan worden vastgesteld.” 13.2. Het hof heeft in de inleiding van zijn arrest een algemeen kader gegeven waaraan het de voornoemde verweren heeft getoetst: “1.6.2 De toetsing van de met de kroongetuigen gemaakte afspraak door de zittingsrechter Aan de bespreking van aan de kroongetuigen te relateren verweren gaat een korte beschouwing over de rol van de zittingsrechter in relatie tot de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv vooraf. Die is van belang voor de inkadering van de beoordeling van de formele verweren die over de afspraken met de kroongetuigen zijn gevoerd. De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken voorziet in de bevoegdheid van de officier van justitie om een afspraak te maken met een criminele getuige. Aan deze getuige mag een vermindering van de strafeis worden toegezegd die maximaal de helft bedraagt van de straf die in een situatie zonder de medewerking van de getuige zou worden geëist. In ruil daarvoor gaat de getuige jegens de officier van justitie de verplichting aan om volledig en naar waarheid te verklaren over de in de afspraak te vermelden personen en strafbare feiten. Het is aan de rechter-commissaris om de voorgenomen afspraak op vordering van de officier van justitie op rechtmatigheid te beoordelen. Daarbij zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer. Door een toewijzende beslissing van de rechter-commissaris komt de afspraak tot stand. Hiermee is de kern van de wettelijke regeling weergegeven. De wet regelt geen specifieke rol voor de zittingsrechter. Weliswaar wordt in de parlementaire stukken veelvuldig vermeld dat het de zittingsrechter is die de overeenkomst uiteindelijk toetst, maar dit is niet in enige bepaling vastgelegd. Men zal eveneens vergeefs zoeken naar een schematische of systematische voorstelling van de bevoegdheidsverdeling, een materieel kader of een kader voor sanctionering. Dat wil niet zeggen dat de wetgever aan de positie van de zittingsrechter geen aandacht heeft besteed. Integendeel. In tal van beschouwingen, veelal naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer wordt hierop door de minister ingegaan. De toetsing die de rechter-commissaris uitvoert is tijdens de parlementaire behandeling gekenmerkt als een min of meer marginale. Deze spitst zich geheel toe op de rechtmatigheid van de afspraak. “De rechter-commissaris toetst op een afstandelijker wijze of het door de officier van justitie gepresenteerde voornemen op basis van de aan hem verstrekte informatie verantwoord en rechtmatig kan worden geacht.” En hij treedt niet in de beoordeling of “het maken van een afspraak het enige en juiste middel is, dan wel een andere opsporingsstrategie is aangewezen”. Bovendien is overwogen dat een afspraak vooral tot stand zal komen in een vroege fase van de opsporing waarin nog niet veel onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn noch ter beschikking kunnen worden gesteld. Het oordeel van de rechter-commissaris is gebaseerd op de dan bekende feiten en omstandigheden. Daardoor is het voorlopig van aard. Niettemin is dit oordeel van de rechter-commissaris van groot belang. Op diverse plaatsen in de parlementaire stukken blijkt dat door de minister is gezegd dat, met de invoering van een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de totstandkoming van de afspraak, uitvoering is gegeven aan een unaniem door de Tweede Kamer uitgesproken wens bij de aanvaarding van de motie-Kalsbeek. Het zou aldus één van de vele vormen zijn waarin controle en transparantie in het proces van opsporing en vervolging tot uitdrukking moesten komen. Waaruit bestaat dan de toetsende rol van de zittingsrechter die niet van een wettelijke basis is voorzien maar die, zoals soms in de wetsgeschiedenis is gesuggereerd, wel “vol” van karakter is? Wat dit laatste punt betreft zijn de accenten tijdens de parlementaire behandeling nog wel eens verschillend gelegd. Op sommige momenten is aan het finale karakter van het oordeel van de zittingsrechter verbonden dat hierin alle later aan het licht gekomen feiten en omstandigheden kunnen worden betrokken. Daarmee wordt dit van groter en doorslaggevend gewicht. Deze visie is onder meer te vinden in paragraaf 8 van de Memorie van toelichting. Elders is dit, mogelijk als resultaat van de gedachtewisseling, stringenter geformuleerd, zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag. Daarin zegt de minister: “Weliswaar blijft de zittingsrechter eveneens bevoegd de totstandgekomen afspraak alsnog af te keuren, maar een dergelijke situatie zal zich redelijkerwijs pas voordoen indien er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen die de gemaakte afspraak in het fundament aantasten en die de rechter-commissaris ten tijde van zijn toetsing niet bekend waren (zoals bedrog van de zijde van de criminele getuige of bewuste misleiding door openbaar ministerie of politie). Evenmin is geheel uitgesloten dat de zittingsrechter bij gelijk gebleven omstandigheden wel tot een ander oordeel over de door de rechter-commissaris rechtmatig geoordeelde afspraak komt.” Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wetgever de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als de kerntaak voor de zittingsrechter beschouwt. In het beslismodel dat de zittingsrechter hanteert kunnen daaraan vragen voorafgaan die betrekking hebben op de bruikbaarheid van de verklaringen in juridisch opzicht. In dat verband kan ook de vraag aan de orde zijn of het gaat om bewijs dat rechtmatig is verkregen. Meer fundamenteel kan in debat zijn of de afspraak met de kroongetuige de eerlijkheid van het proces van de verdachte, ten laste van wie verklaringen zijn afgelegd, zodanig aantast dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het gaat hierbij telkens om kwesties waarvoor artikel 359a Sv een regeling biedt. De afspraak komt immers tot stand in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv in de strafzaak van de verdachte ten laste van wie is verklaard. De afspraak is ook onderdeel van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak van de kroongetuige maar dat kan hier vanwege ontbreken van relevantie onbesproken blijven. Gelet op de in de rechtspraak aanvaarde rol van de zittingsrechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van opsporingsmethoden vindt de bedoelde beoordeling primair plaats op geleide van gevoerde verweren. Met een toereikende onderbouwing moet worden aangetoond dat rechtsregels zijn geschonden bij de totstandkoming of door de inhoud van de afspraak, waardoor de verdachte in een door de strafrechter relevant te achten belang is getroffen. In zo’n geval kan de rechter overwegen om toepassing te geven aan het sanctie-instrumentarium van artikel 359a Sv. Ook kan de eerlijkheid van het strafproces in het geding zijn. Ten eerste doordat het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces een rol speelt bij de beoordeling van verweren gevoerd op de voet van artikel 359a Sv. Maar mogelijk ook als zelfstandige toetssteen, namelijk in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting. Een rol van de zittingsrechter, zoals hiervoor omschreven, past in de rol zoals die lijkt te zijn verondersteld in de hiervoor aangehaalde passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag. Waar het gaat om de beoordeling van de betrouwbaarheid als zodanig geldt voorts de instructie aan de zittingsrechter die is neergelegd in de verzwaarde motiveringseis van artikel 360, tweede lid, Sv. In het geval namens de verdachte wordt aangevoerd dat (juridische) gebreken in de totstandkoming of inhoud van de afspraak de betrouwbaarheid van de door de kroongetuige afgelegde verklaringen aantasten, worden deze betrokken in de in die bepaling bedoelde uitgebreide motivering. Indien en voor zover daarbij aan uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv wordt voorbijgegaan dienen daarvoor in die motivering in het bijzonder de reden te worden opgegeven. Tot slot verdient, in verband met enkele hierna te bespreken verweren, nog het volgende vermelding. De wetgever heeft onder ogen gezien dat op enig moment kan blijken dat de kroongetuige verklaringen heeft afgelegd die in strijd zijn met de waarheid of gebaseerd zijn op misleiding. Er is dan, zo blijkt uit de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 30 maart 2000, niet aan de voorwaarden van de afspraak voldaan. In een dergelijk geval zal de toegezegde tegenprestaties, bestaand uit de lagere strafeis van de officier van justitie, niet of slechts ten dele behoeven te volgen. Nadat de afspraak tot stand is gekomen heeft de rechter geen taak ten aanzien van de voortduring ervan. In de strafzaak van de kroongetuige heeft de zittingsrechter de bevoegdheid om de straf op te leggen die hij passend acht, waarbij hij op vordering van het Openbaar Ministerie laat meewegen de bijdrage die de getuige heeft geleverd aan de opsporing en vervolging van misdrijven. Daarbij zal hij zich, gezien de aard van deze in artikel 44a Sr neergelegde maatstaf, in aanzienlijke mate laten leiden door het in de onderbouwing van die vordering besloten liggende advies van het Openbaar Ministerie.” 13.3. Het middel ziet op de rol die de zittingsrechter toekomt ten aanzien van getuigen met wie een afspraak als bedoeld in art. 226g Sv is gemaakt. In het citaat hiervoor is aangegeven welke rol het hof in de onderhavige zaak voor zich ziet weggelegd en hoe die rol zich verhoudt met de wettelijk opgedragen toetsende rol van de rechter-commissaris. Het hof heeft er aan de hand van de wetsgeschiedenis op gewezen dat de toetsing van de kroongetuigenovereenkomst door de rechter-commissaris min of meer marginaal is. De onderzoeksrechter beoordeelt de voorgenomen afspraak met de getuige op rechtmatigheid, waarbij de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijk richtsnoer vormen. Voor de zittingsrechter ligt daarentegen meer het accent op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige. Verweren ten aanzien van de betrouwbaarheid worden door het hof betrokken in de motiveringseis van art. 360 Sv. Voor zover aan het betrouwbaarheidsverweer voorbij wordt gegaan en sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, wordt op grond van art. 359 lid 2 Sv daarvoor in die motivering in het bijzonder de reden opgegeven. Er kunnen daarnaast vragen rijzen over de rechtmatigheid van de bewijsgaring, waardoor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging in het geding komt. Het daarvoor aan te leggen toetsingskader wordt volgens het hof beheerst door art. 359a Sv. Indien de eerlijkheid van het proces in het geding is, kan art. 6 EVRM daarbij een rol spelen. Ook kan dit artikel een separaat toetsingskader vormen, in het geval dat wordt geklaagd over gevolgen die de inhoud van de afspraak beweerdelijk heeft gehad op de volledigheid of kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting. 13.4. Deze benadering door het hof, die inhoudt dat het accent van de toetsing door de zittingsrechter ligt op de betrouwbaarheid van de getuige en niet op de rechtmatigheid van de overeenkomst, vindt steun in het nadien door de Hoge Raad gewezen arrest van 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64. In dit arrest speelde de vraag hoe vorm en inhoud moet worden gegeven aan de toetsing van de betrouwbaarheid en de rechtmatigheid van de kroongetuigen(overeenkomst) door de zittingsrechter, met name in het licht van de bijzondere motiveringsplicht uit art. 360 lid 2 Sv die geldt indien de verklaringen van een kroongetuige tot het bewijs worden gebezigd. De voor dit middel relevante rechtsoverwegingen luiden als volgt: “2.3. Bij de beoordeling van de middelen is het volgende juridisch kader van belang. (…) - De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 mei 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken), Stb. 2005, 254, houdt ten aanzien van de art. 226g en 226h Sv het volgende in: "Indien overeenstemming met de toekomstige getuige wordt bereikt, en het college van procureurs-generaal de afspraak heeft gefiatteerd, legt de officier van justitie de voorgenomen afspraak ter toetsing voor aan de rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek dat is gevorderd in de zaak tegen de verdachte ten aanzien van wie de belastende verklaring zal worden afgelegd. (...) De rechter-commissaris hoort de getuige en beoordeelt de rechtmatigheid van de afspraak. Als hij tot het oordeel komt dat de afspraak rechtmatig is, dan komt de afspraak tot stand. (...) Op de terechtzitting wordt de getuige opnieuw gehoord; de rechtbank beoordeelt of de desbetreffende verklaring als rechtmatig bewijsmiddel kan worden gebezigd. Hoewel niet aannemelijk is dat de rechtbank tot een geheel tegengesteld oordeel over de rechtmatigheid van de gemaakte afspraak zal komen, is het in beginsel mogelijk dat de rechtbank – bijvoorbeeld na gebleken opzettelijke misleiding van de zijde van de getuige of van de officier van justitie – de gemaakte afspraak onrechtmatig oordeelt. In het geval dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de gemaakte afspraak rechtmatig is en de getuigenverklaring noodzakelijk is voor het bewijs, dan geeft zij daarvan in het vonnis blijk. (...) Het oordeel van de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de totstandkoming van de toezegging impliceert niet dat de zittingsrechter daaraan per definitie gebonden is. De rechtbank die oordeelt in de zaak tegen de verdachte te wiens laste de verklaring is afgelegd, zal zich zelfstandig een eigen oordeel over de betrouwbaarheid en de deugdelijkheid van de getuigenverklaring als bewijsmiddel moeten vormen. Een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak, kan door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde geschoven worden, hetzij omdat de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of omdat hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt. Uiteraard geeft het oordeel van de rechter-commissaris een belangrijke indicatie van het belang van de verklaring, maar het uiteindelijke gewicht daarvan zal door de zittingsrechter op een later tijdstip in het geheel van het beschikbare bewijsmateriaal, de mogelijke bewijsconstructie en de inhoud van de bewijsmiddelen moeten worden beoordeeld. Het oordeel van de rechter-commissaris moet in dit licht steeds worden gezien als een voorlopig oordeel, gebaseerd op de toen bekende feiten en omstandigheden. Het oordeel van de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de afspraak is naar zijn aard gebonden aan de stand van het onderzoek, zoals deze ten tijde van de vordering op grond van artikel 226g, derde lid, door de officier van justitie wordt gepresenteerd en is als zodanig een momentopname. Naarmate het onderzoek verder vordert, kan blijken dat de rol van de getuige een andere is geweest, dan door deze – al dan niet bewust misleidend – is weergegeven. (...) Om te benadrukken dat het gebruik van een verklaring die met behulp van een toezegging is verkregen extra behoedzaamheid en zorgvuldigheid vergt, is een aanvullend bewijsminimumvoorschrift opgenomen in artikel 344a Sv (...). Aan artikel 344a is toegevoegd dat de bewezenverklaring niet uitsluitend mag berusten op verklaringen van getuigen aan wie volgens de hier voorgestelde procedure een toezegging door de officier van justitie is gedaan. (...) De NVvR heeft opgemerkt dat vooral van belang is dat de rechter die een getuigenverklaring, verkregen met behulp van een toezegging op grond van 226g, als bewijsmiddel bezigt, in het vonnis opneemt waarom hij deze verklaring betrouwbaar acht. Ik onderschrijf dit belang en stel voor artikel 360 daartoe aan te vullen." (Kamerstukken II 1998/99, 26 294, nr. 3, p. 9, 16-18) 2.4.1. Bij de beoordeling van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge het ook in hoger beroep toepasselijke art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv door de officier van justitie een afspraak is gemaakt, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht. 2.4.2. Mede gelet op de hiervoor onder 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis strekt de in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting zich niet uit tot het oordeel van de rechter omtrent de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, tweede lid, Sv. Reeds in het gebruik van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, voor het bewijs ligt besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. Dat laat onverlet dat indien de rechter afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van die afspraak, hij gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.” 13.5. De stellers van het middel richten hun pijlen op de door het hof aangelegde rechtmatigheidstoets. Aangevoerd wordt dat de door het hof aangelegde toetssteen te beperkt en daardoor onjuist is, aangezien het – zo begrijp ik het middel – verzuimd heeft inzichtelijk te maken dat het gehouden is te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv en daarentegen art. 359a Sv als toetsingskader heeft aangehouden. Indien achteraf geoordeeld moet worden dat de afspraken die met de kroongetuige zijn gemaakt onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld omdat ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan, kunnen volgens de toelichting op het middel de getuigenverklaringen niet tot het bewijs worden gebezigd. 13.6. Het is de vraag of een dergelijke algemene klacht een behandeling in cassatie rechtvaardigt, zeker nu de doorwerking van het vermeende onjuiste kader op concrete onderdelen nog in afzonderlijke middelen ter sprake komt. Bovendien is onvoldoende duidelijk welk belang de verdachte heeft bij de desbetreffende klacht, aangezien het hof de overeenkomst rechtmatig heeft geoordeeld en het onduidelijk is hoe een andere rechtmatigheidstoets tot een andere uitkomst zou moeten leiden. Gelet hierop grijp ik het middel louter aan om de piketpalen uit te slaan die kunnen dienen bij de bespreking voor de andere middelen. De klacht zelf noopt daar als gezegd evenwel niet toe. 13.7. De toelichting op het middel zoekt steun voor een andere benadering dan het hof heeft gevolgd in het hiervoor onder 13.4 genoemde arrest uit januari 2018. Uit dit arrest – dat dateert van ná de uitspraak van het hof – zou volgens de stellers van het middel blijken dat een rechterlijk oordeel dat de rechtmatigheid van de afspraak raakt tot gevolg hebben dat de via de afspraak verkregen verklaring niet tot het bewijs kan worden gebruikt. De verwijzing door de Hoge Raad naar het tweede lid van art. 359 Sv en de totstandkomingsgeschiedenis van de motiveringsplicht uit art. 360 Sv, zouden hierop wijzen. Daarnaast zoeken de stellers van het middel steun in de omstandigheid dat in de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat de rechter moet verantwoorden waarom hij de verklaring van de 226g-getuige betrouwbaar acht. 13.8. Ik kan de stellers van het middel hierin niet volgen. Het voornoemde arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op de motiveringsverplichting die in het tweede lid van art. 360 Sv is neergelegd. De Hoge Raad leidt uit deze verplichting geen ambtshalve verplichting voor de rechter af om te motiveren waarom hij tot hetzelfde rechtmatigheidsoordeel als de rechter-commissaris. Dat is slechts anders indien de rechter afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de rechtmatigheid van die afspraak. In een dergelijk geval zal de rechter dus moeten motiveren waarom hij, in afwijking van hetgeen door de verdediging is bepleit, van oordeel is dat er sprake is van een rechtmatige overeenkomst. Dat de Hoge Raad een dergelijke motiveringsverplichting benoemt wekt geen verbazing; art. 359 lid 2 Sv dwingt hier immers toe. 13.9. De wettelijke verplichting om te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dient te worden onderscheiden van verweren die gericht zijn op de toepassing van een strafvorderlijke sanctionering. Onder de eerste noemer zijn verweren te scharen die duidelijk, beargumenteerd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren zijn gebracht. Indien het verweer gericht is op een onrechtmatigheid in het vooronderzoek en daaraan een strafprocessuele consequentie zoals bewijsuitsluiting wordt verbonden, is in beginsel vereist dat aan de hand van de factoren van art. 359a lid 2 Sv wordt gemotiveerd welk rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv moet volgen. Indien dit niet gebeurt, schept art. 359a noch art. 359 Sv een responsieplicht. Wel kan bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, zoals daaraan mede door het EHRM uitleg is gegeven. Tegen deze achtergrond sluit het oordeel van het hof dat de toetsing van de rechtmatigheid van de afspraken vorm krijgt binnen de kaders van art. 359a Sv en 6 EVRM niet zonder meer aan bij het latere arrest van de Hoge Raad, aangezien daarin de toetsing van de rechtmatigheid vorm krijgt binnen art. 360 lid 2 jo. 359 lid 2 Sv. Een en ander brengt echter niet mee dat de toetsing van de rechtmatigheid niet is verricht. Wat dat betreft is sprake van lood om oud ijzer; van een toetsing van de rechtmatigheid is hoe dan ook sprake. Dit komt in het arrest ook op verschillende plaatsen naar voren. Het hof heeft bijvoorbeeld onderzocht of de afspraken in het kader van getuigenbescherming als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. Onafhankelijk van de rechtmatigheidsroute die wordt bewandeld, is het hof gehouden een antwoord op die vraag te formuleren. Daarbij acht ik er niets op tegen dat het hof het toetsingskader van art. 359a Sv aanlegt om te onderzoeken of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verweren zijn door de verdediging ook in die sleutel gezet, terwijl mij ook onduidelijk is hoe art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv als beoordelingskader kan dienen voor de sanctionering van onrechtmatigheden van de afspraak. Bovendien geldt art. 6 EVRM altijd als ondergrens. Indien niet sprake is van een eerlijk proces, is er reden tot ingrijpen. Dat uitgangspunt geldt onafhankelijk van het aan te leggen toetsingskader. Ik merk op dat de Hoge Raad vóór de totstandkoming van art. 226g en verder Sv de kroongetuigenovereenkomst toetste aan art. 6 EVRM en de beginselen van een behoorlijke procesorde. 13.10. Het is bovendien de vraag of uit het in de toelichting van het middel genoemde arrest kan worden afgeleid dat niet óók art. 359a Sv het toetsingskader is bij rechtmatigheidsvragen. Vóór de invoering van de kroongetuigenregeling uit art. 226g en verder Sv, heeft de Hoge Raad overwogen dat onregelmatigheden met betrekking tot de kroongetuigenovereenkomst door art. 359a Sv worden bestreken. Het is van belang om op te merken dat het arrest uit 2018 ziet op het geval dat in weerwil van wat door de verdediging wordt aangevoerd, het hof tot het oordeel komt dat sprake is van een rechtmatige overeenkomst. In een dergelijk geval doet zich een vormverzuim niet voor, aangezien er geen verschil is tussen het oordeel van het hof en de rechter-commissaris. Het is tegen deze achtergrond begrijpelijk dat de Hoge Raad art. 359a Sv, dat ziet op de sanctionering van vormverzuimen, niet noemt. Bovendien laat de Hoge Raad zich uit over de motiveringsverplichting van de rechter. Die verplichting is bij uitstek van betekenis in het geval een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen, aangezien in dat geval de rechter gehouden is bij afwijking hiervan in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. 13.11. Het voorgaande brengt mee dat van een doorwerking van een onjuist kader in de concrete toetsing van vermeende onrechtmatigheden, geen sprake is. De toepassing van dit kader komt hierna nog afzonderlijk ter sprake bij de daarop geënte middelen. Het door het hof aangelegde toetsingskader is in ieder geval niet onjuist en is toereikend gemotiveerd. 13.12. Het middel faalt. (On)toelaatbare toezeggingen: gesloten of open stelsel? 14. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat samengevat inhoudt dat met de totstandkoming van de kroongetuigeregeling is beoogd een gesloten systeem in de wet neer te leggen en het opportuniteitsbeginsel is ingeperkt, zodat enkel toegezegd kan worden dat het Openbaar Ministerie strafvermindering zal vorderen, terwijl het hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het van dit standpunt is afgeweken, althans dat de afwijking hiervan onjuist is, zodat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verschillende beslissingen kon nemen op basis van het opportuniteitsbeginsel en dat deze niet de rechtmatigheid van de afspraken met deze getuigen aantasten, hetgeen nietigheid tot gevolg heeft. 14.1. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang heeft het hof onder het kopje “2.1.2.2.6.2.1 Inleidend” het volgende overwogen: “De Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken kent een lange wordingsgeschiedenis. Reeds ten tijde van de behandeling van de rapporten van de parlementaire enquêtecommissie onder voorzitterschap van Van Traa in 1996 werd het belang van een wettelijke regeling over dit onderwerp onderkend. Vervolgens heeft de behandeling van het wetsontwerp vanaf de indiening ervan bij de Tweede Kamer in 1998 tot aanvaarding in de Eerste Kamer ongeveer zeven jaar geduurd. Daarbij is gebleken dat binnen de Tweede Kamer opvattingen leefden die kort gezegd inhielden dat de bevoegdheid van de officier van justitie om afspraken te maken met criminele getuigen strikt beperkt diende te blijven tot het toezeggen van een neerwaarts bijgestelde strafeis. Dit heeft onder meer geleid tot aanvaarding van het amendement Rouvoet-Van der Staaij op 5 juli 2001, waarmee een laatste volzin werd toegevoegd aan het eerste lid van artikel 226g Sv. Hierin werd de beoogde beperking expliciet tot uitdrukking gebracht. De minister had dit amendement overigens als overbodig gekwalificeerd omdat hij het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt deelde. Na aanvaarding van het wetsontwerp in de Tweede Kamer heeft het wetgevingsproces enkele jaren stilgelegen waarna het in 2004 weer op gang kwam. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van 8 september 2004 werd de discussie over de exclusiviteit van de wettelijke regeling zoals die al was aanvaard, hernomen. De standpunten van de parlementariërs liepen sterk uiteen. Dat dit een problematische situatie opleverde werd door de minister in dat debat gesignaleerd. Hij wees op de complicatie dat het oorspronkelijk wetsontwerp nog door de Eerste Kamer moest worden behandeld terwijl tegelijkertijd over de wettelijke regeling een fundamenteel debat in de Tweede Kamer was ontstaan. Dit vormde mede de aanleiding om een brief toe te zeggen. Meest in het oog springende gevolg van het heropende debat voor de wettekst is dat de maximaal toe te zeggen strafvermindering werd verruimd van een derde naar de helft van de zogeheten basisstrafeis. De discussie over de positie van het opportuniteitsbeginsel mondde niet uit in enige alternatieve vorm van redactie van de reeds door de Tweede Kamer aanvaarde wet. In de brieven aan de voorzitters van de Eerste Kamer en van de Tweede Kamer van respectievelijk 18 maart 2005 en 12 april 2005 heeft de minister vervolgens zijn zienswijze neergelegd. Daarbij werd een driedeling gemaakt in typen toezeggingen: 1) toezeggingen waarvoor een wettelijke regeling nodig is; dit betreft uitsluitend afspraken over strafvermindering, want het Openbaar Ministerie maakt volgens de minister in zo’n geval afspraken met consequenties voor de beslissingsruimte van de rechter; 2) niet toelaatbare toezeggingen: toezeggingen van immuniteit (sepotverbod) en toezeggingen omtrent de omvang van de tenlastelegging; 3) toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke regeling nodig is en waarvoor de ruimte moet worden geformuleerd waarbinnen deze kunnen worden gedaan. Dit moet in de aanwijzing geschieden waarin het Openbaar Ministerie zichzelf beperkingen oplegt. Dit betreft bevoegdheden die het Openbaar Ministerie reeds heeft en die behoren tot de beleids- en beoordelingsvrijheid van het Openbaar Ministerie. De basis hiervoor is gelegen in het reeds aanvaarde artikel 226g lid 4 Sv dat het zogeheten kleine gunstbetoon van een wettelijke basis voorziet. Ingeval van een uitdrukkelijk en causaal verband met de verklaringsbereidheid van de getuige dient hierover bij proces-verbaal verantwoording te worden afgelegd. Ook in de Eerste Kamer vroegen diverse leden aandacht voor de reikwijdte van de bevoegdheid van de officier van justitie om toezeggingen te doen. Daarbij waren veel kritische geluiden te horen over het standpunt van de minister dat aanzienlijk anders luidde dan dat van zijn voorganger die het eerder aanvaarde wetsontwerp bij de Tweede Kamer had ingediend. De minister nam in lijn met de inhoud van de hiervoor bedoelde brieven het standpunt in dat het opportuniteitsbeginsel de ruimte biedt aan de officier van justitie om andere toezeggingen te doen dan alleen die van een aangepaste strafeis. Na een intensief debat, dat, voor zover het hof uit de parlementaire stukken kan opmaken, zonder duidelijke conclusies eindigde en waarbij noch de minister noch enige senator van standpunt veranderde, werd de wet ongewijzigd aangenomen met de aantekening dat diverse fracties werden geacht te hebben tegengestemd. Wat de bedoelingen van de wetgever betreft kan worden vastgesteld dat de beide Kamers van de Staten-Generaal respectievelijk de betrokken ministers, elk in de hoedanigheid van medewetgever, hun accenten hebben gelegd die niet (zonder meer) met elkaar te verenigen zijn. Bij de interpretatie van de wet kunnen, zo blijkt uit het ter terechtzitting van de rechtbank en het hof gevoerde debat, ver uiteen liggende standpunten worden ingenomen. Aan het ene uiterste van het spectrum bevindt zich de uitleg dat geen andere afspraak mag worden gemaakt dan die strekkend tot strafvermindering. Aan de andere kant daarvan leeft de opvatting dat het enige type afspraak dat een wettelijke regeling behoefde en daarom heeft gekregen die van strafvermindering is. Dat de praktijk van opsporing en vervolging voor deze complicaties zou kunnen worden geplaatst werd reeds door de Eerste Kamer op 8 maart 2005 en 10 mei 2005 voorzien. Maar de gedachte dat “het betere niet de vijand van het goede” mocht worden is mede leidend geweest bij de uiteindelijke aanvaarding van het wetsvoorstel. Het diffuse parlementaire debat heeft zich in het kader van het Passageproces herhaald ten overstaan van de strafrechter in twee feitelijke instanties. In die zin is de verwachting die senator Rosenthal uitsprak tijdens de behandeling van het wetsontwerp op 10 mei 2005 bewaarheid. De raadsman heeft een punt waar hij spanning signaleert tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Met name indien gekozen wordt voor een min of meer restrictieve uitleg van de bevoegdheden van de officier van justitie kan worden geconcludeerd dat de Aanwijzing minst genomen op gespannen voet staat met de wet. Dat de wetsgeschiedenis voor deze conclusie aanknopingspunten biedt kan uit het voorgaande voldoende blijken. Aan de raadsman kan ook worden toegegeven dat aan het uitblijven van reacties uit het parlement op sleutelmomenten, zoals dat van toezending van de Aanwijzing kort voor de inwerkingtreding ervan, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de uitleg van de bedoelingen van de wetgever. Minder voor de hand liggend acht het hof het standpunt van de raadsman dat voor de uitleg van de exclusiviteit van de wettelijke regeling uitsluitend, althans in beslissende mate, uitgegaan dient te worden van de in de eerste fase ingenomen standpunten. Het gaat dan om de opvattingen die door minister en Tweede Kamerleden zijn geuit ten tijde van de aanvaarding van het amendement waarin is beoogd deze exclusiviteit tot uitdrukking te brengen. Bij dupliek heeft de raadsman zijn standpunt enigszins genuanceerd maar daar niet de gevolgtrekking aan verbonden dat hij niet langer achter voornoemde conclusie staat. Niet valt in te zien waarom aan de geheel andersluidende uitleg van de minister, die hij in overeenstemming achtte met de wettekst, geen betekenis toekomt. Datzelfde geldt voor de gedachtewisseling in de Tweede Kamer in 2004 waarin door enkele leden een geheel ander licht werd geworpen op de reeds door die Kamer aanvaarde wet. Dat de kwaliteit van hun inbreng niet het door de raadsman verlangde niveau had is niet relevant voor het relatieve gewicht ervan. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat het parlementaire debat in beide kamers van de Staten-Generaal weliswaar fel is geweest maar niet tot ondubbelzinnige conclusies, laat staan verduidelijking op het niveau van de wet zelf, heeft geleid. Integendeel, er bestonden niet alleen conflicterende opvattingen onder de actoren. Ook werd onder ogen gezien dat deze verschillen van inzicht tot uitvoeringsproblemen zouden kunnen gaan leiden. Dat was voor enkele in het wetgevingsproces betrokkenen tevens reden om te wijzen op het belang van nadere wet- en regelgeving. Nog problematischer wordt het als de zeer uiteenlopende, uit de wetsgeschiedenis blijkende, opvattingen in verband worden gebracht met de uiteindelijk gepubliceerde tekst van artikel 226g Sv. Deze bevat enerzijds een eerste lid dat de basis biedt voor een afspraak met de criminele getuige die uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering. Anderzijds is er sprake van een vierde lid waarin het kleine gunstbetoon is geregeld. Dit biedt de mogelijkheid voor het maken van afspraken die niet kunnen worden aangemerkt als afspraken over strafvermindering. Als de parlementaire geschiedenis van enige afstand wordt aanschouwd, biedt ook de reikwijdte van dit vierde lid ruimte voor debat. Het hof wijst in aanvulling op het voorgaande erop dat de wetgever zich in juridische zin niet laat compartimenteren als de wil van de wetgever moet worden onderzocht om de met een wet nagestreefde doelen op te helderen. Daar komt in dit geval bij dat gedurende het wetgevingsproces door diverse actoren is onderkend dat het brede spectrum aan opvattingen de totstandkoming van de wet heeft gecompliceerd en ook de wetstoepassing zou kunnen gaan compliceren. De wetgever heeft ondanks deze omstandigheden niet willen verhinderen dat de wet in zijn huidige vorm toch tot stand kwam. Tegen deze achtergrond dient de slotsom te zijn dat de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd. Hoewel de door verdediging en advocaat-generaal ingenomen standpunten zich niet alle lenen voor een volledige beantwoording van de achterliggende rechtsvragen door het hof kan toch ervan worden uitgegaan dat de wetgever in elk geval enkele uitgangspunten heeft gehanteerd die leidend zijn gebleven bij de gehele parlementaire behandeling. Deze dienen dan ook het kader te vormen voor de door het hof aan te leggen maatstaven. 1. De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen. 2. Er mogen voorts geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging. 3. Daarnaast heeft de wetgever een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht. Bij de bespreking van de betekenis van getuigenbeschermingsmaatregelen heeft dit laatste punt in het voorgaande al een rol in de beoordeling gespeeld. Bij de hierna nog te geven beoordeling van andere verweren zullen daarnaast de eerste twee genoemde uitgangspunten van belang zijn.” 14.2. In feitelijke aanleg hebben de raadslieden van de verdachte uitvoerig betoogd dat en waarom de wetgever is uitgegaan van een zogeheten ‘gesloten wettelijk stelsel’. In dit door de raadslieden voorgestane stelsel zijn louter de in de wet geregelde afspraken toegestaan. Concreet gaat het dan om de in art. 44a lid 2 Sr neergelegde lagere strafeisen door de officier van justitie en de in art. 226g lid 4 Sv neergelegde toezeggingen die geduid worden als ‘gunstbetoon’. Hieronder zijn de zogeheten kleine toezeggingen te scharen zoals het zich niet verzetten tegen een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Met deze regeling zou het opportuniteitsbeginsel zijn ingeperkt, in die zin dat het niet toegestaan is om op basis van dit beginsel andere toezeggingen, zoals het afzien van voordeelsontneming, te doen. Tegenover deze opvatting staat de door het Openbaar Ministerie verdedigde opvatting, die inhoudt dat de kroongetuigeregeling door de verdediging te eng is uitgelegd. Er zijn ook toelaatbare toezeggingen waarvoor geen wettelijke basis nodig is, waaronder ook afspraken zijn te scharen die dienstbaar worden gemaakt aan een afspraak om een getuigenverklaring af te leggen. De ruimte voor dergelijke afspraken, die niet direct zien op de vragen van art. 348 en 350 Sv, zou gelegen zijn in het opportuniteitsbeginsel. 14.3. Het hof heeft tussen deze twee benaderingen geen keuze willen maken. Daarbij heeft het gewezen op de niet altijd heldere wetsgeschiedenis, waardoor de feitenrechter terughoudendheid past bij de uitleg van de wet en bij beschouwingen over de bedoelingen van de wetgever. Het hof ziet geen ruimte voor de mate van stelligheid zoals de verdediging en de advocaat-generaal zich hebben veroorloofd. Wel ziet het hof aanknopingspunten in de wetsgeschiedenis die leiden tot enkele uitgangspunten, te weten: a. De wetgever heeft allereerst tot uitdrukking willen brengen dat in geen geval volledige immuniteit mag worden toegezegd in ruil voor verklaringen. b. Er mogen geen afspraken worden gemaakt over de inhoud en de omvang van de tenlastelegging. c. De wetgever heeft een beloningsverbod aan de wet ten grondslag willen leggen. Er mogen onder geen beding financiële toezeggingen worden gedaan die tot resultaat hebben dat de bereidheid tot verklaren bij de criminele getuige wordt beïnvloed. Anders gezegd, verklaringen mogen niet van die getuige worden gekocht. 14.4. Het middel richt zich op het uitblijven van een beslissing door het hof op de vraag in hoeverre de wettelijke regeling een gesloten of een meer open karakter heeft. Uit het arrest kan worden afgeleid dat het hof een uitputtend antwoord op die vraag niet nodig heeft gehad om tot een beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv te komen. Gelet hierop rijst de vraag waarom in cassatie voor de onderhavige zaak die vragen wel beantwoording behoeven. Het middel bevat hierover geen toelichting, terwijl in een geval dat het belang niet evident is, juist wel toelichting vereist is met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep, te vertalen als het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. Met die constatering zal ik echter niet volstaan, aangezien het arrest en de toelichting op het middel aantonen dat de toepassing van de wettelijke regeling geenszins is uitgekristalliseerd. Met het oog op de rechtsvormende taak van de Hoge Raad en het zaaksoverstijgende belang van dit thema, is het aangewezen om de kroongetuigeregeling nader te bekijken. 14.5. Er is in de literatuur – en overigens ook in de wetsgeschiedenis – vaak gerefereerd aan de lange parlementaire behandeling van de kroongetuigeregeling. Na de indiening van het wetsvoorstel op 17 november 1998, is de wet uiteindelijk op 1 april 2006 in werking getreden. Dat is niet alleen een feitelijke constatering met betrekking tot het tijdsverloop, maar kan ook verklaren waarom de totstandkomingsgeschiedenis zich niet als een consistent en vloeiend geheel laat samenvatten. Opeenvolgende Kamerleden en ministers hebben eigen accenten en duidingen gegeven aan de wettekst, al dan niet ingegeven door ontwikkelingen in de praktijk. Met name op het vlak van de toelaatbare toezeggingen, zijn veel visies verkondigd. 14.6. De Raad van State wierp in haar advies over het wetsvoorstel reeds de vraag op of het wetsvoorstel uitgaat van een sluitend systeem voor afspraken met getuigen en verdachten. De minister beaamde dat met het wetsvoorstel geen sluitende regeling is beoogd voor het maken van afspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte. Het Openbaar Ministerie zou aanvullende afspraken kunnen maken met de getuige over bijvoorbeeld de toepassing van dwangmiddelen. Aan de hand van een richtlijn zou verder worden ingevuld welke toezeggingen al dan niet toelaatbaar zijn. Wel was duidelijk dat binnen de kroongetuigeregeling enkel de toezegging tot strafvermindering kon worden gedaan. Omdat deze toezegging raakte aan de vragen van art. 348 en 350 Sv, werd dit type toezeggingen voorzien van een wettelijke grondslag. De wetgever lijkt er daarbij van uit te zijn gegaan dat ook andere afspraken kunnen worden gemaakt, maar dergelijke toezeggingen kunnen de beslissingsvrijheid van de zittingsrechter bij de beoordeling van de zaak op grond van de vragen van 348 en 350 niet beperken of aantasten. Die benadering – waarin toezeggingen in het kader van strafvermindering de beslissingsruimte van de strafrechter aantasten – kan mogelijk verklaard worden doordat het toentertijd voorgestelde art. 44a Sr in dwingendere bewoordingen voorschreef dat de rechter na een kroongetuigenafspraak tot strafvermindering overging. Hoewel de minister benadrukte dat de straftoemeting aan de strafrechter werd overgelaten, kon de stellige formulering in het voornoemde artikel enige zekerheid bieden voor de getuige. In de uiteindelijke wettekst is uitdrukkelijk de vrijheid aan de rechter gelaten om al dan niet mee te gaan met de vordering van de officier van justitie. Naar valt aan te nemen onbedoeld zijn hierdoor de afspraken die buiten het bestek van het eerste lid vielen in zekere zin in het luchtledige komen te hangen. Waar afspraken met betrekking tot strafvermindering door de minister aanvankelijk een ‘status aparte’ kregen, leken dergelijke afspraken door de voormelde wetswijziging niet onder te doen voor andere afspraken die betrekking hadden op de vragen van art. 348 en 350 Sv. In de parlementaire geschiedenis lijkt deze complicatie niet te zijn onderkend. De aandacht die besteed is aan de toelaatbaarheid van toezeggingen, werd met name gestuwd door de angst over de mogelijk te ruime wijze waarop het Openbaar Ministerie uitvoering zou geven aan de regeling, door bijvoorbeeld toezeggingen te doen in het kader van voordeelsontneming. 14.7. De ongerustheid die in de Tweede Kamer bestond over toezeggingen die niet in de wet zijn neergelegd maar desondanks toch worden gedaan, trachtte de minister te ondervangen door een vierde lid aan art. 226g Sv toe te voegen. Hierin is neergelegd dat van andere afspraken dan bedoeld in het eerste lid en die voor het onderzoek van betekenis zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt en bij de processtukken wordt gevoegd. Uit de daaropvolgende aanvaarding van de motie Rouvoet/Van der Staaij kan worden afgeleid dat deze aanvulling in de ogen van de meerderheid van de Tweede Kamer onvoldoende was. Als gevolg van deze motie werd aan het eerste lid van art. 226g Sv toegevoegd dat de afspraak uitsluitend betrekking heeft op strafvermindering als bedoeld in art. 44a lid 2 Sr. Andere toezeggingen zouden niet zijn toegestaan. De minister had tegen het amendement geen bezwaar en benadrukte daarbij dat hij de zorg deelt over een te ruime toepassing van de regeling. Volgens de minister stond hem altijd al een restrictieve toepassing van de regeling voor ogen en zou uitsluitend strafvermindering als toezegging in het kader van een afspraak voor een getuigenverklaring toelaatbaar zijn. 14.8. Bij de stemming over het betreffende wetsvoorstel in de Tweede Kamer werd abusievelijk een onderdeel van de wet weggestemd. Als gevolg hiervan werd vóór de verdere behandeling in de Eerste Kamer een reparatiewet ingediend. Bij de behandeling van deze wet zond de nieuwe minister van Justitie Donner een brief toe aan de Tweede Kamer, waarin de zorgen werden overgebracht die bestonden bij het Openbaar Ministerie over de ‘Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken’. Deze tijdelijke aanwijzing zou in de praktijk niet goed werkbaar zijn en zou onvoldoende ruimte laten voor de opsporing en vervolging. In navolging hierop deed de minister voorstellen tot aanpassingen. Ik citeer de belangrijkste onderdelen uit de brief: “In het advies wordt de wenselijkheid van verruiming gemotiveerd en bepleit. In een deel van de gewenste verruimingen kan ik mij vinden en dat zou, zo heb ik met het College van procureurs-generaal besproken, kunnen leiden tot een aanpassing van de aanwijzing. Deze aanpassing zou niet behoeven te leiden tot intrekking van het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel c.q. het uitbrengen van een novelle die het door de Tweede Kamer aanvaarde wetsvoorstel in hoge mate zou denatureren. Ik heb er voorts goede nota van genomen dat het College van procureurs-generaal sterk hecht aan een wettelijke regeling van deze materie. Ik heb begrip voor de wens tot verruiming op de volgende punten, in het bijzonder de mogelijkheid van toezeggingen over: - de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel: in de praktijk wordt thans ook reeds los van onderhandelingen over een getuigenverklaring onderhandeld over de omvang van de vordering. Het OM heeft in de aparte ontnemingsprocedure – accessoir aan de hoofdprocedure – al een ruime schikkingsbevoegdheid op grond van artikel 511c Sv; - gunstbetoon dat niet van invloed is op de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350: het bevorderen van verlichting strafregime, instemming met schorsing voorlopige hechtenis, op verzoek van de getuige pleit bezorgen bij derden: voorspraak bij de fiscus, bij het verkrijgen van een verblijfstitel of de behandeling van een WOTS-verzoek. Van belang is dat alleen toezeggingen worden gedaan die het OM zelf kan uitvoeren en niet de indruk wordt gewekt dat het gewenste resultaat wordt gegarandeerd; - intrekking van eigen (Nederlands) uitleveringsverzoek of Europees arrestatiebevel: de uitoefening van de eigen bevoegdheid van de officier van justitie is mogelijk mits het vereiste van proportionaliteit in acht wordt genomen (geen verkapte toezegging van immuniteit). Graag zal ik het bovenstaande op korte termijn met uw Kamer bespreken, alvorens tot de opstelling van een dergelijke aanwijzing wordt overgegaan. Uit het voorgaande blijkt – en het College van procureurs-generaal kan zich vinden in deze opvatting –, dat er voor intrekking van het aanhangige wetsvoorstel 26 294 onvoldoende aanleiding bestaat. Wel meen ik dat het voor de werking van de aangepaste aanwijzing in de praktijk noodzakelijk is dat de Tweede Kamer deze opvatting onderschrijft. Gelet op de complexe en lange voorgeschiedenis van deze regeling, die ook door uitdrukkelijke uitspraken van de Tweede Kamer als medewetgever nadere vorm en richting heeft gekregen, acht ik het van belang u van mijn opvatting terzake op de hoogte te stellen. De uitkomst van dit debat in uw Kamer zal tevens bepalend zijn voor de wijze waarop kan worden voortgegaan met de behandeling van het wetsvoorstel 26 294 dat thans bij de Eerste Kamer aanhangig is.” 14.9. In het oog springt dat de minister meer ruimte zoekt voor het Openbaar Ministerie om toezeggingen te doen. Voor deze zaak is met name de wens om toezeggingen te doen in het kader van wederrechtelijk verkregen voordeel van belang. De vorige minister had zich hiertegen expliciet uitgesproken, omdat de wettekst enkel toezeggingen toelaat met betrekking tot (hoofd)straffen en een dergelijke toezegging bovendien een verkapte verboden financiële beloning inhoudt. De nieuwe minister zag daarentegen mogelijkheden om in een nieuwe aanwijzing dergelijke toezeggingen open te stellen, zonder daarbij de wet aan te passen. Die benadering werd door sommige (nieuwe) Kamerleden omarmd, terwijl anderen meenden dat de uitleg door de minister van de reeds aanvaarde wet niet overeenkwam met de toenmalige opvattingen van de wetgever. Uiteindelijk werd de reparatiewet door de Tweede Kamer aangenomen. Daarnaast werd een amendement aangenomen, waarin de toelaatbare toezegging met betrekking tot strafvermindering van een derde tot de helft werd verhoogd. 14.10. Ook in de Eerste Kamer ontstond discussie over de reikwijdte van de wet. Evenals in de Tweede Kamer, werd de minister geconfronteerd met een mogelijke discrepantie in de totstandkomingsgeschiedenis waarin nog gesproken werd van een gesloten wettelijk systeem. In zijn memorie van antwoord zet de minister uiteen hoe in zijn ogen de wetsgeschiedenis moet worden geduid. Volgens de minister zit de onmogelijkheid niet in de wet, maar in de aanwijzing. Dat op dat moment de aanwijzing bepaalde toezeggingen verbood, zag de minister niet als een bezwaar, omdat discussie over de opheffing van een dergelijk verbod mogelijk moet zijn. In de door het College van procureurs-generaal geopperde optie om een globale wettelijke bevoegdheid te creëren voor toezeggingen op het vlak van voordeelsontneming en uitleveringsverzoeken zag de minister geen heil, omdat de gewenste normering van het verkrijgen en het gebruik van verklaringen daarmee niet wordt bereikt. In reactie op vragen van Kamerleden stelde de minister zich op het standpunt dat hij van oordeel is dat de wet ruimte biedt voor dergelijke toezeggingen, maar dat hij bereid is de wet aan te passen indien de rechter van mening is dat er geen wettelijke basis is. Nadat de wetsvoorstellen door de Eerste Kamer waren aangenomen, is een nieuwe aanwijzing in werking getreden die het mede mogelijk maakt om toezeggingen te doen met betrekking tot het verminderen van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met ten hoogste de helft, ook in het kader van de schikking op grond van art. 511c Sv. 14.11. Als de parlementaire geschiedenis wordt overzien, blijkt dat het antwoord op de vraag welke toezeggingen toelaatbaar zijn afhankelijk is van de pagina van de parlementaire geschiedenis die erop na wordt geslagen. Tot de behandeling van de reparatiewet werd een meer gesloten stelsel voorgestaan. Vervolgens is, als gevolg van door de minister geduid “voortschrijdend inzicht”, een gemengder stelsel verdedigd waarin meer ruimte bestond om toezeggingen te doen op basis van de toepasselijke aanwijzing. Tot een duidelijke conclusie heeft, de lange wetsgeschiedenis ten spijt, de parlementaire behandeling niet geleid. Gelet hierop, biedt de niet altijd heldere en op onderdelen tegenstrijdige wetsgeschiedenis een twijfelachtige grondslag voor een antwoord op de onderhavige rechtsvraag. Niettemin geeft deze geschiedenis aanleiding om de in het middel aangehouden restrictieve lezing van de parlementaire geschiedenis en de dwingende argumenten die hieruit worden afgeleid, niet te volgen. Deze lezing houdt in dat aan de visie van opvolgend minister Donner en de (nieuwe) Kamerleden die een minder gesloten stelsel voorstonden geen of in ieder geval minder betekenis dient te worden toegekend. Staatsrechtelijk zie ik daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Het tijdens de behandeling van de reparatiewet aangenomen amendement dat de toezeggingen tot strafvermindering heeft verruimd, laat zien dat de parlementaire behandeling van de reparatiewet in de Tweede Kamer geenszins betekenisloos is voor de invulling van de kroongetuigeregeling. Daarnaast put de Hoge Raad in zijn rechtspraak omtrent art. 226g Sv uit de verklaringen van de opvolgend minister Donner. Dit biedt een duidelijke aanwijzing dat de Hoge Raad zich naar de latere verklaringen van Donner voegt en derhalve aan de meer recente wetsgeschiedenis een belangrijke betekenis toekomt. 14.12. Waar de wetsgeschiedenis geen al te stevige grond biedt voor eenduidige conclusies, rijst de vraag waarin de versteviging van het antwoord gelegen kan zijn. Geconstateerd kan worden dat de op 1 april 2006 inwerking getreden Aanwijzing het mogelijk maakt om toezeggingen te doen die zien op vermindering van de ontnemingsmaatregel tot de helft. De Hoge Raad beschouwt dergelijke aanwijzingen als ‘recht’ in de zin van art. 79 RO, aangezien deze regels bevat omtrent de beleidsuitgangspunten bij de opsporing en vervolging van delicten. Deze regels kunnen niet gelden als algemeen verbindende voorschriften, maar binden wel het Openbaar Ministerie op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde en lenen zich ertoe jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. De beleidsregels van het Openbaar Ministerie worden door het College van procureurs-generaal opgesteld en hierin kunnen aanwijzingen worden gegeven betreffende de taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie. Van belang hierbij is dat de minister van Justitie en Veiligheid zijn oordeel geeft over deze aanwijzing en dat deze in voorkomende gevallen in overeenstemming moet worden gebracht met zijn oordeel. Die rol heeft de minister ook bij de parlementaire behandeling van de kroongetuigeregeling benadrukt. Daarmee waakt de minister over de overeenstemming tussen de aanwijzing en de wet. Dat minister Donner van oordeel was dat er geen discrepantie was tussen de aanwijzing die werd opgesteld na de parlementaire behandeling en de wet kan gelet op zijn ingenomen standpunt in de Tweede en Eerste Kamer geen verbazing wekken. Maar tevens van betekenis is dat ook de nieuwe aanwijzing uit 2013, toen een andere minister van (toen nog) Veiligheid en Justitie was aangetreden, kennelijk niet tot bezwaren heeft geleid. Ook in deze aanwijzing is de door de verdediging aangehouden restrictieve uitleg van de wettekst niet gevolgd. Tevens heeft de wetgever zich niet verzet tegen de wettekst. 14.13. Een volgend punt betreft de vraag naar de uitleg van de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8741, NJ 2012/190. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad stilgestaan bij welke toezeggingen toelaatbaar zijn in het kader van art. 226g Sv: “2.3.2. De geschiedenis van de totstandkoming van art. 226g Sv houdt met betrekking tot het verschil tussen de toezeggingen als bedoeld in het eerste en het vierde lid onder meer het volgende in: "De behandeling in de Tweede Kamer heeft geleid tot twee preciseringen. De eerste is de aanvaarding van het amendement Rouvoet en Van der Staay, Kamerstukken II 2000/01, 26 294, nr. 26, dat behelst dat de afspraken bedoeld in artikel 226g Sv uitsluitend betrekking mogen hebben op strafvermindering bedoeld in artikel 44a Sr. De tweede is de bij nota van wijziging opgenomen aanvulling van dit artikel 226g Sv met het vierde lid. Daarin is bepaald dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak bedoeld in het eerste lid, en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dit wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd. Beide toevoegingen strekten ertoe zoveel mogelijk greep te krijgen op de "grote" toezeggingen tot strafvermindering die ter goedkeuring aan de rechter-commissaris moeten worden voorgelegd en de "kleine gunsten" die in ieder geval in een proces-verbaal moeten worden neergelegd. Uit de toelichting op het amendement van de heren Rouvoet en Van der Staay blijkt, dat ook zij andere, gebruikelijke processuele afspraken niet hebben willen uitsluiten. De Tijdelijke aanwijzing geeft op dit punt aan dat zij geen betrekking heeft op het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die op enigerlei wijze een begunstigende invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering. Toepassing van dergelijke bevoegdheden behoort tot de reguliere taken van het OM, is van relatief geringe betekenis en raakt niet rechtstreeks aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Indien er sprake is van een uitdrukkelijk en causaal verband tussen toepassing van dergelijke bevoegdheden en de door de getuige af te leggen verklaring, dient deze toepassing te worden vastgelegd bij proces-verbaal en aan het strafdossier te worden toegevoegd." (Memorie van Antwoord Eerste Kamer, Kamerstukken I 2004/05, 26 294 en 28 017, C, p. 4). Alsmede: "Vanaf het begin van het wetsvoorstel is onderkend dat in de gevallen waar het niet gaat om strafvermindering, getuigen ook wensen hebben, waaraan het OM tegemoet kan komen door het gebruik van bestaande bevoegdheden. Vaak wordt dit gepresenteerd als een voorwaarde om te gaan verklaren. Het betreft bevoegdheden die het OM reeds heeft. Het gaat dan bv om teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen als een auto of een computer, die ook door huisgenoten van de verdachte kunnen worden gebruikt of plaatsing in een nabijgelegen huis van bewaring opdat familiebezoek wordt vergemakkelijkt. Van deze en andere toezeggingen (niet betreffende strafvermindering) is in het voorgestelde artikel 226g, vierde lid, gestipuleerd dat zij alle in een proces-verbaal moeten worden vastgelegd opdat de verdediging en de rechter daarvan kennis kunnen nemen. Aan de hand van deze mededeling kunnen zij de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuige ten overstaan van de zittingsrechter aan de orde stellen. Deze afspraken behoeven niet aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd. Zij zijn –in tegenstelling tot de strafvermindering –niet direct van invloed op de omvang van de beslissingen die de rechter ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. heeft te nemen. Toepassing van de bevoegdheden van het OM in het kader van de hier bedoelde toezeggingen behoeft evenmin voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris. De toetsing van de rechter-commissaris strekt zich niet uit tot de toepassing van bevoegdheden die reeds aan het openbaar ministerie zijn toegekend en niet aan voorafgaande machtiging voor de uitoefening van die bevoegdheid zijn gebonden. Het ligt niet in de rede om die machtiging wel te verbinden aan de toepassing van OM-bevoegdheden in het kader van een afspraak met een getuige, met dien verstande dat de inhoud van die afspraak in een proces-verbaal is gerelateerd en in het dossier is gevoegd." (Aanvullende brief aan de Eerste Kamer van de Minister van Justitie, Kamerstukken I, 2004/05, 26 294 en 28 017, E, p. 3). 2.4. Het middel stelt de vraag aan de orde of aan de getuige [getuige 22] toezeggingen zijn gedaan in de zin van art. 226g, eerste of vierde lid, Sv. Mede in aanmerking genomen hetgeen blijkens de wetsgeschiedenis door de wetgever is beoogd, moet het ervoor worden gehouden dat de in het eerste lid van art. 226g Sv bedoelde toezeggingen slechts zien op het geval dat bij de vervolging van de getuige in zijn strafzaak strafvermindering als bedoeld in art. 44a Sr zal worden gevorderd alsmede op andere kwesties die rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in de art. 348 en 350 Sv, en dat de in het vierde lid van art. 226g Sv bedoelde toezeggingen zien op afspraken die anderszins op enigerlei wijze een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van een getuige tot het afleggen van een verklaring. 2.5. Het Hof heeft vastgesteld dat de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] aan de getuige [getuige 22] mededelingen hebben gedaan over de vermoedelijke advisering door de reclassering om hem te plaatsen in een afkickprogramma, over de wijziging van de adresgegevens van zijn vriendin in een proces-verbaal en over de zo spoedig mogelijke overplaatsing van de verdachte naar een ander huis van bewaring. Omdat de mededelingen van de opsporingsambtenaren geen betrekking hebben op een toezegging tot strafvermindering of op andere kwesties die rechtstreeks raken aan de beslissingen van de art. 348 en 350 Sv in de strafzaak van de getuige [getuige 22] , is het oordeel van het Hof dat geen toezeggingen in de zin van het eerste lid van art. 226g Sv zijn gedaan in ruil voor een door hem af te leggen of afgelegde verklaring, juist. 2.6. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de onderhavige mededelingen niet kunnen worden aangemerkt als afspraken in de zin van het vierde lid van art. 226g Sv. Daarin ligt besloten dat die mededelingen als zodanig kunnen worden toegerekend aan het Openbaar Ministerie. Aldus verstaan getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen de verslaglegging inhoudt omtrent de aard en inhoud van de mededelingen.” 14.14. Het is de vraag wat de Hoge Raad met het voorgaande precies tot uitdrukking heeft willen brengen. De Hoge Raad spreekt in de meervoudsvorm over “toezeggingen” en schaart onder het eerste lid, naast strafvermindering, “alsmede” andere kwesties die rechtstreeks verband houden met art. 348 en 350 Sv. Ook bij de toetsing van de concrete casus benoemt de Hoge Raad zowel de strafvermindering als andere beslissingen die rechtstreeks raken aan de beslissingen van art. 348 en 350 Sv. Een en ander kan zo worden opgevat dat de Hoge Raad uitgaat van een ruime uitleg van het eerste lid, waarin hij zich niet laat beperken door de slotzin van het eerste lid van art. 226g Sv en ook andere afspraken dan strafvermindering die rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in art. 348 en 350 Sv toelaatbaar acht. Desondanks meen ik dat een restrictievere uitleg betere kaarten heeft. De voornoemde overwegingen kunnen zo worden opgevat dat het eerste lid ziet op toezeggingen die rechtstreeks verband houden met de beslissingen als bedoeld in art. 348 en 350 Sv, waarbij uitsluitend de afspraak met betrekking tot strafvermindering is toegelaten. Andere afspraken die niet rechtstreeks op het voornoemde beslissingsschema zien, maar wel een gunstige invloed hebben op de verklaringsbereidheid van de getuige, zijn onder het vierde lid te scharen. Deze uitleg sluit aan bij de in het arrest aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis, terwijl daarnaast van belang is dat in het andere geval een wel zeer ruime uitleg wordt gegeven aan het eerste lid. Daarvoor valt geen steun te vinden in de parlementaire geschiedenis. 14.15. Vervolgens is van belang welke betekenis het in art. 167 lid 2 en 242 lid 2 Sv neergelegde opportuniteitsbeginsel heeft. Op grond van deze bepalingen komt het Openbaar Ministerie de ruimte toe om op gronden die zijn ontleend aan het algemeen belang af te zien van (verdere) vervolging. Die afweging ligt in principe niet in handen van de rechter. Er ontstaat pas speelruimte voor de zittingsrechter indien de vervolging in strijd is met wettelijke- of verdragsbepalingen of met rechtsbeginselen, meer in het bijzonder beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel. In dergelijke gevallen kan er sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en kan de rechter om die reden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie uitspreken. Vóór de totstandkoming van de kroongetuigeregeling werd de grondslag van de bevoegdheid om toezeggingen te doen aan getuigen gevonden in het opportuniteitsbeginsel. In de Memorie van Toelichting bij de wettelijke regeling is het volgende opgemerkt over de verhouding tussen dit beginsel en de toezeggingen aan getuigen: “Ik ga ervan uit dat het opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie op de thans gebruikelijke wijze wordt toegepast en dat de bestaande normering van de vervolgingsbeslissing in stand blijft. Dit betekent voor de onderhavige materie dat de aard en de ernst van de aan het openbaar ministerie ter kennis gekomen feiten bepalend zijn voor de vervolgingsbeslissing. De gebruikelijke toetsing of het te vervolgen feit bewijsbaar en strafbaar is, en of vervolging van de geconstateerde feiten opportuun is, dient onverkort plaats te vinden. Terzake van feiten die normaal gesproken geseponeerd zouden worden, dient sepot te volgen; voor feiten waarin het aanbieden van transactie gebruikelijk is, dient een transactievoorstel te worden gedaan. Dergelijke feiten dienen in het kader van een te maken afspraak buiten beschouwing te blijven. Anders zou immers aan de getuige een voordeel in het vooruitzicht worden gesteld, dat geen reëel voordeel is, doch de uitkomst van het normale afwegingsproces dat aan de vervolgingsbeslissing vooraf gaat.” 14.16. Uit deze passage uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat afspraken met getuigen niet onder de reikwijdte van art. 226g Sv vallen, indien de reguliere toepassing van het opportuniteitsbeginsel niet tot vervolging zou hebben geleid. Pas als de vervolgingsbeslissing is genomen, kunnen toezeggingen worden gedaan in het kader van de kroongetuigeregeling. Deze benadering sluit aan bij het uitgangspunt dat aan de getuige reëel voordeel in het vooruitzicht moet worden gesteld. Een inperking van het opportuniteitsbeginsel is in zoverre met de kroongetuigeregeling dan ook niet beoogd. Wel functioneert de kroongetuigeregeling als een normeringskader indien de regeling van art. 226g en verder Sv van toepassing is. De wet, in samenhang bezien met de aanwijzing, geeft immers beperkingen aan de toelaatbaarheid van bepaalde toezeggingen. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat ook vóór de invoering van de kroongetuigeregeling de ruimte voor het Openbaar Ministerie om toezeggingen te doen niet onbeperkt was. Zo werd de toezegging door het Openbaar Ministerie aan een getuige om ruil voor zijn optreden als kroongetuige een eventueel op te leggen vrijheidsstraf niet ten uitvoer te leggen, door de Hoge Raad als ontoelaatbaar beschouwd. 14.17. Het bovenstaande geeft de benodigde bouwstenen om tot een antwoord te komen op de opgeworpen rechtsvraag. Binnen de regeling van art. 226g en verder Sv kan het Openbaar Ministerie toezeggingen doen ten aanzien van strafvermindering als bedoeld in art. 44a Sr (eerste lid), maar ook anderszins toezeggingen doen die op enigerlei wijze een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van een getuige tot het afleggen van een verklaring mits deze niet rechtstreeks verband houden met art. 348 en 350 Sv (vierde lid). Aldus bezien beslaat de kroongetuigeregeling een ruime waaier aan toezeggingen. Desondanks kan de stelling van het hof worden onderschreven dat er spanning bestaat tussen de Aanwijzing en de wettelijke regeling. Dat geldt in het bijzonder voor de toezegging ten aanzien van het verminderen van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met ten hoogste de helft, de schikking op grond van art. 511c Sv daaronder inbegrepen. Betoogd kan worden dat dergelijke toezeggingen raken aan de vierde materiële vraag uit art. 350 Sv, te weten de oplegging van een maatregel. Daarbij wijs ik erop dat art. 511e Sv de titel waarin art. 348 en 350 Sv zijn neergelegd, met enige aanvullingen, van overeenkomstige toepassing verklaart op de strafvorderlijke regeling van voordeelsontneming. Een en ander brengt mee dat toezeggingen in het kader van voordeelsontneming binnen de reikwijdte van art. 226g lid 1 Sv vallen, terwijl de wet niet voorziet in een wettelijke grondslag voor dergelijke toezeggingen. Vanuit deze optiek zijn toezeggingen op dit vlak in strijd met de wet. 14.18. Maar ook als toezeggingen op dit vlak niet onder het eerste lid kunnen worden geschaard, zijn daarmee de moeilijkheden niet opgelost. Toenmalig minister Donner heeft toezeggingen met betrekking tot voordeelsontneming onder het vierde lid van art. 226 Sv geschaard. In dat geval hoeft de afspraak niet aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd. Dit zou meebrengen dat de gewenste controle op toezeggingen in het kader van voordeelsontneming zich aan toetsing onttrekt, terwijl dit nu juist beoogd werd met de invoering van de kroongetuigeregeling. De waarborgen die het vierde lid bieden, te weten dat hiervan proces-verbaal wordt opgemaakt en bij de processtukken wordt gevoegd, kunnen deze bezwaren maar gedeeltelijk ondervangen. 14.19. Gelet op het voorgaande zou het goed zijn als de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over de exacte reikwijdte van het eerste en het vierde lid van art. 226g Sv. Het bovenstaande wijst erop dat sprake is van een gesloten stelsel voor zover de toezeggingen rechtstreeks verband houden met art. 348 en 350 Sv. Dit betreffen de afspraken die onder het eerste lid vallen. Afspraken die te scharen zijn onder het vierde lid hebben daarentegen een open karakter. De wet biedt aldus een ruime grondslag voor toezeggingen, welke ruimte verder is ingekleurd door de toepasselijke Aanwijzing. De status van eventuele toezeggingen in het kader van voordeelsontneming, blijft echter ongewis. 14.20. Voor de onderhavige zaak is het voorgaande echter niet direct van betekenis. Het middel stuit reeds af op de hierboven, in par. 14.3 genoemde gronden. 14.21. Het middel faalt. Rechterlijke toetsing van getuigenbeschermingsmaatregelen? 15. 15.1. Het derde middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat met de totstandkoming van art. 226g en 226h Sv, mede in het licht van art. 226j, derde lid Sv, beoogd is te voorzien in een rechterlijke toetsing van getuigenbeschermingsmaatregelen door de rechter-commissaris en deze hierover moet worden geïnformeerd door het Openbaar Ministerie, althans dat de verwerping van dit standpunt onjuist is dan wel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, waardoor het gerechtshof de afspraken met [getuige 1] en [getuige 2] op dit punt ten onrechte rechtmatig heeft geacht en hieraan geen strafvorderlijke sancties heeft verbonden. 15.2. De voor de bespreking van het middel relevante onderdelen van het arrest luiden als volgt: “2.1.2.2.4 Getuigenbescherming De uitleg van de regeling De wettelijke regeling beperkt zowel het onderwerp waarover de officier van justitie met de criminele getuige een afspraak kan maken –het afleggen van een getuigenverklaring –als wat door hem in ruil voor die verklaring aan de criminele getuige mag worden toegezegd: een vordering tot strafvermindering in de strafzaak van die criminele getuige. Het is deze, naar inhoud en reikwijdte begrensde, voorgenomen afspraak die door de rechter-commissaris op de voet van art. 226h, derde lid, Sv op rechtmatigheid wordt beoordeeld. Naast deze toezegging is de officier van justitie bevoegd ook nog andere toezeggingen aan die criminele getuige te doen. De Aanwijzing, waarover later meer, omschrijft deze laatstbedoelde categorie van toezeggingen als “het verrichten van handelingen die vallen binnen de normale bevoegdheden van de officier van justitie, die een relatief geringe betekenis hebben en niet rechtstreeks aan de beantwoording van art. 348 en 350 Sv raken, maar die wel op enigerlei wijze invloed kunnen hebben op de bereidheid tot het afleggen van een getuigenverklaring.“ Met betrekking tot deze categorie van toezeggingen schrijft de wet in artikel 226g, vierde lid, Sv voor dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt, dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context, aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. Niet op vordering van de officier van justitie, en ook overigens niet. Naar het oordeel van het hof laat dit zich begrijpen tegen de achtergrond van hetgeen met getuigenbescherming wordt beoogd. Het gaat om adequate bescherming van een persoon bij wie daaraan, door diens optreden in een strafvorderlijke context, behoefte is ontstaan. Het bieden van die bescherming vloeit rechtstreeks voort uit de op de Staat rustende zorgplicht jegens de getuigen, voor zover daartoe de dringende noodzaak bestaat als gevolg van door hen verleende medewerking aan de met de opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten. Gelet op die taak- en doelstelling valt te begrijpen dat en waarom de wetgever geen bijzondere grondslag heeft gecreëerd op grond waarvan de rechter in de strafvorderlijke kolom is aangewezen als de tot toetsing van recht- en doelmatigheid van beschermingsmaatregelen bevoegde autoriteit. Dat de noodzaak tot het bieden van bescherming voortspruit uit de medewerking die de getuigen in een strafvorderlijke context hebben verleend maakt dat vanuit deze systematiek bezien niet anders. Met het voorgaande is tevens verklaard dat een materieel (toetsings-)kader voor de wijze waarop de Staat uit hoofde van zijn zorgplicht aan getuigenbescherming vorm en inhoud geeft in de hierboven aangehaalde regelingen ontbreekt en dat de wet niet meer inhoudt dan dat de minister specifieke beschermingsmaatregelen kan treffen. Wel volgt uit de inhoud van en toelichting op het Besluit dat de beschermingsmaatregelen in directe relatie staan tot de duur van een dreiging. De maatregelen hebben derhalve geen permanent karakter en hebben in beginsel niet tot doel volledig in het levensonderhoud van de betrokken persoon te voorzien. In het licht van deze heldere begrenzing en afbakening van de verklaringsafspraak roept de in het derde lid van art. 226j Sv aangebrachte beperking op de notificatieplicht van de rechter-commissaris op het eerste gezicht mogelijk verbazing op. Immers, op welke grond bestaat er noodzaak tot het aanbrengen van die beperking als de wettelijke regeling (in het bijzonder artikel 226g Sv) in de kern inhoudt dat beschermingsmaatregelen geen voorwerp van toezegging en afspraak mogen zijn en reeds daarom niet ter kennis kunnen zijn gekomen van de rechter-commissaris? De verdediging ziet in de laatstbedoelde bepaling, mede in het licht van wat de wet beoogt te waarborgen en van de wetsgeschiedenis, bevestiging voor de juistheid van de door haar betrokken stelling dat de wetgever ook de toetsing van beschermingsafspraken aan de rechter-commissaris heeft toevertrouwd. Bij dupliek is dit nader gepreciseerd in die zin dat het in elk geval om een marginale toetsing dient te gaan. In deze visie gaat de toetsing van beschermingsafspraken op in de toetsing van de rechtmatigheid van de door de officier van justitie met de criminele getuige gemaakte afspraak, die in het geval van een positieve beslissing van de rechter-commissaris in strafvorderlijke zin tot stand komt. Het hof volgt de verdediging in deze lezing en bepleite uitkomst niet. De wetsgeschiedenis levert – zoals door de raadsman van de verdachte [verdachte] in den brede is uiteengezet – het beeld op van een veeljarig proces dat in twee fasen uiteen valt. Daarbij is sprake geweest van in de loop der tijd wisselende inzichten, zowel aan de zijde van de betrokken ministers als binnen de volksvertegenwoordiging. In het debat over de contouren van een verklaringsafspraak met een criminele getuige is langdurig en indringend stilgestaan bij het verbod tot het doen van financiële toezeggingen aan die getuige. Zo is in de Memorie van Toelichting met verwijzing naar de tekst van artikel 226j, derde lid, Sv het – in de context van de regeling als geheel al moeilijk denkbare – geval beschreven, waarin met de getuige ook afspraken zijn gemaakt over bescherming, die als zodanig deel uitmaken van de voorwaarden die in de verklaringsafspraak worden opgenomen. Het is in het daar bedoelde geval dat strafvorderlijke relevantie ontstaat. Dan zou ook dat onderdeel van de af