Zaaknr: 18/01180 mr. W.L. Valk Zitting: 14 december 2018 Conclusie inzake:
(2)dat het op de weg ligt van de derde die de bank aanspreekt om bijzondere omstandigheden te stellen op grond waarvan die verplichting behoort te worden aangenomen. In haar beide elementen dunkt mij deze rechtsopvatting geheel juist. Anders dan de klacht doet voorkomen, is die opvatting ook niet in tegenspraak met de rechtsopvatting die het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, namelijk dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn. 3.9. Met betrekking tot de motiveringsklacht het volgende. Dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, betekent uiteraard niet dat iedere willekeurige omstandigheid hetzelfde gewicht heeft. Dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn, betekent slechts dat de rechter die over de feiten oordeelt zich niet op voorhand tot bepaalde (categorieën van) omstandigheden mag beperken en andere buiten beschouwing mag laten. Hij behoort het totaal van de gestelde feiten en omstandigheden in zijn toets te betrekken. Dat wil niet zeggen dat hij ook álle door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden dient uit te schrijven en te bespreken. Alleen wat betreft essentiële stellingen is hij tot die bespreking verplicht, dat wil zeggen stellingen die, indien feitelijk juist, redelijkerwijs tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Ik heb de dertien door de klacht opgesomde stellingen zorgvuldig overwogen, maar mijns inziens geldt voor geen van die stellingen dat zij een essentieel karakter draagt. Uiteraard dient bij dit laatste in ogenschouw te worden genomen wat het hof wél met zoveel woorden in zijn motivering heeft betrokken. Dat is onder meer (
- a)dat het initiatief voor de onderhandse verkoop van [D] kwam, (
- b)dat het geboden bedrag tot een hogere opbrengst zou leiden dan een executoriale verkoop (mede in het licht van verschillende taxatierapporten) en (
- c)dat ABN AMRO niet wist dat de onderhandse verkoop een rol zou spelen in een doorstart van de onderneming van [D] . In het licht van die door het hof vermelde omstandigheden, valt mijns inziens niet vol te houden dat de in de klacht bedoelde stellingen van [eiseres] essentieel zijn. Het niet uitdrukkelijk vermelden en bespreken van die stellingen maakt daarom niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. 3.10. Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het in rechtsoverweging 5.7 volgens welke ABN AMRO vrij was in haar keuze om zich bij wijze van onderhandse executoriale verkoop te verhalen op de verpande inventaris. Volgens het onderdeel is kenmerkend voor het onderhavige geval dat de schuldenaar voor alle crediteuren tezamen onvoldoende verhaal biedt, zodat er de facto een faillissementssituatie bestaat, met als gevolg dat de keuze van de ene schuldeiser gevolgen kan hebben voor de verhaalsmogelijkheden van een andere schuldeiser. Daarom geldt in een geval als het onderhavige niet de regel dat de schuldeiser vrij is in de keuze van de wijze waarop hij de aan hem verstrekte zekerheden uitwint. Die keuze kan onrechtmatig zijn, omdat zij misbruik van bevoegdheid oplevert of strijd met de jegens de medeschuldeiser in acht te nemen zorgvuldigheid. Het onderdeel verwijst verder naar twee stellingen van [eiseres] en voert aan dat het hof niet zonder nader onderzoek heeft kunnen oordelen dat ABN AMRO vrij was in haar keuze welke van de aan haar verstrekte zekerheden zij uitwint. Die stellingen zijn: a. ABN AMRO wist of behoorde te weten dat alleen bij betaling van de onderhandse verkoopwaarde geld zou overschieten voor [eiseres] , namelijk ruim € 250.000,—; b. ABN AMRO had ook andere zekerheidsrechten, waardoor zij de keuze had om (zonder eigen nadeel) haar pand- en zekerheidsrechten uit te oefenen op de voor [eiseres] minst bezwarende wijze. 3.11. Het valt mij niet mee om helder te krijgen van welke rechtsopvatting de steller van het middel is uitgegaan en het is mij zelfs niet geheel duidelijk of met het onderdeel (alleen) een rechtsklacht dan wel (mede) een motiveringsklacht is bedoeld. 3.12. Houd ik het op een rechtsklacht, dan is de rechtsopvatting waarvan het onderdeel uitgaat mogelijk dat de regel dat een schuldeiser vrij is in zijn keuze welke van de aan hem verstrekte zekerheden hij uitwint, niet geldt ingeval er onvoldoende verhaal voor alle schuldeisers bestaat (door de steller van het middel aangeduid als ‘de facto een faillissementssituatie’). In deze lezing berust het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting. ABN AMRO was pandhouder en dus separatist. Ik meen dat de rechtsopvatting waarvan de klacht uitgaat onmogelijk valt te verenigen met de regel dat pand- en hypotheekhouders hun recht kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was (art. 57 Fw). 3.13. Een alternatieve rechtsopvatting, waarvan de steller van het middel mogelijk is uitgegaan, luidt als volgt: de bedoelde vrije keuze, ook van een pandhouder, vindt zijn begrenzing in het leerstuk van misbruik van bevoegdheid en in de ten opzichte van medeschuldeisers in acht te nemen zorgvuldigheid. Deze opvatting is, meen ik, mij op zichzelf juist. Zou een pandhouder bijvoorbeeld zijn recht uitoefenen met geen ander doel dan om een medeschuldeiser te schaden (het eerste geval van art. 3:13 lid 2 BW), dan kan deze pandhouder dat gedrag niet rechtvaardigen met een beroep op zijn positie als separatist. Ook durf ik niet op voorhand uit te sluiten dat de bijzondere zorgplicht van de bank, of anderszins de ook door een separatist in acht te nemen zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer, onder buitengewone omstandigheden de zekerheidsgerechtigde in zijn keuzevrijheid kan beperken. 3.14. Ik zie echter geen reden om aan te nemen dat het hof van een andere opvatting is uitgegaan. Het hof heeft bij de overweging dat ABN AMRO vrij is in de keuze van de wijze waarop zij de aan haar verstrekte zekerheden uitwint geen halt gehouden, maar heeft vervolgens aan de hand van de stellingen [eiseres] onderzocht of er alsnog reden bestond voor een ander oordeel. Daarbij spreekt het hof alleen over de bijzondere zorgplicht van ABN AMRO, maar dat verwondert niet omdat [eiseres] zich niet op misbruik van bevoegdheid hebben beroepen. Ook duidt het onderdeel geen feitelijke stellingen aan die het hof met toepassing van art. 25 Rv aan de hand van het leerstuk van misbruik van bevoegdheid diende te beoordelen. Wat betreft de toets aan de ‘gewone’ zorgvuldigheidsnorm geldt wat ik hiervoor onder 3.4 en 3.5 naar aanleiding van subonderdeel 1.1 heb gezegd. 3.15. Lees ik in het onderdeel een motiveringsklacht, dan is de strekking van de klacht dat, in het licht van de onder 3.10 sub a en b bedoelde stellingen, onbegrijpelijk is dat het hof zonder nader onderzoek heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestond om een uitzondering aan te nemen op de keuzevrijheid die ABN AMRO in beginsel heeft. Ik meen dat ook in deze lezing het onderdeel geen doel treft. In dit verband is van belang dat [eiseres] niet hebben aangevoerd op welke wijze de door hen aangeduide onderhandse verkoopwaarde zou kunnen worden verzilverd. Het is een ervaringsregel dat men voor het verzilveren van de (volledige) onderhandse verkoopwaarde ruim de tijd nodig heeft. Indien een aspirant-koper begrijpt dat die ruime tijd er aan de zijde van de verkoper niet is, drukt dat onvermijdelijk de prijs (in de richting van de executiewaarde). Zulke ruime tijd was er hier klaarblijkelijk niet. Ultimo 2009 was sprake van een dalende omzet en werd in de onderneming van [D] verlies geleden (hiervoor onder 2.1.13). Begin februari vonden er zelfs geen bedrijfsactiviteiten in [D] meer plaats en was het faillissement van [D] te verwachten (hiervoor onder 2.1.20). Let wel, ik zeg niet dat als zulke ruime tijd er wel is, dit op zichzelf voldoende is om een pandhouder in het belang van medeschuldeisers te verplichten te wachten op een kans om de (volledige) onderhandse verkoopwaarde te verzilveren. Die pandhouder zal integendeel ook in dat geval in het algemeen de zekerheid van een spoedige executie tegen een lagere waarde mogen verkiezen boven het wachten op het moment dat daadwerkelijk een hogere waarde kan worden gerealiseerd – een moment dat vervolgens mogelijk nooit blijkt te komen. Waar de bedoelde ruime tijd er echter klaarblijkelijk niet was, is te minder onbegrijpelijk dat het hof in de verwijzing door [eiseres] naar de onderhandse verkoopwaarde geen reden heeft gezien om een uitzondering aan te nemen op de gewone keuzevrijheid van ABN AMRO als zekerheidsgerechtigde. Een uitdrukkelijke motivering vergde dat niet. 3.16. Ook de stelling zoals omschreven onder 3.10 sub b maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Op de aangehaalde plaats in de memorie van grieven is sprake van pand- en zekerheidsrechten op alle andere activa van [D] . Niet is toegelicht voor welk bedrag executie van andere activa mogelijk was. Ook niet is toegelicht waarom [eiseres] door de keuze van ABN AMRO zijn benadeeld. Terecht merkt de schriftelijke toelichting van de zijde van ABN AMRO op dat als zulke andere activa voorhanden waren, niet goed begrijpelijk is waarom [eiseres] daarop dan geen beslag hebben laten leggen. 3.17. Onderdeel 3 komt erop neer dat onbegrijpelijk is dat volgens het hof aan ABN AMRO mogelijk een verwijt zou kunnen worden gemaakt indien de bank zou hebben geweten dat de inventaris feitelijk aan een van de aan [D] gelieerde vennootschappen werd verkocht en deze wetenschap niet aan de voorzieningenrechter zou hebben gemeld, terwijl volgens hetzelfde hof ABN AMRO aan de voorzieningenrechter niet behoefde te melden wat zij wél wist, namelijk dat door [betrokkene 1] een doorstart van de onderneming werd beoogd. Hierbij beroepen [eiseres] zich op art. 21 Rv. 3.18. Ook deze klacht treft geen doel. Het door het hof gemaakte onderscheid is alleszins begrijpelijk. Zou aan ABN AMRO duidelijk zijn geweest dat, kort en duidelijk gezegd, Bruma een stroman van [betrokkene 1] was en dus niet werkelijk als koper in de inventaris was geïnteresseerd, dan was ook niet sprake van een ‘echte’ koopprijs en lag het voor de hand dat die prijs te laag was. Dát zou ABN AMRO daarom niet voor zich hebben mogen houden. Waar het verband tussen de (voorgenomen) doorstart en de verkoop aan Bruma echter aan ABN AMRO onbekend was, lag dit alles anders. In de kennelijke gedachtegang van het hof mocht ABN AMRO Bruma houden voor een oprechte koper die voor de inventaris had geboden wat zij met het oog op een gangbaar kopersbelang daarvoor overhad en bestond er dus geen indicatie voor een te lage prijs. Art. 21 Rv houdt niet de regel in dat alle feiten zonder onderscheid moeten worden aangevoerd, maar ‘de voor de beslissing van belang zijnde feiten’. Waar tussen de (voorgenomen) doorstart en de onderhandse verkoop aan Bruma geen verband leek te bestaan, mocht ABN AMRO naar het kennelijke oordeel van het hof menen dat die doorstart niet een feit was dat voor de beslissing van de voorzieningenrechter van belang was. Dat is niet onbegrijpelijk. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vergelijk het arrest van het hof van 19 april 2016 onder 3. ECLI:NL:HR:2009:BI2042, RvdW 2009/811. Wat klaarblijkelijk niet erop berust dat de beslissing door de steller van het middel over het hoofd is gezien. Onderdeel 3 neemt in de bedoelde beslissing immers uitdrukkelijk zijn vertrekpunt. HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 m.nt. M.R. Mok. Terecht zegt Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2014/68 dat de bijzondere zorgplicht wordt ontleend aan de typische omstandigheden van het geval en niet inherent is aan het enkele deelnemen door een bank aan het rechtsverkeer. Vergelijk T.F.E. Tjong Tjin Tai, Zorgplichten en zorgethiek, diss. UvA, Deventer: Kluwer 2006, in het bijzonder p. 199 e.v. Vergelijk de schriftelijke toelichting van mrs. Vermeulen en Fritschy, onder 15. Het middel verwijst naar de memorie van grieven, p. 22 twee alinea. Idem. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2012/736 leidt die keuzevrijheid af uit art. 3:276 BW. Vergelijk ook A. Steneker, noot bij Hof Amsterdam 5 juni 2008, JOR 2009/51. Schriftelijke toelichting mrs. Vermeulen en Fritschy, onder 26.