Zaaknr: 18/02659 mr. M.L.C.C. Lückers Zitting: 21 december 2018 Conclusie inzake: [de man] (hierna: de man), verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen, tegen [de vrouw] (hierna: de vrouw), verweerster in cassatie, niet verschenen. Tijdens het huwelijk van partijen hebben de man en zijn toenmalige werkgever een vaststellingsovereenkomst getekend. Daarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst drie maanden later wordt beëindigd en dat de man een vergoeding toekomt als tegemoetkoming voor in de toekomst te derven inkomsten. Een week vóór het eind van de arbeidsovereenkomst is de huwelijksgemeenschap ontbonden door indiening door de man van een verzoekschrift tot echtscheiding. Nadien zijn aan de man uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst bedragen uitgekeerd. Een maand na de beëindiging van het dienstverband heeft de man elders een nieuwe baan aanvaard. Het hof heeft met betrekking tot de beëindigingsvergoeding geoordeeld dat deze in de huwelijksgemeenschap valt en, op een bedrag gelijk aan één netto maandsalaris na, niet aan de man is verknocht. Het middel komt tegen laatstgenoemd oordeel op. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Partijen zijn op 7 september 1995 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. De twee thans meerderjarige kinderen van partijen verblijven bij de vrouw in de voormalige echtelijke woning. 1.2 De man heeft op 31 maart 2015 een vaststellingsovereenkomst met zijn toenmalige werkgever gesloten op grond waarvan zijn arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Aan de man is op grond van deze vaststellingsovereenkomst op 30 juni 2015 een bedrag van € 10.000,- uitbetaald, op 13 juli 2015 een bedrag van € 5000,- en op 17 juli 2015 een bedrag van € 66.453,53. De man is op 30 juli 2015 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever in Maleisië. 1.3 Op 25 juni 2015 heeft de man zich gewend tot de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, met het verzoek om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Voor zover van belang heeft hij de rechtbank verder verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, partijen te bevelen om over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon volgens de wet. Tussen partijen staat vast dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden op 25 juni 2015. 1.4 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft zij zelfstandig verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Voor zover van belang heeft de vrouw verder zelfstandig verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling ten overstaan van een notaris van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te bevelen, met benoeming van een notaris en onzijdige personen. 1.5 De man heeft een verweerschrift ingediend tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw. 1.6 Nadien heeft de vrouw een “aanvullend verzoekschrift zelfstandige verzoeken echtscheiding” ingediend. De man heeft een “aanvullend verweerschrift echtscheiding tegen aanvullende zelfstandige verzoeken” ingediend. 1.7 De rechtbank heeft de zaak ter zitting van 7 januari 2016 mondeling behandeld. 1.8 Bij beschikking van 17 februari 2016 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 mei 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden. De rechtbank heeft verder beslissingen gegeven met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de jongste dochter van partijen, de kinderalimentatie, de partneralimentatie, de voortzetting van de bewoning van de echtelijke woning en het gebruik van de tot die woning en de inboedel daarvan behorende zaken, de verstrekking van pensioengegevens en de vaststelling van een zorgregeling. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden. 1.9 Nadien heeft de vrouw een “nader aanvullend verzoekschrift zelfstandige verzoeken echtscheiding/boedelscheiding” ingediend. Daarin heeft zij verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de ontslagvergoeding van tenminste € 169.684,84 die de man op en na 30 juni 2015 van zijn voormalig werkgever, T-Systems Nederland B.V., heeft ontvangen, tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, met veroordeling van de man tot betaling van 50% van het netto aan hem betaalde bedrag, derhalve een bedrag van € 40.726,77 aan de vrouw, vermeerderd met de wettelijke rente. 1.10 De man heeft tegen het nader aanvullend verzoekschrift van de vrouw een aanvullend verweerschrift ingediend. 1.11 De rechtbank heeft de zaak, voor zover het de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap betreft, behandeld ter zitting van 20 juni 2016. Nadien hebben partijen conform afspraak ter zitting nog nadere stukken overgelegd en gereageerd op de door de andere partij overgelegde stukken. 1.12 Bij beschikking van 21 december 2016 heeft de rechtbank met betrekking tot de tot de verdelen gemeenschap behorende bestanddelen beslissingen gegeven. Voor zover van belang heeft de rechtbank bepaald dat de man terzake de ontslagvergoeding die hij heeft ontvangen, een bedrag van € 40.726,77 aan de vrouw dient te betalen. De rechtbank overwoog daaromtrent als volgt: “g. de ontslagvergoeding van de man. De vrouw vordert dat de ontslagvergoeding van de man van tenminste € 169.684,84 tussen partijen bij helfte wordt gedeeld, met veroordeling van de man tot betaling van 50% van het netto aan de man betaalde bedrag (€ 40.726,77) vermeerderd met de wettelijke rente. De man stelt zich op het standpunt dat de ontslagvergoeding niet in de huwelijksgemeenschap valt. De rechtbank overweegt dienaangaande. De vaststellingsovereenkomst tussen de man en zijn toenmalige werkgever is getekend op 31 maart 2015. Daarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd met ingang van 1 juli 2015 en dat in het kader van de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2015 bruto genoemde beëindigingsvergoeding wordt betaald als tegemoetkoming voor de in de toekomst te derven inkomsten. Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat de uitkering wel in de gemeenschap van goederen valt. Weliswaar is het bedrag pas uitgekeerd op 1 juli 2015, de dag dat de arbeidsovereenkomst eindigde, maar de voorwaardelijke aanspraak op de uitkering ontstond reeds op de dag dat de overeenkomst werd gesloten, 31 maart 2015, derhalve voordat de huwelijksgemeenschap werd ontbonden. De man stelt vervolgens dat als de vergoeding in de gemeenschap zou vallen, deze aan hem verknocht is en dat de vrouw geen aanspraak kan maken op een deel van deze uitkering. Ook deze stelling kan de rechtbank niet volgen. Naar de hoofdregel van artikel 1:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek omvat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten. Voor het, op de voet van het derde lid van genoemd artikel, maken van een uitzondering op de hoofdregel is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Zo’n uitzonderlijk geval waardoor van verknochtheid sprake zou zijn, doet zich niet voor in het onderhavig geval waarin het gaat om een schadeloosstelling aan de werknemer in verband met beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De vrouw is derhalve gerechtigd tot de helft van de uitkering aan de man. De vrouw heeft gesteld dat de helft van de ontslagvergoeding een bedrag van € 40.726,77 netto bedraagt. De man heeft dit niet weersproken. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man dit bedrag aan de vrouw betaalt. Het verzoek van de vrouw om dit bedrag te verhogen met de wettelijke rente wordt afgewezen nu niet aan de wettelijke eisen hieraan is voldaan.” 1.13 Van de beschikking van 21 december 2016 is de man in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Voor zover van belang keerde grief III zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de beëindigingsvergoeding. 1.14 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en heeft van haar zijde incidenteel hoger beroep ingesteld. 1.15 De man heeft een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend. 1.16 Na het instellen van hoger beroep door de man heeft de vrouw zich gewend tot de rechtbank met het verzoek om de beschikking van 21 december 2016 aan te vullen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om de beschikking al dan niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nadat de man had gereageerd op het verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij beschikking van 11 mei 2017 de beschikking van 21 december 2016 aldus aangevuld dat in het dictum na ‘wijst het anders of meer gevraagde af’ moet worden toegevoegd: ‘verklaar[t] deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens voor zover het de beëindigingsvergoeding betreft’. 1.17 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter zitting van 20 december 2017 en op 22 maart 2018 heeft het een beschikking gegeven. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 21 december 2016, aangevuld bij beschikking van 11 mei 2017, vernietigd voor wat betreft de door de man van T-Systems Nederland B.V. ontvangen beëindigingsvergoeding en, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man aan de vrouw ter zake die vergoeding een bedrag van € 38.941,37 dient te voldoen. Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen: “de beëindigingsvergoeding van de man 5.13 De man is het evenmin eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding. Hij stelt zich primair op het standpunt dat de beëindigingsvergoeding niet in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, nu er op de peildatum (25 juni 2015) enkel sprake was van een voorwaardelijke aanspraak, die overigens ook slechts betrekking had op de periode vanaf 1 juli 2015 voor te derven inkomsten na die datum. De beëindigingsvergoeding is volgens de man ook pas uitgekeerd nadat de huwelijksgemeenschap van partijen is ontbonden. 5.14 De vrouw voert aan dat de aanspraak van de man op de beëindigingsvergoeding reeds op 31 maart 2015 is ontstaan, derhalve voordat de huwelijksgemeenschap van partijen is ontbonden. Dit brengt volgens haar met zich dat de beëindigingsvergoeding wel degelijk deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap van partijen. 5.15 Het hof is van oordeel dat de beëindigingsvergoeding van de man in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, nu de gemeenschap volgens de hoofdregel van artikel 1:94 lid 1 BW (oud) - geldend voor huwelijken die vóór 1 januari 2018 zijn gesloten - alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat en er reeds op 31 maart 2015 sprake was van een (onvoorwaardelijke) aanspraak op de beëindigingsvergoeding (vlg. HR 22 maart 1996, NJ 1996/640). Zo staat in de op 31 maart 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst (…) opgenomen: “Werkgever zal Werknemer in het kader van de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2015 een beëindigingsvergoeding betalen van € 169.694,84 bruto als tegemoetkoming voor de in de toekomst te derven inkomsten. Er bestaat geen aanspraak op enige andere compensatie.” De door de man gestelde voorwaarde dat het dienstverband bij T-Systems zou hebben voortgeduurd indien hij geen andere dienstbetrekking had gevonden en hij alsdan ook geen beëindigingsvergoeding had ontvangen, vindt geen steun in de stukken. Het hof zal aan die stelling dan ook voorbijgaan. 5.16 Aangezien de primaire stelling van de man niet opgaat, komt het hof toe aan de subsidiaire stelling van de man, inhoudende dat de beëindigingsvergoeding aan hem verknocht is op grond van artikel 1:94 lid 3 BW, nu deze betrekking heeft op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. 5.17 De vrouw betoogt dat de man in de procedure bij het hof met betrekking tot de door hem te betalen onderhoudsbijdragen (…) heeft aangegeven dat de beëindigingsvergoeding in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap betrokken dient te worden en nadrukkelijk heeft aangevoerd dat zijn huidige inkomen in Maleisië hoger is dan het inkomen dat hij destijds bij T-Systems had. De vrouw stelt - onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4Q94) - dat in het geval de uitkering niet meer rechtstreeks is aan te merken als vervanging van inkomen, deze niet als verknocht kan worden aangemerkt. 5.18 Het hof stelt voorop dat voor het, op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW, maken van een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat, slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is. In een geval zoals de onderhavige waarin het gaat om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is geen sprake van een zodanig uitzonderlijk geval (vgl. HR 22 maart 1996, NJ 1996/640). Echter, nu het dienstverband van de man bij T-Systems per 1 juli 2015 is geëindigd en hij pas op 30 juli 2015 bij zijn huidige werkgever in Maleisië in dienst is getreden (…), staat vast dat de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk de strekking heeft (gehad) van een inkomenssuppletie ter vervanging van gederfd arbeidsinkomen en wel over de periode van 1 juli 2015 tot 30 juli 2015. Het hof ziet dan ook aanleiding een gedeelte van de beëindigingsvergoeding gelijk aan een netto maandsalaris ter hoogte van het laatstgenoten inkomen bij T-Systems als aan de man verknocht aan te merken. 5.19 Blijkens de salarisspecificatie van T-Systems van juni 2015 (…) bedroeg het netto maandinkomen van de man € 3.570,80. Het hof zal dit bedrag in mindering brengen op het totaalbedrag dat de man als beëindigingsvergoeding heeft ontvangen. Uit de stukken (…) blijkt dat er door T-Systems Nederland B.V. in totaal een bedrag van € 81.453,53 aan de man is uitgekeerd (te weten: een bedrag van € 10.000,- op 30 juni 2015, een bedrag van € 5.000,- op 13 juli 2015 en een bedrag van € 66.453,53 op 17 juli 2015). Derhalve resteert er een bedrag van € 77.882,73 (te weten: € 81.453,53 minus € 3.570,80) dat - conform het wettelijk uitgangspunt - bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Dit brengt met zich dat de man aan de vrouw ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding van T-Systems Nederland B.V. een bedrag van € 38.941,37 dient te betalen.” 1.18 Bij verzoekschrift, ingekomen op 15 juni 2018, heeft de man - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof van 22 maart 2018. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel bevat onder 1 een inleiding. In punt 1.1 wordt benadrukt dat het cassatieberoep zich niet richt tegen het oordeel van het hof in rov. 5.15 dat de beëindigingsvergoeding van de man in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, nu de gemeenschap volgens de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW (oud) alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat en er reeds op 31 maart 2015 sprake was van een (onvoorwaardelijke) aanspraak op de beëindigingsvergoeding, doch uitsluitend tegen het oordeel met betrekking tot de verknochtheid van deze vergoeding (rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19, hiervoor weergegeven in 1.16), alsmede tegen het dictum. 2.2 Het middel geeft onder 2 een overzicht van de feiten en onder 3 worden vier klachten (onderdelen) geformuleerd. Onderdeel I 2.3 Het onderdeel klaagt in punt 3.2 dat het hof in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 heeft miskend dat een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een aanspraak op een bedrag ineens, ook bijzonder verknocht kan zijn in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW in geval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Het onderdeel stelt onder verwijzing naar HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen dat ook in een zodanig geval bij beantwoording van de vraag of de aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze volgens het onderdeel niet in de huwelijksgemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Het onderdeel stelt in punt 3.3 dat de man in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat de aanspraak die hij op grond van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2015 jegens zijn werkgever heeft verkregen, strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband na 1 juli 2015 zou hebben genoten, dat deze strekking ook voortvloeit uit art. 3 van de vaststellingsovereenkomst, weergegeven in rov. 5.15, en dat de vrouw deze strekking niet dan wel onvoldoende heeft bestreden. Het onderdeel klaagt vervolgens in punt 3.4 dat, indien en voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat niet is komen vast te staan dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever de strekking had om inkomen uit arbeid te vervangen, dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten, dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van het voorgaande. Het onderdeel stelt in dat verband dat vaststaat dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever betrekking had op de periode na 1 juli 2015, derhalve na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 25 juni 2015, dat op de laatstgenoemde datum tot het vermogen van de man derhalve de aanspraak jegens zijn werkgever tot uitbetaling van het overeengekomen bedrag per 1 juli 2015 behoorde, en dat vaststaat dat aan de man vóór 25 juni 2015 geen betalingen zijn verricht, ook niet bij wijze van voorschot. Het onderdeel klaagt, concluderend, in punt 3.5 dat het hof in het licht van het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat de ontslagvergoeding tot een bedrag van € 77.882,73 netto in de huwelijksgemeenschap is gevallen, althans dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst was de vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Omdat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd en de huwelijksgemeenschap per 25 juni 2015 reeds was ontbonden, is volgens het onderdeel de volledige aanspraak buiten de huwelijksgemeenschap gevallen. 2.4 Bij de beoordeling van de klachten stel ik het volgende voorop. Art. 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW. In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing, aangezien het huwelijk van partijen vóór 1 januari 2018 is gesloten. Ik stel verder voorop dat een huwelijksgoederengemeenschap voortduurt totdat zij wordt ontbonden. Het tijdstip van ontbinding van de gemeenschap is in geval van echtscheiding ingevolge art. 1:99 lid 1, aanhef en onder b, BW het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding wordt ingediend. In de onderhavige zaak is het verzoek tot echtscheiding ingediend op 25 juni 2015. 2.5 Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. 2.6 In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen had de man tijdens het huwelijk van partijen ontslagvergoedingen ontvangen van twee vennootschappen. De van vennootschap 1 ontvangen vergoeding had de man niet ondergebracht in een stamrecht-B.V., de van vennootschap 2 ontvangen vergoeding wel. Het hof oordeelde, onder verwijzing naar HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640 m.nt. W.M. Kleijn, met betrekking tot de van vennootschap 1 ontvangen ontslagvergoeding dat, nu de man een geldbedrag ineens heeft ontvangen dat niet is ondergebracht in een stamrechtverzekering, de hoofdregel geldt dat deze ontslagvergoeding niet verknocht is. Met betrekking tot de van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding oordeelde het hof, onder verwijzing naar de inhoud van de beëindigingsovereenkomst en naar HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 m.nt. L.C.A. Verstappen, dat deze wel als verknocht moet worden beschouwd. In cassatie klaagde de vrouw over het oordeel van het hof dat de door de man van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding aan hem is verknocht. In het incidentele cassatieberoep kwam de man op tegen het oordeel dat de door hem van vennootschap 1 ontvangen ontslagvergoeding niet aan hem is verknocht. Uw Raad overwoog het volgende: “4.1.4 (…) Ook een aan een van de echtgenoten verstrekte (aanspraak op een) ontslagvergoeding, dan wel een aanspraak die hiervoor in de plaats treedt, kan verknocht zijn ingeval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. In zodanig geval moet bij de beantwoording van de vraag of deze aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze niet in de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. In eerdere uitspraken heeft de Hoge Raad overeenkomstig dit uitgangspunt geoordeeld in een geval waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41) en in een geval waarin een ontslagvergoeding was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V. (zie de eerder genoemde beschikking van HR 24 juni 2016). 4.1.5 Het zojuist genoemde uitgangspunt geldt ook indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V. Anders dan kan worden afgeleid uit HR 22 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2025, NJ 1996/640, bestaat er onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.” 2.7 In de onderhavige zaak zijn de volgende feiten relevant: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.