ECLI:NL:PHR:2018:194
Nr. 16/03475 A Zitting: 23 januari 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij vonnis van 31 maart 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens – kort gezegd – meermalen medeplegen van gewoontewitwassen, medeplegen van valsheid in geschrifte, medeplegen van gebruik maken van een vervalst geschrift en deelname aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 540 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaak 16/02246 A. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4Tenlastelegging 4.1.
Aan de verdachte is, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende ten laste gelegd: “ZAAKDOSSIER [B] 3.a Gewoontewitwassen ( [B] ) dat hij in de periode gelegen tussen 01 juni 2007 en 31 december 2008, te Curaçao en/of te Bonaire, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer):
3.b Opzet- althans schuldwitwassen, meermalen gepleegd ( [B] ) dat hij (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 01 juni 2007 en 31 december 2008, te Curaçao en/of te Bonaire, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) (telkens):
4.b Opzet- althans schuldwitwassen, meermalen gepleegd (verhullen rechthebbende op de [B] ) dat hij (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 21 juni 2008 en 31 december 2008, te Curaçao en/of te Bonaire, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van een voorwerp, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) van:
5.b Opzet- althans schuldwitwassen, meermalen gepleegd (vastgoed 01 + 02, Bonaire) dat hij (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 01 augustus 2006 tot en met heden, in elk geval tot en met 08 september 2009, te Bonaire en/of te Curaçao, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) (telkens)
6.b Feitelijk leiding geven aan opzet- althans schuldwitwassen, meermalen gepleegd vastgoed (01+ 02. Bonaire), gepleegd door een rechtspersoon dat [G] S.A. (gevestigd in Panama) (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 01 augustus 2006 tot en met heden, in elk geval tot en met 08 september 2009, te Bonaire en/of te Curaçao, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben [G] SA. en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) (telkens):
7.b Opzet- en/of schuldwitwassen: verbergen en/of verhullen van herkomst en/of rechthebbende (vastgoed 01 + 02, Bonaire) dat hij (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 21 juni 2008 tot en met heden, althans tot en met 08 september 2009 in elk geval tot en met 14 mei 2009, te Bonaire en/of te Curaçao, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) (telkens) van:
8.b Leiding geven aan/opdracht geven tot opzet- en/of schuld witwassen: verbergen en/of verhullen van herkomst en/of rechthebbende (op vastgoed 01 + 02, Bonaire), gepleegd door een rechtspersoon dat [G] SA (gevestigd in Panama) (op één of meer ogenblikken) in de periode gelegen tussen 21 juni 2008 tot en met heden, althans tot en met 08 september 2009, te Bonaire en/of te Curaçao, in elk geval in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, zich (telkens) schuldig heeft/hebben gemaakt aan het (opzettelijk) witwassen van geld en/of geldswaardige papieren en/of vorderingen en/of op geld waardeerbare goederen en/of voorwerpen, immers heeft/hebben [G] SA. en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (onder meer) (telkens) van:
5Het eerste middel 5.1.
Het middel klaagt dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de onder 3a tot en met 8b tenlastegelegde, op de grond dat de verdachte al in Nederland is vervolgd voor deze feiten, ten onrechte althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.
5.2.
Het bestreden vonnis houdt het volgende in: “Dubbele vervolging Betoogd is op de eerste plaats dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2013 veroordeeld is voor hetzelfde feitencomplex als thans is tenlastegelegd in de feiten 1 tot en met 8.
De eerste rechter heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:
Gebleken is dat verdachte bij genoemd vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden wegens het medeplegen van gewoonteheling (meermalen gepleegd) en valsheid in geschrifte. Op de Rotterdamse telastlegging zijn zes feiten vermeld.
De feiten 5a, 5b, 6a, 6b, 7a, 7b, 8a en 8b op de thans aanhangige dagvaarding behelzen naar het oordeel van het Gerecht niet hetzelfde feitencomplex als het onder 1 op de Rotterdamse dagvaarding telastegelegde en vervolgens door de rechtbank Rotterdam bewezenverklaarde feit. Dat behelst het verbergen en verhullen van de eigenaar van de aandelen in onder meer de rechtspersonen [H] SA, [G] SA en [I] SA.
De in de thans aanhangige dagvaarding telastgelegde feiten behelzen, kort gezegd, het te Bonaire en/of te Curaçao en/of op de Nederlandse Antillen verwerven en voorhanden hebben en het verbergen en verhullen van de werkelijke rechthebbende op onroerende goederen. Dat is weliswaar, zo blijkt uit het dossier, gedaan door die goederen te laten verwerven en voorhanden te laten hebben op naam van [G] SA, dankzij welke rechtspersoon de werkelijke eigenaar werd verhuld, maar dat levert geen grond op voor het oordeel dat er sprake is van hetzelfde feit. Onder andere voor wat betreft tijd en plaats vormen de handelingen strekkende tot het verhullen van de eigenaar van die SA en het onderbrengen van onroerend goederen in die rechtspersoon allebei een op zichzelf staand geheel van handelingen zodat er geen sprake is van hetzelfde feitencomplex.
De feiten 1a, 1b, 2a en 2b van de onderhavige telastlegging betreffen het verwerven, voorhanden hebben en overdragen van geldbedragen in de periode van 1 november 2006 tot en met 31 december 2007, al dan niet via de bankrekening van [J], alsmede het voorhanden hebben van een kennelijk met die gelden aangeschafte personenauto. Het in de Rotterdamse dagvaarding als feit 2 telastgelegde en bewezen verklaarde feit betreft het medeplegen van gewoontewitwassen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 november 2006 tot en met 10 augustus 2007 te Rotterdam en/of Den Haag en/of/althans (elders) in Nederland en/of België en/of op de Nederlandse Antillen en/of Aruba tot een totaalbedrag van 2.950.000 euro doordat verdachte geldbedragen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt.
De Rotterdamse telastlegging en bewezenverklaring daarvan zijn gebaseerd op de bij [betrokkene 2] aangetroffen criminele boekhouding waarin is vastgelegd dat hij in de periode van 2 november 2006 tot en met 10 augustus 2007 grote bedragen contant geld aan verdachte heeft overhandigd. Die overhandigde bedragen zijn volgens het eindproces-verbaal in de hier aanhangige zaak deels door verdachte doorgesluisd naar [J]. De uit de criminele boekhouding blijkende data van overdracht van bedragen corresponderen volgens dat proces-verbaal in sommige gevallen met het even later opduiken van die bedragen bij dit bedrijf terwijl de herkomst van door dit bedrijf ontvangen inkomsten steeds kan worden verbonden met verdachte: geld komt onder meer binnen via de rekening van zijn echtgenote, zakelijke bekenden, een bij hem in eigendom zijnde vennootschap en via een contante storting van een geldsom die uiteindelijk van verdachte afkomstig is.
Die laatste geldsom wordt weliswaar pas op 22 augustus 2007, dus buiten de in Rotterdam telastgelegde periode, door [J] ontvangen maar wordt in het eind proces-verbaal in verband gebracht met de laatste op 10 augustus 2007 en dus binnen de in Rotterdam telastgelegde periode door [betrokkene 2] verrichte contante betaling aan verdachte. De onder 1a, 1b, 2a en 2b telastgelegde feiten behoren daarmee tot hetzelfde feitencomplex als het in de Rotterdamse telastlegging onder 2 telastgelegde feit, ook voor wat betreft tijd en plaats. Ook feit 4 van die telastlegging behoort daar deels toe. Nu er al sprake is van overlap met feit 2 laat het Gerecht dat verder rusten.
Naar het oordeel van het Gerecht is er tenslotte geen sprake van een dergelijke overlap met de feiten 3a, 3b, 4a en 4b in het zaaksdossier [B] .
Het is vervolgens de vraag welke consequentie moet worden verbonden aan het vorenstaande. Ingevolge artikel 70 Wetboek van Strafrecht BES kan, behoudens gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, niemand andermaal worden vervolgd wegens het feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in Curaçao, in Sint Maarten, in Nederland en in Aruba onherroepelijk is beslist. Niet in geschil is dat de Rotterdamse uitspraak niet in kracht van gewijsde is gegaan nu verdachte daartegen hoger beroep heeft ingesteld. Dat houdt in dat deze bepaling toepassing mist. Naar het oordeel van het Gerecht is er echter desondanks grond de Officier van Justitie voor wat betreft de feiten tenlastegelegd onder 1a, 1b, 2a en 2b niet-ontvankelijk te verklaren wegens het voor een tweede maal vervolgen ter zake van hetzelfde feit.
De goede procesorde verzet zich er immers tegen dat daar waar ten aanzien van een feit reeds door een rechterlijk college is beslist, zij het niet onherroepelijk, dat feit nogmaals aan een ander college wordt voorgelegd, waarbij er naar het oordeel van het Gerecht geen gewicht toekomt aan het feit of een en ander wel of niet in vrijspraak heeft geresulteerd. Het Gerecht wijst daarbij met name op de aan artikel 70 Sr BES ten grondslag liggende gedachte dat een verdachte de last van het voor een tweede maal terechtstaan ter zake van eenzelfde feit dient te worden bespaard. Die gedachte, behorende tot de beginselen van goede procesorde, staat behoudens zeer bijzondere omstandigheden, aan een tweede vervolging zoals die thans door de officier van justitie is ingesteld aan de weg, ook al is er geen sprake van een gewijsde.
Van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden is niet gebleken, zodat de conclusie moet zijn dat niet-ontvankelijkverklaring dient te volgen.
Dit oordeel is juist, zowel ten aanzien van de feiten 1 en 2 als ten aanzien van de feiten 3 tot en met 8. Het komt er voor wat betreft de in deze zaak onder 3 tot en met 8 verweten gedragingen op neer dat deze gedragingen zozeer verschillen van de gedragingen die in de Rotterdamse zaak zijn tenlastegelegd dat telkens niet van hetzelfde feit gesproken kan worden. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noopt niet tot nadere overwegingen.”
5.3.
Aan de verdachte is in de Rotterdamse strafzaak, waarin de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 27 november 2013 uitspraak heeft gedaan, onder 2 tenlastegelegd dat: “Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november 2006 tot en met 10 augustus 2007 te Rotterdam en/of Den Maag en/of/althans (elders) in Nederland en/of in België en/of op de Nederlandse Antillen en/of Aruba, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer) van zijn mededaders) (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen tot een totaalbedrag van (ongeveer) 2.950.000,- euro, in elk geval (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag * de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedragen) van in totaal (ongeveer) 2.950.000,- euro, althans van enig(e) geldbedrag(en) en/of bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad, en/of * verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt, te weten één of meer van de navolgende geldbedragen:
5.4.
Het middel berust mijns inziens op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, voor zover het klaagt dat het hof bij zijn oordeel dat de vervolging ter zake van de feiten 3a tot en met 8b geen strijd oplevert met het ne bis in idembeginsel, eraan voorbij ziet dat – zoals de verdediging heeft aangevoerd – de in de onderhavige zaak tenlastegelegde geldbedragen dezelfde geldbedragen betreffen die in de Rotterdamse zaak zijn witgewassen en in die zaak aan de verdachte onder 2 zijn tenlastegelegd.
5.5.
Het hof heeft nu juist geoordeeld dat de in de onderhavige zaak onder 1a, 1b, 2a en 2b tenlastegelegde feiten, die betrekking hebben op geldbedragen die naar [J] zijn gevloeid en een kennelijk met die geldbedragen aangeschafte personenauto, tot hetzelfde feitencomplex behoren als het in de Rotterdamse strafzaak onder 2 tenlastegelegde feit, welk feit betrekking heeft op geldbedragen die van [betrokkene 2] naar de verdachte zijn gegaan. Blijkens die tenlastelegging, het door de rechtbank Rotterdam onder 2 bewezenverklaarde en de ten aanzien daarvan door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen gaat het om de volgende geldbedragen: “Datum Omschrijving Af 02-11-06 Pa deposit [verdachte] € 250.000 07-11-06 Pa [verdachte] € 75.000 23-11-06 Pa [verdachte] di [...] € 150.000 (Voor [verdachte] van [...] ) 23-11-06 Pa [verdachte] di [...] € 250.000 (Voor [verdachte] van [...] ) 23-11-06 Pa [verdachte] di [...] € 250.000 (Voor [verdachte] van [...] ) 06-12-06 Pa [verdachte] € 350.000 22-02-07 Pa [verdachte] boto € 200.000 06-03-07 [...] pa [verdachte] € 250.000 (afgehaald/genomen/ verminderd voor [verdachte] ) 26-04-07 [verdachte] pa [...] € 120.000 ( [verdachte] voor [...] ) 23-05-07 [verdachte] hiba € 610.000 mei-07 [verdachte] € 110.000 27-06-07 [verdachte] € 35.000 10-08-07 [verdachte] € 400.000”
5.6.
Het hof heeft het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de onder 1a, 1b, 2a en 2b tenlastegelegde feiten. Waarom het oordeel van het hof dat de onder 3a tot en met 8b tenlastegelegde feiten niet eenzelfde feit behelzen als het in de Rotterdamse zaak onder 2 tenlastegelegde onjuist is dan wel onbegrijpelijk is, wordt mij niet duidelijk.
5.7.
Ik merk op dat de aan de verdachte onder 7a tot en met 8b tenlastegelegde feiten enkel betrekking hebben op onroerende zaken die door de verdachte en/of [G] SA (een te Panama gevestigde rechtspersoon van wie de verdachte directeur was), in de periode gelegen tussen 21 juni 2008 tot en met 8 september 2009 zijn gekocht. Witwashandelingen ten aanzien van enig geldbedrag wordt de verdachte daarin niet verweten. Wel in de onder 3a tot en met 6b tenlastegelegde feiten.
5.8.
Wat betreft de onder 3a tot en met 4b tenlastegelegde feiten merk ik echter op dat voor zover zij betrekking hebben op de daarin vermelde geldbedragen van ANG 200.000,=, € 100.000,=, USD 25.770,=, en € 260.000,=, welke geldbedragen de geldbedragen zijn die [betrokkene 1] op 2 en 3 oktober 2008 heeft betaald aan [betrokkene 2] in verband met de (door)verkoop van de betoninstallatie "mobile concrete plant TMS 15/60/4 NG" aan [betrokkene 1], het niet zo kan zijn dat deze geldbedragen deels de geldbedragen betreffen die blijkens het in de Rotterdamse zaak onder 2 tenlastegelegde feit al veel eerder, namelijk in de periode van 2 november 2006 tot en met 10 augustus 2007 van [betrokkene 2] naar de verdachte zijn gegaan.
5.9.
Ook wat betreft de onder 5a tot en met 6b tenlastegelegde feiten merk ik op dat ik niet vermag in te zien waarom de in die tenlasteleggingen vermelde geldbedragen van € 39.990,=, ANG 73.998,25, € 10.000,=, € 90.000,=, € 81.590,= en USD 110.721.61, die bestemd waren voor de aankoop van de daarin bedoelde percelen, geen andere (kunnen) zijn dan de geldbedragen die blijkens het onder 2 tenlastegelegde feit in de Rotterdamse zaak in de periode van 2 november 2006 tot en met 10 augustus 2007 van [betrokkene 2] naar de verdachte zijn gegaan. Immers, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen 19 en 25 blijkt dat in of omstreeks die periode ook andere geldbedragen tussen [betrokkene 2] , de verdachte en/of [G] S.A. (welk rechtspersoon de percelen heeft aangeschaft) zijn uitgewisseld. In het bijzonder betreft het deze geldbedragen:
5.10.
Mijn slotsom is dat het middel faalt.
6Het tweede middel 6.1.
Het middel behelst twee klachten. De eerste klacht heeft betrekking op het onder 9a bewezenverklaarde feit en houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de in de bewezenverklaring bedoelde baren en/of broodjes goud afkomstig waren uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. De tweede klacht houdt in dat het hof wat betreft het onder 13 bewezenverklaarde de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.
6.2.
Het bestreden vonnis houdt ten aanzien van het onder 9a bewezenverklaarde de volgende bewijsoverweging van het hof in: “Bewijsoverwegingen (…) Verder heeft de verdachte betoogd - kort samengevat - dat het goud niet van misdrijf afkomstig is. Dit betoog faalt eveneens. Vaststaat dat het goud afkomstig is uit Venezuela en zonder exportvergunning uit Venezuela is geëxporteerd. Uit het dossier blijkt van de strafbaarheid en strafbaarstelling van het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning. Verder heeft de verdachte bij het exporteren van Venezolaans goud gebruik gemaakt van strafbare feiten, te weten het plegen van valsheid in geschrift en het gebruik maken van vervalste geschriften. Deze drie misdrijven maken dat het goud afkomstig is van misdrijf.
Tot slot heeft de verdachte ontkend dat hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt. De wijze waarop het transport van het goud vanuit Venezuela heeft plaatsgevonden (het betalen van smeergeld, het vervoeren van het goud buiten het zicht van de autoriteiten om via een bootje dan wel een vliegtuigje) en het opmaken en gebruiken door de verdachte van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, kan niet anders worden begrepen dan zijnde erop gericht om de exportvergunning te omzeilen. Dit in combinatie met het door de verdachte erkende gebrek aan enig onderzoek naar de voorwaarden waaronder Venezolaans goud kan worden geëxporteerd, maakt dat het Hof tot het oordeel komt dat de verdachte wist en begreep dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is.
6.3.
Het beroep dat de eerste klacht doet op HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324, waarin de Hoge Raad, met betrekking tot het zgn. Hawala-bankieren, heeft geoordeeld dat vermogensbestanddelen in beginsel slechts kunnen worden aangemerkt als afkomstig uit enig misdrijf indien zij afkomstig zijn uit enig misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven e.d. daarvan, gaat niet op. Het is niet het – kort gezegd – illegaal exporteren van de baren en/of broodjes goud uit Venezuela dat aan de verdachte wordt verweten, maar het door hem en zijn mededaders in Aruba en Curaçao voorhanden hebben en overdragen van deze (reeds) illegaal uit Venezuela geëxporteerde baren en/of broodjes goud. De in het genoemde arrest geformuleerde rechtsregel betreft juist dergelijk handelen.
6.4.
Het oordeel van het hof dat de baren en/of broodjes goud uit enig misdrijf afkomstig zijn, acht ik voorts toereikend gemotiveerd. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de wijze waarop de desbetreffende baren en/of broodjes goud uit het land Venezuela zijn uitgevoerd en vervolgens in de landen Aruba en Curaçao zijn ingevoerd, volgt een – voor de bewezenverklaring voldoende – vermoeden van witwassen, nl. dat – zoals het hof heeft overwogen – het niet anders kan zijn dan dat zij vanuit Venezuela naar Aruba en Curaçao zijn vervoerd op een wijze waarbij de vereiste exportvergunning voor het exporteren van Venezolaans goud werd omzeild, welk handelen een strafbaar feit oplevert.
6.5.
Hierin ligt dan ook besloten de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat de export van Venezolaans goud zonder benodigde vergunning pas in 2010 strafbaar is gesteld en ten tijde het gepleegde dus niet strafbaar was. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof geenszins te noemen, gelet op het zich bij de stukken bevindende overzicht van de destijds in Venezuela vigerende wet- en regelgeving met betrekking tot de mogelijkheid en de vereisten voor export van baren en/of broodjes goud en de strafbaarheid van illegale export van goud, waarop een gevangenisstraf staat.
6.6.
Ook de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat het exporteren van Venezolaans goud zonder exportvergunning strafbaar is, onbegrijpelijk is, treft geen doel. Het hof heeft uit de omstandigheden waaronder de export van het goud uit Venezuela en de import daarvan in Aruba en Curaçao heeft plaatsgevonden, het daarbij opmaken en gebruiken door de verdachte van vervalste documenten om de oorsprong van het goud te verhullen, in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte erkende niet enig onderzoek naar de voorwaarden voor export van Venezolaans goud te hebben gedaan, afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte wist – tenminste in de vorm van voorwaardelijk opzet – dat de baren en/of broodjes goud die hij en zijn mededaders in Curaçao en Aruba voorhanden hebben gehad en overgedragen afkomstig waren uit het strafbare handelen van zonder exportvergunning exporteren van Venezolaans goud.
6.7.
Voorts treft de tweede klacht van het middel, nl. dat het hof wat betreft het onder 13 bewezenverklaarde de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, doordien het bewezen heeft verklaard dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van vervalste geschriften, terwijl ten laste is gelegd dat [A] N.V. gebruikt heeft gemaakt van vervalste geschriften, geen doel.
6.8.
Ten laste is gelegd dat [A] N.V. (i.o.) en/of zijn mededader(s) de in de tenlastelegging bedoelde documenten, waaronder Certificate(s) of Origin, hebben ingediend en/of overgelegd bij de desbetreffende autoriteiten. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen 28 e.v. volgt onmiskenbaar dat het de verdachte is die de Certificate(s) of Origin voor de import van het goud namens [A] afhandelde. Het door het hof bewezenverklaarde, nl. hij, de verdachte, en/of zijn mededaders telkens een of meer certificates of origin hebben ingediend en/of overgelegd bij de desbetreffende autoriteiten, zie ik als een nadere concretisering van het tenlastegelegde die binnen de grondslag van de tenlastelegging valt.
6.9.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
7Het derde middel 7.1.
Het middel klaagt dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van het hof van 31 augustus 2015 ontbreekt, welk verzuim tot nietigheid van het onderzoek in hoger beroep en het mede naar aanleiding daarvan gewezen arrest dient te leiden.
7.2.
Dit proces-verbaal, waarvan het bestreden arrest melding maakt en waarvan de raadsman tijdig bij de rolraadsheer om aanvulling ervan heeft verzocht, bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv toegezonden stukken. Het middel klaagt hierover dus terecht. Wel bevindt zich bij de stukken een ‘strafvonnis’ van het Gemeenschappelijk Hof, van 31 augustus inhoudende dat de oproeping voor de terechtzitting op die datum nietig is verklaard. Enig onderzoek naar de zaak zelf heeft dus op die dag niet plaatsgevonden. De verwijzing naar die terechtzitting in het (eind)arrest van het hof betreft dus een kennelijke misslag die verbeterd kan worden gelezen.
7.3.
Het middel faalt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG AEH: bedoeld zal zijn gewoontewitwassen; zie p. 10 van het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarnaar het hof in voetnoot 1 verwijst.
Zie voor de tekst van deze tenlasteleggingen bijlage 1 bij het bestreden vonnis.
AEH: Een totaalbedrag dus van € 3.050.000,=.
Zie de door het hof gebezigde bewijsmiddelen 1, 2 en 3.