Nr. 16/05899 Zitting: 16 januari 2018 Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] De verdachte is bij arrest van 14 november 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens (meer subsidiair) “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.100,00. Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur heeft mr. Kuijper voorts gereageerd op inlichtingen, gevraagd op de voet van art. 83 RO. Het eerste middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting van 31 oktober 2016 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2016 houdt in - voor zover hier van belang -: “GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-007445-13 Proces-verbaal van de niet in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 31 oktober 2016. Tegenwoordig: mr. L.T. Wemes, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. A. Dijkstra, raadsheren, [betrokkene 1] , griffier. Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. H. Dijkstra, advocaat- generaal. De voorzitter doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen. De verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [a-straat 1] , [woonplaats] , is niet verschenen. Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem, die verklaart uitdrukkelijk door zijn cliënt gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman vraagt hoe de betekening met betrekking tot deze zitting aan zijn cliënt is verlopen, waarop de advocaat-generaal de raadsman inzage biedt in de desbetreffende betekeningsstukken.” 5. Namens de Hoge Raad is aan de voorzitter van de kamer van het hof die het arrest heeft gewezen, verzocht inlichtingen te verstrekken over het navolgende: “Heeft de terechtzitting op 31 oktober 2016 in het openbaar plaatsgevonden en, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan verzuimd dit in het proces-verbaal te vermelden?” 6. Daarop heeft de voorzitter van het hof als volgt geantwoord: “Met betrekking tot uw verzoek om nadere inlichtingen over het in bovengenoemde strafzaak opgemaakte zittingsproces-verbaal kan ik u het volgende meedelen: Na eerst mijn eigen zittingsaantekeningen te hebben opgespoord – waarin ik overigens niets ter zake doende aantrof – heb ik mij verstaan met de betrokken griffier, [betrokkene 1] . Van hem ontving ik het navolgende bericht: Beste (...), Ik heb eerst mijn zittingsaantekeningen erbij gepakt. Daarin staat niets over een niet openbare behandeling. Daarna heb ik in Outlook gekeken of er emailverkeer is geweest inzake de zaak [verdachte] . Dat is er, maar ook daarin lees ik niets over een behandeling achter gesloten deuren. Per abuis is in dat proces-verbaal opgenomen dat het een niet openbare behandeling betreft. Ik heb het sterke vermoeden dat ik een proces-verbaal van een andere zaak (jeugdzaak) heb gekopieerd in Word en heb bewerkt, zij het dat daarbij niet alle onderdelen goed zijn aangepast. Op grond van het vorenstaande kom ik tot de conclusie dat er sprake is geweest van een dubbele omissie. Ten onrechte staat opgenomen dat de zitting achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden en mijn oog is hier niet op gevallen bij het corrigeren en ondertekenen van het concept, hetgeen ik vanzelfsprekend betreur.” 7. Op grond van de inlichtingen die zijn verstrekt door de voorzitter van de kamer van het hof die het arrest heeft gewezen, moet worden aangenomen dat sprake is van een misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting en dat de behandeling van de onderhavige zaak dus wel in het openbaar heeft plaatsgevonden. Daarbij neem ik in aanmerking dat de wijze van werken die de griffier beschrijft een wijze van werken is die naar de ervaring leert het maken van fouten in de hand werkt. 8. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 9. Het tweede middel klaagt dat het bepaalde in art. 6 EVRM is geschonden omdat de verdachte de getuige [getuige 1] in geen enkel stadium van het geding heeft kunnen ondervragen en het hof de verklaring van die getuige toch voor het bewijs heeft gebezigd. 10. Het hof heeft ten laste van verdachte onder meer subsidiair bewezenverklaard dat: “hij op 29 mei 2013 te Groningen met een ander op de openbare weg, het Gedempte Zuiderdiep openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het stompen, slaan en schoppen en het met een lifehammer slaan van die [slachtoffer] , waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen en geschopt en met die lifehammer heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.” 11. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een proces-verbaal van aangifte, op ambtseed opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 13 en 14 van een dossier van de politie eenheid Noord Nederland, district Groningen met het kenmerk 2013053051 en sluitingsdatum 30 juli 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [slachtoffer] : Op 29 mei 2013 was ik op het Gedempte Zuiderdiep te Groningen. Ik ben daar in elkaar geslagen door twee Marokkaanse jongens. 2. Een proces-verbaal van verhoor aangever, op ambtsbelofte opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 2] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 18 t/m 20 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [slachtoffer] : Ik heb vannacht klappen gekregen met de blote hand of vuist, maar ook met een voorwerp. Ik heb begrepen dat het een hamertje (het hof begrijpt: een lifehammer) moet zijn geweest. Ik heb een blauw oog, een tand door de lip, en een gat en een snee in mijn hoofd. Ik heb een kras op mijn schouder en heb last van mijn been. 3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, op ambtsbelofte opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 3] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 32 en 33 van het hierboven onder 1 genoemde dossier van de politie Flevoland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [getuige 1] : Op 29 mei 2013 zag ik dat twee mannen aan het vechten waren met een andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ), op het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. Ik heb gezien dat de twee mannen deze man met gebalde vuist hebben geslagen. Ik zag ook dat één van deze twee mannen, namelijk de man die een wit shirt droeg, het slachtoffer met een ruitentikker sloeg. Hiermee bedoel ik een oranjekleurig slaghamertje met metalen kop (het hof begrijpt: een lifehammer). Ik zag verderop een zwarte Audi A2 geparkeerd staan. 4. Een proces-verbaal van aanhouding, op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 6] , hoofdagent van de politie Groningen, en [verbalisant 7] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 107 t/m 109 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van de verbalisanten: Omstreeks 05.00 uur op 29 mei 2013 troffen wij drie Marokkaanse jongens aan bij een zwarte Audi A2 aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen, nabij Pathe. Wij zagen dat buiten de auto een oranjekleurige life-hammer op de grond lag. De jongens verklaarden dat deze bij het uitstappen uit de auto was gevallen. We hebben onze weg vervolgd. Kort daarop hoorden we dat een persoon zich had gemeld op het politiebureau om aangifte te doen van mishandeling door drie Marokkaanse jongens op het Gedempte Zuiderdiep, nabij Pathe. Op 29 mei 2013 hielden wij om 05.30 uur op het Gedempte Zuiderdiep in Groningen als verdachte aan [verdachte] , geboren op 20 juni 1985 in Marokko. [verdachte] stond bij een zwarte Audi A2. 5. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtseed opgemaakt op 30 mei 2013 door [verbalisant 13] , brigadier van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 36 en 37 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van de verbalisant: Op 29 mei 2013 werd [verdachte] als verdachte aangehouden door collega’s [verbalisant 7] en [verbalisant 6] . Collega [verbalisant 7] verklaarde dat [verdachte] een wit trainingsjack droeg. 6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtseed opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 8] , hoofdagent van de politie Groningen, en [verbalisant 9] , hoofdagent van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 61 t/m 67 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als verklaring van [betrokkene 2] : Ik was gisteren (het hof begrijpt: in de nacht van 28 op 29 mei 2013) op stap in Groningen met twee vriendinnen en twee jongens, onder wie [verdachte] . [verdachte] heeft een ruitentikker (het hof begrijpt: een lifehammer) uit de auto gepakt en in zijn tasje gedaan. Toen we bij de auto kwamen en de politie weg gegaan was, zag ik een Nederlandse jongen tegenover [verdachte] staan. Ik zag dat [verdachte] de Nederlandse jongen sloeg en schopte. 7. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, op ambtsbelofte opgemaakt op 30 mei 2013 door [verbalisant 10] , hoofdagent van de politie Groningen, alsmede opgemaakt door [verbalisant 11] , medewerker van de politie Groningen, opgenomen in de pagina’s 118 t/m 124 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als vraag van de verbalisanten: Wie is [verdachte] ? als verklaring van de verdachte [verdachte] : Dat ben ik. In de nacht van dinsdag (het hof begrijpt: dinsdag 28 mei 2013) op woensdag (het hof begrijpt: woensdag 29 mei 2013) droeg ik een wit trainingsjack. Ik was uit in de stad (het hof begrijpt: de stad Groningen). Er was een oranjekleurige lifehammer in de Audi van [betrokkene 3] . 8. Een proces-verbaal van bevindingen, op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt op 29 mei 2013 door [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie Drenthe, en [verbalisant 12] , hoofdagent van de politie Drenthe, opgenomen in de pagina’s 46 en 47 van het hierboven onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van de verbalisanten: Op 29 mei 2013 kregen wij een melding dat een lifehammer in beslag genomen moest worden uit een zwarte Audi A2 met het kenteken [AA-00-AA] . Vanuit dit voertuig was in Groningen een verdachte aangehouden op verdenking van zware mishandeling. Het wapen waar de mishandeling mee gepleegd was, een oranje lifehammer, zou zich nog in dit voertuig moeten bevinden. Toen wij hoorden dat dit voertuig bij de afslag Ommen van de N48 staande was gehouden zijn wij ter plaatse gegaan. Verbalisant [verbalisant 4] heeft een DNA kit uit de auto gehaald om de lifehammer, die achter de bestuurderstoel werd aangetroffen, veilig te stellen. Toen ik hoorde dat de auto in beslag genomen werd, heb ik de DNA kit op de achterbank laten liggen. 9. Een relaas proces-verbaal en uitslag sporenonderzoek, op ambtseed opgemaakt op 19 augustus 2013 door [verbalisant 5] , inspecteur van de politie Noord-Nederland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: als relaas van de verbalisant: Op 29 mei 2013 onderzocht ik een Audi personenauto met het kenteken [AA-00-AA] . Tijdens dit onderzoek stelde ik uit dit voertuig een lifehammer veilig en nam deze in beslag voor nader onderzoek. Ik voorzag deze sporendrager van het Spoor Identificatie Nummer AAAE8701NL. Bij onderzoek bleek mij dat van de verdachte [verdachte] het DNA-profiel was opgenomen in de Nederlandse DNA databank voor strafzaken. Het spoor lifehammer SIN AAAE8701NL en het van het slachtoffer [slachtoffer] afgenomen referentiemonster wangslijmvlies, voorzien van SIN RAAW4271NL, werd voor een DNA onderzoek gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Uit het terug ontvangen rapport blijkt het volgende. Op het handvat van de lifehammer (AAE8701NL) is een bloedspoor aangetroffen met daarin aanwezig het DNA-profiel van een man. Dit DNA-profiel matcht met het in de DNA databank opgenomen profiel van de verdachte [verdachte] . De matchkans van dit spoor is kleiner dan één op één miljard. Op de punt van de lifehammer (AAE8701NL) is een bloedspoor aangetroffen met daarin aanwezig het DNA-profiel van een man. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het (van het) slachtoffer [slachtoffer] afgenomen referentiemonster wangslijmvlies, voorzien van het SIN RAAW4271NL. De matchkans van dit spoor is kleiner dan één op één miljard.” 12. Het hof overwoog met betrekking tot het bewijs: “Overweging met betrekking tot het bewijs voor het meer subsidiair ten laste gelegde De verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde plegen van openlijk geweld in vereniging. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2016 aangevoerd dat de voor de verdachte belastende verklaring van de getuige [getuige 1] niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Hiertoe is gesteld dat deze getuige - ondanks pogingen daartoe - niet kon worden gehoord in hoger beroep en dat het gebruik van de verklaring van deze getuige daardoor in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat aangever [slachtoffer] wellicht onder invloed van alcohol aangifte heeft gedaan en dat ook uit de verschillende verklaringen die aangever nadien heeft afgelegd blijkt dat aangever diverse omstandigheden van zijn treffen met de verdachte niet (voldoende) helder voor ogen heeft. Het gerechtshof is van oordeel dat het door verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het meer subsidiair ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van aangever [slachtoffer] en van de getuige [getuige 1] , te twijfelen en acht de andersluidende lezing van de feiten door de verdachte niet aannemelijk geworden. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht het gerechtshof de verklaring die door de getuige [getuige 1] is afgelegd toelaatbaar als bewijsmiddel. Van strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM is geen sprake bij het gebruik van de verklaring van de getuige [getuige 1] als bewijsmiddel door het gerechtshof, nu deze verklaring niet het enige en doorslaggevende bewijs - in de zin van de Vidgen-jurisprudentie - vormt.” 13. In EHRM 10 juli 2012, Appl. no. 29353/06 (Vidgen v. the Netherlands) werd onder meer overwogen: “40. In Al-Khawaja and Tahery v. the United Kingdom [GC], cited above, § 131, the Court set out its understanding of the expression “decisive” as applied to evidence used to ground a conviction: “‘Decisive’ (or ‘déterminante’) in this context means more than ‘probative’. It further means more than that, without the evidence, the chances of a conviction would recede and the chances of an acquittal advance, a test which ... would mean that virtually all evidence would qualify. Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive.” 14. In het licht van deze overweging moet het oordeel van het hof kennelijk aldus worden verstaan dat de verklaring van de getuige [getuige 1] niet doorslaggevend is voor het oordeel dat de verdachte geweld jegens [slachtoffer] heeft uitgeoefend en dat hij door dat geweld [slachtoffer] letsel heeft toegebracht als bewezenverklaard. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Buiten de verklaring van de getuige [getuige 1] houden de bewijsmiddelen immers het volgende in: - [slachtoffer] is in de nacht van 29 mei 2013 op het Gedempte Zuiderdiep in Groningen in elkaar geslagen; hij is geslagen met de blote hand of vuist, geschopt en geslagen met een lifehammer; daarbij heeft hij een blauw oog, een tand door de lip, en een gat en een snee in zijn hoofd opgelopen; verder heeft hij een kras op zijn schouder en last van zijn been (bewijsmiddelen 1 en 2); - verdachte was in de nacht van 28 op 29 mei 2013 met enkele anderen op stap in Groningen (bewijsmiddelen 6 en 7); de verdachte heeft een lifehammer uit de auto gepakt en in zijn tasje gedaan; toen zij bij de auto kwamen en de politie weg was gegaan heeft de verdachte de Nederlandse jongen geslagen en geschopt (bewijsmiddel 6); - op 29 mei 1013 omstreeks 5.00 uur troffen twee politieagenten drie Marokkaanse jongens aan bij een zwarte Audi A2 op het Gedempte Zuiderdiep te Groningen nabij Pathe; buiten de auto lag een oranjekleurige lifehammer op de grond; deze was volgens de jongens bij het uitstappen uit de auto gevallen; de politieagenten vervolgden hun weg; kort daarop hoorden zij dat een persoon zich had gemeld op het politiebureau om aangifte te doen van mishandeling door drie Marokkaanse jongens op het Gedempte Zuiderdiep, nabij Pathe; om 5.30 uur werd de verdachte aangehouden op het Gedempte Zuiderdiep in Groningen; hij stond bij de zwarte Audi A2 (bewijsmiddel 4); - volgens de verdachte was er een oranje lifehammer in de Audi A2 (bewijsmiddel 7); - in de Audi A2 is een lifehammer aangetroffen (bewijsmiddel 9); - op de lifehammer werden DNA-sporen van de verdachte en [slachtoffer] aangetroffen (bewijsmiddelen 8 en 9). 15. Uit deze inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt (bewijsmiddelen 6 en 7). Voorts kan uit de verklaring van [slachtoffer] dat hij met een lifehammer is geslagen in combinatie met het feit dat de verdachte voorafgaand aan de mishandeling van [slachtoffer] een lifehammer in zijn tasje heeft gestopt en de op de lifehammer aangetroffen DNA-sporen van de verdachte en [slachtoffer] , worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] met de lifehammer heeft geslagen. Uit de onder 14 beschreven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan verder worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] door slaan met de lifehammer enig lichamelijk letsel heeft toegebracht. Naar van algemene bekendheid is, heeft een lifehammer scherpe punten, en wel zo scherp dat met de lifehammer een autoruit kan worden ingeslagen. Bij die scherpe punten passen de door [slachtoffer] opgelopen gat en snee in zijn hoofd alsmede de kras op zijn schouder. Ook zonder de verklaring van de getuige [getuige 1] kan het bewezenverklaarde dus uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. 16. Met betrekking tot de in het slot van de toelichting op het middel opgeworpen vraag of het proces, nu [getuige 1] niet door of namens de verdachte is kunnen worden ondervraagd, voldoet aan de maatstaven van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, is verder het volgende van belang. 17. In zijn arrest van 15 december 2015, Appl. no. 9154/10 (Schatschaschwili tegen Duitsland) overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens onder meer: “101. The Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (see, inter alia, Taxquet v. Belgium [GC], no. 926/05, § 84, ECHR 2010, with further references). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, having regard to the rights of the defence but also to the interest of the public and the victims in seeing crime properly prosecuted (see Gäfgen v. Germany [GC], no. 22978/05, §§ 163 and 175, ECHR 2010) and, where necessary, to the rights of witnesses (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, § 118, with further references, and Hümmer, cited above, § 37). 102. The principles to be applied in cases where a prosecution witness did not attend the trial and statements previously made by him were admitted as evidence have been summarised and refined in the judgment of the Grand Chamber of 15 December 2011 in Al-Khawaja and Tahery (cited above). 103. The Court reiterated in that judgment that Article 6 § 3 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.