Zaaknr: 17/03640 mr. W.L. Valk Zitting: 16 maart 2018 Conclusie inzake: [verzoeker] tegen Uitvoeringscommissie Saasveld-Gammelke met als opgeroepen belanghebbenden: 1. Waterschap Vechtstromen, niet verschenen 2. [belanghebbende 2] , niet verschenen Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk de Uitvoeringscommissie. In deze herverkavelingszaak staat centraal de vraag of de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg) een grondslag biedt voor de financiële verrekening van kwaliteitsverschillen van geruilde landbouwgronden via de lijst der geldelijke regelingen (hierna: LGR). 1. Feiten en procesverloop 1.1. Percelen van [verzoeker] zijn betrokken in het landinrichtingsproject Saasveld-Gammelke van de provincie Overijssel. 1.2. Van 8 september 2014 tot en met 20 oktober 2014 heeft het ontwerpbesluit voor de LGR voor het blok – dat wil zeggen het geheel van de in de herverkaveling begrepen onroerende zaken (art. 1 Wilg) – ter inzage gelegen. 1.3. [verzoeker] heeft op 15 oktober 2014 via zijn gemachtigde tegen het ontwerpbesluit een zienswijze ingediend. 1.4. Nadat de Uitvoeringscommissie [verzoeker] over zijn zienswijze had gehoord, heeft zij bij besluit van 7 oktober 2015 de LGR voor het blok vastgesteld. Daarbij is de zienswijze van [verzoeker] deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Ten opzichte van het ontwerpbesluit is het bedrag voor over- en onderbedeling enigszins aangepast. Volgens de LGR dient [verzoeker] een bedrag te betalen wegens een andere hoedanigheid en gebruiksbestemming (kwaliteit) van de aan hem toegewezen gronden dan de door hem ingebrachte gronden, te weten € 93.933,—. 1.5. Bij verzoekschrift van 7 december 2015 heeft [verzoeker] overeenkomstig art. 69 Wilg beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van de LGR. Hij heeft de rechtbank verzocht het besluit LGR onverbindend te verklaren, dan wel de Uitvoeringscommissie opdracht te geven een nieuw besluit LGR te nemen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de Wilg alleen voorziet in de mogelijkheid om verschillen in oppervlakte te verrekenen en geen grondslag biedt voor verrekening van verschillen in kwaliteit. Volgens [verzoeker] zijn de door de Uitvoeringscommissie vastgestelde beleidsregels ex art. 68 Wilg, waarin is opgenomen dat kwaliteitsverschillen tussen inbreng en toedeling in geld worden verrekend (de zogenoemde ‘Nadere regels voor de lijst der geldelijke regelingen’, hierna: Nadere Regels), onverbindend. 1.6. De Uitvoeringscommissie heeft ten verwere onder meer aangevoerd dat niet blijkt dat er onder de Wilg geen verrekening op basis van kwaliteitsverschil van de gronden kan plaatsvinden, omdat in het Besluit inrichting landelijk gebied (Stb. 2006/243, hierna: Bilg) een niet-limitatieve lijst met verrekenposten is opgenomen en zodoende de mogelijkheid is opengelaten aan de Uitvoeringscommissie om zelf nader te noemen verrekenposten aan de LGR toe te voegen. Verder heeft de Uitvoeringscommissie aangevoerd dat verrekening van waardeverschil van de gronden redelijk en billijk is. 1.7. Bij beschikking van 10 mei 2017 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, zeer kort samengevat, overwogen dat de Wilg de mogelijkheid erkent dat gronden worden toegedeeld die van de door een eigenaar ingebrachte gronden verschillen in hoedanigheid en gebruiksbestemming en die wet wel degelijk een grondslag biedt voor verrekening van een zodanig verschil, te weten met de art. 62 lid 1 onder c sub 4 en 68 lid 1 onder b sub 4 Wilg, waar sprake is van geldelijke verrekening als gevolg van ‘de overige zaken’. In verband daarmee is het niet in strijd met de Wilg maar juist in overeenstemming met de Wilg dat de door de Uitvoeringscommissie vastgestelde Nadere Regels in een zodanige verrekening voorzien. 1.8. De dragende overwegingen van de beschikking luiden als volgt: ‘Onderdeel 1: verrekening op basis van kwaliteitsverschillen, verbindendheid Nadere Regels 4.1. Voor een goed begrip zal de rechtbank hier eerst het wettelijk kader – voor zover voor deze zaak relevant – weergeven. 4.1.1. De Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) bepaalt (in paragraaf 8.3.4.3.: het plan van toedeling): Artikel 52: Lid 3: Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet, wordt aan iedere eigenaar een recht toegedeeld met betrekking tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht. Lid 4: Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent (...) de in het derde lid bedoelde gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming. De in artikel 52, lid 4 bedoelde ministeriële regeling is de Regeling inrichting landelijk gebied (hierna: Rilg). Paragraaf 3.2. van de Rilg heeft als opschrift “Gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming”. In deze paragraaf staat dat de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, bedoeld in artikel 52, lid 3 van de Wilg, wordt bepaald met inachtneming van artikel 16 tot en met 20 van deze Rilg. In de artikelen 16 tot en met 20 van de Rilg wordt vervolgens uiteengezet hoe de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming wordt bepaald. Het komt erop neer dat de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming van het hele blok moet worden bepaald aan de hand van bepaalde criteria. Deze bodemgeschiktheid wordt ingedeeld in minimaal drie klassen. In de onderhavige ruilverkaveling[] Saasveld-Gammelke hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel (hierna: GS) op 14 augustus 2007 de uitgangspunten voor het blok en de bodemgeschiktheidsklassenkaart met toelichting voor het inrichtingsplan Saasveld-Gammelke vastgesteld. Er zijn vijf bodemgeschiktheidsklassen vastgesteld. In het op 9 maart 2016 aan de rechtbank overgelegde “algemene dossier voor de LGR Saasveld-Gammelke” zijn als productie 8 en 9 de ruilklassenkaarten (bodemgeschiktheidsklassenkaarten) overgelegd. Als bijlage 13 bij het verweerschrift in de onderhavige zaak heeft de uitvoeringscommissie de “Toelichting op de bodemgeschiktheidsklassenkaart ex artikel 52 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied” van april 2007 overgelegd. Hierin staat dat de bodemgeschiktheidsklassenkaart op basis van artikel 20 van de Rilg in opdracht van GS is gemaakt. Uit deze toelichting blijkt ook dat de gebruiksbestemming voor het hele ruilverkavelingsblok “veeteelt” is. De indeling in bodemgeschiktheidsklassen is bedoeld als instrument om de hoedanigheid vast te leggen. Dat kan vervolgens als basis worden gebruikt voor de uitruil en compensatie bij opgetreden verschillen in hoedanigheid, aldus deze toelichting. Tot slot staat in deze toelichting dat in de “uitgangspunten voor de herverkaveling” is aangegeven wanneer en hoe compensatie wordt geregeld. 4.1.2. In artikel 56 Wilg is onder meer bepaald: Artikel 56 1. Bij elk blok wordt de totale oppervlakte van alle bij de herverkaveling betrokken gronden tot een maximum van vijf procent verminderd met de oppervlakte van alle in het blok opgenomen gronden: a. die in het belang van de herverkaveling benodigd zijn voor het tot stand brengen of verbeteren van openbare wegen en waterlopen; b. die benodigd zijn voor de aanleg van de met die wegen en waterlopen samenhangende voorzieningen; c. die benodigd zijn voor het verwezenlijken van maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de natuur, het landschap en de openluchtrecreatie; d. die anderszins bestemd zijn voor voorzieningen van openbaar nut. 2. Iedere eigenaar heeft aanspraak op een oppervlakte in kavels die gelijk is aan de oppervlakte van de door hem ingebrachte kavels, verminderd met het percentage waarmee de totale oppervlakte van alle in het blok opgenomen gronden ingevolge het eerste lid is verminderd. (...) Voor het blok Saasveld-Gammelke is de algemene korting vastgesteld op 2%. 4.1.3. In paragraaf 8.3.4.4. van de Wilg “De lijst der geldelijke regelingen” is opgenomen: Artikel 61: Het verschil in oppervlakte tussen de ingebrachte en de na toepassing van artikel 56 toegedeelde kavels, wordt met de eigenaren in geld verrekend. Artikel 62: 1. De lijst der geldelijke regelingen houdt in: (...) c. een opgave van de geldelijke verrekeningen voor de betrokken eigenaren als gevolg van: 1° de toepassing van de artikelen 58 en 61, (...) 4° de overige zaken. 2. Voor de bepaling van de in het eerste lid, onderdeel c, onder 1° bedoelde verrekening stellen gedeputeerde staten de agrarische verkeerswaarde van de grond vast met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 63, tweede lid. 4.1.4. In paragraaf 8.3.4.5. van de Wilg “Nadere regels omtrent het ruilplan en de lijst der 4 geldelijke regelingen” is opgenomen: Artikel 63: 1. (...) 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden de algemene uitgangspunten ten aanzien van de onderscheiden onderdelen van artikel 62, eerste lid, alsmede de uitgangspunten ten aanzien van de bepaling van de agrarische verkeerswaarde, bedoeld in artikel 62, tweede lid, vastgesteld. De in artikel 63 lid 2 Wilg bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit inrichting landelijk gebied (hierna: Bilg). Hoofdstuk 3 van het Bilg gaat over de lijst der geldelijke regelingen. In artikel 26 van het Bilg staat: 1. Bij de lijst der geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen hetzij de bij het plan van toedeling betrokken eigenaren onderling hetzij de gezamenlijkheid van eigenaren en de individuele eigenaar, die betrokken is bij het plan van toedeling. 2. De verrekenposten, bedoeld in het eerste lid, kunnen betreffen: [a tot en met j] 4.1.5. In artikel 68 van de Wilg is onder meer vermeld: Artikel 68: 1. Gedeputeerde Staten geven op een door hen te bepalen tijdstip aan door hen aan te wijzen schatters opdracht tot het schatten van: a. de verandering van de waarde van de onroerende zaken als gevolg van de landinrichting voor iedere eigenaar; b. de geldelijke verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar bij overgang van onroerende zaken ten aanzien van: (...) 4° de overige zaken. 2. Bij de schatting nemen de schatters de regels, bedoeld in artikel 63, in acht. De “regels bedoeld in artikel 63” zijn de hierboven reeds genoemde regels uit het Bilg. 4.1.6. De uitvoeringscommissie heeft in de hier aan de orde zijnde zaak op basis van artikel 68 van de Wilg de “Nadere regels voor de lijst der geldelijke regelingen” vastgesteld (hierna te noemen: de Nadere Regels). Deze Nadere Regels zijn blijkens de inleiding daarvan, nadere regels voor de schatting als bedoeld in artikel 68 van de Wilg. Deze Nadere Regels zijn overgelegd als productie 5 bij het op 9 maart 2016 aan de rechtbank overgelegde “algemene dossier voor de LGR Saasveld-Gammelke”. Hoofdstuk 4 van deze Nadere Regels betreft de verrekenposten. Hierin staat: De verrekenposten, als bedoeld in artikel 68, lid I sub b van de Wilg en artikel 26, lid 2 Bilg, worden als volgt geschat en vervolgens verrekend tussen de betrokken oude, afgaande eigenaren en nieuwe opkomende eigenaren, dan wel tussen de eigenaren en het herverkavelingsblok (gezamenlijke rechthebbenden). De verrekenposten worden als volgt toegepast: [1 tot en met 4] De verrekenposten 1 t/m 4 worden verrekend tussen afgaande en opkomende eigenaar. Naast de in artikel 26 lid 3 Bilg (de rechtbank leest: lid 2) vermelde verrekenposten, bestaan op grond van de Wilg nog de navolgende verrekenposten. 5. (…) 6. (…) 7. Kwaliteitsverschil tussen inbreng en toedeling wordt verrekend door het verschil in kwaliteit tussen inbreng en toedeling, uitgedrukt in een nader te bepalen geldsbedrag, met inachtneming van de vastgestelde agrarische verkeerswaarde. 8. (…) Bovenstaande verrekenposten 5 t/m 8 worden verrekend tussen de betrokken eigenaren en het herverkavelingsblok (= gezamenlijke rechthebbenden). 4.2. De te beantwoorden vraag is of het bepaalde in artikel 4, lid 7 van de Nadere Regels in strijd is met de Wilg en daarom onverbindend moet worden verklaard, zoals [verzoeker] stelt. 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. De Nadere Regels moeten – zoals ter zitting door [verzoeker] erkend – worden gekwalificeerd als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 4:81, lid 1 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. GS hebben een bevoegdheid op basis van artikel 68 van de Wilg. Zij moeten immers de schatters opdracht geven om geldelijke verrekening bij overgang tussen oude en nieuwe eigenaren te schatten en daarbij heeft zij van de wetgever beleidsruimte gekregen. Ten behoeve van die schatting kunnen zij dus beleidsregels vaststellen. Ter zitting is door de voorzitter van de uitvoeringscommissie uitgelegd dat in het Instellingsbesluit (onder meer) deze bevoegdheid door GS is gedelegeerd aan de uitvoeringscommissie. Dit betreft het besluit van GS van 14 augustus 2007, bekendgemaakt in het Provinciaal Blad nr. 2007-59. Artikel 3, lid 2 van het bij dat besluit behorende Reglement uitvoeringscommissies landelijk gebied bevestigt de uitleg van de voorzitter. De uitvoeringscommissie, zijnde een bestuursorgaan, kan dus beleidsregels voor de aan haar toekomende bevoegdheid vaststellen. Dat heeft zij in haar vergadering van 3 oktober 2012 gedaan door middel van de Nadere Regels. 4.4. De rechter dient bij de beoordeling van beleidsregels de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan te respecteren. Beleidsregels mogen echter niet in strijd met de wet komen. 4.5. Uit artikel 52 en 56 van de Wilg kan worden afgeleid dat het uitgangspunt van de wet is dat iedere rechthebbende recht heeft op toedeling van gronden van een gelijke oppervlakte van dezelfde aard en hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht. Uitruil geschiedt onder de Wilg op basis van oppervlakte en niet meer op basis van waarde. Dit wordt in de Memorie van Toelichting uitgelegd: Zoals in de Landinrichtingswet, wordt ook bij dit wetsvoorstel voorgesteld dat een ieder aanspraak heeft op het verkrijgen van een recht van dezelfde aard als hij voor de herverkaveling had (artikel 52, eerste lid). Anders dan in de Landinrichtingswet, maar analoog aan de Reconstructiewet concentratiegebieden, wordt voor de uitruil van gronden voorgesteld als basis daarvoor te nemen de oppervlakte in grond (artikel 56, tweede lid). In beginsel bestaat dan een recht op toedeling van een gelijke oppervlakte als de betrokkene in de herverkaveling heeft ingebracht. Dat in het wetsvoorstel de aanspraak op toedeling van grond is gerelateerd aan de ingebrachte oppervlakte en niet langer aan de ruilwaarde op basis van het voortbrengend vermogen van de gronden, betekent dat de in de Landinrichtingswet geregelde eerste schatting en de vaststelling van het zogenoemde stelsel van classificatie kan vervallen, hetgeen een belangrijke versnelling en vereenvoudiging van de procedure met zich brengt. Die eerste schatting komt erop neer dat van alle gronden in het blok de aard en kenmerken, het gebruik en de gesteldheid moeten worden geïnventariseerd en in een classificatiestelsel van ruilwaarden moeten worden ingedeeld, dat vervolgens als grondslag dient voor de bepaling van de aanspraken van de onderscheiden eigenaren op toedeling van gronden. In de praktijk geschiedt deze eerste schatting voor een deel van de in een blok gelegen gronden, namelijk die gronden die in de uiteindelijke uitruil niet worden betrokken, ten overvloede. De voorgestelde overgang naar een stelsel dat de oppervlakte als basis voor de aanspraak op toedeling hanteert, zoals in de Reconstructiewet concentratiegebieden overigens al is gerealiseerd voor de herverkavelingen op basis van die wet, is alleszins verantwoord. Daarbij wordt gewezen op het feit dat de agrarische en economische waarde van de grond door ontwikkelingen in de landbouwkundige praktijk steeds minder bepaald wordt door bodemkundige factoren, terwijl aan oppervlakte gerelateerde factoren (zoals bijvoorbeeld melkquota) aan belang hebben gewonnen. Overigens geldt, niettegenstaande het feit dat de oppervlakte de basis is voor korting en toedeling, dat in beginsel gronden worden toegedeeld van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als zijn ingebracht (artikel 52, derde lid). 4.6. Duidelijk is derhalve dat het uitgangspunt voor de toedeling onder de Wilg is dat de eigenaar eenzelfde hoeveelheid oppervlakte krijgt toegedeeld. Niet mag echter over het hoofd worden gezien dat uitgangspunt evenzeer is dat aan iedere eigenaar een recht wordt toegedeeld met een gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht (artikel 52, lid 3 Wilg). Daarmee vindt ook een goede en werkbare ruilverkaveling plaats: de hoeveelheid en kwaliteit van toegedeelde gronden is vergelijkbaar met die van de ingebrachte gronden, zij het op een andere locatie. Doel van een ruilverkaveling is immers concentratie van de eigendoms- (of pacht)gronden bij de huiskavel, concentratie bij de bedrijfskavel, kavelconcentratie of ten slotte afstandsverkorting. In de praktijk is het toedelen van gronden met een vergelijkbare hoedanigheid of gebruiksbestemming echter niet altijd haalbaar. Daarom staat in artikel 52, lid 3Wilg eerst de voorwaarde “Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet”. In het belang van de ruilverkaveling mag derhalve worden afgeweken van het uitgangspunt dat gronden van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming worden toegedeeld. 4.7. [verzoeker] stelt echter dat uit artikel 61 Wilg volgt dat in de LGR alleen verschillen in oppervlakte verrekend mogen worden. Dus geen verschillen in hoedanigheid of gebruiksbestemming. Naar het oordeel van de rechtbank zegt artikel 61 Wilg niet meer dan dat als er een verschil in oppervlakte is tussen de ingebrachte en de toegedeeld grond, dat verschil in geld moet worden verrekend. Dat verschil is er altijd: artikel 61 Wilg noemt immers expliciet het verschil in oppervlakte als gevolg van de algemene korting (artikel 56 lid 1 en 2 Wilg), die in elk blok (zie artikel 56, lid 1) wordt toegepast. Artikel 61 ziet op dat verschil in oppervlakte. Dat is wat in geld moet worden verrekend. Het onmiddellijk daaropvolgende artikel 62 geeft weer wat de LGR inhoudt. In lid 1, sub c, wordt als eerste genoemd (onder meer) de algemene korting zoals bedoeld in artikel 61. Als vierde onderdeel wordt genoemd: “overige zaken”. In de LGR worden dus, naast de verrekening van een verschil in oppervlakte als gevolg van de algemene korting, ook overige zaken verrekend. 4.8. Zoals overwogen wordt in de Wilg onderkend dat ruilen op basis van gelijke oppervlakte en gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, niet altijd mogelijk is. Het belang van de landinrichting kan zich ertegen verzetten dat aan een eigenaar een recht wordt toegekend met betrekking tot onroerende zaken met een gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem ingebracht. Soms kan het niet anders dan dat een eigenaar slechtere of betere grond krijgt toegedeeld dan door hem was ingebracht, omdat het belang van de landinrichting (concentratie bij de huiskavel, concentratie bij de bedrijfskavel, kavelconcentratie op afstand, of afstandsverkorting) dat vereist. 4.9. De Wilg maakt het in artikel 62, lid 1, sub c, onder 4° juncto artikel 62, lid 2, mogelijk dat GS in nadere regels de mogelijkheid scheppen om in dat geval het verschil in waarde te verrekenen onder de LGR. Zoals in r.o. 4.3. en 4.4. overwogen, is het aan GS om regels vast te stellen aan de hand waarvan de schatters de geldelijke verrekeningen tussen de oude en de nieuwe eigenaar bij de overgang van onroerende zaken kunnen schatten. GS hebben die bevoegdheid gedelegeerd aan de uitvoeringscommissie. Op basis van artikel 68, lid 1, sub b, onder 4°, van de Wilg, mogen hierin ook “overige zaken” worden betrokken. Dit zijn dezelfde “overige zaken” als bedoeld in artikel 62, lid 1, sub c, onder 4°. De uitvoeringscommissie heeft in artikel 4, onder 7 van de Nadere Regels ook het kwaliteitsverschil tussen ingebrachte en toegedeelde gronden onder de verrekening van de LGR gebracht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is dat niet in strijd met de Wilg maar – omdat de Wilg de mogelijkheid erkent dat gronden van verschillende hoedanigheid en gebruiksbestemming worden toegedeeld – juist in overeenstemming met de Wilg. 4.10. De rechtbank wijst in dit verband nog op artikel 19 van het Bilg. Het Bilg is gebaseerd op artikel 63 van de Wilg. Uit artikel 63, lid 1, Wilg volgt dat het Bilg, behalve regels over de inhoud van de LGR, ook regels geeft ten aanzien van de inhoud van het Ruilplan. In dat kader staat in artikel 19 van het Bilg: Indien een eigenaar met betrekking tot een onroerende zaak een recht krijgt toegedeeld van een andere hoedanigheid of gebruiksbestemming dan door hem is ingebracht, kunnen gedeputeerde staten de betrokken eigenaar compenseren door ten aanzien van de betrokken onroerende zaak een oppervlaktecorrectie toe te passen of door hem een geldsom te betalen. Ook uit deze bepaling moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid openlaat dat een verschil in kwaliteit tussen ingebrachte en toegedeelde grond, in geld wordt verrekend. 4.11. Wat betreft de inhoud van het door de uitvoeringscommissie opgestelde artikel 4, lid 7 van de Nadere Regels overweegt de rechtbank het volgende. De uitvoeringscommissie heeft, gelet op het voorgaande, in redelijkheid een dergelijke bepaling in haar Nadere Regels kunnen opnemen. Als er geen mogelijkheid zou bestaan om kwaliteitsverschillen in geld te verrekenen, in het geval het niet mogelijk is om gronden van dezelfde hoedanigheid en gebruiksbestemming toe te delen, zou ruilverkaveling niet meer mogelijk zijn. Geen enkele eigenaar zou grond van lagere waarde accepteren zonder financiële verrekening, en het daar tegenoverstaande geval waarin een eigenaar grond van hogere kwaliteit krijgt toegedeeld zonder daarvoor te hoeven betalen, is evenmin acceptabel. De verkrijger van grond van hogere kwaliteit kan immers dan blootstaan aan een civielrechtelijke vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van de voormalige rechthebbende op die grond, aan wie grond is toebedeeld van mindere kwaliteit. Volgens artikel 6:212 van het Burgerlijk Wetboek, dient degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, immers de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. In artikel 4, lid 7 Nadere Regels, wordt een verschil in kwaliteit uitgedrukt in de agrarische verkeerswaarde. Dat is in overeenstemming met het systeem van de Wilg en de daarop gebaseerde regelgeving, waarin de agrarische verkeerswaarde, via de bodemgeschiktheidsklassenkaarten, wordt vastgesteld. Voorts heeft de uitvoeringscommissie ervoor gekozen om dergelijke waardeverschillen te verrekenen met de gezamenlijke eigenaren. Dat is een keuze die de uitvoeringscommissie naar het oordeel van de rechtbank mag maken. 4.12. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de Nadere Regels niet in strijd komen met de Wilg en dus, anders dan [verzoeker] betoogt, niet onverbindend zijn. Voor dat oordeel vindt de rechtbank overigens nog bevestiging in het navolgende. 4.13. De uitvoeringscommissie heeft ter onderbouwing van haar standpunt, dat de wetgever geen wijziging heeft beoogd in de mogelijkheden om waardeverschillen via de LGR te verrekenen, verwezen naar de parlementaire geschiedenis. Zij verwijst onder meer naar paragraaf 7.4.4.2 van de Memorie van Toelichting, waar staat: Met de lijst der geldelijke regelingen wordt de herverkaveling in financiële zin afgewikkeld. Hierin worden de ook onder de werking van de Landinrichtingswet bekende verrekenposten over en weer tussen de verschillende bij de herverkaveling betrokken eigenaren opgenomen, zoals de verrekening van waardeveranderingen tussen ingebrachte en toegedeelde percelen, de financiële gevolgen van kortingen, onder en overbedelingen en van de vestiging of opheffing van beperkte rechten, het recht van huur en dergelijke. De verwijzing naar de Landinrichtingswet impliceert volgens de uitvoeringscommissie dat de wetgever de bestaande systematiek heeft willen continueren. 4.14. Voorts verwijst de uitvoeringscommissie naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2005/6, 20509, 6, p. 30). De leden van de fractie van de LPF vinden dat in artikel 56, tweede lid, van het wetsvoorstel zou moeten worden opgenomen dat bij herverkaveling eigenaren aanspraak zouden moeten hebben op toedeling van kavels die zowel in oppervlakte als in opbrengend vermogen gelijk zijn aan de ingebrachte kavels. Een dergelijke dubbele voorwaarde zou de snelle en constructieve medewerking van boeren aan landinrichting bevorderen. Met de hier aan het woord zijnde leden ben ik van mening dat zowel de oppervlakte als ook het opbrengend vermogen van de grond relevante criteria zijn bij de bepaling van een ieders recht op toedeling bij herverkaveling. Beide criteria zijn in het wettelijke stelsel zoals het wetsvoorstel dat introduceert ook in ogenschouw genomen. Als hoofdregel introduceert het voorgestelde artikel 56, tweede lid, dat elke in een herverkaveling betrokken eigenaar recht heeft op toedeling van een perceel van gelijke oppervlakte, afgezien uiteraard de eventuele toepassing van een korting als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Vervolgens echter geldt ook het uitgangspunt, verwoord in artikel 52, derde lid, van het wetsvoorstel dat aan elke eigenaar een recht wordt toegedeeld met betrekking tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht, voor zover het belang van de landinrichting zich daartegen niet verzet. Het verschil in oppervlakte tussen inbreng en toedeling wordt in geld verrekend (voorgesteld artikel 61 Wilg) en maakt onderdeel uit van de lijst der geldelijke regelingen, evenals de verrekening van de waardeverandering van onroerende zaken voor elke eigenaar (voorgesteld artikel 68, eerste lid onder a). Met andere woorden: afwijking van de uitgangspunten van toedeling van gelijke oppervlaktes en van percelen van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming leidt tot financiële verrekeningen. Het belang van beide factoren, dat door de hier aan het woord zijnde leden is gememoreerd, komt daarmee in het voorgestelde stelsel tot uitdrukking. De intenties van deze leden en van het wetsvoorstel liggen dus op één lijn. De wetgever stond kennelijk voor ogen dat ook in het geval er een afwijking bestaat in kwaliteit (hoedanigheid) van toegedeelde grond (dus niet alleen bij een verschil in oppervlakte van toegedeelde grond), dat leidt tot financiële verrekeningen onder de LGR, aldus de uitvoeringscommissie. 4.15. Tot slot wijst de uitvoeringscommissie op de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer. Dan de vraag in hoeverre ruilwaarde op basis van opbrengend vermogen bepalend is bij de toedeling van de grond bij herkaveling. De heer Holdijk zegt dat artikel 56, tweede lid alleen aanspraak geeft op een gelijke oppervlakte als de ingebrachte oppervlakte. Weliswaar is volgens artikel 56, tweede lid de oppervlakte in kavels de basis voor korting en toedeling, maar uitgangspunt van de wet is blijkens artikel 52, derde lid tevens dat in beginsel kwalitatief met de ingebrachte gronden vergelijkbare gronden worden toebedeeld. De Wilg hanteert daarmee hetzelfde stelsel als de Reconstructiewet concentratiegebieden. Op grond van artikel 52, vierde lid van de Wilg zullen Gedeputeerde Staten, voordat zij het ruilplan kunnen opstellen, van alle uitruilbare gronden de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming moeten vaststellen. Het nieuwe stelsel is daarmee slagvaardiger dan het huidige stelsel via de zogenaamde eerste schatting. In dat oude stelsel worden namelijk alle in een blok gelegen gronden geschat, ook gronden die niet bij de uiteindelijke uitruil worden betrokken. Daarnaast is er, net als in de huidige Landinrichtingswet, een voorziening voor financiële compensatie bij de lijst geldelijke regelingen als in het uiterste geval sprake is van toedeling van grond met een verminderde gebruikswaarde. 4.16. De rechtbank overweegt dat de door de uitvoeringscommissie aangehaalde citaten bevestigen dat, in de van de hoofdregel afwijkende situaties waarin gronden met een andere hoedanigheid en gebruiksbestemming worden toegedeeld, verrekening via de LGR mogelijk blijft. In het laatste citaat wordt bevestigd dat het om uitzonderingssituaties gaat. De rechtbank begrijpt dat de wetgever om die reden die situatie niet expliciet (met zoveel woorden) in de Wilg heeft geregeld (omdat het afwijkt van de hoofdregel), maar dat neemt niet weg dat de mogelijkheid wel is blijven bestaan. 4.17. Hetgeen [verzoeker] verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. 4.17.1. In het advies van de Commissie Wilg van de Vereniging voor Agrarisch Recht (januari 2006) wordt voorgesteld dat, als de wetgever wil vasthouden aan de oppervlaktegrondslag, bij de LGR wordt voorgeschreven dat waardeverschillen worden verrekend. Dat is onontkoombaar, omdat anders allerlei civiele claims zullen volgen van eigenaren die grond met een lagere waarde toegedeeld krijgen, aldus dit advies. De rechtbank constateert dat de Vereniging voor Agrarisch Recht er daarbij vanuit gaat dat onder de Wilg en de daarop gebaseerde Bilg en Rilg geen mogelijkheid bestaat om waardeverschillen via de LGR te verrekenen. Zoals hierboven overwogen, geeft de wetgeving die mogelijkheid wel. 4.17.2. In het door [verzoeker] aangehaalde Evaluatie landinrichtingsinstrumentarium Wet inrichting landelijk gebied, wordt geconstateerd dat ruiling thans plaatsvindt op basis van oppervlakte, maar dat via de achterdeur toch de waarde van de grond weer van belang is voor het ruilproces (via de classificatie van de gronden via de artikelen 15-20 Rilg). Ruilen van grond met een andere waarde, dient strikt genomen expliciet gemotiveerd te worden omdat het een afwijking is van het uitgangspunt dat gronden van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming worden toegedeeld. “In de praktijk kan men het met systeem van ruilen op basis van oppervlakte wel uit de voeten. Gronden worden meestal geruild binnen dezelfde waardeklassen en als er al waardeverschillen zijn worden deze verrekend op basis van een per waardeklasse vastgestelde representatieve agrarische verkeerswaarde via de lijst de geldelijke regelingen”, aldus het Evaluatierapport. De rechtbank constateert dat in de Evaluatie niet wordt gesteld dat verrekening op basis van waardeverschillen onder de Wilg niet is toegestaan. Wel ontbreekt volgens de Evaluatiecommissie een duidelijke grondslag. Met de Evaluatiecommissie is de rechtbank van oordeel dat een duidelijker verwijzing in de Wilg naar de mogelijkheid van verrekening van waardeverschillen in de LGR, discussie had kunnen voorkomen. Het systeem van toedelen op basis van oppervlakte heeft er, naar de rechtbank aanneemt, toe geleid dat in de Wilg alleen deze verrekening expliciet is genoemd. Zoals overwogen geeft de wetgeving echter nog steeds de mogelijkheid om waardeverschillen te verrekenen via de LGR, en, zoals de Evaluatiecommissie heeft geconstateerd, wordt van die mogelijkheid in de praktijk ook gebruik gemaakt. 4.17.3. De door [verzoeker] aangehaalde motie van Van den Brink, inhoudende dat in de Wilg zou moeten worden opgenomen dat ingebrachte en toegedeelde gronden een zelfde opbrengend vermogen zouden moeten hebben, is verworpen. De rechtbank overweegt dat dat past in het hiervoor uitgelegde nieuwe systeem van de Wilg. Er wordt geruild op basis van oppervlakte, in beginsel met gronden uit dezelfde grondklasse. Als dat niet lukt, wordt de waarde verrekend via de LGR. 4.18 Gelet op al het voorgaande, moet onderdeel 1 van het verzoekschrift ongegrond worden verklaard.’ 1.9. Met een op 27 juli 2017 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft [verzoeker] tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 10 mei 2017. Van het in het verzoekschrift tot cassatie (zie onderdeel II op pagina 6) gemaakte voorbehoud tot aanvulling daarvan na ontvangst van een tot het procesdossier behorend stuk – het ‘Algemene dossier voor de LGR Saasveld-Gammelke’ – is geen gebruik gemaakt. Namens de Uitvoeringscommissie is een verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Het middel bestaat uit twee onderdelen, genummerd I en II. Onderdeel II bevat enkel een voorbehoud tot aanvulling, waarvan als gezegd geen gebruik is gemaakt, en blijft daarom verder onbesproken. Het eerste onderdeel komt met drie subonderdelen op tegen rechtsoverweging 4.18 van de bestreden beschikking, waar de rechtbank tot de conclusie komt dat onderdeel 1 van het verzoekschrift van [verzoeker] , dat zich richtte tegen de verrekening op basis van kwaliteitsverschillen en de verbindendheid van de Nadere Regels bestreed, ongegrond moet worden verklaard. Voordat ik op de diverse klachten van het onderdeel inga, verken ik eerst het terrein. 2.2. Volgens de Wilg moet onder landinrichting worden verstaan de inrichting van landelijke gebieden door de uitvoering van werken en de herindeling van het grondgebruik, ter verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven (art. 1 lid 1 jo. art. 16 Wilg). In de context van landbouw wordt landinrichting vooral ingezet ter verbetering van de agrarische structuur (de verkaveling), met name door de vergroting van kavels en het verminderen van versnippering. Aan dat laatste bestaat veelal behoefte in verband met grondmobiliteit, vererving en splitsing van bedrijven, mede tegen de achtergrond van de toenemende schaalvergroting in de landbouw. 2.3. De Wilg voorziet in verschillende instrumenten om de landinrichting te realiseren. In de onderhavige zaak is sprake van ‘herverkaveling’, door art. 1 lid 1 Wilg gedefinieerd als de samenvoeging, verkaveling en verdeling van onroerende zaken met toepassing van titel 3 van hoofdstuk 8 van de wet. Er kan mijns inziens geen twijfel over bestaan dat herverkaveling ontneming van eigendom impliceert in de zin van art. 1 Eerste Protocol EVRM. Die ontneming moet dus het algemeen belang dienen en plaatsvinden onder de voorwaarden voorzien in de wet. De ontneming moet ook proportioneel zijn, in de zin dat een ‘fair balance’ bestaat tussen de eisen van het algemene belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu; een ‘excessive burden’ voor de individuele eigenaar is ontoelaatbaar. 2.4. Uitgangspunt volgens art. 52 lid 3 Wilg is dat bij de herverkaveling aan iedere eigenaar een recht wordt toegedeeld met betrekking tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht, terwijl volgens art. 56 lid 2 Wilg iedere eigenaar aanspraak heeft op een oppervlakte in kavels die gelijk is aan de oppervlakte van de door hem ingebrachte kavels, verminderd met het in art. 56 lid 1 Wilg voorziene verminderingspercentage van maximaal vijf procent in verband met, kort gezegd, openbare voorzieningen. Deze uitgangspunten (gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming, gelijke oppervlakte) hebben in hoge mate het karakter van een ideaalplaatje. Wie zich een beeld probeert te vormen van de complexiteit van een herverkaveling en de vele daarbij te dienen belangen, begrijpt dat het veelal onvermijdelijk is dat op de uitgangspunten van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming en gelijke oppervlakte inbreuk wordt gemaakt. 2.5. De wetgever heeft dat ook onder ogen gezien. Wat betreft het uitgangspunt van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming volgt dat uit de bepaling van art. 52 lid 3 Wilg zelf, die begint met het voorbehoud ‘Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet’. Wat betreft het uitgangspunt van gelijke oppervlakte volgt het uit art. 56 lid 4 Wilg, volgens welke van lid 2 kan worden afgeweken indien toepassing daarvan aan de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de weg zou staan, waarbij opnieuw een bovengrens van vijf procent geldt. 2.6. De eigenaar aan wie mindere grond wordt toegedeeld in hoedanigheid en/of gebruiksbestemming dan door hem wordt ingebracht, dan wel minder oppervlakte dan zijn inbreng minus het verminderingspercentage, dient voor die ‘onderbedeling’ te worden gecompenseerd. Die verplichte compensatie dunkt mij in de eerste plaats voort te vloeien uit de hiervoor benoemde eis van proportionaliteit. Zij dunkt mij in de tweede plaats ook een eis te zijn van het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking behoort te worden geredresseerd, welk beginsel niet alleen in het privaatrecht geldt (art. 6:212 BW), maar ook in het bestuursrecht. Uit dit laatste volgt ook wie de bedoelde compensatie behoort of behoren op te brengen: tegenover de onderbedeelde eigenaar staan een of meer ‘overbedeelde’ eigenaren en het is alleszins redelijk dat zij voor die compensatie worden aangeslagen. 2.7. Met dit laatste wil ik niet zeggen dat zeker is, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.11 lijkt te veronderstellen, dat zonder verrekening van waardeverschillen na de herverkaveling vorderingen uit art. 6:212 BW mogelijk zouden zijn. Uw Raad heeft met betrekking tot de Landinrichtingswet geoordeeld dat behoudens bijzondere gevallen er geen plaats is voor een algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking, omdat de in die wet opgenomen termijnen ertoe dienen om binnen korte tijd het proces van ruilverkaveling onherroepelijk te kunnen afronden door middel van een onaantastbare vaststelling van de rechten op de in de ruilverkaveling betrokken percelen, en dat daarmee niet is te verenigen dat ter zake van de voordelen en nadelen die voor betrokkenen uit de ruilverkaveling voortvloeien en waarvoor in het kader van de ruilverkaveling een definitieve (financiële) regeling wordt getroffen, na het verstrijken van de wettelijke termijnen alsnog een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking zou kunnen worden ingesteld. Pleitbaar is dat in geval van een uitleg van de Wilg volgens welke waardeverschillen niet worden verrekend, hierover thans anders zou behoren te worden geoordeeld. Dat is echter niet waar het mij nu om gaat. Het gaat mij erom dat de Wilg, evenals iedere andere wet, mede behoort te worden uitgelegd in het licht van algemeen erkende rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van redres van ongerechtvaardigde verrijking. 2.8. Wat betreft een onderbedeling in oppervlakte zegt art. 61 Wilg uitdrukkelijk dat tussen de eigenaren verrekening in geld plaatsvindt. Die verrekening vindt plaats via de LGR, zie art. 62 lid 1 onder c sub 1 Wilg. Wat betreft een onderbedeling in hoedanigheid en/of gebruiksbestemming luidt de wet helaas niet even uitdrukkelijk. 2.9. Zoals gezegd, schrijft art. 52 lid 3 Wilg voor dat, voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet, aan iedere eigenaar een recht wordt toegedeeld met betrekking tot onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem ingebracht. Dit is nader uitgewerkt in art. 15 e.v. van de ministeriële Regeling inrichting landelijk gebied (hierna: Rilg), die berust op de delegatiebepaling van art. 52 lid 4 Wilg. Art. 17 Rilg bepaalt dat de gelijke hoedanigheid wordt bepaald aan de hand van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.