Nr. 17/03080 Zitting: 10 april 2018 Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] Bij arrest van 18 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het eindvonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 1 december 2014 bevestigd voor zover daarin is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – 1. “medeplegen van het in een authentieke akte doen opnemen van een valse opgave, met het oogmerk om die te (doen) gebruiken, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, 4. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 5. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 6. “medeplegen van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen”, en 7. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, met aanvulling van de gronden voor de bewezenverklaring van het laatstgenoemde feit. Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende schadevergoedingsmaatregelen vernietigd en in zoverre opnieuw rechtgedaan, in die zin dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de drie benadeelde partijen met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander als nader in het arrest omschreven. Er bestaat samenhang met de zaken 17/00367, 17/00517, 17/00518, 17/00519 en 17/03078. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. Namens de verdachte heeft mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg, twee middelen van cassatie voorgesteld. Volgens de verdenking en de bewijsvoering van het hof draait het in deze zaak in het kort om het volgende. De verdachte vormde, hij in de hoedanigheid van leidinggever, tezamen met onder anderen zijn broer (de medeverdachte [medeverdachte 1] ) een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van verschillende misdrijven. Zo zouden zij vrouwen in seksclubs in Duitsland hebben benaderd om zich in Nederland bij gemeenten te laten inschrijven op door de organisatie opgegeven adressen. Vervolgens werd aangifte gedaan van geboortes van niet-bestaande tweelingen en werden kort daarna bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslagen aangevraagd. De verdachte zou direct betrokken zijn bij de aangiftes van de zogenaamde geboortes en bij de aanvragen kinderopvangtoeslagen, ook trouwens met betrekking tot zijn eigen kinderen die in werkelijkheid geen kinderbijslag genoten. Diverse valse stukken, zoals facturen en jaaropgaven van kinderdagverblijven en antwoordformulieren Kinderopvangtoeslag, werden daarvoor opgemaakt en ingestuurd naar de Belastingdienst, die in totaal ruim € 800.000 aan valselijk aangevraagde kinderopvangtoeslagen heeft uitbetaald. Ook zouden de verdachte en de anderen zich bezig hebben gehouden met het in Nederland oprichten en inschrijven van schijnondernemingen door of voor enkele van de benaderde vrouwen. Ten behoeve van die ondernemingen waren bankrekeningen geopend die werden gebruikt voor het plegen van sealbag-fraude. Na bijschrijving van deze geldbedragen, in totaal afgerond € 1.4 miljoen en vóórdat de inhoud van de sealbags, die telkens niet of nauwelijks geld bleken te bevatten, door de bank geteld was, werden de bijgeschreven bedragen weer overgeboekt naar een andere rekening en/of contant opgenomen. Volgens het hof heeft de verdachte ook hierin een grote rol vervuld gezien de overboekingen en de inschrijving van beautysalon [A] bij de Kamer van Koophandel waarbij de verdachte zich voordeed als een zekere [alias verdachte] . De inkomsten van de kinderopvangtoeslagfraude en de sealbag-fraude zijn diverse malen onder regie en controle van de verdachte (en/of andere personen uit zijn omgeving) van de ene naar de andere bankrekening overgeboekt dan wel contant opgenomen en gebruikt voor de aankoop van onroerend goed, boten, auto’s en voorts voor de betaling van diverse schulden van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving. Al met al zou het totale nadeel ruim € 2,2 miljoen bedragen. Het eerste middel komt op tegen de bevestiging van de bewezenverklaring van de rechtbank door het hof en klaagt eensdeels dat het hof hetgeen door de verdediging is aangevoerd ten aanzien van feiten 1 tot en met 7 omtrent de wetenschap, het opzet en het medeplegen aan de zijde van de verdachte onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken en anderdeels dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaringen ten aanzien van deze feiten niet kunnen dragen. Ten laste van de verdachte is door de rechtbank Overijssel bij eindvonnis van 1 december 2014 ( en door het hof overgenomen) bewezenverklaard dat: “5.9 De conclusie De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 21 maart 2011 in ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen, in authentieke akten, te weten geboorteakten van de gemeente ’s-Hertogenbosch telkens valselijk heeft doen opnemen dat kinderen waren geboren, een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , van de waarheid van welk feit die akten moesten doen blijken, terwijl in werkelijkheid die kinderen niet waren geboren, zulks telkens met het oogmerk om die akten of afschriften daarvan te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid; 2. primair hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader telkens valselijk en in strijd met de waarheid: a. op aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag, aangegeven: - dat kinderen opvang genoten bij een geregistreerde kinderopvang en - dat er voor die kinderen kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , op tijdstippen in de periode 14 april 2011 tot en met 29 februari 2012, telkens een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan bij de Belastingdienst, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [B] ” in Den Bosch en kinderopvangorganisatie “ [C] ” te Tilburg en dat er kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, terwijl in werkelijkheid die kinderen telkens niet bestonden en derhalve telkens geen opvang werd genoten bij de opgegeven geregistreerde kinderopvang en dat er voor die kinderen geen opvangkosten werden gemaakt en b. op aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag aangegeven dat er voor dat genoemde kind kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, zo werd voor [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2010, op tijdstippen in de periode van 31 maart 2011 tot en met 12 december 2011 bij de Belastingdienst, telkens een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [D] ” te Tilburg en dat er kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang, terwijl in werkelijkheid door dat kind geen opvang werd genoten bij de opgegeven geregistreerde kinderopvang en dat er voor dat kind geen opvangkosten werden gemaakt, zulks met het oogmerk om die geschriften telkens als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; 3. primair hij in de periode 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een werkgeversverklaring en een salarisstrook en een schenkingsovereenkomsten, zijnde telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, te weten: a. een schenkingsovereenkomst tussen [betrokkene 4] en hem, verdachte, gedateerd 16 november 1998 en b. een werkgeversverklaring van [E] ten name van [medeverdachte 5] gedateerd 31 maart 2006 en c. een salarisstrook van [E] ten name van [medeverdachte 5] over de maand maart 2006, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders valselijk en in strijd met de waarheid: ad a. op die schenkingsovereenkomst vermeld dat [betrokkene 4] en [verdachte] op 16 november 1998 voor [betrokkene 5] , als adviseur, zijn verschenen en [betrokkene 4] een verzameling Terra Cotta figuren/vazen en een Terra Cotta deel van een muur aan zijn zoon, [verdachte] , zijnde verdachte, wenst te schenken, welke overeenkomst op 16 november 1998 was opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 4] en verdachte, alsmede ondertekend door voornoemde [betrokkene 5] en voorzien van een firmastempel van Financieel Adviseur [betrokkene 5] , zulks terwijl in werkelijkheid deze schenking toen en daar in aanwezigheid van voornoemde [betrokkene 5] niet heeft plaatsgevonden en ad b. op die werkgeversverklaring vermeld dat [medeverdachte 5] een bruto jaarsalaris ontving van € 37.800,— en een vakantietoeslag van € 3.024,—, zulks terwijl in werkelijkheid die [medeverdachte 5] niet zo’n hoog jaarsalaris en vakantietoeslag ontving en ad c. op die salarisstrook vermeld een bruto maandsalaris van € 3.150,- ten name van [medeverdachte 5] , zulks terwijl in werkelijkheid die [medeverdachte 5] niet zo’n hoog bruto maandsalaris ontving, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken; 4. hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de ABN AMRO bank heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 104.740,-, hebbende hij, verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listig en bedrieglijk: - de beschikking gekregen over een bankrekening en zich de beschikkingsmacht verschaft over een bankrekening, op naam van een ander dan verdachte: een ABN AMRO bankrekening met rekeningnummer [001] ten name van eenmanszaak, [F] , - terwijl voor die bankrekening reeds een sealbagovereenkomst en OGV overeenkomst was afgesloten en - vervolgens voor voornoemde bankrekening telkens sealbagstortingen opgegeven en - vervolgens telkens sealbagstortingen gedaan zonder dat de opgegeven bedragen in die sealbags zaten, waardoor de ABN AMRO bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 5. hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag in het kader van kinderopvangtoeslag op grond van de Wet kinderopvang, hebbende hij, verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid: - op digitale aanvraagformulieren Kinderopvangtoeslag namen van kinderen opgenomen, daarmee aangevende dat de kinderen daadwerkelijk bestonden, - een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , zulks terwijl in werkelijkheid voornoemde tweeling niet bestond en - op digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag opgenomen dat de genoemde kinderen opvang genieten bij het op die formulieren genoemde opvangadres, - zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tweemaal een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [B] ” in Den Bosch en/of kinderopvangorganisatie “ [C] ” te Tilburg en - zo werd voor [betrokkene 3] een aanvraag voor kinderopvangtoeslag gedaan, in welke aanvraag stond vermeld dat gebruik werd gemaakt van kinderopvangorganisatie “ [D] ” te Tilburg en - op het digitale aanvraagformulier kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van het aldaar genoemde kind kosten voor de kinderopvang waren gemaakt en - zo werd voor een tweeling, genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van voornoemde tweeling telkens kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang en - zo werd voor [betrokkene 3] op het digitale aanvraagformulier kinderopvangtoeslag opgenomen dat ten behoeve van voornoemde [betrokkene 3] kosten werden gemaakt ten behoeve van de opvang en - vervolgens voornoemde digitale aanvraagformulieren kinderopvangtoeslag telkens verzonden en doen toekomen aan de Belastingdienst, waardoor de Belastingdienst telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte; 6. hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders: - telkens van een voorwerp, te weten goederen en geldbedragen, de herkomst verhuld, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf en - telkens een voorwerp, te weten goederen en geldbedragen, verworven, overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk — afkomstig was van enig misdrijf, door - zakelijk omschreven -: - in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 geldbedragen contant op te nemen, door telkens bij het Holland Casino te Breda en/of te Eindhoven en/of te Nijmegen en/of te Venlo geldbedragen te pinnen van bankrekeningen ten name van natuurlijke personen en eenmanszaken en - geldbedragen over te boeken en/of over te laten boeken op bankrekeningen van andere natuurlijke personen en eenmanszaken; - in de periode van eind 2008 tot en met 5 maart 2013 te beschikken over auto’s waarbij verdachte en zijn mededaders die auto’s hebben gefinancierd en die auto’s telkens op naam hebben gezet van anderen en/of voor die auto’s de gemaakte kosten hebben betaald; 7. hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, bestaande uit: - het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en het meermalen gebruiken van valselijk opgemaakte geschriften (strafbaar gesteld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht) en - het meermalen valselijk doen opmaken van authentieke akten en het meermalen gebruiken van een valselijk opgemaakte authentieke akten (strafbaar gesteld in artikel 227 Wetboek van Strafrecht) en - het meermalen oplichten van banken en de Belastingdienst (strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht) en - het plegen van gewoontewitwassen (strafbaar gesteld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht) zulks terwijl hij, verdachte, medeleider van die organisatie was.” 7. Wat de bewijsvoering betreft, heeft het hof met aanvulling van een eigen bewijsoverweging ter zake van feit 7 het vonnis van de rechtbank met overneming van de bewijsmiddelen bevestigd. Het komt mij dienstig voor de bewijsconstructie hieronder (nagenoeg) integraal weer te geven. Daarna volgen de relevante passages uit de pleitnotitie van de raadsman van de verdachte, zoals op de terechtzitting van het hof van 7 december 2016 is overgelegd en aan het proces-verbaal van deze terechtzitting is gehecht. 8. De bewijsconstructie ziet er als volgt uit: “Bijlage bewijsmiddelen Leeswijzer […] Feit 1 1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 april 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 6] (G-05-01, blz. 4124, 4125): Op 21 maart 2011 omstreeks 11:00 uur is er door een vrouw genaamd [betrokkene 7] geboren op [geboortedatum] -1986 te Braila Roemenië aangifte gedaan van de geboorte van een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Ik heb aan deze vrouw gevraagd of de man welke bij haar was, de vader was van de kinderen. Deze man gaf aan dat dat niet het geval was, maar dat hij de zaakjes voor haar regelt. Vervolgens is er door collega [betrokkene 8] en [betrokkene 9] informatie ingewonnen bij het Jeroen Bosch ziekenhuis en bij Vivent om te achterhalen of daadwerkelijk een tweeling is geboren met de naam [achternaam betrokkene 7] . Hiervan hebben we schriftelijk bevestiging van gekregen dat dat niet het geval was. Dat er is in het Jeroen Bosch ziekenhuis geen tweeling geboren met de naam [achternaam betrokkene 7] , en geheel niet bekend zijn in het systeem. 2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 8 oktober 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-08, blz. 3460): In een ander geval, het geval van [betrokkene 2] ben ik bijvoorbeeld met haar naar het gemeentehuis gegaan om geboorteaangifte te doen. 3. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 7] , d.d. 10 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-13-0, blz. 3813): [medeverdachte 1] heeft mij in maart 2011 een keer opgehaald en naar een officiële instantie gebracht. Daar stond buiten iemand op ons te wachten. [medeverdachte 1] stelde hem voor als een vriend: [betrokkene 10] . Later begreep ik dat het zijn broer was en dat hij heel anders heet. Ik weet nu even niet hoe hij werkelijk heet. Die vriend ging mee naar binnen om stukken te tekenen. [medeverdachte 1] ging niet mee naar binnen. Ik heb toen alleen een handtekening gezet op een klein formulier, kleiner dan een A4. Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde documenten l-D-015-01 en l-D-015-02. Vraag verbalisanten: Wat kunt u over deze twee documenten verklaren? Antwoord gehoorde: U wijst mij op de namen op de formulieren: Ik zie mijn naam en geboortedatum en een handtekening die op mijn handtekening lijkt. Ik zie een naam: [betrokkene 1] ik weet niet wat dat betekent. De rechter commissaris in Roemenië heeft mij verteld over iets met tweelingen. Ik denk dat die formulieren hier iets mee te maken hebben. Als dit door mij getekend is, dan heb ik dat in een officieel gebouw gedaan. Het was een publiek gebouw met meerdere balies. [betrokkene 10] , de vriend van [medeverdachte 1] was daar dan bij. Feiten 2 en 5 4. Geschriften, zijnde aanvragen Kinderopvangtoeslag ten name van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] d.d. 14 april 2011 (ingediend door [betrokkene 7] ), 14 november 2011 (ingediend door [betrokkene 7] ) en 29 februari 2012 (ingediend door [betrokkene 11] ) (l-D-05-03 blz. 5051, 1-D-015-09 blz. 5061 en l-D-15-11 blz. 5064). 5. Geschriften, zijnde aanvragen Kinderopvangtoeslag ten name van [betrokkene 3] d.d. 12 december 2011 (ingediend op naam van [medeverdachte 4] ) (l-D-032-01, blz. 7824 t/m 7828 en 1- D-048-19). 6. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 10 april 2013, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-05-08, blz. 3718): Ik weet niet of [betrokkene 3] in de kinderopvang zat. Ik heb nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd. 7. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2013 (V-02-03, blz. 3398) zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte: Over [betrokkene 3] kan ik vertellen dat hij op een peuterspeelzaal staat ingeschreven. Daar heb ik hem zelf ingeschreven. Daar gaat [betrokkene 3] naar toe, hij gaat niet naar een kinderopvang. 8. Een geschrift, zijnde een beschikking van de Belastingdienst d.d. 3 mei 2011, waarbij ten name van [betrokkene 1 en 2] Kinderopvangtoeslag wordt toegekend (1-D-015-06). 9. Een geschrift, zijnde een voorschotbeschikking van de Belastingdienst d.d. 21 april 2012 gericht aan [betrokkene 11] , waarbij Kinderopvangtoeslag wordt toegekend (l-D-015-015). 10. Een geschrift, zijnde een voorschotbeschikking van de Belastingdienst d.d. 2 februari 2012, gericht aan [medeverdachte 4] , waarbij Kinderopvangtoeslag wordt toegekend ten bedrage van € 12.601,-(l-D-048-18). 11. Het proces-verbaal van ambtshandelingen d.d. 16 oktober 2013, zakelijk weergeven inhoudende: Door de Belastingdienst is met betrekking tot de kinderen [betrokkene 1 en 2] d.d. 3-5-2011 een voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2011 afgegeven ten bedrage van € 20.434,-- uit te betalen op rekeningnummer [002] ten name van [betrokkene 7] . Door de Belastingdienst is met betrekking tot de kinderen [betrokkene 1 en 2] d.d. 21-4-2012 een voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor 2012 afgegeven ten bedrage van € 27.600,-. Feit 3 12. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2013, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-02, blz. 3396): Ik zou terugkomen op de stukken van Christie's, op de schenkingsovereenkomst. Over stukken die jullie hebben genummerd 2-D-022-57 en 2-D-022-56. Noot verbalisanten: wij tonen gehoorde deze stukken nogmaals: een "schenkingsovereenkomst" d.d. 16 november 1998 waarbij [betrokkene 4] kennen geeft zijn zoon [verdachte] 18 terra cotta figuren, 6 terra cotta vazen en 1 terra cotta deel van een muur met gezicht te schenken. Onderaan de overeenkomst staat "Voor Akkoord: [betrokkene 5] , adviseur met daarnaast een stempelafdruk (16-11-1998) handtekening en datumstempel. Reactie gehoorde: Dit stuk heb ik zelf gemaakt. Dit heb ik gedaan in de periode tussen de Ie en de 2e veiling van Christie's, dat zal ongeveer tussen oktober 2012 en mei 2013 zijn geweest. Christie's had intussen haar regels aangepast en ik moest stukken overleggen waaruit bleek dat ik de beeldjes al langer dan 10 jaar in mijn bezit had. Ik had die beeldjes al veel langer in bezit maar daar stond niets van op papier. Ik had geen oude foto's of een overeenkomst met mijn Opa. De opbrengst van de eerste beeldjes was best wel hoog vandaar dat de 2e veiling er ook kwam. Om toch iets te kunnen aantonen heb ik deze overeenkomst op papier gezet. De handtekening van mijn vader en mij zijn echt, de datum 16 november 1998, klopt niet, die heb ik verzonnen. Je moest aantonen dat je het langer dan 10 jaar in bezit had. Daarom heb ik deze datum in 1998 gekozen, dat is langer dan 10 jaar geleden. De stempel en de handtekening van [betrokkene 5] heb ik zelf gezet, die zijn niet door [betrokkene 5] gezet. De stempel heb ik zelf gemaakt. Je kunt bij V&D van die stempelsets kopen met een houder en losse letters. Die heb ik gekocht en daarvan heb ik een stempel met de gegevens van [betrokkene 5] gemaakt. 13. Een geschrift, zijnde een schenkingsovereenkomst gedateerd 16 november 1998 (2-D-022- 57, blz. 10679). 14. Een geschrift, zijnde een werkgeversverklaring van [E] ten name van [medeverdachte 5] gedateerd 31 maart 2006, met daarop vermeld een jaarsalaris van € 37.800,- (l-D-040-01 30/84, blz. 6274). 15. Een geschrift, zijnde een salarisstrook van [E] ten name van [medeverdachte 5] over de maand maart 2006 met daarop vermeld een maandsalaris van € 3.150,— (l-D-040-01 31/84, blz. 6275). 16. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 17 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V02-05, blz. 3429): De inkomsten van [E] zijn deels in scène gezet om de hypotheek te verkrijgen. Ze heeft wel een periode voor [E] gewerkt alleen niet voor deze uren en bedragen zoals op de werkgeversverklaring en loonstrook staan. Als de salarisbetalingen door [E] zijn gedaan dan zijn die bedragen door [medeverdachte 5] aan [E] terugbetaald. Ik heb daar zelf geen geld aan overgehouden. Ik weet dat [medeverdachte 5] daar ook geen geld aan heeft overgehouden. Ik heb [medeverdachte 5] geholpen om de hypotheek rond te krijgen. 17. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 5] d.d. 22 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V4-05, blz. 3970 en 3971): Ik wilde een hypotheek en [verdachte] wilde mij daar wel bij helpen. Hoe hij dat precies gedaan heeft kan ik zo niet vertellen. [verdachte] maakte de loonstrook. Ik kreeg van [verdachte] de loonstrook. [verdachte] zei mij dat ik die bij de rest van de stapel voor de hypotheekaanvraag moest doen. Feit 4 18. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 12] , d.d. 5 november 2009, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-007) "Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen woensdag 21 oktober 2009 te 00.00 uur en donderdag 29 oktober 2009 te 00.00 uur werd op Heuvelring 88, 5038 CL Tilburg, het in de aanhef vermelde feit gepleegd. Ik ben als Risk manager werkzaam bij de ABN-AMRO bank welke is gevestigd aan de Heuvelring 88 te Tilburg. Op dinsdag 3 november 2009 werd door een medewerker van onze bank, [betrokkene 13] van de afdeling veiligheidszaken, een sealbag fraude geconstateerd. Het bleek dat van rekeningnummer [001] tnv [F] in totaal zeven sealbags opgevoerd via internet bankieren, als zijnde ingeleverd met een inhoud van in totaal 104.740,00 euro. De zeven sealbags werden op verschillende data’s ingeleverd. In dit geval is het zo dat deze cliënt zeven sealbags had ingeleverd zonder inhoud. Na onderzoek bleek dat deze client het geld dat inmiddels op zijn rekening was gestort door de bank, doorgesluisd had naar een andere rekeninghouder. Het rekeningnummer is van de ABN-AMRO [003] tnv [verdachte] . 19. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 12] , d.d. 27 november 2009, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-007-05, blz. 9740): Op deze rekening stonden transacties waarbij geld overgeboekt werd naar [verdachte] . [F] gaf aan dat [verdachte] 4 of 5 weken hiervoor bij hem thuis was geweest voor zaken. Alle bankzaken worden via hetzelfde IP adres gedaan. Het IP adres is [...] Dit zijn de bankzaken van [verdachte] , [F] ( [F] ) en uitzendbureau Europa en dit staat op naam van [betrokkene 4] . 20. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 4] d.d. 6 maart 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V03-02, blz. 3499): [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben me ooit wel eens verteld waar ze mee bezig waren, maar ze hebben me nooit verteld om hoeveel geld het ging. Ik heb ooit een keer een gesprek opgevangen over deze zakjes die ze bij de bank inleverden. 21. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van verdachte (V-02-03, blz. 3441): Het kan dus wel zo zijn dat ik één of meerder sealbags heb gestort. Feit 6 22. Het proces-verbaal van ambtshandelingen met betrekking tot de ontvangst bescheiden van Holland Casino d.d. 11 oktober 2013 zakelijk weergegeven inhoudende (AH 012-01 blz. 2632 t/m 2641): Betaling via bankrekening Bij het Heiland Casino in totaal een bedrag van € 813.150,= betaald vanaf de navolgende bankrekeningen: […] Voornoemde rekeninghouders zijn op het moment van betaling niet aanwezig in het casino. Uit de bezoekregistratie van [medeverdachte 1] en [verdachte] Vrlnds komt naar voren dat [medeverdachte 1] vanaf 1 januari 2008 in totaal 178 keer een Holland Casino heeft bezocht. [verdachte] heeft vanaf 1 januari 2008 in totaal 147 keer een Holland Casino heeft bezocht. Aanwezigheid in casino op moment van betalen Op het moment dat er betalingen plaats vinden bij het Holland Casino waren de volgende verdachten aanwezig en werd er gepind van: […] 23. Het overzichtsproces-verbaal d.d. 4 november 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten (OPV blz. 171): Op 7 maart 2011 worden er twee sealbagstortingen ( € 15.000,= en € 10.000,=) aangemeld en op de rekening van [G] bijgeschreven. Op de dag van storting van de sealbags zonder inhoud bij de Rabobank (7 maart 2011) wordt van de rekening van [G] een bedrag van € 22.747,12 (€ 12.997,12 en € 9.750,=) overgeboekt naar de Raborekening van [betrokkene 4] . Vervolgens wordt van de rekening van [betrokkene 4] op dezelfde dag, via telebankieren, twee keer een bedrag ( € 6.432,= en € 5.005,=) overgemaakt naar de zakelijke rekening van [H] , de onderneming van [betrokkene 4] . 24. Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 14] d.d. 16 maart 2011, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van aangever (2-D-l 1 blz. 10013,10016 en 10017): Op maandag 7 maart 2011 zijn door de bezitter van de pas van " [G] " op internet 2 sealbags voorgemeld en drie afstortingen gedaan Om 09:14:31 stortingsnummer [...] met [...] Euro 15.000,00 Om 11:31:53 stortingsnummer [...] met [...] Euro 10.000,00 Om 15:42:23 stortingsnummer [...] met [...] Euro 14.900,00 Op maandag 7 maart 2011 overboeking via internet van rekeningnummer [004] naar rekening [005] ten name van [betrokkene 4] een bedrag van 12.997,12 euro. Op maandag 7 maart 2011 overboeking via internet van rekeningnummer [004] naar rekening [005] ten name van [betrokkene 4] een bedrag van 9.750,00 euro Op maandag 7 maart 2011 opname van rekeningnummer [004] bij Casino Eindhoven 2.400,00 euro waardoor er een schuld aan de bank is ontstaan van ca 25.000,00 euro. 25. Het proces-verbaal van ambtshandelingen d.d. 4 november 2013, zakelijk weergegeven als verklaring van de verbalisanten (AH 251 blz. 2420): Om auto's uit het zicht te houden van de autoriteiten worden auto's veelvuldig niet op naam gezet van de werkelijke eigenaar maar op naam van een aantal katvangers en van andere familieleden binnen de organisatie [medeverdachte 1 en 2] . Zo zijn er auto's op naam gezet van de volgende personen terwijl zij niet de werkelijke eigenaar van de auto waren of zijn: Naam aantal [medeverdachte 4] 18 [...] 11 [...] 4 [...] 3 [...] 2 [...] 2 26. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 15] d.d. 16 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-014-02, blz. 3860 en 3861): Vraag verbalisanten: Volgens het kentekenregistratiesysteem (RDW) staan er in Nederland auto's op Uw naam. Hebben er in het verleden meer auto's op Uw naam gestaan? Antwoord gehoorde: Heb ik dat? Nee. Ik heb geen auto's. Vraag verbalisanten: Wat kunt u verklaren over een Auto Audi A6 Quatro TDI kleur grijs, voorzien van het kenteken [kenteken] . Noot verbalisanten: Deze auto stond op 10-5-2012 bij adrescontrole voor de deur op het adres van [medeverdachte 3] , [a-straat 1] Tilburg. [medeverdachte 1] vertelde tegen de politie dat de auto van [betrokkene 15] was. Antwoord gehoorde: Ik kan niets over die auto zeggen. [medeverdachte 1] was wel met mooie dikke auto's bij me. Maar deze auto is niet van mij. 27. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 16] d.d. 24 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-015-02, blz. 3887): Voor de Audi A8 met kenteken [kenteken] , de Audi A8 met kenteken [kenteken] en de Volvo S80 met het kenteken [kenteken] geldt dat ik niet heb geweten dat deze op mijn naam geregistreerd hebben gestaan. [medeverdachte 1] of anderen hebben mij ook niet gevraagd of zij deze auto's op mijn naam mochten zetten. 28. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 26 maart 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte (V-05-07, blz. 3703): Noot verbalisanten: Wij houden gehoorde voor dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 10-11-2010 tijdens een politiecontrole werden gecontroleerd terwijl zij reden in een Volvo S80 met kenteken [kenteken] die op haar naam heeft gestaan. Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over deze auto en welke andere auto's staan, of hebben op uw naam gestaan? Antwoord gehoorde: Ik heb dit van uw collega's gehoord. Ik weet niks van auto's, dus ik weet niet hoe die auto's heten. Ik weet dat er auto's op mijn naam hebben gestaan. [medeverdachte 1] handelde in auto's. Omdat hij niet meer dan 1 auto op zijn naam mocht hebben staan, vroeg hij of de auto's op mijn naam mochten. Ik ben een paar keer naar het postkantoor geweest daarvoor. Ik deed het om hem een plezier te doen. 29. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 26 april 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V-01-07, blz. 3340): Ik heb de gegevens van [betrokkene 16] misbruikt voor het op zijn naam zetten van mijn auto's. Ik heb zijn gegevens zonder medeweten van hem gebruikt. 30. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 17] d.d. 24 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verdachte (V-25-03, blz. 4004): Vraag verbalisant: wat wilt u vertellen over een Volvo S 80 voorzien van het kenteken [kenteken] . Antwoord gehoorde: Dat deze auto op naam heeft gestaan van [medeverdachte 5] wist ik wel Dat de auto ook op naam heeft gestaan van [betrokkene 16] en [medeverdachte 4] wist ik niet. [verdachte] heeft aan mij gevraagd of ik de auto van hem op mijn naam wilde zetten. De kosten, motorrijtuigenbelasting en verzekering werden automatisch via incasso van mijn bankrekening afgeschreven. [verdachte] betaalde deze kosten van te voren contant aan mij. Deze auto staat momenteel in Servië. [verdachte] is met deze auto naar Servië gereden. Feit 7 31. Het proces-verbaal van ambtshandelingen AH 134 (blz. 1171), zakelijk weergegeven inhoudende: Bij de doorzoeking van Object C, [b-straat 1] (de woning van de vader van verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] ) is op de eerste verdieping een "kantoorruimte" aangetroffen met daarin onder meer 2 bureaus. {…] 32. Het proces-verbaal stelselmatige observatie d.d. 3 januari 2013 (blz. 3237 t/m 3239), zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de verbalisanten: Ik zag dat de Astra [kenteken] stopte op het terrein van een tankstation met de naam Total aan de snelweg A2 ter hoogte van Nieuwegein. Ik zag dat de Astra [kenteken] parkeerde achter een blauwe personenauto van het merk Audi, type A8, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de A8 [kenteken] ). Ik zag dat een mannelijke blanke bestuurder en een mannelijke blanke bijrijder uit de Astra [kenteken] stapten. Aan de hand van door het tactisch team verstrekte foto’s herkende ik de bestuurder als zijnde [medeverdachte 1] geboren op [geboortedatum] 1979 (hierna te noemen: [medeverdachte 1] ) en de bijrijder als zijnde [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1972 (hierna te noemen: [verdachte] ). Ik zag dat een blanke man met een kaal hoofd (hierna te noemen: NNI) als bestuurder uit de A8 [kenteken] stapte en contact maakte met [medeverdachte 1] en [verdachte] . Ik zag dat NNI als bestuurder in de Astra [kenteken] stapte waarna deze in beweging kwam en vertrok. Ik zag een vrouw als passagier uit de A8 [kenteken] stappen waarna zij een vermoedelijke sigaret rookte. Ik zag [medeverdachte 1] als bestuurder, [verdachte] als bijrijder en de vrouw als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok. Ik zag de A8 [kenteken] stoppen naast de Astra [kenteken] op de vluchtstrook van snelweg A2 voor afrit 9 te Nieuwegein. Ik zag dat de arm van [verdachte] uit het raampje stak richting NN1 die als bestuurder in de Astra [kenteken] zat. Ik zag dat de A8 [kenteken] in beweging kwam en vertrok. Ik zag de A8 [kenteken] stoppen op de Dirck van Zuylenstraat te Utrecht. Ik zag [medeverdachte 1] en een vrouw gekleed in een spijkerrok een schoudertas en een Oost-Europees uiterlijk (hierna te noemen: NN2) uit de A8 [kenteken] stappen waarna zij wegliepen richting de Kroonstraat. Ik zag [medeverdachte 1] en NN2 richting de A8 [kenteken] lopen. Ik hoorde dat beide een Duitse taal spraken. Nadat [medeverdachte 1] als bestuurder en NN2 als passagier in de A8 [kenteken] waren gestapt zag ik dat [verdachte] en een vrouw gekleed in een lange jas met bontkraag en een Oost-Europees uiterlijk (hierna te noemen: NN3) uit de A8 [kenteken] stapten waarna zij wegliepen. Ik zag [verdachte] en NN3 een gebouw van de Kamer van Koophandel gelegen in de Kroonstraat te Utrecht (hierna te noemen: pand 1) binnen gaan. Ik hoorde dat [verdachte] zich in pand 1 bij de receptie [betrokkene 18] (fonetisch) noemde toen de receptioniste naar zijn achternaam vroeg en zag dat NN3 van de receptioniste een formulier kreeg om in te vullen. Ik zag daarna dat [verdachte] en NN3 in de wachtruimte van pand 1 gingen zitten en samen het voornoemde formulier invulden. Ik zag dat NN3 een buitenlands identiteitsbewijs in haar hand had. Ik zag en hoorde dat [verdachte] en NN3 A160 als klantnummer kregen en dat [verdachte] en NN3 door een personeelslid van de Kamer van Koophandel welke zich voorstelde als [...] (fonetisch) werden opgehaald. Ik zag daarna dat ze alle drie bij balie 5 en 6 gingen zitten. Wij zagen [verdachte] en NN3 vanuit pand 1 naar buiten komen lopen. Ik zag [verdachte] als bijrijder en NN3 als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok. Ik zag de A8 [kenteken] geparkeerd staan op een parkeerplaats gelegen aan de Oostsingel te Woerden. Ik zag dat [verdachte] en NN3 uitstapten en wegliepen. Ik zag dat [verdachte] en NN3 bij een ABN-AMRO bankfiliaal met perceelnummer 4 aan de Westdam te Woerden (hierna te noemen: pand 2) binnen ging. Ik zag dat [verdachte] en NN3 in pand 2 met een bankmedewerker aan een tafel zaten te praten. Wij zagen [verdachte] en NN3 vanuit pand 2 weglopen. Wij zagen dat [verdachte] een vermoedelijk wit papier van A4 formaat in zijn hand vast hield. Ik zag [verdachte] als bijrijder en NN3 als passagier in de A8 [kenteken] stappen waarna deze in beweging kwam en vertrok. 33. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 19] d.d. 17 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-07-04, blz. 3784): Vraag verbalisanten: [medeverdachte 1] heeft verteld dat hijzelf bij de aangifte van deze tweeling aanwezig was. Wat kunt u hierover zeggen? Antwoord gehoorde: [verdachte] is met mij mee naar binnen gegaan. In de auto hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] overlegd wat er moest worden aangegeven. Ze hebben in het Duits overlegd, zodat ik het ook kon verstaan. Ze praatten in de auto ook af en toe Nederlands. [medeverdachte 1] heeft toen de gegevens van de aangifte op een papiertje geschreven. Met dat papier is [verdachte] met mij naar binnen gegaan. [verdachte] heeft dat papier aan de ambtenaar gegeven. 34. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 24] d.d. 22 mei 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-25-01, blz. 3982 ): [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn altijd samen op pad. 35. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 20] d.d. 22 juli 2013, zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-06-02, blz. 3762 ): Ik ben in 2008 wel bij de gemeente Tilburg geweest, maar in welke periode weet ik niet. Ik heb geen documenten hiervan gekregen. Ik wist toen niet dat dat bij de gemeente Tilburg was. Ik ben daar toen met [medeverdachte 1] en [verdachte] geweest. 36. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [betrokkene 21] , zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van de medeverdachte ( V-27-06, blz. 3): Dit is het kantoor op de eerste etage van de woning van [betrokkene 4] . Wat [medeverdachte 1] en [verdachte] in de kamer deden weet ik niet. Ik zag wel dat zij als broers samenwerkten. Ik denk dat [medeverdachte 1] meestal bij de computer naast het raam zat en [verdachte] zat er dan naast te werken.” De door het hof bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank houden in: “5.2 Feit 1 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat dit feit wettig en overtuigend bewezen is. [verdachte] is aanwezig geweest bij de aangifte van de tweeling van [betrokkene 7] en hij wist dat die tweeling in werkelijkheid niet geboren was. Daarnaast is hij betrokken geweest bij de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van een aantal andere vrouwen, die later valselijk aangifte hebben gedaan van de geboorte van een tweeling. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] wist van de valsheid van de geboorteaangiften door [betrokkene 7] . Om die reden dient hij van dit feit vrijgesproken te worden. 5.2.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Onder feit 1 is aan verdachte [verdachte] ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 maart 2013 in verschillende plaatsen in Nederland, tezamen met een ander of anderen, in veertien geboorteakten valselijk de geboorte van een in werkelijkheid niet geboren kind heeft laten opnemen, waaronder een tweeling genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [verdachte] op 21 maart 2011 in ‘s-Hertogenbosch de uit Roemenië afkomstige [betrokkene 7] heeft begeleid bij het doen van aangifte van geboorte van haar tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Hij heeft haar de weg gewezen en voor haar getolkt. De geboorteaangiften waren vals, omdat de tweeling in werkelijkheid niet was geboren. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] daarvan op de hoogte was. Hij heeft [betrokkene 2] ook begeleid bij haar GBA-inschrijving en voor haar een huurovereenkomst opgesteld (voor de woning aan de [c-straat 1] in Tilburg), terwijl zij daar nooit gewoond heeft. Daarnaast verklaren [medeverdachte 1] en [verdachte] verschillend over de reden van [verdachte] ’s aanwezigheid bij de geboorteaangifte van de tweeling [betrokkene 2] . Uit het dossier blijkt tevens dat [verdachte] niet aanwezig is geweest bij de geboorteaangifte van de overige zes neptweelingen en de rechtbank acht niet bewezen dat er met betrekking tot die aangiften sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Het onder feit 1 ten laste gelegde kan derhalve bewezen worden verklaard voor zover het ziet op de tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . 5.3. Feit 2 5.3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat de onder feit 2 primair ten laste gelegde valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen is. Zij verwijst in dit verband onder meer naar de betrokkenheid van [verdachte] bij feit 1 en het feit dat ook voor [verdachte] eigen kind ten onrechte kinderopvangtoeslag is aangevraagd. 5.3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman vindt dat [verdachte] integraal van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat hij geen rol heeft gehad bij de aanvragen van de kinderopvangtoeslag voor de neptweelingen, noch bij de aanvragen voor de bestaande kinderen. 5.3.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Onder feit 2 is primair aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 valselijk aanvragen kinderopvangtoeslag heeft opgemaakt, zeven aanvragen voor neptweelingen (onder wie de neptweeling [betrokkene 2] ) en zeven aanvragen voor bestaande kinderen (onder wie [betrokkene 3] ). De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] op 14 april 2011, 14 november 2011 en 29 februari 2012 valselijk aanvragen kinderopvangtoeslag heeft opgemaakt voor de neptweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Dit oordeel is gebaseerd op het feit dat [verdachte] betrokken is geweest bij de GBA-aangifte van [betrokkene 7] en de geboorteaangifte van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , op het feit dat hij voor [betrokkene 7] een woning heeft geregeld (waar zij nimmer heeft gewoond) en op het feit dat hij in oktober 2011 de door de Belastingdienst uitgekeerde kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 2] contant heeft opgenomen van de privé rekening van [betrokkene 7] . Op 31 maart 2011 en op 12 december 2011 zijn voor de zoon van [verdachte] , [betrokkene 3] , aanvragen kinderopvangtoeslag ingediend bij de Belastingdienst. De eerste aanvraag is ingediend op naam van [verdachte] en de tweede op naam van [medeverdachte 4] , de moeder van [verdachte] . Vaststaat dat [betrokkene 3] nooit kinderopvang heeft genoten. [medeverdachte 4] ontkent dat zij de aanvraag op haar naam gedaan heeft. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] de beschikking had over de DigiD gegevens van [medeverdachte 4] en dat hij veelvuldig van haar bankrekening gepind heeft. De rechtbank acht op grond van deze feiten en omstandigheden bewezen dat [verdachte] de aanvragen kinderopvangtoeslag voor zijn zoon [betrokkene 3] valselijk heeft opgemaakt. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat [verdachte] betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van de overige onder feit 2 primair bedoelde aanvragen kinderopvangtoeslag. 5.4 Feit 3 5.4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is onder meer op grond van de eigen verklaring van [verdachte] van mening dat alle vier onder feit 3 primair ten laste gelegde vormen van valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen zijn. 5[4].2 Het standpunt van de verdediging De raadsman vindt dat het valselijk opmaken van de schenkingsovereenkomst bewezen kan worden en hij heeft zich met betrekking tot de werkgeversverklaring en de salarisstrook van [E] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De salarisstrook van [H] is niet door [verdachte] opgemaakt en hij dient dan ook van dit onderdeel van feit 3 te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. 5[4].3. De bewijsoverwegingen van de rechtbank Onder feit 3 primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 maart 2013 vier verschillende stukken valselijk heeft opgemaakt. Hieronder wordt voor elk van deze stukken de bewijsbeslissing weergegeven. a. een schenkingsovereenkomst tussen [betrokkene 4] en [verdachte] d.d. 16 november 1998 [verdachte] heeft bekend dat hij de schenkingsovereenkomst heeft opgesteld en dat hij deze gedateerd heeft op 16 november 1998. Hij heeft eveneens het firmastempel van Financieel Adviseur [betrokkene 5] gemaakt en de handtekening van [betrokkene 5] gezet. Hij heeft dat gedaan tussen oktober 2012 en mei 2013. De overeenkomst was nodig voor de veiling Christie’s in Londen. De vader van [verdachte] , [betrokkene 4] , heeft verklaard dat hij op verzoek van [verdachte] getekend heeft. De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat verdachte een valse schenkingsovereenkomst heeft opgesteld. b. en c. een werkgeversverklaring van [E] d.d. 31 maart 2006 en een salarisstrook van [E] over de maand maart 2006, beide ten name van [medeverdachte 5] Op de werkgeversverklaring is vermeld dat [medeverdachte 5] een bruto jaarsalaris ontving van € 37.800,- en/of een vakantietoeslag van € 3.024,-. Op de salarisstrook is een bruto maandsalaris van € 3.150,— ten name van [medeverdachte 5] vermeld. De werkgeversverklaring en de salarisstrook zijn opgemaakt in verband met een hypotheekaanvraag van [medeverdachte 5] bij UCB Hypotheken BV. De hypotheek betrof de woning aan [d-straat 1] te Tilburg ad € 191.000,-. [medeverdachte 5] heeft in 2006 vier keer salaris ontvangen, over de maanden januari t/m april. De hypotheekverstrekking was op 21 april 2006. [verdachte] heeft verklaard dat de inkomsten van [E] deels in scène zijn gezet om de hypotheek te verkrijgen. Hij heeft [medeverdachte 5] geholpen om de hypotheek rond te krijgen en het initiatief van dit verhaal is volledig afkomstig van hem. De salarisbetalingen zouden door [medeverdachte 5] volledig zijn terugbetaald. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [verdachte] de loonstroken heeft gemaakt en aan haar heeft gegeven. De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] de werkgeversverklaring en de loonstrook valselijk heeft opgemaakt en dat [medeverdachte 5] in werkelijkheid niet het vermelde jaarsalaris en vakantietoeslag respectievelijk het vermelde bruto maandsalaris ontving. d. een salarisstrook van [H] ten name van [medeverdachte 5] over de maand april 2009 Op deze salarisstrook is vermeld dat [medeverdachte 5] voor [H] heeft gewerkt, terwijl zij in werkelijkheid nimmer voor [H] zou hebben gewerkt. De salarisstrook is opgemaakt in verband met een doorlopend krediet aanvraag bij de Nederlandse Voorschot Bank. [verdachte] ontkent deze salarisstrook te hebben gemaakt. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat [verdachte] de kredietaanvraag heeft geregeld en dat [medeverdachte 1] heeft gezorgd voor de salarisstrook. De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] de salarisstrook van [H] valselijk heeft opgemaakt en zal hem van dit onderdeel vrijspreken. 5.5 Feit 4 5.5.1 Het standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie kan bewezen worden dat [verdachte] samen met anderen de Rabobank en de ABN Amrobank voor een bedrag van in totaal € 1.423.952,38 heeft opgelicht. 5.5.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. [verdachte] heeft op verzoek van zijn broer [medeverdachte 1] wel eens geld gepind en sealbags afgestort, maar hij dacht dat dit de opbrengst van diens autohandel betrof. 5.5.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank De rechtbank begrijpt de tenlastelegging onder feit 4 aldus dat verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 5 maart 2013 samen met een ander of anderen de Rabobank en de ABN Amrobank met gebruikmaking van meerdere bankrekeningen heeft opgelicht voor een bedrag van € 1.767.810,-, althans 6 1.423.952,38, waarbij voor elk van die banken het gebruik van één rekening feitelijk is uitgewerkt. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit feit het volgende. De ABN Amrobank en de Rabobank hebben over de periode van 17 oktober 2008 tot en met september 2012 vijftien aangiften gedaan. De banken hebben aangegeven benadeeld te zijn door verschillende, verspreid over Nederland gevestigde ondernemingen. De in voornoemde aangiften overeenkomende werkwijze was telkens dat ondernemingen werden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Vervolgens werden voor de betreffende ondernemingen en voor privépersonen bankrekeningen geopend. Daarnaast kwam het betreffende bedrijf met de bank overeen dat sealbags afgestort konden worden. In eerste instantie werd het bedrag dat middels sealbags werd afgestort pas bijgeschreven na telling. Na drie maanden werd bij de banken een verzoek ingediend om stortingen ‘onder gewoon voorbehoud’, afgekort OGV-stortingen, te mogen doen. Bij OGV-stortingen krijgt de klant toestemming van de bank om haar, via elektronische weg, door te geven wat men voornemens is te storten. Het geld wordt door de klant verpakt in een sealbag. Deze sealbags zijn voorzien van een barcode. Bij storting van de sealbag bij de bank wordt de barcode gelezen en het reeds doorgegeven bedrag op de rekening bijgeschreven. Pas na enige dagen wordt door de telcentrale van de bank de daadwerkelijke inhoud van de sealbag gecontroleerd. In de fase tussen het doen van de opgaaf richting bank/het moment van storting en de daadwerkelijke telling werden in een korte periode meerdere sealbag stortingen gedaan. Bij telling bleek vervolgens dat er geen of een zeer gering geldbedrag in de sealbag zat, waardoor ten onrechte een groot geldbedrag op de rekening van dat betreffende bedrijf werd bijgeschreven. Op het moment dat de fraude ontdekt werd, was dit geldbedrag al doorgesluisd naar andere rekeningen of opgenomen via geldautomaten bij banken of in het casino, zodat correctie door de bank niet meer mogelijk was. De klant of het betreffende bedrijf was vervolgens niet meer te traceren en gestaakt, waardoor de bank met het nadeel bleef zitten. De ondernemingen stonden veelal op naam van familieleden van [medeverdachte 1] en [verdachte] en moeders van neptweelingen. Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 1.767.810,- is het aangegeven bedrag dat zou zijn gestort door middel van sealbags. Het door de banken opgegeven schadebedrag bedraagt € 1.423.952,38. Dat dit bedrag lager uitvalt dan het bedrag van € 1.767.810,- heeft te maken met het feit dat banken kans hebben gezien bedragen tegen te houden, waardoor het schadebedrag niet verder is opgelopen dan € 1.423.952,38. - de eenmanszaak [medeverdachte 4] h/o [G] De Rabobank is door middel van sealbags op naam van de eenmanszaak [medeverdachte 4] h/o [G] bewogen tot de overboeking van een bedrag van in totaal € 25.000,-. Deze sealbags bleken geen contant geld te bevatten. De rechtbank is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [verdachte] betrokken is geweest bij de sealbagstortingen op naam van deze eenmanszaak, op de wijze zoals in de tenlastelegging feitelijk is omschreven. Ook voor een nauwe en bewuste samenwerking door [verdachte] met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] in dit verband bevat het dossier onvoldoende bewijs. De rechtbank zal [verdachte] van dit onderdeel van feit 4 vrijspreken. - de eenmanszaak [F] De ABN Amrobank is door middel van sealbags op naam van de eenmanszaak [F] bewogen tot de overboeking van een bedrag van in totaal € 104.740,-. Ook deze sealbags bleken geen contant geld te bevatten. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat zijn broer [medeverdachte 1] eerder voor fraude veroordeeld was. Verder heeft [verdachte] na aanvankelijke ontkenning verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] meerdere sealbags heeft afgestort en vervolgens het geld direct weer heeft opgenomen. [betrokkene 4] , de vader van [verdachte] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hem ooit wel eens verteld hebben waar ze mee bezig waren en dat ze zakjes bij de bank inleverden. Bovendien blijkt uit het dossier dat de € 104.740,- aan sealbagbedragen, dat op de rekening van [F] is bijgeschreven, vervolgens is overgeboekt op de rekening van [verdachte] . Deze overboeking heeft plaatsgevonden via het IP adres dat op naam stond van [betrokkene 4] , [b-straat 1] in Tilburg. [verdachte] heeft die op zijn rekening overgeboekte bedragen direct contant opgenomen. [verdachte] heeft verklaard dat hij in de veronderstelling leefde dat de door [F] in 2009 op zijn rekening overgemaakte bedragen de terugbetaling betroffen van een door hem in 2005 - contant - aan [F] verstrekte lening van € 120.000,—. Dat bedrag zou afkomstig zijn van zijn taxibedrijf en had hij nog contant liggen. Er is van die lening geen overeenkomst opgemaakt en verder wist niemand van de lening, aldus [verdachte] . De rechtbank stelt deze verklaring als volstrekt ongeloofwaardig terzijde en acht dit onderdeel van feit 4 bewezen. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] met gebruikmaking van sealbags op naam van [medeverdachte 3] h/o [I] de ABN Amrobank en de Rabobank heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen van € 89.590,- en € 44.980,-. 5.6 Feit 5 5.6.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie is van mening dat het onder feit 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. 5.6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft gesteld dat er met betrekking tot de oplichting van de Belastingdienst geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . [verdachte] dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken. 5.6.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Het onder feit 5 ten laste gelegde ligt in het verlengde van feit 2: de Belastingdienst heeft in verband met de aanvragen kinderopvangtoeslag voor onder meer de tweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en voor [betrokkene 3] in totaal een bedrag van € 213.802,- uitbetaald. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [verdachte] , tezamen met [medeverdachte 1] , de aanvragen kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en voor [betrokkene 3] valselijk heeft opgemaakt. Deze aanvragen zijn ingediend bij de Belastingdienst en op die aanvragen heeft de Belastingdienst geldbedragen uitbetaald, voor de neptweeling [betrokkene 2] in totaal € 48.034,- en voor [betrokkene 3] € 12.601,-. De rechtbank acht dan ook het onder feit 5 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op de genoemde aanvragen en geldbedragen, bewezen. 5.7 Feit 6 5.7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 6 ten laste gelegde gewoontewitwassen. Dat witwassen blijkt uit meerdere feiten, zoals het pinnen van contante gelden, het voorwenden van salarisbetalingen, het winkelen in Oberhausen, het betalen van rekeningen en het op naam van anderen zetten van onroerend goed. 5.7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. [verdachte] heeft niets te maken met witwassen en het dossier bevat meer dan voldoende aanwijzingen dat de geldstromen telkens niet bij hem, maar bij [medeverdachte 1] terecht zijn gekomen. 5.7.3 De bewijsoverwegingen van de rechtbank Feit 6 van de tenlastelegging behelst het verwijt dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2006 tot en met 5 maart 2013 een gewoonte heeft gemaakt van witwassen. Dit verwijt is feitelijk uitgewerkt in een drietal onderdelen, te weten in de eerste plaats het contant opnemen van geldbedragen in casino’s voor in totaal € 813.150,-, in de tweede plaats het over (laten) boeken van geldbedragen op bankrekeningen van andere natuurlijke en rechtspersonen en eenmanszaken en in de derde plaats het beschikken over 35 auto’s en een motorfiets. - het contant opnemen/pinnen van geldbedragen voor in totaal €813.150,- Uit de bezoekregistratie van Holland Casino komt naar voren dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2008 tot 5 maart 2013 in totaal 147 keer bij Holland Casino staat geregistreerd als bezoeker. De rechtbank acht niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] meerdere malen van het toegangspasje van [verdachte] gebruik heeft gemaakt, zoals [verdachte] heeft verklaard. Bij gebruik van het pasje krijgt de toegangsmedewerker van het casino immers een foto te zien en de beide broers lijken niet op elkaar. Daarnaast heeft het OT (Observatieteam) op 21 januari 2013 vastgesteld dat [verdachte] in het casino te Breda is geweest, waar hij met de bankpas van zijn moeder [medeverdachte 4] € 2.500,- heeft opgenomen. Tijdens zijn bezoeken aan de diverse casino’s heeft [verdachte] regelmatig grote geldbedragen opgenomen van de bankrekeningen van andere natuurlijke personen en van eenmanszaken. - het (laten) overboeken van geldbedragen op bankrekeningen van andere natuurlijke of rechtspersonen De rechtbank acht dit onderdeel van feit 6 bewezen. Dit oordeel is gegrond op de reeds bewezenverklaarde feiten met betrekking tot de kinderopvangtoeslag voor de neptweeling [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , de gang van zaken omtrent de overboeking van de gelden van [F] en de vele contante opnames die [verdachte] heeft verricht. - het beschikken over 35 auto ’s en een motorfiets Uit het dossier blijkt dat [verdachte] , evenals zijn broer [medeverdachte 1] , auto’s gebruikt heeft (Audi’s en Volvo’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.