Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 3 april 2018 inzake: Nr. Hoge Raad: 17/03139 [X] B.V. Nr. Gerechtshof: 16/00321 Nr. Rechtbank: 16/992 Derde Kamer B tegen Loonbelasting 1 januari 2008- 31 december 2008 Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) is over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 754.113. Voorts is bij beschikking heffingsrente ten bedrage van € 24.163 in rekening gebracht en een vergrijpboete ten bedrage van € 4.537 opgelegd. 1.2 Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de daarmee samenhangende beschikking heffingsrente gehandhaafd en de vergrijpboete vernietigd. 1.3 Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof). Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. 1.5 Belanghebbende heeft tijdig en overigens ook op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën (hierna: Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft niet gerepliceerd. 1.6 Het geschil in cassatie betreft de vraag of de sekswerkers, die werkzaamheden in de seksinrichting van belanghebbende verrichten, tot belanghebbende in dienstbetrekking staan. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is in geschil of belanghebbende een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel toekomt. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties 2.1 Het Hof heeft de door de Rechtbank vastgestelde feiten overgenomen (A-G: opmaak origineel): 1. Belanghebbende exploiteert in het onderhavig jaar een onderneming met twee vestigingen, één onder de naam [A] te [Q] en één onder de naam [B] te [R] . Bij de Kamer van Koophandel staat belanghebbende ingeschreven met als bedrijfsomschrijving “Kamerverhuurbedrijf”. 2. Belanghebbende is in bezit van de vereiste vergunningen voor het exploiteren van een seksinrichting. Door de gemeenten [Q] en [R] zijn vergunningen afgegeven die ongeveer gelijkluidend zijn. De vergunningen vermelden [C] als exploitant (de exploitant) en verder bij naam genoemde beheerders. De in de onderneming van belanghebbende werkzame prostituees beschikken niet over een vergunning. 3. De Belastingdienst heeft op diverse data waarnemingen ter plaatste verricht in beide vestigingen van de onderneming van belanghebbende. Van deze waarnemingen zijn rapporten opgemaakt. Ook heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden, de dagtekening van het daarvan opgemaakte rapport (het controlerapport) is 2 november 2009. Het controlerapport is gebaseerd op de gesprekken die verweerder met de exploitant voerde en de 33 gesprekken die verweerder met de prostituees voerde. In dit controlerapport staat onder meer het volgende: “3.2 Omschrijving bedrijfsactiviteiten Volgens [de exploitant] wordt er een kamerhuurbedrijf geëxploiteerd. Op het aanvraagformulier voor het verkrijgen van een vergunning voor de exploitatie van een seksinrichting vermeldt hij echter dat het om een privéhuis gaat waar uitsluitend seksuele dienstverlening plaatsvindt. In het “Ondernemersplan [X] BV” van 7 februari 2005 schrijft [de exploitant] onder andere: “Sterkte zwakte analyse van de ondernemer:” Ken de specifieke problematiek van de prostituees die bij mij werken en kan dan ook als “papa” fungeren en nog belangrijker wordt als zodanig gerespecteerd, waardoor een goede onderlinge relatie mogelijk is. In staat eigen personeel op te leiden en te trainen. “Het globale Bedrijfsplan” Het aanbieden en verstrekken van facilitaire voorzieningen voor prostituees en haar bezoekers, die een goed werkklimmat waarborgen, waarbij rekening is gehouden met o.a de laatste stand van HACCP richtlijnen ten behoeve van de maaltijdenverstrekking voor het personeel. “De commerciële formule” [Belanghebbende] bereikt haar doel door het aanbieden van gelegenheid voor z.g “gesloten raamprostitutie” waarbij een nette en schone, en ook sociaal hygiënische werkplek wordt geboden. “Product” Zo zal [belanghebbende] in navolging van [D] B.V. ook extra blijven investeren in hygiëne en financieel periodiek medisch onderzoek op vooral soa mogelijk maken. “Prijs” De prijs die de klant voor de dienstverlening of product moet betalen is € 30 (€ 17,50 voor prostituee, € 12,50 voor [belanghebbende]). Hiervoor wordt het volgende geboden. Beschikbaar stellen van een plaats voor ontmoeting tussen klant en prostituee. Beschikbaarstellen van personeelsruimte voor ontspanning en gebruik van de maaltijden van de prostituees. Beschikbaarstellen van specifieke werkruimte/werkkamer. Beschikbaar stellen van beveiliging en toezicht. Beschikbaarstellen van kantoorruimte waar klanten voor het bezoek aan en het naar boven gaan met de prostituee betalen dit om diefstal en problemen op de kamer te voorkomen. Verder vindt hier een continu toezicht plaats d.m.v. diverse in het pand opgehangen camera’s. “Ondernemersplan bestaand bedrijf’ [Belanghebbende] heeft als doelstelling winst maken, dit door middel van het aanbieden van faciliteiten tegen een gunstige prijs, waardoor de tarieven voor de consument zo laag mogelijk worden gehouden. Hierdoor kunnen de zelfstandige prostituees die samenwerken met [belanghebbende] concurrerend werken t.o.v. bijvoorbeeld straatprostitutie. [Rechtbank.: tot zover het citaat uit het ondernemingsplan voor zover opgenomen in het controlerapport] 3.3 Inrichting van het pand [B] . Vanaf de buitenkant is het bedrijf niet herkenbaar als seksinrichting. Voor het raam hangt een lichtbak met daarop vermeld “open”, deze brandt als de onderneming is geopend. Op de begane grond bevindt zich een hal met een aantal gokkasten. Verder doorlopend bevindt zich de ontmoetingsruimte waar de klanten en de prostituees op gescheiden banken plaatsnemen. Daar achter bevindt zich een balie waar de klanten hun muntjes kunnen kopen bij de aanwezige beheerder/gastvrouw. Rechts van de balie is een keuken. Bij de ontvangstruimte is een glazen deur die toegang geeft tot de trap die leidt naar de 1e etage (deze deur kan alleen door de gastvrouw/beheerder geopend worden). Op de 1e etage bevinden zich zes kamers, één douche en één toilet op de gang. De 2e etage is hetzelfde ingericht. Op de 3e etage bevinden zich drie kamers en een douche, er is op deze etage geen toilet. [A] Vanaf de buitenkant is deze vestiging evenmin herkenbaar als seksinrichting. Aan de buitenkant hangt een bord met de tekst “ [A] ”. Eveneens hangt er voor het raam een lichtbak met de tekst “open”. Indien deze tekst verlicht is, is de zaak geopend. In de kelder is een keuken waar de dames kunnen verblijven en iets eten. Op de begane grond bevindt zich een gang. Deze geeft aan de rechterkant toegang tot de ontvangstruimte. Ook hier nemen de klanten en de dames op gescheiden banken plaats. Achterin bevindt zich de balie waar de klanten hun muntjes kopen en waar de sleutels hangen van de kamers. Op de 1e en 2e etage bevinden zich zes kamers. Op de gang is een douche en een toilet. Op de 3 etage bevinden zich vier kamers, een douche en een toilet. (…) 3.9 Aanwezigheid van sekswerkers binnen het bedrijf Sekswerkers zijn in principe vanaf 14.00 uur tot sluitingstijd aanwezig in de ontvangstruimte van het bedrijf. Zij wachten daar op klanten. Tussendoor kunnen zij het pand verlaten om bijvoorbeeld een boodschap te doen. De sekswerkers kunnen in het pand overnachten en eten. Zij mogen zich niet op dit adres laten inschrijven bij de gemeente. Overnachting en eten is gratis. Gedurende de periode dat sekswerkers binnen het bedrijf verblijven maken zij gebruik van (nagenoeg) het gehele pand en hun eigen kamer voor: - badruimte en toilet (voor persoonlijke verzorging); - keuken (voor het nuttigen van maaltijden, drankjes, e.d); - ontvangstruimte (voor het wachten op klanten). 3.10 Aanwezigheid sekswerkers absoluut of relatief van belang De aanwezigheid van sekswerkers binnen het bedrijf is volgens [de exploitant] van absoluut belang. Zonder aanwezigheid van sekswerkers zou het bedrijf niet kunnen bestaan. Volgens [de exploitant] “huren” de sekswerkers de kamers maar als zij geen klanten hebben betalen zij niets. De klant betaalt dus de vergoeding voor het gebruik van de kamer en de prijs voor de intimiteit met de dame. (…) 4.2 Nieuwkomers Bij nieuwe sekswerkers die in het bedrijf willen werken wordt de leeftijd [de exploitant] gecontroleerd aan de hand van het paspoort of de identiteitskaart. Er wordt van het identiteitsbewijs een kopie gemaakt. Bij nieuwkomers vindt er geen intakegesprek plaats. Meestal zijn de sekswerkers al op de hoogte gebracht door medesekswerkers. Indien zij niet op de hoogte zijn legt [de exploitant] uit waar de alarmknoppen zitten. Verschillende dames in [A] hebben aangegeven dat zij door de gastvrouw (“mama”) worden ingewerkt. 5 Zelfstandigheid/ondergeschiktheid De onder dit hoofdstuk vermelde gegevens zijn ontleend aan: - de huis- en gedragsregels die hangen in de keukens van de vestiggingen. Deze zijn als bijlage bij het rapport gevoegd; - de gegeven informatie van sekswerkers. Op de huisregels en afspraken staat onderdaan vermeld dat overtreding van de regels en afspraken afwijzing tot gebruik van voorzieningen als gevolg heeft. 5.1 Werkafspraken [De exploitant] maakt de volgende werkafspraken met de in [B] werkzame sekswerkers. Volgens [de exploitant] gelden dezelfde afspraken in [A] . De afspraken staan vermeld op een papier dat in de keuken hangt. De afspraken worden beaamd door de geïnterviewde sekswerkers. - Toelating alleen met (geldige) legitimatie. De documenten worden iedere keer gecontroleerd conform het reglement “dagelijkse controle dames [B] ”. - Er mag geen drugs of alcohol worden gebruikt of verhandeld. - Het is verboden om te discrimineren, schelden of onkuise taal te bezigen. - Het is verboden om in de zaal te eten. - Mobiel telefoneren in de zaal is niet toegestaan. - Kostbaarheden moeten goed worden opgeborgen in de afsluitbare kast op de kamer. Het is mogelijk om kostbaarheden of geld op te laten bergen in de kluis. - Bij diefstal (collega of klanten) wordt er direct aangifte gedaan bij de politie. - Het is verboden om personen die niet in [B] thuishoren te laten overnachten. - Indien je van mening bent dat je niet goed behandeld bent door een medewerker staat de directie er op dat je dat direct meldt aan [E] of zijn vervanger. - Het gebruiken of beluisteren van een radio of mp3 of ander afspeelapparatuur, telefoneren en of - sms-en in de zaal is niet toegestaan (bellen in de keuken). Beter is de telefoon of boven laten of op stil (trillen) zetten. - Na het werk bekertjes legen of rommel zelf opruimen, niemand heeft hier een lakei. - Niet in de zaal of waar klanten bij zijn in discussie gaan met de zaalwacht, bij onoverkomelijke irritaties eerst naar de kassa en daarna pas bij mij ([de exploitant] ). 5.2 Werkzaamheden Sekswerkers verrichten de volgende werkzaamheden: - seksuele dienstverlening; - het opruimen van de kamer; - vuile was in de wasmand deponeren. 5.3 Vervanging en persoonlijke arbeid Alle sekswerkers verrichten persoonlijke arbeid. Vervanging kan volgens [de exploitant] plaatsvinden indien van een andere sekswerker het identiteitsbewijs en leeftijd in orde is. 5.4 Werkrooster/werkdagen en tijden Volgens de gedragsregels moeten de sekswerkers zich aan het volgende houden: - dagelijks wil [de exploitant] met toerbeurten ‘s middags rond 15.00 uur een paar meisjes beneden zien (ontvangstruimte); - iedereen is voor 18.00 uur in werkkleding beneden voor het eten; - iedereen geeft zelf een dag van tevoren door aan de kassa dat ze vrij zijn en hoe lang; - vrijdag, zaterdag en zondag is daarbij geen optie, alleen met bepaalde toestemming. (…) 5.7 Werkkamers De sekswerkers hebben een vaste kamer gedurende hun aangesloten verblijf. De kamers worden door de gastvrouw (in [A] wordt zij mama genoemd) toegewezen. Zij mogen in de kamer overnachten. Vrienden en/of kennissen van de sekswerkers mogen niet bij hen in de kamer overnachten. De kamers moeten netjes gebruikt worden, bijvoorbeeld condooms en papiertjes dienen in de daarvoor bestemde pedaalemmer te worden gegooid. Het is verboden om wapens ( steek -of schietwapens of spuitgas) op de kamer te hebben. 5.8 Omgang met klanten Binnen het bedrijf zijn bepaalde regels gesteld voor omgang met klanten. - Het is verboden om te discrimineren, te schelden of onkuise taal te bezigen. - De dame bepaalt zelf of zij wel of niet met een klant naar haar kamer gaat. - De dame is verplicht om met condoom te werken, condooms zijn in voldoende mate aanwezig op de kamer. - De dame bepaalt zelf of zij aan verzoeken van klanten om bepaalde sekstechnieken toe te passen al of niet tegemoet komt. - Voor de goede orde gaan meisjes niet in discussie met de klant (informatie bij de kassa) dit voorkomt irritaties. 5.9 Toezicht Tijdens openstelling van het bedrijf is er altijd toezicht door of namens (beheerders) [de exploitant] aanwezig. De huisregels spreken over een zaalwacht. 5.10 Vaststellen prijzen De prijs is vastgesteld door [de exploitant]. De prijs bedroeg tot 28 juli 2005 € 30. Voor dit bedrag kan de klant voor twintig minuten met een sekswerker naar haar kamer. Van dit bedrag ontvangt de sekswerker € 17,50. € 12,50 is voor de BV. Vanaf 28 juli 2005 bedraagt de prijs € 35. De sekswerker ontvangt € 20 en de BV € 15. De sekswerkers hebben geen invloed op deze prijs. 5.11 Aanbieden diensten aan de klant De dienst(
(2010)in de daaraan voorafgaande periode wellicht allerlei speculaties heeft gevoed over wat er zoal in de convenanten werd geregeld, lijkt hiermee thans naar de mening van de Commissie het transparantieprobleem theoretisch opgelost. Voor zover hierover nog twijfel zou kunnen bestaan, kan de oplossing worden gevonden in hierop gerichte communicatie. Hiernaast bestaat de vraag of er rechtsongelijkheid bestaat tussen belastingplichtigen met en zonder horizontaal toezicht. De bedoeling van de in het convenant opgenomen werk- en gedragsafspraken is immers voor de Belastingdienst en de belastingplichtige een win/win-situatie te creëren. Door dit bij allerlei gelegenheden zo sterk te benadrukken, wordt ten minste gesuggereerd dat het aangaan van een convenantsrelatie tot een andere (gunstigere) rechtsbetrekking leidt. Dat leidt nog steeds tot verwarring. Er worden in de praktijk twee aan elkaar tegengestelde standpunten verdedigd: Niet-convenantsdeelnemers, die zich fiscaal-juridisch vanwege gelijke omstandigheden in een gelijke positie bevinden als convenantshouders, kunnen zich op grond van het gelijkheidsbeginsel beroepen op convenantsafspraken en interpretaties die in het kader van een eventueel vooroverleg of later door de Belastingdienst zijn gegeven. Convenantsdeelnemers zijn reeds vanwege de enkele omstandigheid van de deelname aan een convenant in een andere positie dan een niet-convenantsdeelnemer. Of, anders geformuleerd: er is per definitie geen sprake van gelijke gevallen en dus is toepassing van convenantsregelingen voor niet-deelnemers niet via het gelijkheidsbeginsel afdwingbaar. De Commissie wijst erop dat discussie over rechtsgelijkheid geen nieuw verschijnsel is, dat specifiek wordt opgeroepen door de toepassing van horizontaal toezicht. Ook vóórdat er sprake was van horizontaal toezicht was het al zeer gebruikelijk dat een verschil in de inschatting die de inspecteur maakte inzake de compliance van de belastingplichtigen, leidde tot ongelijke behandelstrategieën voor ongelijke gevallen (vaak of minder vaak boekenonderzoek; wel of geen bereidheid tot vooroverleg, etc.), maar deze afwegingen hadden toen een impliciet karakter. Bij horizontaal toezicht is de risico-inschatting met het aangaan van het convenant explicieter gemaakt. De situatie is daardoor meer transparant, hetgeen alleen maar als positief is te kwalificeren. Conclusies Commissie De Commissie komt met betrekking tot convenanten tot de conclusie dat met name het ontbreken van externe transparantie het hoofdprobleem is (geweest) bij de duiding van de juridische betekenis van het convenant. De Commissie is van mening dat de toepassing van horizontaal toezicht niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Dit uiteraard met het voorbehoud dat er conform het beleid van de Belastingdienst in convenanten geen afspraken omtrent wetsinterpretaties worden gemaakt. De Commissie is wel van mening dat grote voorzichtigheid in acht moet worden genomen bij de toekenning van bepaalde faciliteiten aan convenantspartners, die geen onderdeel zijn van de in het convenant gemaakte compenserende afwegingen van voor- en nadelen en waarvan niet-convenantspartners worden buitengesloten. 5.7 Essers heeft over het rapport van de Commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst en meer specifiek over de afwikkeling van het verleden geschreven: De commissie wijst erop (p. 47) dat uit de rondetafelgesprekken en de internetconsultatie naar voren was gekomen dat het zetten van een streep onder het verleden, de Belastingdienst “wat mocht kosten”. Dit zou volgens de commissie kunnen duiden op “een begunstigende behandeling in strijd met de wet en/of het gelijkheidsbeginsel om participanten te winnen voor horizontaal toezicht”. Uit de gesprekken en het beschikbare informatiemateriaal heeft de commissie echter geen harde aanwijzingen verkregen om te kunnen concluderen dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest. Maar had het dan niet voor de hand gelegen om de concrete dossiers op te vragen? Helaas heeft de commissie dit niet tot haar evaluatieopdracht gerekend (zie voetnoot 86, p. 47). Bovendien, aldus de commissie, zou voor een dergelijk onderzoek een ontheffing van de geheimhoudingsplicht nodig zijn geweest. Kennelijk heeft men die ontheffing ook niet gevraagd. Dat is jammer. Er zijn voor minder zwaarwegende redenen onderzoekscommissies ingesteld. Als de commissie onder voorwaardelijke opheffing van de geheimhoudingsplicht inzicht had kunnen krijgen in de gemaakte deals en zij daarover in algemene termen zou hebben gerapporteerd, dan zouden wellicht veel geruchten over onterechte bevoordelingen die thans de ronde doen, kunnen worden ontzenuwd. Dat is natuurlijk ook in het belang van de Belastingdienst. Nu blijft het bij de constatering door de commissie dat er geen transparantie is over de afhandeling van het verleden en dat daarom ook niet bekend is of in dit kader een duidelijk procedure is opgezet “om te komen tot een verifieerbare bredere afweging van belangen”. 5.8 In het themanummer Horizontaal Toezicht van het Tijdschrift Formeel Belastingrecht heeft Poelmann dienaangaande geschreven (voetnoten weggelaten): Het gelijkheidsbeginsel is, zo kan al uit de hiervoor genoemde citaten worden afgeleid, een fundamenteel beginsel van een c.q. onze democratische rechtsstaat. Als recentelijk in het kader van horizontaal toezicht in het rapport van de Commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst te lezen valt dat het al dan niet afgesloten hebben van een convenant beslissend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van gelijke gevallen, dan is dat aldus een fundamentele discussie, zeker nu de overheid zo nadrukkelijk inzet op deze vorm van toezicht. Als de vraag bevestigend wordt beantwoord, zou mijns inziens sprake zijn van een evidente juridische faux pas, welke een uitholling zou betekenen van het gelijkheidsbeginsel en, daarmee, een aantasting van fundamentele rechtsbeginselen. (…) Vervolgens stelt de commissie dat er ‘in de praktijk twee aan elkaar tegengestelde standpunten [worden, ep] verdedigd’, welke zo fundamenteel worden verwoord dat ik deze letterlijk aanhaal: ‘– Niet-convenantsdeelnemers, die zich fiscaal-juridisch vanwege gelijke omstandigheden in een gelijke positie bevinden als convenantshouders, kunnen zich op grond van het gelijkheidsbeginsel beroepen op convenantsafspraken en interpretaties die in het kader van een eventueel vooroverleg of later door de Belastingdienst zijn gegeven. – Convenantsdeelnemers zijn reeds vanwege de enkele omstandigheid van de deelname aan een convenant in een andere positie dan een niet-convenantsdeelnemer. Of, anders geformuleerd: er is per definitie geen sprake van gelijke gevallen en dus is toepassing van convenantsregelingen voor niet-deelnemers niet via het gelijkheidsbeginsel afdwingbaar.’ Het aldus verwoorden van deze vraag vind ik opmerkelijk. Inmiddels is veelal geen sprake meer van in convenanten ingenomen standpunten, maar gaat het om de toepassing van het recht gedurende de convenantsrelatie. De suggestie dat op basis van de aanwezigheid van een convenant een verbijzondering van regelgeving, ofwel een individuele van de wet afwijkende rechtstoepassing kan plaatsvinden, is naar mijn mening apert onjuist. De belastingplichtigen bevinden zich immers in een situatie ‘die objectief gelijkwaardig is aan die van de andere marktdeelnemers’, er is sprake van ‘equality before the law’. En dan is het juridisch niet juist dat in geval van een convenantsrelatie bijvoorbeeld zou worden aangenomen dat wettelijk vereist bewijs voor een bepaalde faciliteit is geleverd. Bedacht moet worden dat bij een van de wet afwijkende behandeling, compliante belastingplichtigen dubbel op achterstand kunnen worden gezet: concurrenten ervaren soms geen of weinig toezicht en het traject van horizontaal toezicht vergt het maken van kosten. Het level playing field komt dan in gevaar en dan is het begrijpelijk dat wordt gepoogd de convenantsrelatie ook in benefits te laten resulteren. Daarbij vraag ik mij overigens af bij wie ‘in de fiscale praktijk’ deze vraag leeft. Van de zijde van de fiscus heeft Poolen, lid van het managementteam van de Belastingdienst, opgemerkt dat in convenantssituaties geen ander wettelijk regime geldt. Daarnaast moeten bedrijven bij eventueel te grote door de fiscus toegekende voordelen, alert zijn op het risico dat een dergelijk voordeel als staatssteun kan worden gekwalificeerd. Kortom, ik vraag mij af welke partij in het fiscale spel er belang bij heeft deze mijns inziens juridisch onzinnige vraag op te werpen. 5.9 Meussen heeft zich naar aanleiding van het rapport van de commissie Horizontaal Toezicht Belastingdienst in het NTFR openlijk afgevraagd wat voor afspraken de Belastingdienst met individuele ondernemingen heeft gemaakt: Volstrekt onhelder blijft daardoor wat voor afspraken de Belastingdienst met individuele ondernemingen heeft gemaakt. Het is wat mij betreft de vraag of die ook niet uit het oogpunt van concurrentieoverwegingen, het gelijkheidsbeginsel en eenheid van beleid openbaar zouden moeten worden gemaakt. (…) In relatie tot multinationale ondernemingen (ZGO) zijn in het kader van de totstandkoming van een individueel convenant, alle lopende oude belastinggeschillen (procedures) “afgekocht”. Men wilde fiscaal met een schone lei beginnen. Deze afkoop heeft naar verluidt zeer profijtelijk uitgepakt voor deze ondernemingen. Onduidelijk is of de Belastingdienst daarbij niet erg ver en meegaand is opgetreden.’ 5.10 In het WFR heeft Meussen kritische kanttekeningen geplaatst bij het rapport van de commissie: 3 Afhandeling fiscale zaken uit het verleden Onderdeel van de totstandkoming van een individueel convenant is dat er met een schone lei wordt begonnen en fiscale geschillen uit het verleden worden afgehandeld. De commissie schrijft (p. 47): “Tijdens de rondetafelgesprekken en uit de internetconsultatie komt naar voren dat de afhandeling van oude fiscale jaren de Belastingdienst wat mocht kosten, althans indien dat tot een convenant zou leiden. Dit zou kunnen duiden op een begunstigende behandeling in strijd met de wet en/of het gelijkheidsbeginsel om participanten te winnen voor horizontaal toezicht.” Tevens zou er in individuele gevallen — de commissie noemt dit niet — sprake kunnen zijn van ongeoorloofde staatssteun. De commissie constateert dat er geen transparantie is over de afhandeling van het verleden in het kader van de individuele klantbehandeling. Dat een dergelijke begunstigende afhandeling heeft plaatsgevonden valt volgens de commissie ook niet uit te sluiten. Maar vervolgens stelt de commissie dat een dergelijk onderzoek gebaseerd zou moeten zijn op de analyse van concrete gevallen. Dit valt volgens de commissie echter buiten haar taakopdracht en strandt bovendien op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hoewel deels begrijpelijk, blijft de uitkomst van deze afweging onbevredigend. Hiermee werkt de geheimhoudingsplicht contraproductief omdat daarmee de waarheid niet achterhaald kan worden en dit de geruchten omtrent een onterechte bevoordeling van specifieke ZGO’s zal doen aanzwellen. 5.11 Van Lint heeft onder meer geschreven over het afwikkelen van oude slepende fiscale problematiek: 1.3.2. Grote en middelgrote ondernemingen (…) Schone lei Een vast onderdeel van horizontaal toezicht is ook dat men indien er problematiek uit het verleden speelt deze zo snel mogelijk wil oplossen, zodat onder het convenant met een schone lei kan worden begonnen. Dit aspect van de gemaakte individuele afspraken is intrigerend en heeft – ook in de politiek – de vraag opgeroepen wat er nu precies in die individuele handhavingsconvenanten is afgesproken. Zonder meer openbaar maken van de individuele convenanten is in verband met de geheimhoudingsplicht jegens de desbetreffende belastingplichtigen niet mogelijk. De staatssecretaris heeft op verzoek van de Eerste Kamer evenwel gereageerd door een geanonimiseerde versie van een afgesloten convenant als bijlage bij de brief van 9 juni 2006, nr. DGB2006/3312, NTFR 2006/879 ter beschikking te stellen. Op dit moment wordt bij het afsluiten van individuele convenanten gebruikgemaakt van standaardteksten. Deze zijn gepubliceerd op de site van de Belastingdienst. Er is een Standaardtekst individueel convenant en een Standaardtekst individueel convenant inclusief douane. Over de precieze inhoud van de gemaakte afspraken over de oude slepende fiscale problematiek komt men daardoor echter niets te weten. Die afspraken staan niet in het convenant en worden volgens de Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de Individuele Klantbehandeling (en de tweede versie daarvan) zo veel mogelijk gemaakt vóórdat het convenant wordt gesloten. Meussen schrijft in verband met de geheimhouding in zijn Opinie 'Horizontaal toezicht: over kosten, fraudebestrijding en psychologische druk' in NTFR 2012/291: 'Volstrekt onhelder blijft daardoor wat voor afspraken de Belastingdienst met individuele ondernemingen heeft gemaakt. Het is wat mij betreft de vraag of die ook niet uit het oogpunt van concurrentieoverwegingen, het gelijkheidsbeginsel en eenheid van beleid openbaar zouden moeten worden gemaakt.' Tevens meldt hij: 'In relatie tot multinationale ondernemingen (ZGO) zijn in het kader van de totstandkoming van een individueel convenant, alle lopende oude belastinggeschillen (procedures) "afgekocht". Men wilde fiscaal met een schone lei beginnen. Deze afkoop heeft naar verluidt zeer profijtelijk uitgepakt voor deze ondernemingen. Onduidelijk is of de Belastingdienst daarbij niet erg ver en meegaand is opgetreden.' In de Eerste Kamer heeft de staatssecretaris naar aanleiding van vragen van de VVD-fractie onder meer het volgende opgemerkt: 'Deze leden lijken een verband te leggen tussen de contra-legemdiscussie en de pilot horizontaal toezicht. Dat verband is niet aanwezig. De afspraken opgenomen in convenanten die de Belastingdienst met ondernemingen heeft gesloten blijven uiteraard binnen de door wetgeving en jurisprudentie gestelde kaders.' De staatssecretaris spreekt hier overigens nog over afspraken in de convenanten. In ieder geval thans worden inhoudelijke afspraken over concrete fiscaaltechnische aangelegenheden niet in de convenanten opgenomen. Wel worden zo nodig aparte vaststellingsovereenkomsten gesloten. In de standaardteksten van de convenanten staat vermeld dat rechten en verplichtingen op basis van wet- en regelgeving zonder enige beperking van toepassing zijn en blijven. Commissie-Stevens en kosten in verband met oude problematiek De Commissie-Stevens vermeldt hierover onder meer: 'Tijdens de rondetafelgesprekken en uit de internetconsultatie kwam naar voren dat de afhandeling van oude fiscale jaren de Belastingdienst "wat mocht kosten", althans indien dat tot een convenant zou leiden. Dit zou kunnen duiden op een begunstigende behandeling in strijd met de wet en/of het gelijkheidsbeginsel om participanten te winnen voor horizontaal toezicht.' Bewijs hiervoor heeft de commissie echter niet gevonden (overigens ook niet van het tegendeel) en ze concludeert ter zake: 'De Commissie constateert dat er geen transparantie is over de afhandeling van het verleden door de aanwezige individuele klantbehandeling en de in dat kader wettelijk voorgeschreven geheimhoudingsplicht. De Commissie kan hierdoor geen conclusie trekken over het afhandelen van het verleden.' De commissie stelt in dit verband onder meer: 'De Commissie heeft daarbij in haar overweging betrokken dat het sluiten van compromissen bij de afdoening van langdurig voortslepende gecompliceerde kwesties, niet ongebruikelijk is. Ook bij de reguliere (rechterlijke) geschilbeslechting is het niet ongewoon dat bij gecompliceerde verschillen van mening en reeds lang lopende interpretatieconflicten door de partijen op instigatie van de rechter compromissen worden gesloten. Soms wordt zelfs op die wijze van afdoening geanticipeerd door het niet op een rechtszaak te laten aankomen en al vooraf te kiezen tot een compromissoire afwikkeling.' (rapport p. 47). Essers betreurt het dat de Commissie-Stevens geen zelfstandig onderzoek heeft ingesteld om te achterhalen of de beweringen over profijtelijke deals in het kader van horizontaal toezicht gegrond zijn of niet (P.H.J. Essers, 'Zonder inzicht in de bedrijfsprocessen van de Belastingdienst, blijft horizontaal toezicht kwetsbaar', Column WFR 2012/1546). De Commissie-Stevens heeft in haar rapport aangegeven in noot 86 dat een dergelijk onderzoek gebaseerd zou moeten zijn 'op de analyse van concrete gevallen. De Commissie rekent dit niet tot haar evaluatieopdracht. Gegeven de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR zou voor een dergelijk onderzoek trouwens een ontheffing van de geheimhoudingsplicht nodig zijn.' Meussen vindt dit deels begrijpelijk maar vindt de uitkomst van deze afweging onbevredigend. 'Hiermee werkt de geheimhoudingsplicht contraproductief omdat daarmee de waarheid niet achterhaald kan worden en dit de geruchten omtrent onterechte bevoordeling van specifieke ZGO's zal doen aanzwellen.' (G.T.K. Meussen, Kritische kanttekeningen bij het rapport van de Commissie Horizontaal toezicht Belastingdienst, WFR 6964/1025). Poelman waarschuwt dat een ongelijke rechtstoepassing tussen deelnemers en niet-deelnemers aan een convenant uit den boze is: 'De suggestie dat op basis van de aanwezigheid van een convenant een verbijzondering van regelgeving, ofwel een individuele van de wet afwijkende rechtstoepassing kan plaatsvinden, is naar mijn mening apert onjuist.' en 'Maar belastingplichtigen die voor de wet als gelijke gevallen gelden juridisch verschillend behandelen op basis van de aanwezigheid van een convenant raakt de wortels van onze rechtsstaat.' E. Poelman, 'Gelijkheid is kostbaar. Ongelijkheid is duurder', TFB 2013/2. Ook de Witte waarschuwt: 'Een ander belangrijk punt is het handhaven van de rechtsgelijkheid. Je kunt belastingplichtigen die in het horizontaal toezicht zijn opgenomen niet anders behandelen dan belastingplichtigen die dat niet zijn. Het verschil in behandeling kan alleen in de communicatie zitten, niet in de afhandeling van de aangifte.' A.K.H. Klein Sprokkelhorst, 'Horizontaal toezicht bij het MKB: een belangrijk punt is het handhaven van de rechtsgelijkheid, Een interview met Edwin de Witte', TFB 2013/2. Zie over dit onderwerp ook M.E. Oenema. Zij constateert dat met lopende zaken kennelijk issues worden bedoeld die al bekend zijn bij de fiscus en waarover discussies lopen en roept de vraag op of hieronder ook niet discussiepunten of fouten zouden moeten vallen die onbekend zijn bij de Belastingdienst. 'Als er tijdens het traject horizontaal toezicht nog lijken uit de kast komen, zou dit voor de Belastingdienst een reden kunnen zijn om het convenant op te zeggen, omdat hij dan gaat twijfelen aan het gerechtvaardigd vertrouwen in zijn convenantpartner.' (M.E. Oenema, De formeelrechtelijke aspecten van horizontaal toezicht in belastingzaken, Fiscale Monografieën nr. 143, Kluwer, Deventer 2014, p. 58-59). (…) 2.2.2. Voorwaarden bij MGO en GO De Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de Individuele Klantbehandeling, p. 12 geeft aan dat er twee kernvoorwaarden zijn om tot aanvaardbare aangiften te komen die de weg vrij maken voor deelname aan horizontaal toezicht: 'De complianceverkenning heeft als doel om samen met de organisatie vast te stellen of horizontalisering van het toezicht haalbaar is. Daarom willen we zicht krijgen op de fiscale houding en het gedrag van de organisatie (en betrokken partijen): het willen. Ook bespreken we met de organisatie hoe zij haar verantwoordelijkheid oppakt om aanvaardbare aangiften in te dienen. We stellen gezamenlijk vast of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing van de fiscaliteit: het kunnen.' Het gaat dus om willen en kunnen. De Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen omschrijft dit in paragraaf 4.1 als volgt: 'Tijdens de complianceverkenning ontstaat een beter zicht op de fiscale houding van de organisatie en de betrokken partijen (het "willen") en of de randvoorwaarden aanwezig zijn om te komen tot een adequate beheersing van fiscaliteit (het "kunnen"). De verzamelde informatie over de organisatie geeft meer diepte aan het klantbeeld en wordt direct betrokken bij de bepaling van de vorm en intensiteit van het toezicht en de prioritering daarvan.' Het initiatief om een gesprek aan te gaan over deelname aan horizontaal toezicht kan zowel van de onderneming als van de Belastingdienst uitgaan. Zie voor een beschrijving van de totstandkoming van een horizontaaltoezichtrelatie en de samenwerking op basis van een convenant ook E.A.M. Huiskers-Stoop, De effectiviteit van horizontaal belastingtoezicht, Een fiscaal-juridische en empirische analyse, Erasmus University Rotterdam 2015, hoofdstuk 5 met name paragraaf 5.2 en 5.3. Willen Het willen wordt door de fiscus intern getoetst aan de hand van het zogenoemde 'klantbeeld'. Dit is het beeld dat men op basis van objectieve gegevens en opgedane ervaringen heeft van de onderneming. Belangrijk is ook de externe toetsing aan de hand van wat in de Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de Individuele Klantbehandeling een HT-gesprek wordt genoemd in combinatie met de zogenoemde complianceverkenning. Door een gesprek aan te gaan met de leiding van de onderneming (de Leidraad spreekt van de 'tone at the top') wil de Belastingdienst zich een (beter) beeld vormen van de houding en het gedrag van de onderneming en mate waarin de uitgangspunten van horizontaal toezicht worden onderschreven. Kunnen en TCF In de complianceverkenning (de Belastingdienst noemt dit de tweede stap van het proces om binnen het segment MGO/GO tot horizontaal toezicht te komen) komt zoals gezegd ook aan de orde in hoeverre de onderneming daadwerkelijk in staat is aanvaardbare aangiften te doen. Hiertoe wordt gekeken naar de mate waarin de onderneming 'fiscaal in control' is. Zie over de beheersmaatregelen en het tax control framework (TCF) verder aantekening 3.1. De eerste leidraad (Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de Individuele Klantbehandeling) verschilt in dit opzicht niet wezenlijk van de huidige Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen, al lijkt het erop dat men de medewerkers van de Belastingdienst nadrukkelijker wil wijzen op het feit dat de complianceverkenning iets anders is dan een volledig boekenonderzoek. Zo staat op p. 17: 'Gezien het doel van de verkenning wordt in deze fase geen inzage in dossiers van externe partij(
- en)gevraagd' en op p. 18: 'Het is niet de bedoeling dat tijdens de complianceverkenning diepgaand fiscaal onderzoek in de organisatie wordt gedaan. Gezien de doelstelling en uitgangspunten van de verkenning is de Belastingdienst terughoudend met het opvragen van documentatie en met de beoordeling en analyse van de documentatie die de belastingplichtige organisatie verstrekt tijdens of naar aanleiding van de interviews. Deze informatie moet vooral als illustratief worden beschouwd bij de uiteindelijk te nemen beslissing of horizontalisering haalbaar is.' Dit is mijns inziens geen overbodige luxe. In de praktijk is gebleken dat een complianceverkenning nog wel eens de neiging had uit te groeien tot een volledig boekenonderzoek. Gegeven het feit dat de Belastingdienst zelf verkondigt dat een van de aantrekkelijke aspecten van Horizontaal Toezicht voor de ondernemer is dat er een verminderd toezicht plaatsvindt, is het te begrijpen dat dergelijke volledige boekenonderzoek bij de desbetreffende ondernemingen verbazing wekten. Zeker als men – zoals in veel gevallen aan de orde was – al jaren niet was gecontroleerd. Oplossen lopende problemen Een vast onderdeel bij gesprekken over deelname aan horizontaal toezicht vormt bij MGO/GO-ondernemingen het oplossen van oude problematiek. De Leidraad Horizontaal Toezicht binnen de Individuele Klantbehandeling, p. 12 zegt hier onder meer het volgende over: 'Met het afronden van lopende problematiek maken we de weg vrij voor het werken in de actualiteit. Uitgangspunt is dat lopende problematiek zo veel mogelijk wordt afgerond vóór het sluiten van het convenant. Waar dat nog niet mogelijk is, maken de Belastingdienst en de organisatie samen goede procedureafspraken. Onder lopende problematiek worden verstaan fiscale zaken of invorderingszaken die al bekend zijn bij de organisatie en/of de Belastingdienst.' Woorden van gelijke strekking zijn te vinden in hoofdstuk 5 van de huidige Leidraad Toezicht Grote Ondernemingen. Zie in dit verband ook aantekening 1.3.2. 5.12 Oenema heeft in haar proefschrift “De formeelrechtelijke aspecten van horizontaal toezicht in belastingzaken” geschreven over het afronden van lopende problematiek: 3.2.3 De complianceverkenning (…) De laatste fase voordat een convenant wordt gesloten, de ontwikkelfase, is het afronden van lopende problematiek. Deze wordt zo veel mogelijk afgehandeld met inachtneming van alle uitgangspunten van horizontaal toezicht. De Leidraad 2013 vermeldt dat onder ‘lopende problematiek’ moet worden verstaan: “alle nog openstaande fiscale kwesties of invorderingszaken die bij aanvang van het HT-traject al bekend zijn bij zowel de organisatie als de Belastingdienst. Het zijn kwesties die werken in de actualiteit belemmeren en een soepele samenwerking kunnen frustreren.” Het is daarbij opvallend dat de Leidraad 2013 ervan lijkt uit te gaan dat enkel gezamenlijk bekende zaken als lopende problematiek kunnen worden beschouwd. Uit de voorbeelden die worden genoemd (lopende boekenonderzoeken, openstaande aangiften, onderhanden bezwaarschriften) blijkt dat er reeds een formele handeling te dier zake moet zijn verricht. In mijn optiek past het ook in het kader van horizontaal toezicht als de belastingplichtige fiscaal discutabele zaken uit het verleden die nog niet onder de aandacht van de Belastingdienst zijn gekomen, toch reeds meldt bij de Belastingdienst. Als er tijdens het traject horizontaal toezicht nog lijken uit de kast komen, zou dit voor de Belastingdienst een reden kunnen zijn om het convenant op te zeggen, omdat hij dan gaat twijfelen aan het gerechtvaardigd vertrouwen in zijn convenantpartner. Ook zou hij voor de geconstateerde oude overtredingen een boete kunnen opleggen. Het een en ander gaat in mijn optiek overigens niet zover dat de Belastingdienst correcties en boeten kan opleggen voor tijdvakken die buiten het bestek van de wettelijke termijnen vallen. (…) Uit onderzoek blijkt dat het oplossen van problemen uit het verleden voor het merendeel van de ondernemingen geen rol speelt bij het aangaan van een convenant. A contrario beredeneerd betekent dit dat een deel van de ondernemingen hier wel een reden in vindt om een convenant aan te gaan. Naar de achterliggende reden kan ik slechts gissen. Het zou immers ook zonder de getoonde bereidheid een convenant aan te gaan mogelijk moeten zijn om op een constructieve wijze met de fiscus te overleggen over de afwikkeling van lopende kwesties. Zolang dit binnen de grenzen van de wet blijft, is dat geoorloofd. (…) 3.3.2.3.4 Afwikkeling van het verleden Tot slot vermeldt het convenant dat fiscaal relevante zaken uit het verleden, die op dat moment bekend zijn bij de belastingplichtige of financieel dienstverlener en/of de Belastingdienst worden opgelost dan wel daarover een afspraak wordt gemaakt, binnen het kader van wet- en regelgeving. Zie hierover reeds par. 3.2.3. (…) 5.2.2.1 De hoogte van de aanslag (…) (…) het is niet aanvaardbaar dat de inspecteur zonder goede grond met een belastingplichtige of een groep belastingplichtigen afspraken maakt waardoor voor hen een van de wet afwijkend begunstigend regime geldt en aan hen privileges worden gegund. Dit geldt evenzeer in een convenantsituatie. In par. 3.2.3. lichtte ik al toe dat harde bewijzen ten aanzien van privileges voor (beoogde) convenant-belastingplichtigen ter afwikkeling van het verleden ontbreken. (…) Jurisprudentie I Opting-in in de prostitutiebranche 5.13 Uit een uitspraak van de rechtbank Breda van 11 maart 2010 blijkt dat exploitanten van seksinrichtingen, gevestigd in de regio [S] die wél de opting-in regels hadden toegepast, gunstiger werden behandeld dan exploitanten die dat niet hadden gedaan: 4.5. De inspecteur heeft ter zitting onder meer verklaard: “ (…) Ja, het klopt dat de eerder opgelegde naheffingsaanslagen over het jaar 2005 worden vernietigd indien de belastingplichtige akkoord gaat met toepassing van de opting-in in latere jaren. De vernietiging van over het jaar 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar werd gebruikt als middel om de toepassing van de opting-in te faciliteren. Indien men niet kiest voor opting-in zal door middel van (boeken)onderzoeken moeten worden vastgesteld wat de aard van de werkzaamheden is.(...)” en “(…) Ja, als een belastingplichtige akkoord gaat met de opting-in dan laten wij het verleden rusten. Het is geen beleid omdat wij dat niet mogen maken, maar in de regio [S] wordt dit ten aanzien van exploitanten toegepast.(…) ” 4.6. Gelet op deze verklaringen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de inspecteur zich er van bewust was dat hij ten aanzien van de groep die voor de jaren na 2005 wèl had gekozen voor toepassing van de opting-in regeling een begunstigend beleid voerde. De vernietiging van over 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar werd immers bewust gebruikt als middel om de opting-in regeling aantrekkelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de handelswijze van de inspecteur dan ook tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen ten gevolge van het oogmerk van begunstiging en is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. 5.14 Thijssen annoteerde bij deze uitspraak: In de onderhavige procedure had de exploitant om hem moverende redenen geen convenant gesloten met de Belastingdienst, maar wenste hij wel gelijkelijk behandeld te worden als exploitanten die wel een dergelijk convenant hadden gesloten. Ook deze `noncompliante’ exploitant wenste gebruik te maken van de desbetreffende fiscale amnestieregeling. Zowel in het geval van een `noncompliante’ exploitant als in de gevallen van de begunstigde `compliante’ exploitanten speelt immers exact dezelfde vraag, namelijk de vraag of prostituees hun werkzaamheden in de voorgaande jaren in dienstverband hebben verricht. Beide gevallen zijn dan ook feitelijk en rechtens vergelijkbaar. Een nadien gesloten convenant dat betrekking heeft op latere jaren maakt de situatie in de voorgaande jaren niet anders. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van belanghebbende slaagt dan ook en Rechtbank Breda vernietigt de naheffingaanslag loonbelasting. In de onderhavige procedure is komen vast te staan dat in ieder geval op regionaal niveau begunstigend beleid wordt gevoerd (i.c. regio [S] ), maar onduidelijk is of op landelijk niveau hetzelfde beleid wordt gevoerd. Inmiddels is mede als gevolg van diverse WOB-procedures het draaiboek `Plan van aanpak prostitutiebranche’ van 7 maart 2005 en het draaiboek `Aanpak Seksinrichtingen’ van 1 augustus 2008 openbaar geworden, zij het dat een groot aantal passages niet openbaar is gemaakt (zie ook: www.minfin.nl). In de wel openbaar gemaakte passages van het draaiboek van 7 maart 2005 staat in de paragrafen `Uniformiteit in de klantbehandeling’ en `RNO uniform handelen’ nog wel het volgende vermeld: `Van belang is dat er sprake is van een uniforme klantbehandeling. Dat lijkt in tegenspraak met de eigen verantwoordelijkheid van de regio’s, maar is het niet. Het besef is overal aanwezig dat gelijke gevallen gelijk behandeld zouden moeten worden. Het is van belang dat dit besef ook in daden wordt omgezet. Tussenoplossingen zijn, hoe begrijpelijk ook, niet wenselijk. (…) Zeker als blijkt dat een tussenoplossing uitstraling heeft naar een andere regio is een uniforme aanpak meer dan ooit op zijn plaats.’ Mede gezien deze landelijk gecoördineerde aanpak door de `projectgroep prostitutie’ van de Belastingdienst en het feit dat periodiek overleg gevoerd wordt tussen de projectleiding en de verschillende regiocoördinatoren, lijkt het mij voor de hand liggen dat er ook op landelijk niveau een dergelijk begunstigend beleid wordt gevoerd of in ieder geval dat met een dergelijk begunstigend beleid (stilzwijgend) is ingestemd. Het in regio [S] gevoerde beleid kan in ieder geval als ondersteunend bewijs dienen voor deze aanname. Maar ook indien geen sprake zou zijn van landelijk beleid kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel door een exploitant uit een andere regio slagen. In het algemeen is een inspecteur niet gebonden aan het beleid dat door een andere inspecteur wordt gevoerd. De belangrijkste uitzondering hierop betreft de omstandigheid dat als beleid op landelijk niveau wordt gecoördineerd, er gelet op een behoorlijke taakvervulling moet worden gecoördineerd. In dat geval is de handelwijze van ambtenaren die vallen onder een ander onderdeel van de Belastingdienst wel degelijk van belang bij de beoordeling van een beroep op begunstigend beleid (zie HR 16 december 1998, BNB 1999/164 en BNB 1999/165). Dit geldt temeer nu per 1 januari 2003 inspecteurs landelijk bevoegd zijn geworden (art. 3 AWR). Zo bezien kan deze zuidwesterstorm zich nog wel eens in het gehele land laten gevoelen. In reactie op Kamervragen (vraag 10) over hoe moet worden omgegaan met `in het verleden niet geheven en geïnde, maar wel verschuldigde, belasting’ van exploitanten van seksinrichtingen heeft de staatssecretaris op 9 maart 2009 (NTFR 2009/621) geantwoord dat: `Met de branche is afgesproken dat de afwikkeling van het verleden een zaak is die de competente inspecteur aangaat.’ Ik zou menen dat de staatssecretaris had moeten antwoorden dat evenals bij alle andere belastingplichtigen – dus ook bij exploitanten van seksinrichtingen – de verschuldigde belasting robuust zal worden (na)geheven (en ingevorderd) en dat er geen enkele beleidsvrijheid is voor de inspecteur in de regio om zelfstandig Vinkenslagachtige afspraken over het verleden van exploitanten te maken. Maar staatssecretaris Janus Kees de Jager lijkt met twee monden te spreken: enerzijds impliceert zijn antwoord op de Kamervragen dat hij ruimte geeft aan de verschillende regio’s om zelfstandig het fiscale verleden van `compliante’ exploitanten af te wikkelen. Anderzijds schrijft hij in zijn draaiboeken een uniforme behandeling van exploitanten voor. Uit de onderhavige procedure blijkt ook de inspecteur met deze tegenstrijdigheid te worstelen en verklaart dat het `geen beleid (
- is)omdat wij dat niet mogen maken, maar in de regio [S] wordt dit ten aanzien van exploitanten toegepast’. Het moge duidelijk zijn dat de vraag of sprake is van beleid niet wordt beantwoord door de etikettering ervan, maar door de inhoud. Een bestuursorgaan is overigens niet verplicht om begunstigend beleid tot in lengte van dagen te handhaven. In het geval de staatssecretaris tot het inzicht komt dat het gevoerde beleid een niet-toelaatbare bevoordeling oplevert jegens exploitanten van seksinrichtingen, dan zal de staatssecretaris dit beleid direct moeten beëindigen om deze zuidwesterstorm geen verdere schade meer te laten toebrengen. Alleen dan kan hij er zeker van zijn dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet meer gehonoreerd zal worden (vgl. HR 23 januari 2004, NTFR 2004/106 en HR 10 augustus 2007, NTFR 2007/1463). 5.15 De redactie van de FutD heeft met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Breda geschreven: In juli 2008 kwam de Belastingdienst met belangengroepen voor sekswerkers en exploitanten in de prostitutiebranche een voorwaardenpakket overeen (zie FutD 2008-1569) dat de basis was van de vaststellingsovereenkomst (VSO) die exploitanten van sexinrichtingen met de Belastingdienst kunnen sluiten. Per 1 januari 2009 werd bij algemene maatregel van bestuur (zie FutD 2009-0032) vastgelegd dat de relatie tussen een sekswerker en een exploitant van een seksinrichting voor de loonheffing wordt aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking (zie FutD 2008-2578 met ons commentaar). Daarbij werd een opting-in-regeling opgenomen. Ofschoon de Belastingdienst zijn uiterste best heeft gedaan, en nog steeds doet, om sekswerkers onder druk van (nachtelijke) waarnemingen ter plaatse en controles met daaropvolgende naheffingen loonheffing en BTW met boeten in het keurslijf van de VSO met voorwaardenpakket (plus 20% kostenvergoeding) te persen (zie FutD 2009-0182 en FutD 2009-0361, beide met ons kritische commentaar), is een aantal exploitanten niet akkoord gegaan. De exploitanten die wel overstag gingen, kregen als tekenpremie fiscale amnestie voor de oude en nieuwe belastingschulden. Bij de weigeraars werden de reeds opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting en BTW gehandhaafd. De uitspraak van Rechtbank Breda van 11 maart 2010, die wij reeds aankondigden in ons commentaar in FutD 2009-0548, betrof een exploitant die de VSO met de Belastingdienst niet had ondertekend, omdat de sekswerkers die hun diensten verrichtten in door hen gehuurde kamers in zijn privé-huis volgens hem zelfstandige ondernemers zijn. Maar ook en vooral was hij het oneens met de ongelijke behandeling van exploitanten die de VSO niet ondertekenen versus de exploitanten die de VSO wél ondertekenen en daarom door de Belastingdienst zijn gevrijwaard van controles en naheffingen over de periode voorafgaande aan de ingangsdatum van de VSO. Ofschoon de loonbelastingzaken die bij de rechter sneuvelen, doorgaans stranden op de zelfstandigheid van de prostituees en het ontbreken van de voor een dienstbetrekking vereiste gezagsverhouding tussen de prostituee en de exploitant (zie FutD 2010-0441 met ons commentaar, FutD 2010-0079 en FutD 2009-1075 met ons commentaar), kwam de Bredase rechter niet aan deze vraag toe. De rechter verklaarde het beroep van de exploitant reeds gegrond op grond van schending van het discriminatieverbod. Het was namelijk gebleken dat de Belastingdienst ten aanzien van de groep exploitanten die voor de jaren na 2005 wél had gekozen voor toepassing van de opting-in regeling bij de exploitatie van een seksinrichting, een begunstigend beleid voerde. De vernietiging van over 2005 reeds opgelegde naheffingsaanslagen of het niet opleggen van aanslagen over dat jaar was door de Belastingdienst bewust gebruikt als middel om de opting-in regeling aantrekkelijk te maken. Het is nog niet bekend of de inspecteur in hoger beroep gaat, maar hiervan is naar onze mening weinig succes te verwachten gezien zijn expliciete, door de Rechtbank geciteerde, verklaring dat in de regio Zuid-West naheffingaanslagen over 2005 worden vernietigd als middel om de toepassing van de opting-in te faciliteren. Overigens heeft de Belastingdienst niet alleen in de regio Zuid-West bewust een begunstigend beleid gevoerd ten aanzien van de exploitanten die de opting-in overeenkomst vóór 1 juli 2008 hebben getekend (en zelfs ten aanzien van de exploitanten die dat na die tijd nog hebben gedaan), maar is de vernietiging van over voorgaande jaren reeds opgelegde aanslagen of het niet-opleggen van in het vooruitzicht gestelde aanslagen in combinatie met het uitvoeren van veelvuldige controles in heel Nederland toegepast. Het belang van deze uitspraak is enorm. In de eerste plaats kunnen degenen die de VSO niet hebben ondertekend en die momenteel met het zwaard van Damocles boven het hoofd leven in de vorm van dergelijke naheffingsaanslagen zich eveneens beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast kunnen ook degenen die de VSO wél hebben ondertekend mogelijk de nietigheid van de VSO inroepen met een beroep op de uitspraak van Rechtbank Breda. De exploitant die met succes bij Rechtbank Breda procedeerde over de loonbelasting, had ook succes in de BTW-zaak die in hoger beroep bij Hof Den Bosch werd uitgeprocedeerd. In die zaak gaat het om de vraag of de Belastingdienst zich op grond van het CPP-arrest van het EU-Hof van Justitie (zie FutD 1999-0336) al dan niet terecht op het standpunt stelt dat sprake is van één dienst door de exploitant bestaande uit het gelegenheid geven tot het hebben van seksuele omgang. De schriftelijke uitspraak van het Hof wordt over enige weken verwacht, maar de inspecteur heeft zich op de zitting bij het Hof laten overtuigen door het in het vooruitzicht gestelde oordeel van het Hof dat sprake is van twee diensten die verleend worden door twee ondernemers: de exploitant en de sekswerker, en dat er geen enkel bewijs voor de stelling van de inspecteur voorhanden was. Het Hof is het oneens met het standpunt van de Belastingdienst dat sprake is van één ondernemer, de exploitant die BTW verschuldigd is over zijn eigen omzet (uit verhuur van de kamers) én over de door de prostituees behaalde omzetten. De voorzitter van het Hof erkende dat de Belastingdienst veel succes heeft in het sluiten van VSO's met exploitanten, maar merkte deze zaak aan als "een kikkertje boven de sloot", waardoor de regeling van het ministerie van Financiën in wezen ter ziele is. De inspecteur koos daarop eieren voor zijn geld en concludeerde alsnog tot gegrondverklaring van het beroep. Dit is de eerste keer dat in een BTW-procedure van een exploitant op materiële gronden succes wordt behaald. De beslissing van het Hof dat de Belastingdienst niet kan bewijzen dat sprake is van één BTW-ondernemer, legt een volgende bom onder de fiscale standpunten en het beleid van de Belastingdienst ten aanzien van de prostitutiebranche. Wij blijven erbij dat praktische (partiële) contra-legemoplossingen die de Belastingdienst treft met branches waar traceerbaarheid en controleerbaarheid een probleem is, zoals de prostitutiebranche, niet per definitie buiten toepassing moeten worden gelaten. Dergelijke oplossingen moeten echter wel aan de randvoorwaarden van een democratische rechtstaat voldoen. Daarvoor geldt in de eerste plaats dat de getroffen oplossingen niet aan het zicht van het parlement (en daarmee de burger) mogen zijn onttrokken. In de tweede plaats moet de Belastingdienst bij de totstandkoming en uitvoering van de oplossingen de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen. In dit geval zijn deze beginselen geschonden, doordat de Belastingdienst exploitanten van sekshuizen ongeoorloofd onder druk heeft gezet om een handtekening te krijgen onder de collectieve overeenkomst. 5.16 Rechtbank Breda heeft in een eveneens met de onderhavige zaak vergelijkbare zaak op 23 juli 2010 geoordeeld: 4.4.Belanghebbende stelt dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen daar door de Belastingdienst regio [S] , waaronder ook belanghebbende ressorteert, bewust een begunstigend beleid wordt gevoerd ten aanzien van exploitanten die wel hebben gekozen voor toepassing van de opting in-regeling. 4.5.De inspecteur heeft ter zitting onder meer verklaard dat er geen sprake is van landelijk of regionaal beleid om bij exploitanten die hebben gekozen voor “opting-in” reeds bestaande naheffingsaanslagen loonheffing te vernietigen. Hierbij heeft de inspecteur aangegeven dat het accepteren van de opting-in regeling slechts één van de overwegingen is die wordt meegewogen bij de beslissing om een naheffingsaanslag op te leggen dan wel te handhaven, en heeft hij tevens verwezen naar een geval waarin wordt geprocedeerd over een “oude” naheffingsaanslag loonbelasting en premies volksverzekeringen die is opgelegd door een inspecteur van een ander kantoor van de belastingdienst en waarbij de belastingplichtige wel gekozen heeft voor de opting-in regeling. 4.6.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een landelijk beleid dat reeds opgelegde naheffingsaanslagen loonbelasting worden vernietigd indien gekozen wordt voor opting-in. Dat is echter in dit geval niet beslissend, nu belanghebbende expliciet heeft verwezen naar het beleid van de belastingdienst in haar regio. Ook bij regionaal begunstigend beleid kan een beroep worden gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank acht aannemelijk dat een dergelijk begunstigend beleid wel bestond in het gebied van de belastingdienst/ [S] en dat in deze regio de toezegging van vernietiging van reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen bewust werd gebruikt als middel om de opting-in regeling aantrekkelijk te maken. De rechtbank leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden: -De inspecteur heeft in de zaak met rechtbanknummer 09/130 verklaard: “ja, het klopt dat eerder opgelegde naheffingsaanslagen over het jaar 2005 worden vernietigd indien de belastingplichtige akkoord gaat met toepassing van opting-in in latere jaren. De vernietiging van reeds opgelegde aanslagen of het niet opleggen van aanslagen werd gebruikt als middel om de toepassing van opting-in te faciliteren.”(bijlage nader stuk van belanghebbende van 12 mei 2010). -De inspecteur heeft ter zitting de juistheid van voornoemde verklaring weliswaar bestreden maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in deze regio in enig geval, waarin een met belanghebbende vergelijkbare exploitant van opting-in gebruik had gemaakt, oude naheffingsaanslagen loonbelasting in stand zijn gelaten. Integendeel: de inspecteur heeft in de pleitnota bevestigd dat in een geval waarin voor opting-in was gekozen, een naheffingsaanslag loonbelasting niet is gehandhaafd en ter zitting heeft de inspecteur bevestigd dat dat in meer (een concreet aantal) zaken is gebeurd en dat hij niet één zaak heeft kunnen vinden waarin de “opting-in” is geaccepteerd en naheffingsaanslagen in stand zijn gebleven. -Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat [S] en [Y] aanwezig waren bij besprekingen, onder meer op 26 september 2008, waarin is gezegd dat de naheffingsaanslagen loonbelasting geheel of gedeeltelijk van tafel zouden gaan als belanghebbende zou opteren. -De naheffingsaanslag is opgelegd in 2006 maar de uitspraak is pas gedagtekend 22 oktober 2008. Dat is 20 dagen nadat belanghebbende had aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid