Nr. 16/04436 Zitting: 20 maart 2018 Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 26 juli 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2014, de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd” en het onder 3 bewezenverklaarde “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij ABN AMRO geheel en van [A] B.V. gedeeltelijk toegewezen en een daarmee overeenkomende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging van een eerder door de rechtbank Rotterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken gelast. Er bestaat samenhang met de zaken 16/03963, 16/03980 en 17/01023. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het eerste middel 4.1. Het middel klaagt dat het medeplegen wat betreft de onder bewezenverklaarde (poging tot) diefstallen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. 4.2. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaard dat: “1. hij op 17 mei 2013 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muntenautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (6.359,20 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 2. hij op 13 mei 2013 te Harderwijk tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit muntenautomaten heeft weggenomen een geldbedrag (6.566,55 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; 3. hij op 27 mei 2013 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bank weg te nemen geld, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot die bank te verschaffen en dat weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders, met voornoemd oogmerk, - met een breekijzer een deur heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.” 5. hij in de periode van 26 april 2013 tot en met 29 april te Tilburg, tezamen in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muntenautomaat heeft weggenomen een geldbedrag (11.375 euro), toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.” 4.3. Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten, heeft het hof als nadere overweging opgenomen: “Er is onderzoek gedaan naar de verblijfplaats van de verdachte [verdachte]. Op basis van de door het hof gehanteerde bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat hij, net als zijn broer, [medeverdachte 2], bij zijn moeder aan [a-straat] te Tilburg verbleef. Dat hij op een ander adres zou verblijven is onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden.” 4.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof eveneens ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten, voor zover van belang, het volgende overwogen: “De Skoda Fabia, gekentekend [AA-00-BB], staat op naam van de moeder van de verdachte [medeverdachte 1]. De Volkswagen Polo, gekentekend [CC-00-DD], staat op naam van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]).” 4.5. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van feit 1, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. Op 16 mei 2013 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] samen met een andere man vier blauwe koevoeten aangeschaft, twee met een lengte van 51 en de andere twee met een lengte van 71 cm. In de nacht van 16 op 17 mei 2013 is in het kantoor van de ABN AMRO-bank in Rijen ingebroken door meerdere schuifdeuren te forceren, waarna een muntenautomaat middels een breekijzer is opengebroken en de daarin opgeborgen cassette met munten, tot een bedrag van €6.359,20, is leeggehaald. Op de camerabeelden die de diefstal hebben vastgelegd zijn twee personen te zien. Voorts is vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten die nacht in twee auto’s zijn gesignaleerd. Uit de gegevens die door plaatsing van een peilbaken op de Skoda Fabia zijn verkregen, blijkt dat de auto op 16 mei 2013 langs de verschillende verblijfadressen van de verdachte en zijn medeverdachten is gereden. Daarna rijdt de auto naar drie verschillende tankstations in Tilburg en omstreken, waar steeds ook de Volkswagen Polo stopt en direct na de Skoda Fabia wegrijdt. Op de camerabeelden van de eerste twee tankstations is te zien dat de verdachte in de Volkswagen Polo zit. Voorts zijn de beide auto’s kort achter elkaar dezelfde ARS-camera’s gepasseerd en door verschillende gemeentes in de omgeving gereden, waarbij steeds korte stops zijn geregistreerd in de nabijheid van filialen van de ABN AMRO bank. Beide auto’s zijn in de vroege morgen van 17 mei 2013 in Rijen aangekomen. De peilbakengegevens van de Skoda Fabia wijzen uit dat dit voertuig tussen 03:06 en 04:12 uur heeft stilgestaan zeer in de buurt van het ABN AMRO filiaal alwaar die nacht is ingebroken. Omstreeks 04:22 heeft de Skoda Fabia, met daarin tenminste drie personen, de gemeente Rijen weer verlaten en is langs de verblijfadressen van de verdachte en zijn medeverdachten gereden. Op het verblijfadres van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn op 11 juni 2013 twee zwarte trolleytassen aangetroffen met daarin drie blauwe breekijzers die naar hun uiterlijke verschijningsvormen overeenkomen met de eerder door [medeverdachte 1] aangeschafte breekijzers. Voorts vertonen de schoenen die de verdachte op de beelden van het eerste tankstation waar hij op 16 mei 2013 is gezien, gelijkenis met de schoenen van één van de personen die te zien is op de beelden van de diefstal bij het ABN AMRO filiaal op 17 mei 2013. Op het verblijfadres van medeverdachte [medeverdachte 4] zijn handschoenen aangetroffen die zeer grote gelijkenis vertonen met de handschoenen die te zien zijn op de beelden van de inbraak bij het ABN AMRO filiaal. 4.6. Het bestreden arrest bevat met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverweging: “Op basis van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte en de drie medeverdachten met twee verschillende auto's (de Skoda Fabia en de Volkswagen Polo) naar Rijen zijn gereden. Na de inbraak, omstreeks 04.22 uur, is gezien dat er in de Skoda Fabia ten minste drie personen zaten. Uit peilbakengegevens blijkt dat de Skoda Fabia vervolgens stil heeft gestaan nabij de woningen van alle verdachten, dan wel in de nabije omgeving van die woningen heeft gereden. Op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat alle vier de verdachten inzittende waren van de Skoda Fabia, op het moment dat deze na de inbraak van Rijen naar Tilburg reed.” 4.7. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof ten aanzien van feit 2, voor zover van belang, het volgende vastgesteld. In de nacht van 12 op 13 mei 2013 is er in het filiaal van de ABN AMRO-bank in Harderwijk ingebroken door middel van het forceren van een raam met een breekvoorwerp, waarna de muntenautomaten geforceerd zijn en munten en biljetten zijn weggenomen tot een bedrag van €6.566,55. Op de camerabeelden is te zien dat twee personen zich met een zogenaamde tijgersluipgang voortbewegen over de grond, elk een tas voor zich uit schuivend. Uit de peilbakengegevens blijkt dat de Skoda Fabia in de avond van 12 mei 2013 naar Harderwijk is gereden, na stilgestaan te hebben bij de verblijfadressen van de verschillende verdachten. Op het moment van de inbraak staat de auto stil op 200 meter van de plaats delict. Daarna wordt wederom stilgestaan op de verblijfadressen van de verschillende verdachten in de gemeente Tilburg. Uit ARS-gegevens blijkt dat de Volkswagen en de Skoda Fabia kort achter elkaar dezelfde camera’s gepasseerd zijn, zowel op de heenweg naar als op de terugweg vanaf Harderwijk. Voorts is op 13 mei 2013 een bedrag van €553,01 aan muntgeld gestort op de rekening op naam van medeverdachte [medeverdachte 1]. Op de rekening van de moeder van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is rond dezelfde datum een bedrag van €563,50 aan muntgeld gestort. Daarnaast zijn in de woning van de twee laatstgenoemde verdachten bewijzen van aankopen op 13 mei 2013 aangetroffen, met een totale waarde van €2.154,00. Tot slot zijn de verdachten op 28 mei in een andere auto aangetroffen. Bij doorzoeking van die auto werd een briefje gevonden met daarop vier adressen van filialen c.q. pinautomaten van de ABN AMRO bank, waaronder het filiaal in Harderwijk waar de onder 2 tenlastegelegde inbraak heeft plaatsgevonden. 4.8. Voorts heeft het hof als nadere overweging met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde het volgende opgenomen in de bewijsoverwegingen: “Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat het bedrag aan muntgeld dat op de dag van de inbraak op de rekening van de verdachte [medeverdachte 1] is gestort ongeveer één vierde deel betreft van het bij de inbraak in Harderwijk weggenomen muntgeld. Ook het bedrag aan muntgeld dat een dag na de inbraak is gestort op de rekening van de moeder van de verdachten [medeverdachte 2 en 3] betreft ongeveer één vierde deel van het weggenomen muntgeld. Mede op basis hiervan gaat het hof ervan uit dat één van de beide verdachten [medeverdachte 2 en 3] de buit in bewaring aan zijn moeder heeft gegeven en dat de inbraak gelet op de verdeling van de buit door vieren ook door vier personen is gepleegd. Het hof stelt voorts vast dat bij de onder 2 ten laste gelegde inbraak een werkwijze is gevolgd die opvallende gelijkenissen vertoont met de werkwijze die is gevolgd bij de onder 1 ten laste gelegde inbraak. Daarmee is er sprake van een overeenkomende modus operandi (bestaande uit het kraken van (een) muntenautoma(a)t(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.