Zaaknr: 18/00425 mr. P. Vlas Zitting: 23 maart 2018 Conclusie (art. 80a RO) inzake: [verzoeker] tegen Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst) 1Feiten en procesverloop 1.1 Het verzoek van [verzoeker] (hierna: verzoeker) tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) bereikt de Hoge Raad thans voor de derde maal. In een eerdere procedure naar aanleiding van een op 9 mei 2007 ingediend verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap heeft de Hoge Raad bij beschikking van 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8282, de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 februari 2012 vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Den Haag. Nadat het hof op 18 juni 2014 (verbeterd bij beschikking van 1 oktober 2014) uitspraak heeft gedaan en de beschikking van de rechtbank heeft bekrachtigd, is door verzoeker beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2744, het beroep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. 1.2 Op 9 september 2016 heeft verzoeker zich andermaal tot de rechtbank gewend met een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat hij thans kan aantonen dat hij niet is erkend door [betrokkene 1] en dat er dus tussen hem en [betrokkene 1] geen familierechtelijke betrekkingen bestaan, zodat hij op 6 mei 2002 rechtsgeldig is erkend door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), die de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoeker heeft ter staving van zijn stelling een verklaring van [betrokkene 1] van 20 oktober 2015 overgelegd, een verklaring van zijn moeder van 25 augustus 2017 en een verklaring van [betrokkene 2] van 26 augustus 2017. 1.3 Bij beschikking van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. Verzoeker heeft tegen de beschikking (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. 1.4 Voor de feiten van de zaak kan worden verwezen naar de weergave daarvan door de rechtbank in de bestreden beschikking (p. 2) en naar hetgeen de Hoge Raad in rov. 3.1 van zijn beschikking van 5 april 2013 heeft overwogen. 1.5 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen zich aan de beslissing van het hof van 18 juni 2014 en van de Hoge Raad van 18 september 2015 gebonden te achten, tenzij sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat deze beslissingen geen stand houden. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoeker overgelegde verklaringen van [betrokkene 1], van de moeder van verzoeker en van [betrokkene 2], niet kunnen worden gezien als nieuwe feiten waardoor de beslissing van het hof van 18 juni 2014 geen stand kan houden. Aan de omstandigheid dat [betrokkene 1] is vermeld als vader in de geboorteakte van verzoeker is niets veranderd en uit de overgelegde verklaring van de moeder volgt niet dat [betrokkene 1] niet de vader van verzoeker is. Deze beide omstandigheden zijn voldoende om het juridisch vaderschap van [betrokkene 1] naar Ghanees recht aan te nemen. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van het hof dat de omstandigheden dat er geen naamgevingsceremonie naar Ghanees recht heeft plaatsgevonden en dat [betrokkene 1] verzoeker niet heeft onderhouden of verzorgd, aan dit oordeel niet afdoen, evenmin als de omstandigheid dat [betrokkene 1] in zijn naturalisatieprocedure heeft aangegeven geen kinderen te hebben. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het verzoekschrift tot cassatie bevat, na een inleiding (onder 1) en een weergave van de bestreden overwegingen en beslissing (onder 2), een aantal klachten. Het middel (onder 3) betoogt dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste lezing dan wel een onjuist begrip van de beschikking van het hof van 18 juni 2014 en daardoor feitelijke grondslag mist. Volgens het middel is in de beschikking van het hof niet vastgesteld dat de twee door de rechtbank genoemde omstandigheden, te weten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.