Zaaknr: 17/04113 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 25 mei 2018 Conclusie inzake:
(27)producties van 1 september 2015 (zie ook rov. 3.3 e.v. van het bestreden arrest). Zie de brief van mr. Berkhout van 16 september 2015, p. 5, A-dossier onder 15, en het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 23 september 2015, p.
- Zie de brief van mr. Gasseling van 18 november 2015, A-dossier onder
- Zie de brief van mr. Berkhout van 20 november 2015, A-dossier onder
- Zie de handgeschreven rolbeslissing van 20 november 2015, A-dossier onder
- De procesinleiding in cassatie is op 23 augustus 2017 ingediend in het portaal van de Hoge Raad. De procesdossier stemmen niet geheel overeen. In het A-dossier ontbreken de memorie van antwoord in zaak 200/156/553/01 (zie B-dossier onder 6a), de begeleidende brief van mr. Gasseling van 8 september 2015 bij de ‘akte onder meer inhoudende overlegging stukken’ en p. 44 van productie A (het advies inzake geschil [eiser 1]/BDO van prof. mr. J.M. van Dunné van 1 september 2015) bij deze akte (zie beide B-dossier onder 10). In het B-dossier ontbreken, naast (enkele tientallen) pagina’s van productie 25 bij akte overlegging producties van 8 juli 2014 bij gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem (zie B-dossier onder 2a, de overgang van map 1 naar map 2), de brieven van de advocaten van onderscheidenlijk BDO en [eisers] aan het gerechtshof Amsterdam van 2 maart 2015 (zie A-dossier onder 8 en 9) en van de advocaat van [eisers] aan het gerechtshof Amsterdam van 24 maart 2015 (zie A-dossier onder 10). Als productie bij de incidentele memorie tot verwijzing en voeging van BDO (zie B-dossier onder 3) zijn, achter de inleidende dagvaarding voor het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, tevens nogmaals de daarbij behorende producties gevoegd. Zie onder 18 in het A-dossier en onder 15 in het B-dossier. Zie onder 19 in het A-dossier en onder 16 in het B-dossier. Zie laatstelijk HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:221, NJ 2018/103, rov. 3.4.1 en de conclusie van A-G Vlas vóór dit arrest onder 2.
- Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/209, met verwijzing naar o.m. HR 3 november 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB3661, NJ 1973/146 en HR 15 oktober 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4948, NJ 1977/57 m.nt. W.H. Heemskerk, beide met betrekking tot de omvang van het hoger beroep; Snijders & Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/137 en Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4) 2017/
- Zie de s.t. van BDO, onder 18 en
- Vgl. ook onder 31 e.v., waarin BDO ingaat op het door [eisers] aan hun klachten ten grondslag gelegde recht om te reageren op de antwoordakte van BDO. Zie onder 19 in het A-dossier en onder 17 in het B-dossier. Vgl. p. 3 van de procesinleiding, voorlaatste alinea en de s.t. van BDO, onder
- De lezing van BDO (“dient te mogen reageren”) komt mij aannemelijker voor dan die van [eisers] (“verdient te mogen reageren”). Kortheidshalve verwijs ik naar mijn conclusie vóór HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405 m.nt. G.R. Rutgers, onder 2.9 met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur. Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p.
- Zie hierover ook Ten Kate & Wesseling-van Gent, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (BPP nr. 5) 2013/I.9.2 onder a; P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, GS Burgerlijke Rechtsvordering 2017, art. 385 Rv, aant. 1.
- Zie Parl. Gesch. Arbitragewet 2015/I.80.
- Zie hierover ook P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt a.w., aant. 1.1; G.J. Meijer, T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2018, art. 1068 Rv, aant. 4 onder d. Zie art. 1068 lid 3 Rv. Zie o.m. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/1.2.4; P. Smits, Artikel 6 en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.2 en 3.3, in het bijzonder 3.3.3.2; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/303; C.J.M. Klaassen, ‘Het recht op pleidooi, mede in het licht en zicht van ‘KEI’: een terug- en vooruitblik’, AA 2016/3, p. 185-
- Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p.
- Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p.
- In de daarop volgende nota van wijziging is o.m. het volgende opgemerkt: “De beperkingen die in het wetsvoorstel aanvankelijk waren opgenomen, zijn op zodanige bezwaren gestuit dat aanpassing wenselijk is. Naar de gewijzigde redactie wordt aan partijen desverlangd steeds gelegenheid voor pleidooien gelaten, voordat de rechter over de zaak beslist. De enige uitzondering op deze regel is wanneer de zaak naar het oordeel van de rechter na een comparitie na antwoord kan worden beslist en partijen zich ter comparitie in voldoende mate mondeling over de zaak hebben kunnen uitlaten.” Zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p.
- Zie HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, NJ 1997/341 m.nt. H.J. Snijders (Boumans/’t Plenkske II), rov. 2.2 e.v.; HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3669, NJ 2002/514 m.nt. W.D.H. Asser; HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463, NJ 2004/2 m.nt. W.D.H. Asser, JBPr 2003/6 m.nt. A. Knigge (ANP/Spruijt); HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7676, NJ 2003/567, JBPr 2003/58 m.nt. K. Teuben; HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0831, NJ 2004/3, JBPr 2004/10 m.nt. K. Teuben. Zie HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575 (Waarborgfonds Motorverkeer/X), rov. 3.4.
- Vgl. ook HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8513, NJ 2012/76 (Weef e.a./Banque Artesia), rov. 3.3.1 e.v.; HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012/77 (X/Verster q.q.), rov. 3.2.1 e.v.; HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2867, RvdW 2013/670 (Transavia/X), rov. 2.5.2; HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4124, NJ 2013/126 (Bureau Pals/X), rov. 3.4; HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 m.nt. W.D.H. Asser (Verhoeven e.a./Staat), rov. 3.4.
- Zie laatstelijk HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, NJ 2018/16, JIN 2018/17 m.nt. C.S.G. Janssens, rov. 3.3.
- Daarop heeft BDO gewezen, o.a. in haar hiervoor onder 2.5 geciteerde brief van 20 november 2015 en haar s.t. onder 31-
- Zie A-dossier onder
- Zie de antwoordakte van BDO van 10 november 2015, onder 1-2 (B-dossier onder 14). Zie de s.t. van BDO, onder
- Vgl. ook HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012/77 (X/Verster q.q.), rov. 3.2.3.