Nr. 17/00277 P Zitting: 29 mei 2018 Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [betrokkene] Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 6 januari 2017 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 127.113,80 en aan hem de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 72.000,00. Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van een aantal getuigen heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen. De betrokkene is in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak bij arrest van 17 april 2014 veroordeeld voor – kort samengevat – het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne en het witwassen van een geldbedrag van € 54.185,-, beide feiten gepleegd in de periode van 1 november 2010 tot en met 30 mei 2011. Bij uitspraak van 16 juni 2014 heeft de rechtbank Gelderland aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd. Namens de betrokkene is op 24 juni 2014 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De raadsvrouwe van de betrokkene heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 27 juni 2014 verzocht een aantal getuigen te (doen) horen. Zij heeft dit verzoek als volgt onderbouwd: “4. In ieder geval wenst de verdediging te horen de navolgende getuigen: - [getuige 1] betreffende het betalen van zijn rekeningen - [getuige 2] betreffende de geboekte vluchten middels de visacard - [getuige 3] betreffende de stortingen van 4 februari 2009 - [getuige 4] betreffende de voorgeschoten bedragen - [getuige 5] betreffende de geboekte vluchten middels de visacard - De ouders van [betrokkene 1] betreffende de geboekte vluchten middels de visacard - [getuige 6] betreffende de machines en de partijhandel.” 6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2015 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het verzoek heeft herhaald met de volgende motivering: “Ik handhaaf alle gedane getuigenverzoeken en voeg daar nog twee getuigen aan toe, namelijk [getuige 7] en [getuige 8] . Ik verzoek het hof dus om de volgende getuigen te horen: 1. [getuige 1] , betreffende het lenen van geld van mijn cliënt die hij later in contacten aan cliënt heeft terugbetaald; 2. [getuige 2] , om hem als collega van cliënt te horen over de inkomsten van cliënt uit het horecawerk; 3. [getuige 3] , betreffende de stortingen van 4 februari 20009; 4. [getuige 4] , betreffende de voorgeschoten bedragen door cliënt; 5. [getuige 5] , over het horecawerk, voorgeschoten bedragen, partijhandel en geldleningen in contanten; 6. vader van [betrokkene 1] , betreffende de geboekte vluchten middels de visacard en betalingen die cliënt voor hem gedaan heeft; 7. moeder van [betrokkene 1] , betreffende de geboekte vluchten middels de visacard en betalingen die cliënt voor haar gedaan heeft; 8. [getuige 6] , betreffende de machines en de partijhandel; 9. [getuige 7] , over de horecawerkzaamheden en de autohandel van cliënt; 10. [getuige 8] , als directe collega van cliënt over de horecawerkzaamheden.” 7. In een conclusie van antwoord van 7 april 2015 heeft de raadsvrouwe van de betrokkene het getuigenverzoek als volgt nader onderbouwd: “Verder dient de reeds in eerste aanleg ingediende conclusie van antwoord hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In die conclusie van antwoord staat vermeld waarom de verdediging de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en de vader van [betrokkene 1] wenst te horen (bijlage 1). (…) De rechtbank heeft geschat dat cliënt 9 auto’s heeft verkocht met de gemiddelde winst van 1510,- euro per auto en dat dus de totale inkomsten uit de autohandel 13.590,- euro zijn. Volgens cliënt zijn de inkomsten uit de autohandel vele malen hoger en hij schat dat hij voor 9 voertuigen (auto’s en busjes) ongeveer al rond de 20.000 euro heeft verdiend. Het betreft dan de voertuigen die cliënt naar Marokko heeft gereden en daar vervolgens heeft verkocht maar ook personenauto’s die cliënt in Nederland heeft verhandeld. Ter ondersteuning van zijn verklaring hieromtrent kan [getuige 7] worden gehoord. Hij kan de verklaring van cliënt ten aanzien van de hoeveelheid voertuigen en winst bevestigen omdat cliënt zich samen met hem bezighield met de invoer van voertuigen. (…) De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat cliënt contact uitbetaald heeft gekregen toen hij in de horeca werkte nu dit niet nader is onderbouwd en dit evenmin wordt bevestigd door zijn toenmalige werkgever. De verdediging wenst op te merken dat het uiteraard voor een werkgever niet prettig is, gelet op de eigen positie, om te verklaren dat daadwerkelijk ‘zwart’ aan cliënt zou zijn uitbetaald. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit wel degelijk is gebeurd en schat het bedrag dat met de horecawerkzaamheden is verdiend op 84.000 euro. In het kader is van belang dat cliënt gemiddeld 5 dagen per week heeft gewerkt en 70 euro per dag kreeg uitbetaald. Cliënt verdiende dus ongeveer 1400 euro per maand dus 16.800 euro per jaar. Dit bedrag komt dus niet overeen met het bedrag dat is doorgegeven aan de belastingdienst. Alleen al vanaf 2006 t/m 2010 heeft cliënt dus 5 x 16.800 = 84.000 euro verdiend. Dit komt dus helemaal niet overeen met bedrag van 24.983 euro dat door de werkgevers is opgegeven bij de belastingdienst. Cliënt heeft dus al 59.017 euro meer verdiend dan tot op heden is aangenomen. Cliënt kreeg slechts loonspecificaties wanneer hij dat vroeg aan zijn werkgever. Hij kreeg dus een gedeelte op zijn rekening gestort en een gedeelte cash. Met andere woorden hij verdiende meer dan op de loonspecificatie staat vermeld. Bovendien blijkt uit bijgevoegde bijlage dat cliënt eveneens als bedrijfsleider stond vermeld op de vergunning. Cliënt meent zich te herinneren dat één van de eisen voor de verkrijgen van de vergunning mede op zijn naam een fulltime dienstverband was (bijlage 2). De verdediging wenst te horen een aantal oud collega’s van cliënt te weten: - [getuige 2] - [getuige 8] - [getuige 7] Zij kunnen bovenstaande bevestigen en ook verklaren betreffende hun eigen ervaring in het kader van de uitbetaling van het salaris. (…) Met andere woorden primair meent de verdediging dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel en dat daarom de vordering dient te worden afgewezen, subsidiair meent de verdediging dat sprake is van een ongerechtvaardigde toepassing van de kasopstellingsmethode, toerekening van de aan de relatie van cliënt gerelateerde financiën en de afwezigheid van enigerlei onderliggend aanwijsbaar voordeelsfeit en dat dus daarom de vordering dient te worden afgewezen, althans over dient te worden gegaan tot het horen van de navolgende getuigen. - [getuige 7] betreffende de autohandel en horecawerkzaamheden - [getuige 9] betreffende de partijhandel - [getuige 6] betreffende de machines en de partijhandel - [getuige 8] betreffende de horecawerkzaamheden - [getuige 2] betreffende de verrichte arbeid door cliënt in 2006 - [getuige 10] betreffende de verrichte arbeid door cliënt arbeid in 2006.” 8. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2016 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het volgende heeft aangevoerd over de schriftelijke onderbouwing van het verzoek tot het horen van de hiervoor genoemde getuigen: “Tijdens de laatste zitting werd gevraagd bij welk bedrag de advocaat-generaal wilde blijven. Ik kreeg daarop een knorrig antwoord. Daarom heeft de verdediging gepersisteerd bij haar onderzoekswensen. Deze onderzoekswensen zijn vervolgens schriftelijk onderbouwd. De onderbouwing is echter vrij summier, dat komt omdat de standpunten en verzoeken van cliënt moeilijk schriftelijk zijn te onderbouwen. Cliënt kan zijn stellingen alleen onderbouwen door getuigen te horen. Bijvoorbeeld met betrekking tot de autohandel. De standpunten van de verdediging en van de advocaat-generaal met betrekking tot de vraag hoeveel cliënt daaraan heeft verdiend, verschillen. Cliënt kan dat verschil niet schriftelijk verklaren, maar dit kan wel door middel van het horen van getuigen. [getuige 7] kan verklaren over de hoeveelheid auto’s en de gemaakte winst. (…) [getuige 6] kan verklaren dat hij samen met cliënt machines vanuit Duitsland naar Marokko heeft gebracht en die daar met winst heeft verkocht. Cliënt kan dit niet schriftelijk onderbouwen, maar deze getuige kan daar wel over verklaren. (…) Met betrekking tot de inkomsten uit het horecawerk zit er een groot gat tussen wat de rechtbank vaststelt en wat cliënt zegt dat hij heeft verdiend. Cliënt heeft een groot gedeelte van die inkomsten zwart verdiend. Het is daarom niet verwonderlijk dat daar geen schriftelijke stukken van zijn. Cliënt wil zijn inkomsten aantonen dan wel aannemelijk maken door drie getuigen te horen, te weten: [getuige 8] , [getuige 2] en [getuige 10] . (…) Resumerend verzoekt de verdediging dus om het horen van vijf getuigen.” 9. Voorts heeft de raadsvrouwe in een aanvullende conclusie van antwoord van 22 augustus 2016 het volgende aangevoerd: “De verdediging meent primair dat de vordering van het OM dient te worden afgewezen omdat cliënt geen gelden heeft ontvangen die middellijk dan wel onmiddellijk uit misdrijf afkomstig zijn. Cliënt heeft dus op geen enkele wijze wederrechtelijk voordeel verkregen. (…) Subsidiair Subsidiair meent de verdediging dat sprake is van een ongerechtvaardigde toepassing van de kasopstellingsmethode, toerekening van de aan de relatie van cliënt gerelateerde financiën en de afwezigheid van enigerlei onderliggend aanwijsbaar voordeelsfeit en dat dus daarom de vordering dient te worden afgewezen, althans over dient te worden gegaan tot het horen van navolgende getuigen. - [getuige 7] betreffende de autohandel en horecawerkzaamheden - [getuige 9] betreffende de partijhandel - [getuige 6] betreffende de machines en de partijhandel - [getuige 8] betreffende de horecawerkzaamheden - [getuige 2] betreffende de verrichte arbeid door cliënt in 2006 - [getuige 10] betreffende de verrichte arbeid door cliënt arbeid in 2006.” 10. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 november 2016 blijkt dat de raadsvrouwe het getuigenverzoek (in voorwaardelijke zin) heeft herhaald. Zij heeft aan dit verzoek het volgende ten grondslag gelegd: “Als het hof van oordeel is dat mijn cliënt wederrechtelijk voordeel heeft genoten, dan verzoek ik alsnog om de opgegeven getuigen te horen. Het gaat met name om de verdiensten uit de horecawerkzaamheden. De werkgever gaat in een verhoor natuurlijk niet zeggen dat hij iemand zwart heeft uitbetaald. Dus moet het aangetoond worden door middel van andere getuigen. De andere werknemers kunnen erover verklaren. Het betreft dus een voorwaardelijk verzoek om de vijf getuigen te horen die ik op 10 juni 2016 heb opgegeven.” 11. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de gevraagde getuigen in de bestreden uitspraak afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen: “Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen Bij appelschriftuur van 27 juni 2014 heeft de raadsvrouw verzocht tot het horen van de volgende getuigen: [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , de ouders van [betrokkene 1] en [getuige 6] . De verdediging heeft tijdens de regiezitting van 4 maart 2015 gepersisteerd bij de getuigenverzoeken en heeft er nog twee getuigen aan toegevoegd, te weten [getuige 7] en [getuige 8] . Het hof heeft de verdediging voorts in de gelegenheid gesteld een nadere onderbouwing te geven van de getuigenverzoeken. In de conclusie van antwoord van 7 april 2015 heeft de raadsvrouw aangegeven dat zij bij nader inzien als getuigen wil horen: [getuige 7] , [getuige 9] , [getuige 6] , [getuige 8] , [getuige 2] en [getuige 10] . Ter terechtzitting van 10 juni 2016 heeft de verdediging verzocht om vijf getuigen te horen en af te zien van de andere getuigen. Het betreft: [getuige 7] , [getuige 6] , [getuige 8] , [getuige 2] en [getuige 10] . Door de raadsvrouw is ter terechtzitting van 25 november 2016 verzocht om - indien het hof van oordeel is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten - haar eerdere verzoek tot het horen van de vijf genoemde getuigen te honoreren. Het verzoek tot het horen van [getuige 2] en [getuige 6] dient beoordeeld te worden aan de hand van het verdedigingscriterium nu deze tijdig bij appelschriftuur zijn opgegeven. De andere getuigenverzoeken dienen beoordeeld te worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium nu deze niet tijdig bij appelschriftuur zijn opgegeven. Het hof heeft bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor een deel rekening gehouden met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de legale inkomsten uit autohandel en de partijhandel van veroordeelde. Daarover wenste de raadsvrouw [getuige 6] en [getuige 7] te horen. Voor zover door het hof rekening is gehouden met de door de verdediging aangegeven legale inkomsten uit de partij- en autohandel, is niet voldaan aan de voorwaarde van het verzoek van de verdediging deze getuigen hierover nog te horen. Voor zover veroordeelde hogere legale inkomsten heeft genoemd dan waar door het hof rekening mee is gehouden, acht het hof het verzoek onvoldoende onderbouwd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat veroordeelde geld heeft verdiend door in de horeca te werken. Daarover wenst zij [getuige 2] , [getuige 10] , [getuige 7] en [getuige 8] te horen. Het hof is van oordeel dat er geen begin van aannemelijkheid is dat veroordeelde in de horeca heeft gewerkt. Het hof acht het verzoek tot het hierover horen van de getuigen [getuige 10] , [getuige 7] , [getuige 8] en [getuige 2] onvoldoende onderbouwd. Gelet op het vorenstaande wijst het hof de verzoeken tot het horen van de getuigen af.” 12. De steller van het middel beklaagt zich over de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen, voor zover deze zouden kunnen verklaren over de partij- en autohandel en de horecawerkzaamheden van de betrokkene. Ik neem aan dat de steller van het middel doelt op de getuigen die het hof bij de afwijzing van de desbetreffende getuigenverzoeken heeft genoemd, te weten [getuige 6] en [getuige 7] (partij- en autohandel) en [getuige 2] , [getuige 10] , [getuige 7] en [getuige 8] (horecawerkzaamheden). 13. Niet in geschil is dat het hof bij de beoordeling van de getuigenverzoeken de juiste maatstaven heeft aangelegd, te weten – ten aanzien van [getuige 2] en [getuige 6] – of de betrokkene door het afzien van de oproeping van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad en ten aanzien van de overige getuigen of de noodzaak van het horen als getuige is gebleken. Het middel is toegesneden op de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek. Uiteindelijk gaat het in cassatie om de vraag of de beslissing van het hof begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. 14. Gelet op het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en de in dat verband geldende bewijslastverdeling kan de rechter die in een ontnemingsprocedure voor de vraag wordt gesteld of door het niet horen van een door de verdediging verzochte getuige de betrokkene redelijkerwijs in zijn verdediging kan worden geschaad, in zijn oordeel mede betrekken of het desbetreffende verzoek van de verdediging - in het licht van de door het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens - voldoende is onderbouwd. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het openbaar ministerie in het licht van de van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht. Van de verdediging kan al met al worden verlangd dat zij concreet en gemotiveerd aanvoert waarom de getuigen die zij wil horen bewijs zouden kunnen leveren voor haar stelling dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkter is geweest dan in de berekening die het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. 15. In het licht van hetgeen de verdediging in de onderhavige zaak heeft aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek [getuige 6] en [getuige 7] als getuigen over de partij- en autohandel te horen, is de afwijzing van het hof op de grond dat voor zover door het hof rekening is gehouden met de door de verdediging aangegeven legale inkomsten uit de partij- en autohandel, niet is voldaan aan de voorwaarde van het verzoek van de verdediging deze getuigen hierover nog te horen en voor zover de betrokkene hogere legale inkomsten heeft genoemd dan waar het hof rekening mee heeft gehouden het verzoek onvoldoende is onderbouwd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat het hof heeft overwogen dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gedeeltelijk rekening wordt gehouden met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de legale inkomsten uit de autohandel en partijhandel. Voorts neem ik in aanmerking dat de verdediging aan het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 6] slechts ten grondslag heeft gelegd dat hij samen met de betrokkene machines vanuit Duitsland naar Marokko heeft gebracht en die daar met winst heeft verkocht, zonder nader uiteen te zetten waarom [getuige 6] concreet bewijs zou kunnen leveren voor de stelling dat het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkter is geweest dan in de berekening die het openbaar ministerie aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Bovendien heeft de verdediging in dit verband aangegeven dat enige schriftelijke onderbouwing door de betrokkene van het voorafgaande niet mogelijk is. Wat de getuige [getuige 7] betreft, heeft de verdediging aan het getuigenverzoek ten grondslag gelegd dat hij de verklaring van de betrokkene ten aanzien van de hoeveelheid voertuigen en winst kan bevestigen omdat de betrokkene zich samen met hem bezighield met de invoer van voertuigen. De enkele stelling dat de betrokkene zich samen met de getuige [getuige 7] bezighield met de invoer van voertuigen heeft het hof kennelijk als een te beperkte onderbouwing beschouwd, omdat hieruit niet volgt dat de deze getuige zou kunnen aantonen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel lager zou zijn dan door het openbaar ministerie is ingeschat. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de betrokkene zelf enkel heeft verklaard dat de inkomsten uit autohandel hoger zijn dan de rechtbank heeft geschat en dat hij zelf “schat” dat hij “ongeveer al rond 20.000 euro” heeft verdiend. 16. Voor zover het de getuigen betreft die volgens de verdediging zouden kunnen verklaren over het horecawerk van de betrokkene, kom ik tot een andere conclusie. Het hof legt aan de afwijzing ten grondslag dat er geen begin van aannemelijkheid is dat de betrokkene in de horeca heeft gewerkt. Begrijpelijk vind ik dat niet. De verdediging heeft bij haar conclusie van 7 april 2015 een op naam van de betrokkene gestelde Drank- en Horecawetvergunning ten aanzien van pizzeria [A] gevoegd. Daarop staat ook vermeld de naam van [getuige 5] , naar ik aanneem dezelfde persoon van wie de verdediging in de appelschriftuur de oproeping als getuige heeft verzocht. In de conclusie van repliek van 18 april 2014 heeft het openbaar ministerie bij de bespreking van horecawerkzaamheden vermeld dat “ [getuige 5] ” ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat de betrokkene wel eens contant een voorschot op zijn salaris kreeg. De rechtbank heeft in de uitspraak in eerste aanleg geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene “zijn werk uit de horeca” contant uitbetaald kreeg, omdat dit niet nader is onderbouwd en evenmin wordt bevestigd door de werkgever van de veroordeelde, met wie kennelijk is gedoeld op de eerder genoemde [getuige 5] . 17. In het licht van het voorafgaande, acht ik de afwijzing van de bedoelde getuigenverzoeken op de grond dat er geen begin van aannemelijkheid is dat de betrokkene in de horeca heeft gewerkt niet begrijpelijk. De overweging dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd, kan de afwijzing van het verzoek evenmin dragen, mede in aanmerking genomen dat deze kennelijk voortbouwt op de niet begrijpelijke overweging dat er geen begin van aannemelijkheid is dat de betrokkene in de horeca heeft gewerkt. Voorwerp van het gewenste onderzoek zijn de gestelde betalingen uit horecawerkzaamheden, waarvan niet kan worden volgehouden dat deze als zodanig niet van belang kunnen zijn voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft aangevoerd dat de getuigen oud-collega’s van de betrokkene zijn, dat zij kunnen bevestigen dat de betrokkene zijn loon gedeeltelijk zwart kreeg uitbetaald en dat zij kunnen verklaren over hun eigen ervaringen in het kader van de uitbetaling van het salaris. In het licht van enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen, acht ik het bestreden oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. 18. Het middel slaagt. 19. Het tweede middel bevat de klacht dat de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel onbegrijpelijk is, aangezien het hof in de kasopstelling heeft betrokken dat de politie een bedrag van € 111.421,10 aan contant geld in de woning van de betrokkene heeft aangetroffen, terwijl de betrokkene in de strafzaak onherroepelijk is vrijgesproken van het witwassen van een gedeelte van dit geldbedrag. 20. De betrokkene is in de aan de ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1) en het medeplegen van witwassen (feit 2). Onder 2 was aan de betrokkene ten laste gelegd dat: “hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van november 2010 tot en met 30 mei 2011, te Ede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (onder meer) een of meer voertuigen (waaronder een Dodge Caliber, kenteken [AA-00-BB] en/of een Volkswagen Polo, kenteken [CC-00-DD] ) en/of een geldbedrag van Euro 111.428,78, althans contant geld ter waarde van ongeveer Euro 110.000,-, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.